ZONDAG 3.

6. Vraag. Heeft dan God den mensch alzoo boos en verkeerd geschapen?


Antwoord. Neen Hij; maar God heeft den mensch goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid, opdat hij God Zijnen Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zoude, om Hem te loven en te prijzen.


10. Geen theodicee.

Van den heiden, den natuurlijken mensch, hoorden we, dat hij niet-excusabel is; d.w.z. niet te verontschuldigen. Van God, wiens vijand hij van nature is, geldt nu evenwel niet, dat Hij door ons wèl-excusabel bevonden is. Neen — in zichzelf staat Hij voor het geloof boven dat niveau, waarop menschen onderling kunnen twisten over de vraag: schuldig, dan wel onschuldig? Wèl kan God zichzelf op dit niveau begeven, en door een „vrijwillige condescensie”, zooals onze vaderen dat herhaaldelijk uitdrukken, d.i. door een vrijwillig zich naar ons toebuigen, zijn doen en laten aldus ons blootleggen, dat het binnen onze beoordeeling komt te vallen, en dat zijn gerechtigheid en zuiverheid zich, maar dan natuurlijk achteraf, en alleen aan de hand van Gods eigen Woord, door ons laat betoogen. Dàt kan. Maar dàt is dan ook de eenige mogelijkheid eener „theodicee”, d.w.z. van een menschelijk betoog ten gunste van de rechtvaardigheid Gods, van zijn zondeloosheid, zijn heiligheid, óók ten overstaan van al de ellende, die in deze wereld is. Een gegeven theodicee, dàt kan; àls men tenminste, wat wij liefst zouden ontraden, van dit overbelaste woord zich bedienen wil. Maar een oorspronkelijke, een „spontane”, een door onze rede zelf in „vrijheid” ontwòrpen „theodicee”, dàt kan niet. Want onze op zichzelf aangewezen rede, of een dááraan „ontsproten” theodicee rechtvaardigt God niet. Waarom niet? Om de eenvoudige reden, dat Hij zelf rechter is over ònze overleggingen, en dat derhalve niet wij rechter zijn over de zijne. En den mènsch rechtvaardigt zulk een theodicee evenmin. Zijn schuld maakt ze integendeel nog dagelijks meerder. Want, is er wel een hoogmoediger bedrijf, dan dit, dat de mensch zich opwerpt tot advocaat van God? Wat zou de gepruikte Lord, die in Engeland den rechterstoel |152| bekleedt, er van zeggen, als een straatboef voor de balie een betoog begon ten bewijze, dat His Lordship heusch nog zoo slecht niet is? En toch is de verhouding tusschen rechter en schurk nog volmaakt anders dan die tusschen God en den zondaar.

Als dan ook in den Catechismus op de vraag, of God nu de eigenlijke auteur van al dat kwaad in de wereld is, met een krachtig neen geantwoord wordt, dan is datneengéénconclúsie” van een geleerd door een zichzelf vertrouwende rede opgebouwd betoog. Het is alleen maar de uitspraak van een geloofsvóóroordeel. Geen rede-vooroordeel, geen „apriori”, noch als aangeboren, noch als gewrocht door een algemeen getuigenis des Heiligen Geestes aangaande de hoogste autoriteit te denken. Neen, het is een geloofs-vooroordeel; d.w.z. wel een oordeel, en ook wel „conclusie” van een syllogisme, doch dan van zulk een, waarbij èn de „maior” èn de „minor” beide uitsluitend aan Gods eigen Woordopenbaring zijn te danken.

Het is goed, scherp acht te geven op deze dingen. Het probleem der „theodicee” heeft van ouds met name de wijsbegeerte bezig gehouden. Maar doorgaans verstond men onder „theodicee” iets ànders dan het woord eigenlijk zeggen wil. Theo-dicee beteekent letterlijk, dat God gerechtvaardigd wordt. In de filosofie evenwel wil het woord vaak uitdrukken, dat de Godsidee gerechtvaardigd wordt, of een bepaald Gods-begrip. De één noemt theodicee een concordantie tusschen het feit van het kwaad, dat in de wereld is, ter eener, èn de „idee” (!) der volkomenheid der godheid, of der al-eenheid ter anderer zijde. De ander wil de theodicee tot een sluitend betoog maken, waarin de hoogste wijsheid of rechtvaardigheid van den wereldschepper, den bouwheer des heelals, doeltreffend kan verdedigd worden tegen de aanklacht, welke de rede op grond van het ondoelmatige en onzinnige in de wereld inbrengt tegen deze wijsheid.

