voorplaat

Een hoornstoot tegen Assen?

(antwoord op een „conscientiekreet”)



door K. Schilder, Geref. Pred.


Kampen (J.H. Kok) 1928


a



Toen Momus — de Nurks onder de goden — eens zijn opinie moest zeggen over den stier, dien Poseidon als mooiste dier geschapen had, zei hij, dat naar zijn meening de horens verkeerd stonden: ze moesten onder de oogen zitten, dan kon het beest zien, waar hij stootte.

Dr H.M.R. Leopold,

Uit de Leerschool van de Leugen.




Woord vooraf

„Toen Momus — de Nurks onder de goden — eens zijn opinie moest zeggen over den stier, dien Poseidon als mooiste dier geschapen had, zei hij, dat naar zijn meening de horens verkeerd stonden: ze moesten onder de oogen zitten, dan kon het beest zien, waar hij stootte”.

Aldus Dr H.M.R. Leopold in zijn vertaling en bewerking van „Lucianus’ Waarachtig Verhaal”: „Uit de Leerschool van de Leugen” (Zutphen, 1926, bl. 105).

Hiermee is zoowel titel als hoofdzaak in de bedoeling van den auteur van dit vlugschrift genoegzaam verklaard.

Wat den titel aangaat: de brochure, welke in 1928 van anonieme zijde verscheen over de „mannen van Assen”, die zelf „aanranders van het Schriftgezag” zouden zijn, is een hoornstoot geweest, geplaatst in het lichaam van wat men kortheidshalve „Assen” noemt. Althans, zóó was de bedoeling! En dàt de stootende hoorn inderdaad terecht kwam in het sinds zieltogend Asser lijf, is door de pers van de groep-Geelkerken, die den stootenden stier uitbundig als schoonste schepping prees en voor haar wagen spande, ons volk verzekerd.

Schrijver dezes meent echter in gemoede, dat de ongetwijfeld krachtig ingeplante horens niet inAsser vleesch”, doch juist in dat van de bestrijders van Assen hebben gewroet. Wat bedoeld is als epitaphiumgrafschriftvoor Assen, en ook reeds als zoodanig op muziek gezet, dat is eigenlijk de bouwstof voor het ergste hekeldicht geworden, dat men op de pers, de reclame, de wetenschappelijke eerlijkheid vooral, van de groep-Geelkerken als groep dichten kan. Hetgeen hier nader worde aangetoond.

En dan — wat de bedoeling van dit vlugschrift betreft, misschien zullen er enkelen zijn, die zich ter rechter tijd herinneren, dat de criticus van Poseidon móói-ste dier wordt aangediend als deNurks”; en de toepassing zullen ze gereed hebben. Schrijver dezes — geen man van Assen, doch maar een leerling — zal zich niet verdedigen met de opmerking, dat Nurksen alleen door niet-Nurksen waarlijk „onderscheiden” worden. Welneen, hij waagt het erop. Waarom ook niet? Laat hem het woord maar bij voorbaat overnemen: hoofdzaak in hetgeen hij bedoelt, |6| is te wijzen op zijn „nurkse” stemming, en zijn zeer afkeurende critiek op de roekeloosheid, waarmee de vader van de jongste brochure in het geding-Geelkerken links en rechts gestooten heeft met de horens. Want de oogen van den stier waren toe. Ze zagen ten minste de plek niet, waar de stoot áánkwam.

En daarover zal het in de volgende bladzijden alleen loopen. Het hier volgend geschrift zou zijn eigen standpunt verzwakken, en dus zèlf „het stooten der horens” scheiden van hetzien der oogen” als het over alles en nog wat een debat opende met den anonymus der bovenvermelde brochure. Neen, hoofdzaak zal zijn en blijven de vraag: of het schoone dier van Poseidon in staat gebleken is, met overleg, met systeem, den horen te planten, dáár waar het behoort, in den oorlog, dien het nu eenmaal wilde voeren.

Voor de rest zal men moeten bedenken, dat zelfs Nurksen niet zonder meer op zij te zetten zijn, want ook hun critiek moet op de argumenten onderzocht worden.

Eindelijk heeft elke vergelijking haar gevaar. Ik wijs daarbij bij voorbaat elk zoeken naar een ànder punt van vergelijking, dan bedoeld is, af. Niet alleen voor Nurks-Momus, doch ook voor den hier „gekeurden” stootenden stier. Niemand, ook hij niet, worde boos om de inleiding, die het eenige is, dat in deze brochure met een glimlach werd geschreven. Wil men boos worden, dan zij het om wat hierna komt.

Nurks-Momus heeft getracht zóó te schrijven, dat ook de ongeleerden hem kunnen volgen. Een enkele noot is voor wie wat verder wil.

K. Schilder.

Rotterdam, 7 December 1928.


Bij den tweeden druk

Het verblijdt me, dat de eerste oplaag (2500 ex.) zoo spoedig onder ons volk kwam. Binnen 2 weken na verschijning was alles weg.

Deze tweede druk geeft enkele correcties, alsmede eenige aanvullingen in tekst of noot.

K. S.

2 Januari 1929.




Een antwoord.

Wat hier volgt, is een antwoord op de brochure, die een tot nu toe onbekende auteur, zich aandienend als „Gereformeerd Predikant”, in de wereld zond onder den titel: „Zijn de mannen van Assen zelf aanranders van het Schriftgezag?”. Nader werd het boekje aangeduid als een consciëntiekreet b. De schrijver van de hier volgende bladzijden zal het geschrift van den bovengenoemden auteur min of meer op den voet volgen, al zal hij de volgorde der onderwerpen eenigszins anders kiezen. Hij zal trachten, in dit antwoord volledig te zijn, althans voorzoover het die dingen betreft, die als bezwaren van de consciëntie van den onbekenden schrijver worden aangediend, en die tevens uit theologisch-kerkgeschiedkundig oogpunt beteekenis hebben voor het gereformeerde volk in Nederland, in zijn jongsten strijd voor het Schriftgezag.


Waarom een antwoord?

Als er een antwoord gegeven wordt op bedoelde anonieme brochure, dan geschiedt dit niet uit strijdlust. Nog minder uit eerbied tegenover den onbekenden auteur. Tegenover een onbekende 1) heeft men noch eerbied, noch het tegenovergestelde. Wèl kan zijn wèrk den eerbied verhinderen. En dat is hier het geval. Indien de schrijver waarlijk is, die hij zegt te zijn, gereformeerd predikant, dan is hij aan plechtige beloften gebonden, beloften, die ik hier niet behoef te vermelden. En dan moge hij zijn consciëntie in het geding stellen, en respect opvorderen — in een naschrift op een volgenden druk — voor deze niet nader aangeduide consciëntie, feit is, dat menigeen, ook zelfs onder hen, die met geloof en godsdienst niets te maken willen hebben, meent, dat een goed geweten allereerst van zichzelf vordert: òf de eerlijke intrekking van beloften, die men deed, ten overstaan van dezelfde persoon, aan wie men de belofte gaf, voordat men in strijd ermee handelt, òf een strikte handhaving der belofte, zoolang ze niet is herroepen. In het eerste geval zou |8| de auteur, vóór hij een letter op papier zette, aan den kerkeraad, aan wien hij, dienstdoend of niet, ambtelijk verbonden is, gezegd hebben: ik kan mijn belofte niet langer dragen, geef ze mij terug, ik aanvaard alle gevolgen. En in het tweede geval had hij zijn bezwaren kenbaar gemaakt in den daartoe aangewezen weg. Of hij al zeggen zou: die weg brengt mij er niet, het baat niet, of ik den kerkelijken weg afwandel, — het doet er alweer niet toe; want hij heeft dien kerkelijken weg nu eenmaal in zijn belofte opgenomen. Daarom is het verschijnen van een anonieme brochure, met zùlken inhoud, niet te rechtvaardigen.

Maar hierover spreek ik thans niet meer. Het gaat niet om deze zaak, die de auteur maar moet brengen, waar ze hoort. Om zijnentwil wordt deze brochure immers niet geschreven. Want een naamlooze verdient zelf eerst na opening van vizier een antwoord. Is hij vergeten, wat Christus tegen Zijn vijanden zei: „in het verborgen heb ik niets gesproken”? c

Maar indien dan niet om den auteur, wordt dan misschien terwille van de pers der groep-Geelkerken deze brochure geschreven? Ook daarom niet. Schrijver dezer regelen beeldt zich niet in, dat hij daarvan de reeds over den Rubicon getrokkenen terug zal brengen. Trouwens, het conflict is niet alleen verstandelijk. Wanneer het gebeuren kan, dat predikanten van deze groep publiek in bescherming nemen een bedenkelijke struikeling van de trouw, gelijk deze in de anonymiteit eener kras beschuldigende brochure is te zien, en als het tevens gebeuren kan, dat menschen, die aanspraak maken op wetenschappelijken naam, met deze brochure prijken, en ze laten colporteeren op hun anti-Assen-propagandistische meetings — een geval uit Alphen aan den Rijn is mij bekend d, — hoewel de brochure — gelijk we hieronder zien zullen — juist op wetenschappelijk gebied telkens struikelt, dan blijkt er wel wat méér achter dit alles te werken dan een wetenschappelijk conflict, dat met argumentatie wederzijds ware op te lossen. Er zijn diepere oorzaken van scheiding, die door uitwisseling van wetenschappelijke argumenten niet op zij te werken zijn, helaas.

Neen, noch het één, noch het ander dringt den schrijver van de hier volgende bladzijden tot publicatie. Dàt doet alleen de behoefte en het recht van het gereformeerde volk, dat aan dergelijke dwaallichten wordt overgelaten, als hier het woord nemen, of dit woord op meetings en in krantenlectuur aanbevelen. Dat volk heeft recht op eenvoudige voorlichting, op een duidelijk gegeven antwoord, rakende de vragen, die de onbekende auteur heeft opgeworpen. Onder dat volk zijn er hier en daar enkelen, die misschien in aanraking komen met de groep-Geelkerken, en die niet meer weten, wat ze denken moeten. Dat gereformeerde volk wordt hier gezocht, en anders niemand.

Het wordt gezocht met tweeërlei bedoeling.

In de eerste plaats om het zelf te wapenen.

In de tweede plaats om zijn opponenten voor een deel te ontwapenen. |9|

Die opponenten noem ik nu in dit geval de leiders van de groep-Geelkerken. Want indien uit de volgende regelen en uit het vervolg der historie mocht blijken:

ten eerste, dat de leiders dezer groep hun met wetenschappelijke leuzen ingezette actie voortzetten op de basis van dóór en dóór ònwetenschappelijk materiaal (zooals in de anonieme brochure); en

ten tweede, dat zij op de anonieme brochure telkens met nadruk wezen, en een antwoord erop schier eischten, maar dat ze van deze contra-brochure geen serieus werk zullen maken, —

welnu, dan is de schrijver van de hier volgende regelen dankbaar, óók hiervoor, dat het gereformeerde volk heeft kunnen zien, met welke wapenen en met welke conscientie-bezwaardheid zij ten strijde trekken, die hun toeroepen: naar uwe tenten Israël, wat deel hebben wij aan Assen? e

Alsof „Assen” niet tot op Assen toe en daarna: zijzelf waren . . . En tot in alle eeuwigheid. — In de oogen van God.


Anoniem of niet?

Een belijdenis doe ik hier: ik ben — voor het eerst van mijn leven — op zoek geweest naar een pseudoniem, en dan wel voor deze brochure.

Niet een pseudoniem voor altijd, of voor onbepaalden duur. Neen, onder belofte, dat de naam van den schrijver van de hier volgende bladzijden dadelijk zou bekend gemaakt worden, als de anonieme schrijver der eerste brochure eerst uit zijn schuilhoek kwam, en voorts onder verklaring, dat, bleef dit uit, dan in elk geval na 3 maand het pseudoniem wijken zou voor den gewonen naam.

Waartoe deze 3-maandelijksche anonymiteit dan eerst had moeten dienen? En waarom ze eerst begeerd werd?

Louter uit tactische overweging. Men heeft gezegd, en dat met name van de zijde der pers van Dr Geelkerkens vrienden: het komt nu eens niet aan op den persoon, die wat zegt, maar op den inhoud van wat hij zegt. Men heeft gevraagd: laat nu den persoon eens er buiten, en ga dan eens op de zaak zelf in f.

Welnu: men kon dan bewijzen, in hoeverre men dit gemeend heeft. Ik wilde, tenzij de auteur der eerste brochure de anonymiteit dadelijk opgeven mocht, mijn naam zóó lang verzwijgen, totdat de leiders der groep-Geelkerken volop tijd zouden gehad hebben, om nauwkeurig in te gaan op de hier behandelde kwesties. Men mag toch verwachten, dat zij zelf zullen doen, wat zij van „de mannen van Assen” vragen? Anders zou er weer een brochure noodig zijn onder den titel: „Zijn de bestrijders van Assen zelf aanranders van hun eigen woorden?”

Speciaal aan deze leiders, èn aan wie weifelen mocht, werden de hier na te noemen dingen ter overweging aangeboden. Eén ding bereikte ik m.i. althans met zoo’n antwoord: men kan straks niet meer |10| rondgaan met de bewering: ze antwoorden niet, en dat is een bewijs van verlegenheid. En waar men aan de overzijde het groote nut der naamloosheid, wijl rustige bespreking bevorderlijk, zoo eensgezind naar voren bracht, daar wilde schrijver dezer regelen zulk een rustige bespreking niet in den weg staan. Den Joden een Jood, den Grieken een Griek, den anonymiteits-verheerlijkers een anonymus g.

Maar tenslotte heb ik het plan van een pseudoniem toch weer losgelaten. Want het laatste zinnetje deugt niet. Het „Jood” zijn, is „op zichzelf” niet verkeerd, en het „Griek” zijn ook niet; maar de anonymiteit is altijd een vloek; als men althans anderen noemt. En hier en daar heb ik in deze brochure ook naar enkele anderen verwezen. Reeds zij hebben er recht op, te weten, met wien zij te doen hebben.

Trouwens: waartoe zou het dienen, als ik naamloos bleef? De „mannen van Assen” vragen er niet om. En de pers van de groep-Geelkerken heeft het niet noodig. Wel heeft zij gezegd, dat de anonymiteit van den eersten brochure-schrijver zoo’n groot voordeel was, omdat men nu eens niet op den persoon behoefde af te rennen, maar op de zaak kon ingaan; maar — dit was dan meer aan het adres van de „mannen van Assen”, dan aan eigen adres gezegd.

Men heeft ginds zijn sanctie gehecht, met een voorafgaand èn een besluitend „amen”, aan de bewering van den anoniemen schrijver, dat het „persoonlijke” in de Geref. Kerken een te groote rol speelt h. Welnu: wie zulke aanklachten de wereld inwerpt, bewijze, dat hij een gezònd geneesmeester is. Ik mag verwachten, dat men aan de zijde van de groep-Geelkerken — die naamsaanduiding bedoelt niets onaangenaams — zich los zal maken van den persoon, en op de zaak zal ingaan. Indien ik onder pseudoniem had geschreven had men fatsoenshalve niet kunnen zwijgen, na al die anonymiteitsverheerlijking, en dan had die anonymus toch ook zekere K.S. kunnen zijn?

Men heeft een antwoord geëischt, min of meer. Hier is een poging er toe. Laat men nu den persoon wegdenken. Hier is de zaak. Benevens een conscientie. Plus nog een conscientie.

Bij het in zee sturen van deze brochure maak ik me dus geheel los van de naamloosheid van den man, dien ik hier tracht te beantwoorden. Trouwens, afgedacht van hem, meen ik het ook verplicht te zijn aan mijn kerkelijke positie. Tusschen twee haakjes: zou de anonymus der eerste brochure zijn kerkeraad geschreven hebben? In zijn geval moet m.i. de acte van hemzelf uitgaan, wijl hij bezwaard is tegen de kerken, waaraan hij blijkens de titelpagina verbonden is. Hij klaagt (bl. 4) dat het persoonlijke in onze kerken een al te groote rol speelt. Ik geloof dat niet, maar vraag hem: speelt het ambtelijke in uw brochure (en uw stilzwijgen) niet een te kleine, en dus uw persoonlijkheid, die buiten-ambtelijk optreedt, en aanklaagt, geen te groote rol? |11|


Over het schisma.

De auteur der hier bestreden brochure begint met een berekening van de uitgebreidheid van het schisma i. Daarover zullen we geen woord zeggen. Om cijfers geef ik bij de waardebepaling van beginselen niets; schrijver dezes heeft trouwens van nabij gezien, dat er procentsgewijze velen zijn, die naar de kerkelijke woning van Dr Geelkerkens geestverwanten overgaan om redenen, die met wat in Assen verhandeld is, geen zier te maken hebben. Wat zegt een cijfer? Wel zal het ieder duidelijk zijn, dat de werkelijkheid van den „omvang van het schisma” in het niet valt, bij de verwachtingen, die indertijd ter zake uitgesproken zijn. Maar dit alles bewijst noch iets vóór, noch iets tégen de waarheid.

Er is iets anders. De schrijver vraagt: wat hebben wij eigenlijk onder schisma te verstaan? En hij meent, dat Paulus het (woord „schisma”) gebruikt in den zin van tweedracht, twist, innerlijke verwijdering. Dus niet in den zin van een openlijke breuk met het kerkelijk instituut. j

Deze opvatting van het woord „schisma” is evenwel niet vol te houden. Niet alleen pleit daar reeds tégen de beteekenis van het werkwoord „schi-zóó”, waarvan „schisma” afgeleid is, en dat het best vertaald worden kan door „scheuren” of „splijten”, en dan wel zóó, dat de deelen van wat eerst één geheel was elkaar loslaten, — maar ook is het woord „schisma”, gelijk het in het Nieuwe Testament aangewend wordt, zelf reeds een afdoende weerlegging van die opvatting. Men leze slechts 1 Corinthe 1 : 10, en legge daarnaast het volgende vers: vs 11. In Corinthe waren twisten (erides, vs 11) en nu hoopt de apostel, dat daar geen „schismata”, scheuringen, uit voortkomen mogen. Die twisten, ziedaar het begin: de deelen beginnen elkaar los te laten; en de schismata zijn het gevolg: de loslating wordt in het zichtbare doorgetrokken. Het schisma is dus de consequentie van de niet tijdig bezworen twisting. En dat het in Corinthe zoo toeging, bewijzen niet alleen de studies van gezaghebbende theologen — men leze b.v. Lake, The Earlier Epistles of St. Paul, London, 1919, 212, 126, 211 k, die den toestand in Corinthe schetst als een prijsgeven van het gemeenschappelijk eten voor de afzonderlijke maaltijden van clubjes en gezelschappen, — maar dat hebben reeds de Kantteekenaren begrepen, die bij 1 Cor. 11 : 18 aanteekenen, dat „de eenigheid des lichaams van Christus gescheurd en verbroken wordt, en elke partij eigen hoofd en leidsman volgt”. Wie trouwens op de hoogte is van de eigenaardige geschiedenis van de woorden „schisma” en „haeresie”, zal spoedig erkennen, dat het onjuist is, te beweren, dat het woord schisma alleen zou zien op inwendige verdeeldheid, die echter het gemeenschappelijk kerkverband nog zou laten bestaan 2). |12|

Men zal zeggen: dat heeft toch eigenlijk bitter weinig om het lijf. Toegegeven. Maar in één opzicht heeft het toch wèl beteekenis, dit kleine verschil van opvatting even naar voren te halen. Want de anonieme schrijver haalt het schisma binnen onze kerkelijke muren, en zegt dan: ziet ge wel, hoe groot het is, omdat er zooveel ontrusten zijn?

Mij dunkt, dat hij hier B zegt, vóór hij A gezegd heeft. En dat is heel jammer, want hij loopt zoo over de A heen. Schisma, dàt is de B; maar „twisten”, dàt is de A. Wat zou men moeten doen tegen het schisma? Wat anders, dan de „twisten” tot rust brengen door de vertroebeling der kwesties allereerst te helpen verhinderen?

Het stillen van den twist, dat gebeurt zéker niet, als men het twistvuur aanblaast met andere blaasbalgen, dan die de God der waarheid l, de Vader der (denkende) geesten m, ons in handen heeft gegeven.

Wie lichtvaardig oordeelt, wie de geesten verwart, wie voor ieder bereikbare waarheden-als-koeien, zou ik haast zeggen, voorbijziet, en dan met onware beweringen het volk in verwarring brengt, terwijl hij beter weten moest, die blaast de „erides” aan, en die maakt dus de „schismata” grooter.

Ik schroom niet, te verklaren, dat de auteur der brochure over de mannen van Assen, die zelf Schriftaanranders zouden zijn, alzoo de twisten helpt vertroebelen, en daardoor het schisma helpt vergrooten. Althans, voorzoover het aan hem ligt. Ik hoop voor hem, dat dit kwaad hem zal vergeven worden. Want kwaad is elke onwetendheid, die man kàn ontgaan, doch die niettemin den euvelen moed heeft, anderen leiding te willen geven in zware tijden. In een kerk, die van den Geest verlicht is, is het een schuld, dwaze dingen te zeggen, en zielen ermee te vervoeren. Klinkt dit kras? Maar we zullen voorbeelden geven.


Over de rib van Adam.

Eén van de sterkst sprekende voorbeelden van lichtvaardig daarheen geworpen redeneeringen is wil, wat beweerd wordt over „de ribbe van Adam, waaruit Eva gebouwd werdn. Onze bezwaarde „gereformeerde predikant” heeft gelezen, dat de Asser synode o.m. ook eerbied opeischt voor de mededeeling der Schrift, dat de „mannin” uit een rib van den man, Adam, gebouwd is, en dat de synode ertegen opkomt, als iemand deze mededeeling niet in eigenlijken zin zou nemen.

Maar nu verder.

Is het dan geen Schrift-aanranding, vraagt hij, als sedert jaar en dag Dr A. Kuyper leert, dat van Adam „geen rib weggenomen is”? Hij meent immers, dat Dr Kuyper het verhaal van die rib „inkleeding” acht. Bewijs vraagt ge? Wel, de schrijver komt er mee voor den dag. Het zou volgens hem blijken uit „De Gemeene Gratie”, I, 110 o.

Maar wie die plaats uit Dr Kuypers werk naleest, verwondert zich toch over déze manier van lezen. Als Dr Kuyper inderdaad bedoeld had, |13| dat het verhaal slechts „inkleeding” was, dan zou hij gezegd hebben: de zin van het verhaal is iets anders, dan dat Adam letterlijk in zijn lichaam aangetast werd. Maar dat zegt Dr Kuyper niet. Hij beweert slechts: deze letterlijk op te vatten, deze eigenlijke aantasting van Adams lichaam, dat is de „volle zin” niet. Dr Kuyper zegt niet, dat het „ijdele geleerdheid” is, te vragen, of er een rib van Adam genomen is, maar dat het „ijdele geleerdheid” is, te vragen, of „Adam na die ure met een rib minder geleefd heeft”. Dat is toch wel wat anders 3). Als ik zeg: in het lichamelijk ingrijpen Gods licht hier de volle zin niet, ontken ik dan, dat er zulk een lichamelijk ingrijpen geweest is? Welneen: dan onderstel ik juist dat lichamelijk ingrijpen van God; ik zie er alleen een hoogere beteekenis in, die in het lichamelijke niet uitgeput is. Wanneer de apostel Paulus aan Hager en Sara een „hoogere” beteekenis toekent p, ontkent hij dan haar werkelijk, historisch bestaan? Immers neen!