Maar al zulke „spontane”, d.w.z. door de „vrije”, „souvereine” rede zèlf ontworpen theodicee is in den grond niets anders dan een kringeling van den „redelijken mensch” om zichzelf. God immers is wat anders dan eenige Gods-idee. ’t Zou best kunnen zijn, en, wat meer zegt, het is ook metterdaad zoo, dat de metaphysische godsidee, en heel de idee-filosofie zelf verzoening met den levenden God dringend behoeft. Zij zelf is gebleken één der „kwaden”, waaronder de wereld gebukt gaat. En wat die „aanklacht” van òns betreft, ingebracht tegen Gods wijsheid of rechtvaardigheid, wie geeft ons het recht aan te klagen? En, is de werkelijkheid zóó boos, dat wij tusschen God en haar een verzoening moeten treffen, wie garandeert mij dan, dat mijn aanklagende, en daarna ook weer excuus pleitende rede zelf niet door |153| en door ziek is? Behoort zij soms niet zelf óók tot de werkelijkheid? Er zijn menschen, die schaken met zichzelf; ze zijn zichzelf een partner. Niet anders is het met hen, die een theodicee willen opbouwen, welke niet „geopenbaard”, doch uit het hart bedacht, niet gegeven, doch ontworpen is. Leibniz heeft in zijn „Theodicee” niet veel anders gedaan, dan Bayle’s bedenkingen tegen Leibniz’ leerbegrip eener tevoren vastgestelde harmonie 1) „weerleggen” met een nadere uitwerking juist van die leer . . . ook al zien enkelen dit niet in.

Goed en wel, zal misschien iemand zeggen: ik ben het ermee eens in al die gevallen, waarin iemand een valsch Godsbegrip er op nahoudt, om van uit te gaan. Maar neem nu eens iemand, die omtrent God het juiste begrip heeft, kan dan zóó iemand niet, met deze kennis gewapend, een theodicee leveren?

Wij antwoorden: neen. Om te beginnen: zulk een man bestaat niet. Nièmand maakt géén fouten, ook niet in de uitbreiding, of in de begripsmatige saamvatting van wat hij goeds vernam omtrent den levenden God. Vervolgens: àls iemand omtrent God eenige waarheid weet, en bedenkt, dan heeft hij deze wijsheid ontvangen van God zelf. Hij plukte dan de vruchten der goddelijke openbaring. Maar in dat geval is hij niet eens in staat geweest, met geen andere geestelijke bewapening dan die van een godsbegrip op de werkelijke wereld af te stevenen, teneinde haar aan zijn „onderzoek” te „onderwerpen”. Want God heeft nimmer, noch in zijn openbaring in het paradijs, noch in die van later, losse begrippen, of namen, of zelfs maar aphorismen afgekondigd, en over het hoofd van den mensch uitgestrooid. O neen: God heeft reeds in het paradijs in den gespreksvorm zich geopenbaard.

Ons bezigen van den term „gespreksvorm” beteekent geenerlei coquetterie met een strooming in de hedendaagsche „godgeleerdheid” en wijsbegeerte, volgens welke een „gesprek” dáárom de gewenschte vorm van openbaring en gedachtenmededeeling is, wijl daarin de één op den ander ònder het spreken en aan-spreken alzóó inwerkt, dat hij meteen hem vòrmt, verandert, beweegt, zulks dan steeds in wederkeerigheid. Beide sprekers zijn ná een serieus gesprek ànders dan ervoor; er is iets met hen „gebeurd”. Maar, — afgedacht van àndere bezwaren tegen dit mode-begrip 2), het is toch in geenen deele aanwendbaar op de verhouding van God tot mensch; God immers wòrdt door ons niet „gevormd”, niet „beheerscht”, niet veranderd. |154| Zijn woorden maken wel òns levend, maar de onze Hèm niet. Een gesprek tusschen God en mensch heeft niet twee veranderlijken tot „partners”, maar den Onveranderlijke èn een veranderlijke; en in dit gesprek maakt niet de één onder het spreken den ander meer en meer tot zijn geïnteresseerden „partner”, en vice versa, doch maakt de Eén (God) den ander (den mensch) meer en meer tot „partner”, zonder dat ooit de verhouding wordt omgekeerd. Het is trouwens alleen Gods eigen genadewil, zijn „condescensie” van daareven, waardoor Hij zich tot onzen gesprekspartner gemáákt heeft.