Misschien zal de christelijke gereformeerde dominee uit Bunschoten, die de anonieme brochure aanbeval, en die opmerkte, dat „geslepen redeneeringen” toch niet dit geschrift op zij zouden kunnen zetten q, ook hier gewagen van „geslepen redeneeringen”. Hem, en anderen, moge dan ten overvloede dit onder de aandacht gebracht worden:

a. de anonieme schrijver citeert een enkele maal Dr Kuypers „Dictaten Dogmatiek”. Wij zullen over de vraag, of die citaten bewijskracht hebben (de „dictaten” zijn nooit door Dr Kuyper zelf erkend als gezaghebbende vertolking van zijn meening) met hem niet twisten. Maar: als hij zelf nu eenmaal die dictaten wel citeert, waarom let hij dan niet op de passage uit den Locus de Creatione, 56, 57 (de Homine), waar staat: „Adam had dus een rib minder dan vroeger”, en waar zelfs geredeneerd wordt over de vraag: waarom juist een rib, en „niet een ander been”, en waar de opvatting van Calvijn, dat het „een gewone rib” was, ook het „meest natuurlijk” heet?

b. Locus de Sacra Scriptura, I, 132 wordt door Dr Kuyper gezegd, dat de „diepe slaap” van Adam bij de schepping van Eva een letterlijke slaaptoestand is, en wordt zelfs herinnerd aan onze chloroform. „Inkleeding”?

c. Wil men in èlk geval betrouwbare citaten, dan wijzen we op Enc. der H. Godgel. II, 442, 443: waar weer de „diepe slaap” van Adam letterlijk genomen wordt (absolute anaesthesie); waar gesproken wordt van een „op gewelddadige wijze aangrijpen” (door God) van Adam; ja zelfs van „de gewelddadige operatie, die Adam onderging”.

d. In E Voto, IV, 133, wordt de schepping uit de rib een „feit” genoemd; het wordt verklaard als wijzende op de „eenheid van het organisme der menschheid als een geheel, als uit éénen bloede, door de splitsing in man en vrouw”. Een „feit” is toch geen „inkleeding”? |14|

De onbekende schrijver heeft Dr Kuyper niet begrepen. Déze toch spreekt telkens weer erover, dat „heel de schepping”, heel „de natuur symbolischis. Hij wendt die gedachte b.v. aan bij de uiteenzetting van zijn sacramentsleer. Maar wie haalt het in zijn hoofd, te zeggen, dat daarom de schepping voor Dr Kuyper niet „eigenlijkis? Of de natuur niet „werkelijk”? (Wij nemen de woorden nu maar in populairen zin.)

Er is van Adam geen rib genomen!” — zoo roept de schrijver uit, en meent, met dit snibben over ribben Dr Kuyper te hebben vertolkt.

Maar zoowel het gereformeerde volk, als Dr Kuyper, moesten hem voor zulke bewering te hoog gestaan hebben. Heeft Dr Kuyper voor niets perspectieven geopend uit het werk van dien God, die „Eva boetseerde uit een rib van Adam”? (Als gij in uw huis zit, 49).

„Nooit is Dr Kuyper tot de orde geroepen”; „nooit is geklaagd over dit „verderfelijk beginsel van Schriftuitlegging”, door Dr Kuyper ingevoerd, nooit „ter oorzake van deze aanranding van het gezag der Schrift een Synode bijeengeroepen”, aldus klaagt de schrijver, en dat allemaal in cursieve letters. Ach neen. Om te beginnen heeft de klagende broeder zelf nooit een synode gevraagd. Had hij ’t maar gedaan: hij ware dan spoedig uit den droom geholpen, en Dr Geelkerken had met deze anonieme rib-coupure niet laten colporteeren; Dr J.G. Geelkerken, theologiae doctor, die trouwens zelf dit ribbe-citaat al eerder op tafel gelegd had (zie Acta, Assen, 1926).


Prediker 1 : 12 niet „letterlijk”?

Gelijke waarde als aan het verhaal over de rib, is toe te kennen aan wat in een noot op bl. 29 vermeld staat r. Daar komt het boek „Prediker” om den hoek kijken. Over het verband van een en ander spreek ik later. Maar thans gaat het over de „letterlijkheid”. Geklaagd wordt over Prof. Dr C. van Gelderen. Deze heeft gezegd: „Prediker is niet van Salomo”. Waarop deze grimmigheid volgt: „Men moet Prediker 1 : 12 (dus) niet zoo letterlijk nemen”. Toepassing is nu wel duidelijk: de één moet letterlijk lezen, volgens Assen, de ander niet.

Wat is hiervan aan? Dit: dat iemand, die „Prediker” niet van Salomo afkomstig acht, doch dit zijn gevoelen dan ondersteunt met de argumenten, die Prof. van Gelderen, en ook Prof. Aalders in de Chr. Enc. (uitgave van den heer J.H. Kok), voor deze stelling aanvoert, juist letterlijk lezen wil, wat in Pred. 1 : 12 staat. Een „gereformeerd predikant”, vooral als hij bezwaarden voorlichten wil, moet toch wel eens den grondtekst inzien. Als hij het doet, en zich het hebreeuwsch herinnert, dan zal hij zien, dat weliswaar de Statenvertaling heeft: „Ik, Prediker, was koning over Israël te Jeruzalem”, maar dat de grondtekst heeft, niet: „ik was koning”, doch „ik ben koning geweest”. Dit althans is de meest voor de hand liggende vertaling. Zelfs al wil men ze in dien vorm niet, toch kon de anonieme schrijver van een „consciëntiekreet”, |15| die ergens blijkt Keil te kennen, wel eens in een oude editie van Keil op Pred. (1875 b.v.) hebben gebladerd. Hij zou dan het verhaaltje getroffen hebben, dat een oud-joodsche overlevering juist aan dat woord „ik ben koning geweest” verbonden heeft. Koning Salomo, aldus de legende, was door God afgezet van den troon, ter oorzake van zijn overtredingen. Een engel, in Salomo’s gedaante, ging op den troon zitten, en de eigenlijke koning liep als bedelaar de stad rond, klagende: ik ben koning geweest over Israël te Jeruzalem. En dan teekent Keil (Franz Delitzsch), een tikje grimmig, erbij aan: „In deze fantasie zit tenminste taalkundig, spraakkunstig, besef”. M.a.w.: hier begrepen de Joden tenminste, dat het woord: „ik ben koning geweest”, niet is te handhaven in den letterlijken zin, als men het verandert in dezen zin: ik ben nòg koning (wanneer is Salomo opgehouden koning te zijn? Bij zijn leven nooit).

En als er dus menschen zijn onder de gereformeerden (die daarin trouwens heel oude en orthodoxe schrijvers volgen) die gelooven, dat de Prediker na Salomo’s dood geschreven is, en dat dit boek opzettelijk zijn inhoud aan den gestorven Salomo in den mond legt (een heel gewone taalfiguur), zoodat als ’t ware de geest van Salomo sprekend ingevoerd wordt, moet dan later iemand komen verzuchten: ze nemen het dus zoo letterlijk niet?

Neen, waarde anonymus, ze nemen het dan juist erg letterlijk. Maar U hebt de kwestie van den letterlijken zin van Pred. 1 : 12 nog nooit gezien, hoewel het jaar 1875 al wat heel lang achter ons ligt. Maar als U nog niet hebt nagedacht over wat er letterlijk staat, moet U anderen, die het wel doen, niet beschuldigen, dat ze het nalaten. Alleen bij U ligt hier de nalatigheid.


Zondvloedverhaal en „Schriftaanranding”?

Ernstiger dan alles, wat tot nu toe geciteerd werd, schijnt wat de auteur van de bestreden brochure zegt over Dr Kuypers opvatting van het zondvloedverhaal s. Hij geeft een — zeer onvolledig — citaat uit Dr A. Kuypers „Gemeene Gratie” en komt dan met de beschuldiging, dat Dr Kuyper blijkens zijn opvatting van het zondvloedverhaal aan „Schriftaanranding” doet; een klacht, die door de repetitie van het bijvoeglijk naamwoord „schrikkelijk, schrikkelijk” wordt aangedrongen.

Hoofdzaak is dan, dat Dr Kuyper de mogelijkheid aanneemt, dat de zondvloed niet over heel den aardbol gegaan is. De schrijver der anonieme brochure meent, dat de Bijbel geen andere opvatting toelaat, dan dat over heel den aardbodem, Azië, Australië, Europa, Amerika, Afrika, het water heengegaan is. Als hij ook maar één bepaald grondgebied niet onder het water zou hebben zien staan in zijn constructie van het verhaal, zou hij over Dr Kuypers drempel heengekomen zijn en zouden dus zijn uitroepen: „schrikkelijk, schrikkelijk” op hem zelf weer neerkomen. |16|

Ja, al was het maar een vierkante meter! Want hij houdt zich aan de uitdrukking: alle bergen onder den ganschen hemel onder water t. Hier blijft geen vierkante meter over. Stel eens, dat Dr Kuyper het in zijn hoofd gehaald had, sympathie te betuigen met de poging van den Jezuiet A.R.P. Jacob Bonfrère, om zijn opvatting, dat Henoch, na zijn „wegneming” toch ergens gebleven moest zijn — op aarde — en dat toch de zondvloed hem tenminste niet kon hebben bedolven, en dat dus waarschijnlijk het kleine stukje grond, dat zijn aardsch „paradijs” was, waarschijnlijk door de wateren zal gespaard zijn (zooals b.v. de wateren van de Roode Zee en van den Jordaan plaats maakten voor het volk Israël), te rijmen met de Schrift, dan zou ook dàn reeds Dr A. Kuyper met den Jezuiet door hem veroordeeld móeten worden, al was de poging tot bewaring van de vrede met de Schrift nog zoo duidelijk als hier toch wel blijkt, in deze overigens grillige fantasieën 4).

Laat ons eens zien.

Om te beginnen, moet tot onzen anoniemen aanklager van Dr A. Kuyper het verwijt gericht worden, dat hij de kwestie noodeloos opblaast en verschillen in het leven roept, die Dr Kuyper met hem niet heeft. Hij vraagt, met vette letter, welke „schrikkelijke” (alweer!) gevolgtrekkingen hier voor de hand liggen. En noemt dan allereerst, dat, bij handhaving van Dr Kuypers opvatting, óók ruimte blijft voor de mogelijkheid, dat, evenals wilde dieren, zoo ook menschen in het leven kunnen gebleven zijn. En dan draaft hij verder. „Dan”, zoo heet het, „dan zijn Noach en de zijnen niet alleen gespaard, maar nog velen met hem. Dan is het menschelijk geslacht na den zondvloed niet alleen uit Noach opgebloeid. Dan verliest Gods verbond met Noach zijn kracht”.

Het is dramatisch genoeg, zoo men ziet.

Maar de nuchtere werkelijkheid is, dat Dr Kuyper aan al die renpaarden eener overprikkelde fantasie bij voorbaat de pees heeft doorgesneden, toen hij uitsprak, dat zijn dilemma was: òf heel de aardbol bedekt, òf alleen het „bewoonde gedeelte” (Gem. Gr. I, 45). De „bewoonde streek” is dus volgens hem in ieder geval „geheel onder de wateren bedolven” (46). Een eventueel dispuut over de vraag, of misschien een deel van de wereldbol droog bleef, wordt door Dr Kuyper dus bij voorbaat reeds beperkt tot „de(n) andere(n) kant van onzen aardbol, dien we nu Amerika noemen”, en die Dr Kuyper zich blijkbaar door menschen in de Noachietische periode niet bewoond denkt (46). Heeft Dr Kuyper, om nu maar alleen bij de Gemeene Gratie te blijven staan, niet uitdrukkelijk geleerd, dat heel de tegenwoordige menschheid is opgebloeid uit Noach en uit hem alleen, met uitzondering alleen van Noachs „acht zielen”? Lees Gem. Gr. deel I, bl. 9, en ge hebt genoeg.

Nog verder gaat de klacht. „Wat”, zoo vraagt onze |17| brochureschrijver, „wat blijft er dan” (op Dr Kuypers standpunt) „over van Gods duren eed, waarvan we in Jes. 54 : 9 lezen? Want partieele watervloeden zijn er nog zoo dikwijls geweest”. Maar dat is weer de kwestie vertroebelen. Want Dr Kuyper wijst heel die idee van een „partieelen watervloed”, die met andere later intredende rampen op één lijn zou staan, of kunnen staan, nadrukkelijk af, en noemt een dergelijke „duiding” van het Noachietische verbond zelfsGode-onwaardig”! (I, 16).

Het komt niemand toe, Dr A. Kuyper peuterzieke raadseltjes op te dringen, waarover zijn breede en vooral Schriftgetrouwe geest zou lachen. Moet men nu vergeten gaan, dat Dr Kuyper zelfs de noordpool en de zuidpool in den zondvloed betrokken acht (I, 85), en dat hij met zooveel woorden afwijst de idee, alsof de zondvloed „een eenvoudige wolkbreuk of sterke plasregen” zou geweest zijn? Want voor hem is het „een geheel exceptioneele verschijning in den dampkring geweest”, ja zelfs een katastrofe, die bergen en heuvelen ontwrichtte, en erger (Gem. Gr. I, 84). Is dit duidelijk genoeg?

En waar Gods eed uit Jesaja 54 : 9 blijft? Maar moet men dàt nog aan Dr Kuyper vragen, aan Dr Kuyper, die er telkens weer op terugkomt met kracht en klem? Men behoeft de hier geciteerde plaatsen maar na te slaan . . .

Er is nog meer. De schrijver van het anoniem geschrift maakt het zich wat heel gemakkelijk, door van de bewijsplaatsen, die Dr. Kuyper aanhaalt tot steun van zijn gevoelen, er maar één te releveeren, en de andere kalmpjes weg te laten. Ik geef hem toe, dat het niet veel zegt, dat in Johannes 12 : 19 door „joodsch-kerkelijke overheden” gesproken wordt van „de geheele wereld”, die Jezus, volgens hen, zou navolgen; want inderdaad, dat zegt, op zichzelf genomen, nog niet veel omtrent de vraag, of soms de Bijbel zelf wel eens spreekt van „heel den aardbodem” terwijl hij dan feitelijk bedoelt: een deel van den aardbodem.

Maar waarom laat de verklager van Dr Kuyper de andere plaatsen weg, die deze noemt? Waarom Joh. 21 : 25 en Klaagliederen 4 : 12 niet genoemd? Dáár spreken toch geen „joodsch-kerkelijke overheden”?

Trouwens, er is geen sprake van, dat met die enkele „teksten” de kwestie uitgeput zou zijn. Kom aan, gij die Dr Kuyper, den bouwer van ons gereformeerde leven, beschuldigt van Schriftaanranding, omdat hij het historisch gezag van de uitdrukking „de geheele aardbodem” 5) bestaanbaar acht met de bewering, dat mogelijk een deel ervan bedoeld is, — meent gij het consequent? U zegt: ja? En misschien wijst U op de uitdrukking: „alle hooge bergen, die onder den ganschen hemel zijn”? (7 : 19). Goed. Als ge dan niet gelooft, dat er uit alle volken, die de antieke wereld bewoonden, joodsche representanten op het Pinksterfeest waren, dan zijt ge een Schriftaanrander, volgens uw eigen gedachtengang |18| (Hand. 2 : 5). Dan moet ge, op straffe van verlies van Uw naam als Schriftgeloovige, ook vaststellen, dat er geen volk in de wereld is, dat niet voor Abrahams zaad gesidderd en gebeefd heeft (Deut. 2 : 25). Maar wanneer gijzelf den bijbel zóó niet leest, waarom oordeelt ge Dr Kuyper, die hetzelfde doet als gij, doch het alleen maar wat eerder begrepen heeft? Waarom moet men wèl aan de (trouwens heel gewone) taalfiguur van de hyperbool 6) denken, als er sprake is van „volken” onder den ganschen hemel, maar zulk een gedachte als Schriftaanranding brandmerken, wanneer er sprake is van „bergen” onder den ganschen hemel? (Genesis 7 : 19). Is dat ernstig? En — eerlijk? 7)

Kan het woord „onder den ganschen hemel” niet bedoeld zijn in den zin van: onder den hemel, die zich welft boven de bewoonde wereld? Spreekt er weer iemand van „geslepen redeneeringen”? Maar laat men dan eens lezen — orthodoxe kommentaren naast zich — ter min of meer duidelijke illustratie, wat er staat in Deut. 4 : 19; Pred. 1 : 13; 2 : 3; Daniël 7 : 27, 9 : 12 (wel eschatologisch bedoeld, of retrospectief, maar telkens in samenhang met de woonplaats der menschen).

Spreekt men nòg van „geslepen redeneeringen”? Maar waarom zou men die dan óók niet zoeken achter de Septuagint (de grieksche vertaling van het Oude Testament), die het woord „gansche” in de uitdrukking „alle hooge bergen onder den ganschen hemel” niet eens heeft gelezen, en dus ook niet heeft vertaald? Wie wat van die Septuagint afweet, rekent met zoo iets toch altijd, als het erop aankomt, te weten, welke lezing de oudste is, of wat de tekst bedoelt.

Ten derden male: spreekt daar iemand nòg van „geslepen redeneeringen”? Laat hem dan hebreeuwsch leeren; dan zal hij zien, dat het woord „’adamá” (welk woord in onze Statenvertaling in dit verband door aardbodem is weergegeven, Gen. 6 : 7) vrijwel de meeste keeren aanduidt: zulk een deel der aarde dat in cultuur te brengen is, of reeds gebracht is. En volgens anderen zelfs nooit van de cultuur-idee te scheiden is. Men lette b.v. op Genesis 28 : 15. Daar luidt het: ik zal u wederbrengen in deze „’adamá”; en daar beteekent het dus: een land-streek. Volstrekt niet: de aardbodem. Of — een ander voorbeeld — leest soms onze onbekend „gereformeerde predikant” — stel dat hij dienstdoend predikant is — des Zondags de wet, en dan nader het vijfde gebod, soms in dezen vorm: „Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd |19| worden op den aardbodem, dien de Heere uw God u geeft? Neen? Maar toch staat óók dáár het woord, dat in het zondvloedverhaal door „aardbodem” is weergegeven. Zijn er soms leeuwen over den ganschen aardbodem verspreid? Neen? Maar in Jesaja 15 : 9 staat dan toch wel, dat ze over de rest van de „’adamá” komen; en als men dat door aardbodem vertalen mòet . . .

Het lust me niet verder te gaan; wie een hebreeuwsch woordenboek heeft en het dan ook belieft te gebruiken (!), die kan meer plaatsen vinden, waar het woord „’adamá” niets anders beteekent, dan een klein stukje grond, in cultuur gebracht. Feitelijk is de mogelijkheid, om aan dat hebreeuwsche woord den uitgebreiden zin van „aardbodem” te geven, alléén te overwegen in het zondvloedverhaal 8). Daarom is het geen Schriftaanranding, maar eenvoudig een zoeken naar den alle gegevens tegelijk op hun plaats latenden zin, als men zich afvraagt: is hier nu de aardbol als geografisch begrip bedoeld, òf het door menschen in cultuur gebrachte land? Een cultuur-historische, een anthropologisch-historische, grootheid dus? Zegt het niets aan den onbekenden schrijver, dat Ed. König in zijn kommentaar op Genesis wel de 6 scheppingsdagen opvat als gewone dagen, althans week-dagen, maar den omvang van den zondvloed, het overstroomingsgebied, ongeveer op gelijke wijze duidt als Dr. A. Kuyper deed, en dat dan, niet op grond van vooropgestelde meeningen, maar op grond van de exegese der woorden zelf?

Wij willen geen oogenblik ontkennen, dat de indruk, dien het bijbelsch verhaal wekt, deze is, dat de verdelging universeel is. Maar even sterk houden we staande, dat voor den bijbelschrijver de wereld slechts in zooverre als zij bewoond was, een historie had, en aan de menschen dier dagen bekend was, in aanmerking komt 9). En het is wel wat heel vreemd, als de pers van de groep-Geelkerken, die zoo verheugd is met de verschijning der anonieme brochure, dit niet ronduit zegt; temeer, waar het zoo precies klopt met de opvattingen van Prof. Böhl, die in genoemde pers vrijwel zonder critiek doorgegeven werden in hetzelfde uur, waarin men deze brochure aangreep en te koop liet bieden. De man, die dit laatste deed, — ik bedoel niet het te koop bieden, maar het doorgeven van Prof. Böhls gedachten — was Dr N.D. van Leeuwen; en die is dan weer de man, op wien Prof. Böhl zich beroept, om te bewijzen, dat het bijbelverhaal niet bedoeld heeft, met de „aarde” hetzelfde |20| aan te duiden als onze natuur- en aardrijkskundigen dit in wetenschappelijk dispuut doen 10). Het geval zou bijna nog komisch worden, indien de rechtvaardige ergernis niet den lach terugdrong.

Misschien, dat de christelijke gereformeerde dominee te Bunschoten thans geneigd is, niet meer te spreken van „geslepen”, doch van „neo-calvinistische” redeneeringen. Voor dit geval wil ik, in het voorbijgaan, erop wijzen, dat de onder orthodoxe menschen nog al gangbare kommentaar van Patrik, Polus en Wels op Genesis u, als hij toekomt aan de verzekering, dat de wateren al de hooge bergen onder den ganschen hemel bedekten, opmerkt:

„Ten tweeden, is dees vloed misschien niet algemeen geweest over de gansche waereld, maar alleen over de bewoonde aarde, daar eenige menschen of beesten waren; wijl dit ten volle kon beantwoorden, zoo aan de bewegende oorzaak van den vloed, namelijk ’s menschen zonde, als aan zijn einde, de verdelding van alle menschen en beesten, die op de aarde leefde. En dus kan men door den ganschen hemel verstaan die deelen van denzelven, welke den bewoonden aardkloot overdekten”.

Vermoedelijk gaat nu Dr Geelkerkens pers ook de jongelingsvereenigingen waarschuwen tegen Patrik, Polus, Wels? Want zij is het immers eens met de aanklacht tegen Dr A. Kuyper als Schriftaanrander?

Want mij zelf betreft, voeg ik aan het bovenstaande dadelijk toe, dat deze opmerking (van Polus) een oogenblik later door Patrik bestreden wordt, gelijk trouwens ook later gebeurt in denzelfden kommentaar, als de nieuwtestamentische teksten, die den zondvloed noemen, worden uitgelegd. Men ziet, goedkoop effect wil ik hier niet najagen. Maar over die onderlinge tegenspraak gaat het niet. Men mag Dr Kuypers opvatting, wat mij betreft, op exegetische gronden óók tegenspreken, zooveel men wil. Slechts dit wil ik zeggen: als Polus en Patrik genoegelijk naast elkaar werken en hun beider opinies naast elkaar ter overweging worden aangeboden, dan blijkt:

1e. dat de samenwerking van deze twee op dit punt uiteengaande theologen bleef bestaan;

2e. dat dit kon, omdat wèl een exegetisch verschil hen op dit punt tegenover elkaar stelde, maar geen afstand hen scheidde als van „Schrift-geloof” en „Schrift-aanranding”;

3e. dat Patrik zelf reeds toegeeft, dat „sommigen onder de ouden” reeds zoo leerden, als hier Polus doet, en dat ze, als hij schrijft „nu nog navolgers hebben”.

Ik zeg het maar even, omdat we anders weer van Kuyper als neo-calvinist hooren. |21|

Ja, men kan wel met ijzerbeslagen voeten door den bijbel loopen, zeggende: daar staat toch maar: de heele aarde? Zeker, zeker. Het staat er ook van de droogte en den dauw, ten dage van Gideon v, toen hij het vlies op den bodem lei, wachtende op zijn teeken. Toen was er ook „droogte” en „dauw” „op de gansche aarde”. Maar de Kantteekenaren hebben, inplaats van Amerika, Australië er bij te halen, al gezegd, dat dat nu beteekende: de omgeving ten naasten bij.

Maar we zullen den man der bezwaarde consciëntie laten uitspreken. Hij zegt: maar er staat dan toch maar: „Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat Ik gemaakt heb” (Gen. 7 : 4). En hij voegt er aan toe: „Dus ook de verscheurende dieren”. Klaar is hij, en de colporteurs zijn het ook. Maar er is ook nog een grondtekst. Daar staat een woord: „jekoem”, dat vrij onzeker te vertalen is: „alle bestand, dien ik gemaakt heb”? König vertaalt: het gansche bestand, dat ik gemaakt heb, zal ik verdelgen. Een oud woordenboek (Waterman, Beredeneerd Hebr. en Chald. Nederl. Wrdbk 1859 w) geeft de vertaling: het vaste, duurzame bestaan (n.l. der aarde) in levende wezens; en zegt: „welligt: het levende”. Een en ander klopt volmaakt met Dr Kuyper: geen exemplaren tellen, maar het systeem, het organisme, het schema, der geordende dingen aangegrepen achten, dàt moet men doen, als men de katastrofe van den zondvloed zich eenigermate indenken wil. Heel het woord „jekoem” komt, behalve in het zondvloedverhaal (7 : 4, 23) nog maar één keer voor in den bijbel, n.l. in Deut. 11 : 6, waar ons gezegd wordt, dat Dathan en Abiram door de aarde verslonden zijn met hun gezinnen, tenten, en met heel den jekoem, die „in hun voeten”, achter hen aan (?), is (komt?). De een denkt hier aan hun levende have, de ander aan hun dienstpersoneel, de derde aan iets anders 11). Schrijver dezes zou nu tot zijn collega in het predikantschap willen zeggen: collega, ik ben geen hebraicus, misschien wilt U goedvinden te verklaren, dat U het ook niet bent. Maar als U dan ten overvloede verklaart, dat Uw brochure „zonder pretentie” geschreven is, kom, laten we dan niet Dr Kuyper om |22| „schrikkelijke” Schriftaanranding veroordeelen, omdat hij een woord, dat König anders vertaalt dan Oort, en Oort weer anders dan Keil, en Keil weer anders dan Böhl, en deze weer anders dan de Kantteekening, en deze weer anders dan de Septuagint, . . . enzoovoort, ik herhaal, omdat hij zulk een woord een weinig anders opvat dan U, die — is de onderstelling niet te stout? — misschien er nog nooit op gelet hadt?