Neen, als wij de openbaring Gods een gespreksvorm toekennen, dan bedoelen wij ermee, dat God geen begrippen, geen aphorismen, geen losse „uitspraken” over of aangaande zichzelf heeft afgekondigd, doch een „verhaal” van zich gedaan heeft, zijn wèrken ons vertoonende, zijn plannen ons ontvouwende, en daarin zijn werkelijke of mogelijke gezindheid ons bewijzende, die Hij te dien einde eerst afzonderlijk in zelfontsluiting door middel van woord- en verbondsverkeer (belofte, eisch, dreiging) ons had bekend gemaakt. De woorden, de namen, de werkelijkheden, waarover Hij spreekt, zijn ook door rede-beleid aan elkander verbonden. Niet maar het „dat”, doch ook het „omdat” heeft Hij ons bekend gemaakt; wel niet tot in de laatste gronden (want nimmer is de openbaring uitputtend, nimmer àlles zeggend, nimmer „adaequaat”), maar dan toch naar waarheid 3).

Welnu, wijl deze openbaring, dit gesprek, die goddelijke zelfbekendmaking nimmer adaequaat is, daarom blijft er altijd in de geschiedenis plaats voor het onverwachte, het onbegrepene, het verrassende; dit laatste dan zoowel in verblijdenden, als in verschrikkenden zin genomen. Stel dus eens, dat God tot nu toe niets had gezegd omtrent het kwaad in de wereld, niets omtrent zijn werking, zijn gevolg, zijn rechtsgevolg met name, dan zou de mensch tòch eerst het eind der wereld moeten afwachten, vóór hij het kwaad, dat in de wereld is, lijden en dood, recht kon „plaatsen”, kon rubriceeren, en in zijn „zin” verstaan. En voorzoover het lijden in „dit jammerdal” in aan ons niet geopenbaarde, doch ons verborgen gebleven goddelijke verbanden opgenomen is, moet de lijder zelf, en de „toeschouwer”, die het aanziet, eerst rècht de uitkomst afwachten, zal hij Gods doen „verstaan”, en een apologie |155| ervan kunnen geven; en zelfs deze zal dan toch nog weer op openbaring rusten moeten. Dat heeft zelfs Kant opgemerkt, hoewel deze filosoof anders aan de menschelijke rede een scheppende kracht heeft toegekend, die wij eraan betwisten. Kant schreef eens een verhandeling over het mislukken van alle filosofische pogingen in de theodicee. Hij wijst daarin op de vrienden van Job, die Jobs lijden willen „rechtvaardigen” uit de goddelijke gerechtigheid, gelijk zij die opvatten. Maar aan het eind van het boek wordt hùn „theodicee” door God afgewezen, gelijk wij weten. Job zelf daarentegen „verklaart” volgens Kant „zich vóór het systeem van den vrijen goddelijken raadslag”. Kant haalt Job 23 : 13 aan. Over dien tekst 4) behoeven wij hier niet verder te handelen. Zeker heeft Kant gelijk, als hij constateert, dat de afloop der geschiedenis Job in het gelijk stelt, wanneer deze de „theodicee” der vrienden afwijst (13 : 7-11, 16). Maar vergeten wij niet, dat ook Job zelf door God bestraft is: ook zijn critiek op Gods doen is afgewezen door God zelf. Juist op het niet-adaequaat zijn der openbaring, 5) op de realiteit dus van het mysterie, waarvoor zelfs Gods „vriend” zich geplaatst ziet, „beroept” zich de Heere, om Job tot zwijgen te brengen, als het gaat over het dilemma der al-of-niet-bewijs-baarheid van Gods rechtvaardigheid. Déze toch is alleen geloofsstuk; geloofsstuk, voorzoover wat wèl geopenbaard is, moet worden aanvaard met vrije onderwerping; geloofsstuk óók, voorzoover krachtens deze vrije aanvaarding in de genoegzaamheid van het gegeven openbaringslicht rust wordt gevonden ten overstaan van wat God verborgen hield óók voor zijn knecht en vriend Job. Want, wat dit laatste betreft, wèl aan de latere lezers van het boek, maar niet aan Job zelf was meegedeeld, dat Job had te fungeeren als bewijsmateriaal, waaraan door God gedemonstreerd werd de volharding der heiligen krachtens Gods eigen volharding in zijn heiligen. In den proloog van het boek Job blijkt de Satan op te zijn getreden in den raad van God en zijn engelen; maar in het verdere verhaal zelf wordt van dien Satan, en van Gods handel met hem, voorts met geen woord melding gemaakt. In het boek Job gaat het, óók wat dat betreft, gelukkig heel anders toe dan in den Faust van Goethe.