En wat Genesis 6 : 7 betreft, ook hier hangt alles weer af van de opvatting van het woord „aardbodem”.

Men ziet: er valt nog wel wat te praten over de kwesties, die door den criticus van de „mannen van Assen” met een handgebaar tot beslissing gebracht zijn.

Om ons niet van hem af te maken, zullen we evenwel nog een en ander aan den onbekenden schrijver vragen.

Hebt gij er bezwaar tegen, onbekende predikant, te gelooven, dat er in het nog niet gecultiveerde deel der aarde, misschien nog wel roofdieren bleven leven, waar het Dr Kuyper dan speciaal om te doen is (en dat juist, om óók aan wat de bijbel daarvan zegt, ten volle recht te laten wedervaren)? Ge zult misschien zeggen: ja ik, want er staat toch maar: het einde van alle vleesch is voor Mijn aangezicht gekomen (Gen. 6 : 13). Zeker, het staat er. Maar, ten eerste, is het nog de vraag, wat het woord „einde” hier beteekent. Misschien: de dood? Maar de Septuagint heeft: „kairos pantos anthroopou”; en die schijnt het dus op te vatten als: de termijn, die aan „alle vleesch” gesteld is, is gekomen: de termijn, die de tot dien dag toe gegeven ordening van het wereldbestel zou omkeeren 12). Maar dan voorts: laat nu dat „einde” eens weg. Beteekent „alle vleesch” bij U vast en zeker: alle dieren, alle menschen, roofdieren ook (alleen de visschen niet)? Maar dan moet ge den bijbel eens nagaan. „Alle vleesch”, dat kan beteekenen, natuurlijk óók: alle schepselen (Ps. 136 : 25), maar voorts eveneens:

1e: de menschen, zonder de dieren. Bewijs reeds in het zondvloedverhaal zelf: Genesis 6 : 12, vergelijk de kantteekening; en voorts: Jes. 40 : 6 (?); Jeremia 25 : 31, Zach. 2 : 13 (hebr. tekst 2 : 17);

2e: „alle soorten van menschen” (Kantt. op Ps. 65 : 3);

3e: alle tot God gebrachte menschen, in onderscheiding van de goddeloozen, dus, voor wie tellen en rekenen wil, slechts een deel der eerst geschapen menschen, Jes. 66, het laatste vers;

4e: een deel van de menschen: Joël 2 : 28 (hebr. tekst 3 : 1);

5e: de totale inwonerschap van een bepaalde landstreek, of district, Jeremia 12 : 12; |23|

6e: de dieren in tegenstelling van de menschen: Genesis 7 : 21 13).

Zóó eenvoudig is de keus uit alle mogelijkheden dus niet. En het is, zacht gezegd, lichtvaardig, hier te beweren, dat Dr Kuyper, als hij één mogelijkheid kiest uit de vele, die de bijbel hem zèlf openlaat, geen ernst maakt met den eisch, dat de Schrift zelf gronden moet geven voor eenig exegetisch resultaat van den Schriftonderzoeker.

Dan waren de Kantteekenaren voorzichtiger.

Ja, de Kantteekeningen der Statenvertaling.

Het zou dwaasheid zijn, daarop acht te geven, indien de kwestie, die ons hier bezighoudt, in hun dagen nog nooit aan de orde gesteld was. Wie evenwel de oude kommentaren op Genesis van voor 1630 eens nasnuffelt, bemerkt, dat de kwestie allang bestond. Zelfs op 2 manieren.

a. Sommigen redeneerden in den boven aangegeven zin: dat de aarde slechts als bewoonde wereld in aanmerking kwam (anthropologisch); zoodat de uitdrukking „de hooge bregen onder den (ganschen) hemel” moest bezien worden onder het licht van saamhoorigheid van „hemel en aarde”.

b. Anderen, onder wie vooral Cajetanus telkens weer aangetroffen wordt in die oude kommentaren, lieten wel de kwestie van: „een-deel-dan-wel-het-geheel-der-aarde” buiten bespreking, maar zij dachten een beetje anders over het woord „hemel”. Voor hun begrip was de „hemel” de „midden-hemel”; ze beweerden dan voorts, dat lagere bergen onder dien midden-hemel bleven staan, maar dat hoogere bergen hun kruin er boven uitstaken; zoodat dan „ruimte” werd gelaten voor het gevoelen dat b.v. de Olympus van den zondvloed niet aangeraakt werd.

Knappe theologen, als de voor de bijbelvertaling gedeputeerden der Dortsche Synode waren, zullen zij van het bestaan der kwesties natuurlijk afgeweten hebben. Temeer, omdat de vraag opkwam, of het oude paradijs ook weggespoeld was. (Vergelijk boven, wat van Henoch gezegd werd.)

En nu is het opmerkelijk, hoe voorzichtig ze zijn. Om te beginnen, zeggen ze geen enkel toelichtend woord bij Genesis 7 : 19 (bergen onder den ganschen hemel). Dat is opmerkelijk, omdat zij deze of een dergelijke uitdrukking wèl verklaren in andere gevallen, (Deut. 4 : 19, Pred. 1 : 13; Dan. 7 : 27; Hand. 2 : 5; Joh. 12 : 19; Joh. 21 : 25; Deut. 28 : 25; Gen. 41 : 57; 2 Kron. 9 : 23, enz.). Men kan zeggen: het ontbreken van |24| eenige toelichting bewijst, dat ze het alles heel gewoon vonden. Maar, afgedacht van wat ik al zei, hoe vaak lichten de Kantteekeningen niet toe, waar wij, eigenwijze menschen, het volmaakt overbodig vinden?

En als ge eenmaal let op die voorzichtigheid, dan treft ze u meer dan eens. Als zij in Genesis 7 : 14 zien staan: „al het gedierte”, dan verklaren zij: „dat is, allerlei; gelijk ook in het volgende en elders meer”. En zij vervolgen: „Versta dan niet elk bijzonder gedierte, maar van al de soorten der gedierten, hier vermeld 14), een zeker getal, tevoren uitgedrukt, vers 2”. Zijn gaan zelfs in den tekst het hebreeuwsche „al” vertalen door „allerlei” (vs 14).

Ja, die stem der Kantteekenaren is duidelijk genoeg. Naar hun opmerking, dat het woord „alle” in het zondvloedbericht meermalen moet verklaard worden als „allerlei”, wijzen ze heen ook bij Gen. 6 : 19. Van al wat leeft, van alle vleesch, moet in de ark komen, staat er; maar de Kantteekenaren expliceeren: „dat is: van allerlei levende, aardsche dieren”. Noach moet nemen van alle spijze, die gegeten wordt, ook voor de dieren; maar de Kantteekenaren verklaren: Dat is allerlei . . . (Gen. 6 : 21). Wanneer de Kantteekenaren in Gen. 7 : 2 stuiten op het woord „alle rein vee”, dan verwijzen ze naar Leviticus 11. Zoekt ge daar hun woord eens op, dan staat daar, op Lev. 11 : 2, nuchter, het volgende: „Het hebreeuwsche woord is hier in het algemeen genomen”. In hetzelfde verband verwijzen zij naar Genesis 1 : 26. En ook naar Genesis 6 : 7 en 20. Daar ziet ge als hun meening verkondigd, dat „niet alleen het tam, maar ook het wild gedierte” in de verdelding èn de bewaring deelen zal; het heel allemaal „vee”. De combinatie nu van elk apart gegeven met alle andere saam, laat dus ruimte voor de mogelijkheid, dat de Kantteekenaren met opzet geen besliste keuze deden uit de verschillende mogelijkheden van zondvloedverklaring, waarmee de geleerden van hun dagen zich reeds bezighielden. Men zou moeten knoeien om uit het samenstel van de Kantteekeningen af te leiden, dat het zoo nu zeker en gewis is. Eerder krijgt men den indruk, dat ze over de onderhavige kwestie geen scherp gevormde meening hebben willen uitspreken, en dat ze ook de kwesties niet opzettelijk behandeld hebben. Maar het is mij dáárom niet te doen. Het gaat er om, voorzichtigheid in de exegese te ontdekken, en te constateeren, dat zij, 3 eeuwen terug, verder waren dan de onbekende leverancier van copie aan de heeren Dr J.G. Geelkerken en Ds H.C. van den Brink en Ds E.L. Smelik en Mr W.A. Vrolijk en wie meer in publieke vergaderingen of in een blad zich aan deze brochure hebben gehecht. Als de Kantteekenaren in Gen. 8 : 9 lezen: „de wateren waren |25| op de gansche aarde”, en ze verklaren dit aldus: „op de vlakte der omliggende landstreek”, och neen, dan triumfeeren we hier niet mee, want wie wil, kan opmerken, dat het tekstverband hen tot deze explicatie drong. Wie het vergeten mocht, dien noodig ik zelfs uit, dit wel te bedenken, want als ik dat verdoezelde, zou ik ook tegelijk negeeren de allesbeheerschende omstandigheid, dat Dr Kuyper heel zijn redeneering ook heeft opgezet uit oorzaak van het tekstverband (hij wilde Genesis 9 : 5 tot zijn recht doen komen). Het zou trouwens niet eerlijk zijn.

Maar twee dingen merk ik op:

a. Indien dus de uitdrukking „de wateren waren op de gansche aarde” zóó in lokalen zin bedoeld kàn zijn (landstreek, ’arets), dan is omtrent de vraag, of de term „de gansche aarde” elke gedachte aan partieele aardoppervlakken bepaald uitsluit, ten gunste van Dr Kuyper beslist, volgens de Kantteekeningen. Zal men dan Dr Kuyper noemen een Schriftaanrander? Kom, laat ons niet doordraven . . .

b. Indien de Kantteekeningen hun exegese, b.v. over het aantal der in de ark opgenomen dieren en voedingsmiddelen blijkbaar o.m. ook laten beheerschen door de vraag, of in die kleine ruimte alle dieren (die immers geen „winterslaap” deden, 6 : 21) plaats konden hebben — waarom ànders de exegese alles = allerlei? 15) en dan tevens zich beijveren om het eene gegeven met het andere te verbinden, en zich in alles te binden aan de vraag, wat het gezag der Schrift, vooropgesteld, gebiedt te aanvaarden, moet men dan Dr Kuypers nagedachtenis achtervolgen met de bijvoeglijke naamwoorden, die ik nu maar niet meer repeteeren zal?

Schrijver dezes wil ten overvloede nog wel verklaren, dat hij persoonlijk het volstrekt niet eens is met de opvatting van Dr Kuyper, volgens welke Genesis 9 : 5 (de „ordinantie”, die den mensch beschermt tegen het wilde gedierte) zijn exegese van het zondvloedverhaal zou noodig maken. Zijns inziens heeft Dr Kuyper hier onnoodig verband gelegd, tusschen wat God na den vloed (in profetisch woord) tot Noach zei en wat door den vloed al of niet ontwricht en vernield is. Maar, het is niet de vraag, of Dr Kuyper zich al eens vergist, en het is ook de vraag niet, of de synode van Assen zich al eens vergist, en het is ook de vraag niet, of Dr Geelkerken zich al eens vergist. Wie vergist zich niet? Het is de groote vraag, of de regelen, die men zich voorhoudt bij de nadering tot de Schrift, met het gezag van den bijbel zelf bestaanbaar |26| zijn. Het is de groote vraag, of men zich boven den bijbel stelt, en aan zijn eigen „inzicht” normen ontleent, om dat eigen inzicht te laten decreteeren, wat de bijbel alzoo kan zeggen, en mag zeggen — dàn wel, of men zich onderwerpt aan den bijbel zelf, en ook eigen inzicht daaraan gevangen geeft, — en in alle gevallen, waarin men niet weet, wat de bijbel bedoelt, eerlijk zegt: ik weet het niet, maar ik schort liever mijn conclusie op, als het moet tot na mijn dood, dan dat ik in mijn haasten zou zeggen: het kan niet zijn, wat daar staat, en daarom zal ik het maar eens naar mijn hand zetten.

En hier raken we de groote vraag, welke houding tegenover de Schrift Dr Kuyper als „man van Assen” inneemt in tegenstelling met de „mannen van niet-Assen”. Maar dat komt later aan de orde.

Dat komt later aan de orde, zeg ik. En als ik daarom thans voorloopig van het zondvloedverhaal afstap, dan vat ik hetgeen hier tegen de anonieme brochure gezegd werd, of te zeggen is, in deze punten samen:

1. aan Dr Kuyper worden „Schriftuurlijke bewijzen” ontzegd, maar dit is de zaak op haar kop gezet; want Dr Kuyper had geen bepaalde stelling (hij had slechts een „vermoeden”, bl. 46, en sprak van „allicht” niet heel onze aardbol”, bl. 58). Hij beweerde slechts, dat bepaalde Schriftgedeelten niet dwingen in één of andere richting;

2. van de „Schriftbewijzen” heeft de anonieme auteur deels geen nota genomen, deels op den klank af maar wat beweerd;

3. hij heeft Dr Kuypers dilemma nooit zuiver gesteld;

4. zijn eigen voorstelling der dingen kan geen enkel Schriftbewijs tot steun oproepen;

5. wat Dr Kuyper mogelijk achtte, is volstrekt niets nieuws;

6. het verschil tusschen Dr A. Kuyper en dezen naamloozen criticus loopt alleen over den omvang, het gebied, van den vloed; en ook over het getal van de daarbij ter sprake gebrachte schepselen; maar in geen enkel opzicht heeft het ook maar iets te maken met de vraag: was het werkelijkheid of niet; hoogere of lagere werkelijkheid; mythe, inkleeding of historiebericht; omdat Dr Kuyper in elk opzicht de heel-gewone werkelijkheid aanvaardde, zelfs niet alleen in den grooten cirkel van noord- tot zuidpool, maar ook in détails als b.v. de opsluiting en de uitlating der dieren in en uit de ark (bl. 46);

7. daarom is het ook geheel te onpas, door en door onwetenschappelijk, en werkt het verwarrend, als de anonieme schrijver (bl. 21) Dr Kuyper in dit verband beschuldigt van het „oneigenlijk” opvatten van Schriftgedeelten. Want het debat over „eigenlijk” of „oneigenlijk” heeft in het verband van de kwestie-Geelkerken-Assen een heel àndere wending genomen, wijl het daar ging over een „historische” werkelijkheid in het vlak van ons menschelijk, tijd-ruimtelijk leven, dàn wel over een hoogere werkelijkheid. Van zùlk een dilemma is bij Dr Kuyper geen sprake;

8. Dr Kuyper kwam tot de nadere overweging van een en ander alleen door den drang, om alle Schriftgegevens tegelijk tot hun recht te |27| doen komen, en hij kwam niet tot zijn opvatting om redenen buiten de Schrift gelegen, al achtte hij zijn opvatting, achteraf (!!!) wel bevestigd uit buiten-bijbelsche gegevens (fossielen, hoogte der bergen, de constructie van het verhaal, zoodra men het zich concreet voorstelt) 16);

9. daarom heeft de anonieme predikant Dr Kuyper onrecht gedaan, de vergelijking met Assen door en door scheef getrokken, en van de kernvragen van zijn onderwerp niets begrepen, zelfs geen ernstige studie gemaakt 17).


Over het water van den Nijl.

Thans krijgt prof. Dr A. Noordtzij een beurt van onzen onbekenden feilentoonenden vriend x. Hij heeft in Prof. Noordtzij’s „Gods Woord en der Eeuwen getuigenis” gelezen wat de auteur zegt over de plaag, die in Egypte, volgens bijbelsch bericht (Exodus 7 : 14-25) het water van den Nijl in bloed veranderde.

Let nu eens op zijn redeneergang.

Eerst geeft hij toe, dat Prof. Noordtzij vooropstelt, dat de plagen van Egypte in het algemeen verschijnselen van bovennatuurlijke orde zijn, wonderen. Het heeft evenwel den schijn alsof de onbekende schrijver zóó gretig naar de aanklacht komt, dat hij over dit allesbeheerschende punt haastig heenloopt, en er eigenlijk alleen fatsoenshalve melding van maakt. Natuurlijk zullen wij, zoodra we den schrijver bij name kènnen, niet aan opzet hebben te denken. Feit is evenwel, dat Prof. Noordtzij het bovennatuurlijk karakter der tien plagen veel breeder en nadrukkelijker vooropstelt, dan hier aan de lezers der naamlooze brochure vermeld wordt. Met nadruk worden al die plagen, dus ook de verandering van het water in bloed, genoemd: „daden, die buiten de werkingssfeer van den mensch vallen en getuigen van een souverein heerschen over de machten der zichtbare wereldorde”. Achter den mensch, Mozes, die de teekenen uitricht, „staat inderdaad des Heeren macht”. En dan vervolgens: „De bewering, dat die plagen niets anders zijn dan natuurverschijnselen, die — zij het dan ook niet in die mate — ieder jaar in Egypte kunnen worden aanschouwd, is niet in overeenstemming met hetgeen de gewijde schrijver heeft willen zeggen” y.

Over deze duidelijke, principieel het standpunt afbakenende, uitspraken |28| wordt evenwel vluchtig heengeloopen. Allen nadruk laat de criticus van de „mannen van Assen” evenwel vallen op het feit, dat Prof. Noordtzij rekening houdt met het z.g. verschijnsel van „den rooden Nijl”. De groote rivier van Egypte heeft in bepaalde tijden van het jaar door allerlei factoren van gewonen aard en door vermenging van het water met allerlei vuil en plantenresten een „modderige, roodachtige kleur” z. En nu meent Prof. Noordtzij, dat dit gewone verschijnsel, althans voor een deel, in de uitwendige vormen, die de plaag aangenomen heeft, te herkennen is. Evenwel — en daarop komt het aan — niet zóó, dat de plaag daarin opgaat. Integendeel: het wonder ligt, bij de plagen in het algemeen, en dus ook hier in het bijzonder, hierin:

a. dat het vernietigend vermogen verduizendvoudigd wordt;

b. dat het Woord intreedt als allesbeheerschende, bevelende, scheppende of verwoestende kracht;

c. dat het openbarings-karakter der teekenen duidelijk opviel aa.

Maar de anonieme beschuldiger van dezen met naam en toenaam genoemden hoogleeraar is verontwaardigd. Hij concludeert: er staat, dat het water in bloed veranderde; Prof. Noordtzij zegt, dat het geen bloed was, maar alleen een bloedroode kleur had: hij gelooft niet wat er staat. De vette letter ontbrak niet.

Laat ons maar weer terwille van het gereformeerde volk populair blijven en daarom wat breedsprakig. Dan merken we enkele dingen op.

1. Het wonder is uitdrukkelijk gehandhaafd. Het Woord, dat „beveelt en het is er”, dat „gebiedt en het staat er” bb, beslist. Moet men soms ook gaan onderzoeken, of de bliksem, die het offer van Elia op Karmel verteerde, resultante van precies hetzelfde complex van natuurlijke werkingen was, als elke andere bliksemstraal? Welneen, het Woord spreekt met majesteit. Zoo ook hier.

2. De vermenigvuldiging, zelfs duizendvoud, is die ook het wonder niet? Wie dat ontkent, moet ook maar het wonder loochenen in Christus’ vermenigvuldiging van brood en visschen, watn de anonymus, die ergens in of buiten hollandsche duinen over den Nijl te droomen zat, zou het toch veel mirakuleuzer vinden, als er vooraf nu eens heelemaal geen kruimeltje brood en geen zweem van visch geweest was. Maar een gewoon mensch ziet in de vermenigvuldiging het wonder en is verslagen.

3. Met nadruk zegt Prof. Noordtzij, dat de plaag „zienderoogen” optrad, terwijl het boven vermelde natuurverschijnsel heel geleidelijk geschiedde. Weer dus de erkenning van het bovennatuurlijke.

4. Eveneens betoogt hij, dat Mozes’ wonderteeken in wezen tenslotte heel iets anders was dan het verschijnsel van den rooden Nijl. Immers, het was „hetzelfde” als in Ex. 4 : 9: helder water wordt daar rood, zonder dat van eenige infectie of verontreiniging sprake is.

Maar wat wil dan toch onze „gereformeerde predikant”?

Wacht, we zijn er. Er staat dan toch maar „bloed”, zegt hij. En bij |29| Prof. Noordtzij is het geen heusch bloed; doch slechts rood gekleurd water.

Maar wat anders? De chemische formule van „bloed” weet ik niet, en ik zal ze niet opzoeken. Wel geloof ik, dat alles, wat buiten een dierlijk organisme om tot stand komt, reeds daarom geen „bloed” is in scheikundigen zin. Tenminste — men moet oppassen — na Genesis 1!

Och ja, er staat bloed. Willen de zeergeleerde heeren, die deze brochure tegen het verwijt van onwetenschappelijkheid verdedigen, vast eens de chemische formule gaan opstellen van de maan, die straks in „bloed” zal veranderen cc? En de détails ontleden van het vuur van de vuur-kolom dd, van het wordingsproces van de uit Mozes’ staf gevormde slang ee 18), van den aard der microben der melaatsheid van Mozes’ hand ff, van de scheikundige analyse van den wijn te Kana op de bruiloft? gg Willen ze het spectrum eens onderzoeken van de „ster”, die stille stond boven het huis, waar het Kindeke was, en ons dan tegelijk vertellen, of ze Zahn, die aan de zintuigelijke waarneembaarheid der ster vast houdt, doch het woord „ster” anders vertaalt, dan de astrologen hun object van onderzoek plegen te doen, ik herhaal: willen ze eens zeggen, of deze Zahn nu ook onder de „Schriftaanranders” te rekenen valt? We zullen afwachten; en tot zóólang onze schouders ophalen over de verzuchting „O, art. 5 der Nederl. Belijdenis”, die aan het anoniem gemoed ontsnapt, wanneer het nadenkt over het bloed, dat plotseling door den Nijl stroomde (vermoedelijk was het water ineens verdampt, anders past de chemische formule van „bloed” niet meer?). Nog eens: tot zoolang halen we onze schouders op, ook over den waan, dat dit alles nu ook maar een enkel aanrakingspunt heeft met de debatten over de „hoogere werkelijkheid”, waarmede Dr Geelkerken de Asser synode aan boord kwam. Want het is de vraag niet, of men het met de opvatting van Prof. Noordtzij in dit bepaalde geval eens is. Als maar de fundamenteele dingen vastliggen, kan men over bizonderheden verschillen zooveel men wil. Het is in dit concrete geval alleen maar van principieel belang, te weten, of men gelooft, dat hier krachten intraden, die alleen God in eigen handen houdt, maar die in het gewone natuurlijk leven voor ieder waarneembaar waren. Wie nog niet weet, dat de bijbel meermalen een ding noemt naar zijn verschijningsvorm, voor dien zijn vele eeuwen van theologische ontwikkeling vruchteloos vergleden in den nacht der tijden en der onwetendheid. Geen woord meer over deze bij uitstek „wetenschappelijke” ondersteuning der beweging, die aan den naam van Dr Geelkerken verbonden is, en die met wetenschappelijke leuzen en distincties haar loop is begonnen. Alsmede met een breed gebaar tegen |30|scholastieke” redeneermethode. O ironie der geschiedenis, thans gaat het blad, waarvan deze anti-scholasticus eindredacteur is, deze bloed-passage aan het denkend deel der natie aanbevelen . . . Er zijn in het leven nog wel eens contrasten van denzelfden humor en gelijke tragedie als in de vergunning tot ontbinding der touwen en lasten, welke Lijsje in Heijne’s jongste boek hh kreeg van haren heer: „Je magge van mijn en van de vrouw Zundag na kerktijd wel nee Purmerender kerremis toe”. Natuurlijk is de vloer, die in dit geval de strenge statigheid van de „kerk” en de lossigheid der „kermis” verbindt, de vloer der wetenschap. Aristoteles zou toch nog wel te doceeren zijn. Er staat toch maar: bloed . . .


Of de schrijver van Genesis 1 zich vergist heeft? Over den vierden scheppingsdag.

Met de nog al populair-suggestieve vraag, of soms de schrijver van Genesis 1 zich vergist heeft, komt de auteur der hier besproken brochure vervolgens voor het front ii. Hij gaat met die vraag staan voor Prof. Dr W.H.J.W. Geesink. Zijnde schrijver van „Van ’s Heeren Ordinantiën”. Wel wordt dit vraagstuk in de onderhavige brochure „behandeld” onder verwijzing naar Heraut-artikelen, maar ik zal het boek zelf maar citeeren, omdat het boek toch een getrouwe weergave der Heraut-artikelen is.