En nu zien we even terug. Hierboven stelden we het denkbeeldige geval, dat God den mensch niets of niet voldoende gezegd zou hebben over de plaats van het lijden in deze wereld. Maar dat bleek een fictieve en valsche onderstelling. Zeker, àlles heeft |156| God niet geopenbaard. Maar het fundamenteele, het grondleggende wel. Ja zelfs, niet alleen na den val, doch ook reeds daarvóór heeft Hij in zijn verbondsgesprek dat gedaan. Hij heeft reeds in het paradijs, d.w.z. in een aanvankelijk nog niet door lijden en dood ontwrichte wereld, bij voorbaat over lijden en dood gesproken, als over mogelijkheden, die, werden ze eens tot werkelijkheid, zouden te zien zijn als bezoldiging der zonde: ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven (Gen. 2). Daar zijn dus lijden en dood reeds in de allereerste phase der openbarings- en verbondsgeschiedenis als Gods verbondswraak bekend gemaakt; daar hebben we dus een geopenbaarde theodicee bij voorbaat. Later is ook deze openbaring aangevuld, b.v. door te verkondigen, dat lijden en sterven in Christus het karakter niet van vloek, doch van kastijding, niet van definitieve en verdoemende, doch van tijdelijke en louterende verbondswraak kónden en ook zóuden aannemen voor Gods volk.

En daarom is elke rationalistische theodicee een hernieuwd bewijs van de menschelijke ellendigheid; en een illustratie bij wat we in 9 hebben opgemerkt aangaande de onbetrouwbaarheid der syllogismen, die de natuurlijke mensch opstelt in zelfbeschuldiging of zelfontschuldiging.

Want nu God zelf reeds den paradijsmensch in de eerste verbondsgesprekken, door woordopenbaring dus, lijden en dood, vloek en verstoring, disharmonie en dissonant heeft aangewezen als „dreigende” werkelijkheden in geval van bondsbreuk, nu heeft God van te voren reeds een (onbewezen, doch souverein geopenbaarde) „theodicee” gegeven en de mensch heeft ze door het geloof aanvaard. God gaf haar in zijn verbondsopenbaring; want alle lijden en alle werkelijke doortocht naar den eeuwigen dood werden bij voorbaat in het kader van het verbondsrecht geplaatst — in paradijsgesprekken. En als zoodanig zijn ze door den nog-harmonischen, nog-geloovenden mensch aangenomen. Aangenomen, o neen, niet op grond van zijn redelijk overleg; want juist in het paradijs geldt van een godgeleerd syllogisme, „theoretisch” of practisch, dat het nimmer opgesteld is, zonder dat de „maior” (zie 9), de A-stelling, „gedicteerd” werd door Gods Woordopenbaring. Neen, aangenomen wordt die gegeven, of geopenbaarde theodicee-bij-voorbaat door het geloof. Door hetzelfde geloof, dat steeds weer een gedateerd „amen” spreekt op Gods gedateerde woorden. Dat derhalve op gezag van den sprekenden God Hem aanvaardt in het verbinden van verbondszegen aan verbondstrouw, maar dan óók in het verbinden van verbondswraak aan verbondsbreuk. Zoo schrijdt de gehoozame rede voort tot een dubbel syllogisme in het paradijs: het ééne omtrent den hemel, èn het andere |157| omtrent de hel. Deze beide zijn in één ure opgesteld; het was de ure, waarin de mensch den inhoud van Gods „gesprek” ging analyseeren naar twee richtingen: naar die van het geschapen verband tusschen bondstrouw en -zegen, èn tusschen bondsbreuk en -wraak. Ze blijven ook beide aan elkaar steeds onlosmakelijk verbonden, met diezelfde onlosmakelijkheid n.l., als waarmede „belofte” en „dreiging” van den aanvang af naast elkaar zijn opgetreden in het verbondsstatuut als een hooge eenheid in één gesprek tusschen God, die „Ik” zegt, en den mensch, die zich als „gij” hoort aanspreken. Ze zijn aan elkaar vastgeketend, die syllogismen omtrent eeuwig leven èn eeuwigen dood, met diezelfde goddelijke redelijkheid, als waarmee in de ééne wet tweeërlei sanctie optreedt: de sanctie, die loon op gehoorzaamheid, maar ook die welke straf op ongehoorzaamheid stelt.