Waarom Prof. Geesink maar eens antwoorden moet op de vraag, of de schrijver van Genesis 1 zich altemet vergist heeft? Hier is de reden: Prof. Geesink acht het mogelijk, dat de zon reeds vóór den eersten dag (van Genesis 1) geschapen is. En de „gereformeerde predikant”, die zich aan de brochure gewaagd heeft, stelt voor onze ooren vast, dat „God op den vierden dag de zon maakte”. Aldus: „er is geen twijfel aan, of de Schrift wil ons naar haar kennelijke bedoeling iets gansch anders als historie mededeelen”, dan Prof. Geesink. Vette letter, voor dezen laatsten zin, in de brochure.

Laat mij ook eens de vette letter gebruiken voor de mededeeling, dat de anonieme brochure-schrijver alweer niet begrijpt wat hij leest, of anders niet goed leest; en dat hij dus de zaken, waarover hij voorlichting geven wil, op onzuivere wijze stelt.

Hoe gemakkelijk hij over de dingen heenloopt, en hoe haastig hij over zichzelf heentuimelt in zijn jacht naar een triumf, blijkt wel hieruit.

Hij zet zijn redeneering aldus op:

A. Prof. Geesink zegt: de zon bestond reeds voor den eersten dag.

B. Het licht kwam, volgens hem, gedurende de eerste drie dagen ook reeds van de zon.

C. Derhalve: ook „de” wisseling van dag en nacht, d.w.z. het scheiding maken tusschen dag en nacht, kwam gedurende de eerste drie dagen van de zon, volgens Prof. G.

Dus, Nederlanders, Prof. Geesink strijdt met Genesis 1 : 14-19.

Men lette op het haast komische „derhalve” in de onder C vermelde |31| „conclusie” van den schrijver. Hij is zóó zeker van zijn zaak, dat hij zich al te zeer bloot geeft. Bloot geeft in zijn overhaaste leesmethode, in zijn oppervlakkig denken over de zaak, waarmee hij het gereformeerde volk verontrust en anderen beschuldigt, bloot geeft, ook in zijn redeneeren uit eigen indrukken en indrukjes, zonder ook maar even de geweldigheid der problemen, waarin hij — men vergeve ditmaal het woord — grasduint, ook maar te voelen.

Want tusschen de beweringen onder B en C vermeld, ligt een heel groote afstand; en het is àl te naïef, te spreken van „derhalve” in C, alsof A en B praemissen waren. O Aristoteles! Want het is heel wat anders, te zeggen, dat de zon licht geeft, én te verklaren, dat die lichtgeving tot resultaat heeft „de” wisseling van (thans op aarde) bestaande verschijnselen van „dag” en „nacht”.

„Geslepen redeneeringen”, hoor ik den christelijk gereformeerden dominee in Bunschoten zeggen.

Het zij zoo. Maar ik troost mezelf — ik weet niet, of hij voor zich troost begeert — met Calvijn, die toch niet voor niets geschreven heeft. Als men hem leest, dan wordt men dadelijk getroffen door de nuchterheid, waarmee hij de verklaring van Genesis 1 : 14 opent: hij onderscheidt tusschen den „kunstmatigen dag” (dies artificalis) en den natuurlijken dag (dies naturalis). Eerstgenoemde komt eerst met den vierden dag, en is dus in tijdsorde later, dan de in de tweede plaats genoemde, waarvan, volgens Calvijn, Mozes boven, d.w.z. in het verhaal van de eerste drie dagen sprak. De „natuurlijke dag” sluit in wat men „nacht” noemt: noctem sub se continet. Maar de kunstmatige dag loopt van zonsopgang tot zonsondergang.

Wij spreken ons over die onderscheiding verder niet uit, want dat doet niet ter zake. Slechts stellen we dit vast, dat onze anonieme beschuldiger van Prof. Geesink had kunnen rekenen met de mogelijkheid, dat Prof. Geesink met de indeeling van „dag” en „nacht” voor wat de eerste drie dagen in tegenstelling met de latere dagen en nachten betreft, óók een soort onderscheiding tusschen „dag” en „dag” zou hebben aanvaard, die in wezen overeenkomt met Calvijns onderscheiding. Had hij daarover nagedacht, dan had hij zijn bewering onder C weggelaten. Want het is mogelijk, dat Prof. Geesink een bestaan van de zon aanvaardt, zonder dat hij tegelijk daaraan verbindt dat heel andere ding, dat de zon hier op aarde een ons thans uit de dagelijksche ervaring bekenden „dies artificalis” maakt.

En, indien onze „gereformeerde predikant” dan nog wat verder had nagedacht, dan zou hij hebben gezien, dat dit inderdaad het geval is. Prof. Geesink snijdt heel die onder C vervatte bewering, en heel dat on-logische „derhalve”, bij den wortel af, door volgende opmerkingen: (dl. I, uitg. 1907):

a. Eerst op den vierden dag is de zon „tot die volkomenheid gebracht, welke voor heel het leven der aarde noodig is” (bl. 279). |32|

b. Wij hebben te denken „aan den tijd, welken het licht noodig heeft gehad om onze aarde te bereiken” (279, 280).

c. „Wordt ons toch verhaald, dat de bedoeling (van Gods „maken” in vers 16 op den vierden dag) allereerst was om scheiding te maken tusschen den dag en tusschen den nacht (vers 16); om scheiding te maken tusschen het licht en tusschen de duisternis (vers 18); deze scheiding moet een andersoortige geweest zijn dan die, waarvan in Genesis 1 : 4 en 5 wordt verhaald, als het bij het werk van den eersten dag heet: En God maakte scheiding tusschen het licht en tusschen de duisternis en God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Nu leert het natuuronderzoek, dat de as, waarom de aarde iederen dag om zichzelf draait en jaarlijks in een elliptische baan zich beweegt om de zon, niet loodrecht, dus met een hoek van 90°, maar schuins en wel met een hoek van 66 graad op het vlak van haar baan staat. Velen nu onderstellen, dat deze schuinse richting van de aard-as eerst op den vierden dag door Gods inwerking zou zijn ontstaan, en hierdoor zou dan niet slechts ongelijkheid van dagen en nachten, maar ook de wisseling der jaargetijden eerst op den vierden dag zijn veroorzaakt”.

En de hoogleeraar besluit:

„Thans wijzen wij slechts op de tweeërlei scheiding, ons in vers 4 en in vers 18 vermeld. Bij de eerste een bloote wisseling van dag en nacht, en dat tot op den vierden dag, en bij de tweede ook de ongelijkheid van kortere of langere dagen en nachten” (280).

En hiermee vervalt dus de bewering van de anonieme brochure, dat „de” wisseling van „dag” en „nacht” volgens Prof. G. reeds vóór den vierden dag kwam. Want waar er twee wisselingen zijn, moet niemand spreken van één, van „de” wisseling. En waar „dag” en „nacht” bij Prof. Geesink, op het voetspoor van Calvijn tweeërlei beteekenis krijgen, daar moet niemand, om Prof. Geesink van afwijking van Calvijn te beschuldigen (neo-calvinist, zegt men in sommige kringen) vergeten, dat Prof. Geesink in dit opzicht juist Calvijn volgt.

Dit ten bewijze voor onze stelling, dat de brochure over „de mannen van Assen” ook nu weer aan zoo’n „man van Assen” onrecht doet, door verkeerde weergave van gevoelen.

Maar we zijn er nog niet.

We willen den man met de bezwaarde consciëntie zoo volledig mogelijk antwoorden. En daarom vragen we hem, thans geheel afgedacht van zijn bewering onder C, in allen ernst: durft U volhouden, dat de boven onder A en B gestelde beweringen strijden met de Schrift, even zeker, als U dat met vette letter en uitroepteeken vaststelt? Houdt U vol, dat de volstrekt eenige opvatting van het bijbelsch verhaal is, dat de zon, als lichaam, eerst op den vierden dag tot stand kwam? Ik spreek nu niet over de beteekenis van de zon voor de aarde, maar over het ontstaan van de zon, ergens in de wijde ruimte, die de bijbel in Genesis 1 : 1 noemt „den hemel en de aarde”? |33|

Of, nog nauwer de schroeven U en mij aangehaald: houdt U vol, dat elke andere opvatting een „tekort doen aan het gezag der Schrift” is? Want immers, het kan me niet schelen, of U, of ik, of een ander, het met Prof. Geesink al dan niet eens zijn. Ik voor mij vraag dat in deze brochure geen moment, noch bij Dr Kuyper, noch bij Prof. Noordtzij, noch bij Prof. Aalders (Prediker), noch bij Prof. Geesink. Het is maar de vraag:

a. of wat ze zeggen strijdt met het Schriftgezag, en

b. of hun redeneermethode wettigt, dat U hun gevallen op één lijn stelt met de redeneer-methode van Dr J.G. Geelkerken, die door „Assen” is veroordeeld. Daarom alleen gaat het hier.

Omdat Uw brochure op dit punt kras genoeg zegt, dat U inderdaad zoo oordeelt, wil ik U graag op enkele dingen wijzen.

1. U zegt, dat, letterlijk genomen, de zon eerst op den vierden dag is „geformeerd”. Wat bedoelt U met „formeeren”? Wilt U ermee zeggen, dat toen de zon voor de aarde tot een zon, een lichtdrager, werd, en een indeeler van den tijd? Maar dàt strijdt niet met wat Prof. Geesink ervan zei. Wilt U met het woord „formeeren” uitdrukken, dat op den vierden dag, en niet eerder, de stof van zon, maan en sterren, geschapen is, dan is dat in flagranten strijd met Genesis 1 : 1 (de z.g. eerste schepping gesteld tegenover de z.g. tweede schepping der 6 dagen). Dan strijdt dat met Uw eigen bronnen. Ge noemt b.v. Sikkel, Het Boek der Geboorten; maar deze onderscheidt ook zeer nadrukkelijk tusschen Gen. 1 : 1 (aanvang) en het werk der 6 dagen (voltooiing). En in dien „aanvang” van Gen. 1 : 1 is de stof, ook voor wat betreft de hemellichamen, voor zijn besef reeds gegeven. Sikkel — in dit opzicht deel ik zijn meening niet, maar daar gaat het nu niet om — spreekt zelfs over het werk van den vierden dag als over een „versieringdes hemels. En dit moet verstaan worden als parallel met de „versiering der aarde”; die dan weer in het werk der eerste 3 dagen geschied is. Maar die 3 dagen hebben niets anders gedaan, dan uit de bestaande stof gehaald, wat er in lag, gespecificeerd, geboetseerd, vorm, gestalte, lijn, kleur gegeven etc. Waarom zou dit anders moeten zijn bij de zon, de hemellichamen? Wie het anders wil, breekt het parallelisme, waarvan Sikkel vol is, zóó vol dat hij ervan zingen gaat (bl. 96, 92, 90, 84, 82, 129, 104/5). Van Sikkel is de uitspraak, dat God „in en uit” „de zich ontsluitende ontastbare hemelvloeistof” „de hemelen sierde en verheerlijkte door het scheppen van de lichten des hemels” (bl. 90); of ook, dat God „uit de elementen, uit het aanvankelijk onderscheiden en bewrochte oer-element (Gen. 1 : 1, 2)” o.m. ook „de hemellichten” . . . „bouwt”. Hij neemt een wisselwerking aan van de voltooiende schepping op de aanvankelijke en omgekeerd; maar het gaat niet aan te zeggen, dat hij de bouwstof van de hemellichamen eerst op den vierden dag geformeerd acht. Trouwens, telkens keert bij hem terug de opmerking, dat „de versiering des hemels” beschreven wordt, „gezien van de aarde af, en zooals ze voor de aarde en haar leven van |34| beteekenis is”. Dat is nog al van beteekenis; en het verbaast me, dat Sikkel hier dienst moet doen als iemand, die inzake de fundamenteele kwestie (gelooven, wat er staat!) tegenover Geesink gesteld wordt. Wie Sikkel leest, (bl. 129, ed. 1906) ziet hem telkens weer werken met de reeds vóór den vierden dag „geschapen en ontsloten uitgebreide hemelelementen”, en dan vervolgt Sikkel weer: „en God formeert voor het aardsche aanschouwen de ontzaglijke hemellichamen, in . . . samenvatting, . . . verhoudingen, . . . banden, . . . lijnen”. Maar de stof was er al. Wat de vierde dag bij Sikkel doet, dat is: God bindt, regelt, bepaalt het licht. Hij maakt de hemellichamen, ja, maar dan: Hij maakt ze „in eigen zijn”, en in wezensbeginsel geconcentreerd. Hij stelt ze. Het is alsof ge in Sikkel opnieuw Geesink hoort, wat de fundamenteele onderscheiding althans betreft. Het scheppen eerst (Gen. 1 : 1), het toerusten, op plaats zetten, voor de aarde in werking stellen, daarna, (vierde dag).