Is het nù duidelijk, waarom we zooeven (blz. 156) zeiden, dat elke door ons opgestelde eigenmachtige theodicee de onbetrouwbaarheid van de zichzelf beschuldigende of verontschuldigende syllogismen van den natuurlijken mensch achteraf demonstreert? Wie „nog eens praten” (!) wil over de vraag, of hij Gods doen wel kan rijmen, die toont daarin de in antw. 5 beleden neiging van het verdorven hart, om „ten onder te houden” de door God in het paradijs „gedicteerde” (in woordopenbaring opgelegde, autoritair vastgestelde) axioma’s „omtrent de hoogste autoriteit”. (Vgl. blz. 95-97, 148/9). Hij wil die „axioma’s”, die hem langs de kanalen van Woord en kerk ook na den val als bindend voorgehouden zijn, niet erkennen, want hij wil voor God niet bukken. Daarom gaat hij den éénen keer God vloeken, den anderen keer — wat even erg, en gevaarlijk is — hem eigenmachtig „prijzen”; nu eens gaat hij Gods betrouwbaarheid betwisten, dan weer in „spontane” rede haar betoogen, opdat hij daarna aan een „god” kunne gelooven, op eigen naam, en op eigen gezag. De natuurlijke mensch, zich in filosofentoga stekende, wil zijn theodicee-syllogismen wel opstellen, als ’t hem zoo zint; maar niet God, doch hij zelf moet dan de „maior” opstellen; en daarna zal rede of conscientie wel naast deze zijn eigen „maior” een „minor” stellen. Alle „spontane” theodicee is derhalve moment in, en document van verstokking en verharding. Zij is een „vragen naar den bekenden weg”; een gewoonte, waarmee zoo menige „vrager” zich poogt te ontdoen van hem onwelgevallige, hem reeds eerder aan het verstand gebrachte waarheden, en vooral van het gezag van dengene, die ze hem aan het verstand bracht. Ongeveer in denzelfden zin, als ons óók treft in het bericht aangaande die Filistijnen (van 1 Samuël 6), die wel begrepen hadden, dat Jahwe om zijn door hen geroofde ark hen met vele teekenen opgeschrikt en geplaagd, |158| en hun „god” Dagon vernederd had, maar die niettemin ná die vele òngevraagde teekenen toch óók nog eens een door henzelf geënsceneerd teeken wilden uitlokken, teneinde te weten te komen, of nu inderdaad Jahwe hen in hun Dagon geplaagd had, dan wel of ’t maar toeval was geweest.

Neen, geen eigen theodicee! Zij is een overlegging van het vleeschelijke verstand, óók daarin, dat zij wel probeert klaar te komen met het lijden (de verbondswraak), maar zich het hoofd niet breekt over de vreugde (den verbondszegen). Maar zùlk een splijting van de aandacht kan toch niet juist zijn. Hoe komt het, dat tusschen lijden en zonde verband gelegd is? We zagen reeds dat het origineele verbondsstatuut dit verband heeft geopenbaard, maar . . . het heeft dit daarmede nog niet verklaard. De laatste gronden voor Gods recht om dit verband te leggen, liggen in God zelf; ze zijn voor ons dus geloofszaken. Maar niet anders staat het met de laatste gronden voor Gods recht, om tusschen zegen en gehoorzaamheid verband te leggen. Zal ik nu God ter verantwoording roepen, als Hij tusschen bondsbreuk en bondswraak verband legt, doch niet, als Hij het zelfde doet ten aanzien van bondstrouw en bondszegen? Indien het geoorloofd was een eigen „apologie” op te stellen voor God, als Auteur (niet van de zonde, doch wel) van de hel en de wegen, die daartoe leiden, dan zou het óók noodig zijn, Hem te „rechtvaardigen” als Auteur des hemels, en als tevens wegbereider daartoe. Want àlle verbanden, zoowel die in de wraak, als die in den zegen ons binden, zijn in den grond der zaak door God eenzijdig over ons beschikt, en ook eenzijdig door Hem bekend gemaakt in een eenzijdige acte van verbonds-sluiting. En eerst daarna kan de paradijsmensch als tweede partij ook zijnerzijds o.m. deze geloofspraestatie doen, dat hij Gods rechtvaardigheid bij voorbaat uitroept over een hetzij tot volzaligheid rijpende, hetzij tot rampzaligheid verdoemde wereld. Door het geloof verstaan wij, dat (geen ideëele, maar) déze konkrete wereld (met haar geschapen verbanden) door het Woord Gods is toebereid, en dat eenmaal God van een wereld, waarover het verbondsdreigement van den dood reeds uitgesproken was, „gezien” heeft, dat zij zeer goed was. Wie een theodicee, ook al is ze geopenbaard, en gegeven, dateert na den val, die dateert te laat. Alle problemen, óók dit, moeten tot vóór den val herleid worden.

Het is dan ook een bouwen aan den christelijken, maar niet aan den „filosofischen” (wetenschappelijk-autonomen) troost (vgl. 1), indien de officieele uitgave van den Catechismus voor het „neen Hij” van het zesde antwoord als Schriftbewijs aanvoert Genesis 1 : 31: „toen zag God al wat Hij gemaakt had, en zie, |159| het was zeer goed”. Dit spreken van een „zien” Gods is „eene menschvormige wijze van spreken”; ze „wordt gebezigd om ons te kennen te geven dat er in ieder onderdeel van de Goddelijke scheppingswerkzaamheid eene volmaaktheid was, die ten volle aan den Goddelijken wil beantwoordde” (G.Ch. Aalders, K.V., Genesis, 81/2). Maar juist het beroep op deze Schriftplaats bewijst dan ook, dat het „neen Hij” van ons 6e antwoord geen resultaat is van menschelijke wijsheid, doch een geloofsvooroordeel, waarin aanvaard wordt wat God openbaarde. Het is niet ònze werkelijke en dan langs eigen weg gevonden conclusie, doch het is een „conclusie” (maar dan in een oneigenlijken zin genomen) van Gods eigen wetenschap omtrent zichzelf en zijn werken. Wat als „conclusie” wordt voorgesteld in de menschvormige mededeeling van Genesis 1 : 31, dat moet een principe, een vooropgesteld uitgangspunt zijn in alle menschelijke redeneering 6). „Neen Hij!” „Neen Hij!” Geen natuurlijke theologie, geen filosofisch pragmatisme kan in deze woorden het diep ontzag leggen, dat de calvinistische theologie daarin laat trillen.




1. D.w.z. dat van te voren door God een zekere harmonie of evenredigheid is gesteld tusschen het één en het ander, dat in de wereld is (monadenleer).

2. „Ich-Du-Verhältnis”.

3. De door sommigen in dien zin uitgewerkte onderscheiding van „dat” (ÓJ4) en „omdat” (*4`J4), als zou het geloof alleen met het eerste, de wetenschap (der theologie hier) ook met het tweede te maken hebben, schijnt ons onaannemelijk. Ook tot het geloof spreekt God van den aanvang af over „dat” èn „omdat”; alleen maar, Hij doet het niet wetenschappelijk. Gelijk omgekeerd de wetenschap het niet stellen kan buiten geloof.

4. „Er ist einig; Er machts wie er will”, vertaalt Kant. Bleeker: „Maar Hij verkiest iets en wie kan Hem keeren? Hij begeert iets, en Hij volvoert het.”

5. „Waar waart gij toen Ik . . . ? Wie heeft u bekend gemaakt . . ? Job 38, v.

6. Een „gesubalterneerde” (onder-geschikte, afhankelijke) wetenschap noemen velen zulk eene, waarin als principe gelden de waarheden, die conclusies zijn der subalterneerende wetenschap. Natuurlijk kan men, zèlfs als men deze onderscheiding zou willen aanvaarden, daarop nog niet de stelling gronden, dat dus onze theologie (als „ectypisch”) zou „gesubalterneerd” zijn aan die van God (als „archetypisch”). Want Gods „zien” en „besluiten” of „bij zichzelf vaststellen” is in Gen. 1 : 31 slechts menschvormige voorstelling. Geen ingedrukt ectype, doch openbaringsvrucht is het „neen Hij” van antw. 6.









deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000