2. En dan, Ed. König! Ook die wordt door den auteur der bestreden brochure tegen Prof. Geesink opgeroepen. Hij had echter m.i. bezwaarlijk een ongelukkiger keus kunnen doen. Want alle hieronder volgende opmerkingen zijn van Ed. König, in zijn kommentaar op Genesis:

a. Telkens lezen we, zoo merkt König, in navolging van anderen, op, telkens lezen we in het bijbelsch verhaal, bij een nieuwe daad Gods, dat God eerst „zeide”, en daarna een „daad” deed. Het loopt telkens parallel: éérst zeggen, dàn doen. God zeide: Genesis 1 : 6, 14, 20, 24. Daarna: God deed: vers 7, 16, 21, 25. Tegenover hen, die meenen mochten, dat de ééne lijn, n.l. die van de „daad” Gods, afwijkt van de andere lijn, n.l. die van Gods voorgaande woord, houdt Ed. König vol, dat die twee juist bij elkander hooren, en elkander verklaren; want: het „doen” Gods in die parallellen is telkens niets anders, dan de uitvoering van het in Zijn „zeggen” aangekondigd voornemen (bl. 176). Volgens deze gedachtengang is het dus een goede eisch van nuchter-wetenschappelijke exegese, te leeren, dat Genesis 1 : 16 (God maakte de twee groote lichtdragers . . . en de sterren, en God zette ze aan het firmament van de hemelen) niets meer bevat en niets anders inhoudt dan wat als plan aangekondigd was in vs 14: God zeide. En wat zeide God nu? M.a.w.: wat is de inhoud van het plan, dat aangekondigd wordt? Staat er bij het „zeggen” Gods, in vs 14 dus, dat Hij de zon, de maan, de sterren voor het eerst scheppen zal, in het aanzijn roepen zal? Welneen: er staat alleen maar, dat Hij ze als licht-dragers aan het firmament zal plaatsen. Over de vraag, of ze er al eerder waren, wordt hier niet gerept: het gaat er alleen om, te zeggen, dat ze een plaats kregen, waarop ze voor de aarde beteekenis en effect kregen. Dat klopt dus met de idee van Prof. Geesink.

b. Met nadruk zegt dan ook König, dat de in Gen. 1 : 19 aangeduide, en dus op den vierden dag bewerkte „scheiding van licht en duisternis” |35| niet „in het algemeen” bedoeld is, maar, naar den samenhang van het werk van den vierden dag, beperkt blijft tot het gebied, waarop zon en maan heerschappij voeren, d.w.z. de aarde (bl. 153). Dat klopt met de idee van Prof. Geesink. Want immers:

c. Die àndere „scheiding tusschen licht en donker”, waarop zoo even gezinspeeld werd, n.l. de scheiding tusschen licht en donker „in het algemeen”, die wordt door König uitdrukkelijk aangewezen in Gen. 1 : 4b; en bij dàt vers merkt hij (bl. 145) met nadruk op, dat hij in de daar op den eersten dag tot stand gebrachte „scheiding tusschen licht en donker” een heenwijzing ziet naar het lichte en het donkere deel van den „aardschen dag”. Het hebreeuwsche woord „avond” in vs 5b, (dus ook bij den eersten dag) verklaart hij als oorspronkelijk beteekenend: een „ingang”, n.l. van de zon in haar tent (vgl. Ps. 19 : 5b). In deze lijn blijvend, legt hij, reeds inzake den eersten dag, het woord „dag” uit als tijdperk van 24 uur, met een licht en een donker deel (bl. 145, nog nader toegelicht bl. 146). Dat klopt, wat het principe der onderhavige kwestie aangaat, met de idee van Prof. Geesink.

d. Een en ander hangt op zijn beurt dan weer ten nauwste samen met heel de opvatting van König, dat n.l. (bl. 175) „in de eerste drie dagen de wereldruimten (Welträume) geordend zijn; en dat daarop dan volgt in de drie laatste dagen de in-het-aanzijn-roeping van bewoners der geordende wereld.” En dàt klopt ook al weer met de idee van Prof. Geesink.

e. Ook past het bij König’s opmerking, dat de vierde dag zon, maan en sterren „hervorbringt”, gelijk ze aan den „aarde-hemel” worden waargenomen (beobachtet), (vs 14-19) (bl. 174);

f. èn bij zijn stelling, dat Genesis 1 : 1 ons predikt de schepping van de wereld naar haar algemeen bestaan en haar grondschema, en haar allereerste beweging 19), terwijl dan in de volgende verzen uit dat gansche heelal speciaal de aarde nader aan de orde gesteld wordt, en haar ontwikkelingsgang onder Gods scheppende hand meer van nabij bezien, zulks omdat de heilige schrijver, reeds als bewoner van de aarde, maar vooral ook als instrument van de Godsopenbaring in de geschiedenis des heils, dadelijk op die aarde zijn blik, en ook dien zijner lezers, richt. Volgens deze gedachtengang is het dus in vers 1 dan zóó bedoeld, dat God alles, wat niet-aarde is, in het leven roept, met de aarde mee. Maar dadelijk daarop wordt dan die aarde nader bezien. En daartoe dient dan al wat verder volgt. Die aarde was „woest en ledig”. Hiermee is niet gezegd, dat het buiten de aarde zóó of zùs was; dat blijft buiten beschouwing. En slechts in zooverre de zon, de maan en de sterren |36| tot de aarde in haar van God gewilde verhouding gesteld worden (denk aan Prof. Geesink’s opmerking over den stand der aardas) hebben deze hemellichamen in het verhaal beteekenis. Meer dan dat wordt niet gezegd. Geen theorie over het ontstaan van zon, maan en sterren op zichzelf gezien. Slechts onder één gezichtspunt worden ze nog genoemd; en dat heeft Sikkel zoo goed begrepen, en König ook. Maar onze brochure-schrijver, die het ook heeft kunnen lezen, heeft er blijkbaar niet op gelet. Zijn vraag omtrent de „formatie” van zon, maan en sterren, dus los van de aarde, is „buiten de orde”, gelijk Sikkel en König die orde met bewondering in het logisch ontworpen bijbelsch Scheppingsverhaal opmerken. Dat deze twee theologen hem tot de orde zouden moeten roepen, dàt is niet erg. Maar het is wèl erg, dat hij ze citeert alsof ze zijn „opvatting” (welke is het eigenlijk?) steunen tegenover Geesink, terwijl feit is, dat hij ze niet eens goed gelezen heeft 20).

Tenslotte.

Misschien heb ik me al te lang opgehouden met de „bronnen” van den aanklager van de „mannen van Assen”. Maar ik wil van het onderwerp niet afstappen zonder hem een paar vragen te stellen. Niet als schoolmeester, maar als christen, die toch de moeite genomen heb — op zijn verzoek — aandachtig naar hem te luisteren; als iemand, die me nu eens niet van hem heb „afgemaakt” met een „breed gebaar”.

Ik wilde U dan vragen, geachte klager over Schriftaanranding, of U er mee gerekend hebt, dat in heel het verhaal van zon, maan en sterren, het bericht dus, omtrent den vierden dag, niet het hebreeuwsche woord „bara’” (scheppen) maar het geheel andere „’asáh” („maken” of „toebereiden”) staat. We zullen niet twisten over de vraag, of in Genesis 1 het verschil in beteekenis van die woorden scherp te onderscheiden valt. Ik voor mij geloof het wel, maar daar heeft U noch ik iets aan — in dit geding. Het loopt over de „Schriftaanranding” van menschen, tegen wie Uw geweten bezwaard is. We zullen het wel hier over eens zijn, dat het woord „bará’”, indien het verschilt van „’asáh”, dan in ieder geval meer op het onmiddellijk, plotseling, uit-niets (om zoo te zeggen) te voorschijn treden van het geschapene wijst, dan het woord „’asah”. Lees nu eens na, wat Calvijn zegt, bij het werk van den vijfden dag, over het woord „bara’” gelijk het daar gebruikt wordt van de visschen. Zelfs bij dat woord zet hij „een boom” op, om te bewijzen, dat de visschen, nu ja, wel op den vijfden dag als visschen voor den dag gekomen zijn, maar dat hun „aanvang van schepping” (initium creationis) |37| niet pas moet gezocht worden op den vijfden dag, doch in Gods allereerste scheppingsdaad.

En nu is dit de vraag: als Calvijn, wanneer hij „bara’” ziet staan bij de exegese van dit woord reeds opmerkt, dat de aanvang van de voortbrengselen van den vijfden dag reeds lang vóór den vijfden dag er lag, is het dan „Schriftaanranding”, als een ander hetzelfde zegt, wanneer hij het woord „’asáh” ziet staan? Immers, dàt woord wordt gebruikt bij de zon, de maan en de sterren? En „’asáh” is veel slapper woord dan „bara’” en heeft meestal met scheppen niets te maken; het beteekent dan niet zoozeer „maken” als wel: „klaar-maken”; niet zoozeer scheppen als wel: toebereiden. Laat ons toch nuchter blijven. Iemand, die loochent, dat op den vierden dag iets bizonders gebeurd is, inzake de hemellichamen, of die beweert, dat die vierde dag heelemaal niets nieuws tot stand bracht in de onderlinge verhouding tusschen de hemellichamen eenerzijds en de aarde anderzijds, die loochent de waarheid van de Schrift.

Maar wie, zooals Prof. Geesink gedaan heeft, zijn best doet, misschien zelfs wel al te veel zijn best doet (denk aan die aardas) om tot in de puntjes uit te vinden, wat er dan toch wel op dien vierden dag gebeurd kan zijn, en dan zegt: ziet eens aan, menschen, toen is er voor de aarde (waar het over loopt) een absoluut nieuw ding gebeurd, en dan voorts, op grond van exegese van Genesis 1 : 1 zegt: de „stof” van de zon, en van al die andere hemellichamen en ook misschien reeds hun vorm, die is er gekomen reeds dadelijk in den aanvang, (1 : 1), zóó iemand moet niet van Schriftaanranding beschuldigd worden. Heeft Prof. Geesink niet zelf, om ons, eenvoudige lezers, vooruit te helpen, nadrukkelijk gewezen op dt woordje „maken” („’asáh”)? Dat was toch nog wel knap van een niet-oud-testamenticus, dat hij, theologen („geref. predikanten”) weer op den „grondtekst” . . . (bl. 280).

O, dat wegen met tweeërlei weegsteen! jj Wanneer het gaat om een pleidooi voor Dr J.G. Geelkerken, dan zegt deze bezwaarde conscientie: „Hij zegt niet: dit en dat wat in den Bijbel staat, is onwaar. Maar — gelijk dat ieder Christen betaamt — wil hij trachten de Schrift te verstaan”. Waarop dan een vermaning volgt, hèm niet te veroordeelen kk.

Maar als een „man van Assennadrukkelijk zegt: „De bedoeling van het scheppingsverhaal is toch allereerst een openbaring te geven omtrent wat werkelijk gebeurd is”, — dàn is het Schriftaanranding, en worden tot getuigen in het geding tegen hem opgeroepen Prof. Böhl, die in zijn Schriftbeschouwing een heel tegenovergesteld uitgangspunt inneemt, en voorts twee anderen, Sikkel en König, die het gevoelen van den „man van Assen” steunen . . .

En dit alles, terwijl men staat in de entourage van zon, maan en sterren . . .

En nu denk ik aan Calvijn, dien ik voor het gemak maar niet zelf |38| vertaal, maar dien ik spreken laat in de vertaling van Dr S.O. Los. Calvijn getuigt:

„Ik heb gezegd, dat Mozes hier niet spitsvondig redeneert over de verborgenheden der natuur, gelijk een wijsgeer. En dit komt uit in deze woorden . . .

Tusschen twee haakjes: welke woorden?

De woorden van onzen tekst: Genesis 1 : 16 over zon en maan, de groote en de kleine „lamp” aan het firmament. — Maar we vervolgen. Calvijn zegt daarna:

„Eerst wijst hij de planeten en sterren in het uitspansel der hemelen hare plaats aan. De sterrekundigen spreken echter van onderscheidene sferen en tegelijk leeren zij, dat de vaste sterren eene eigene plaats aan het firmament hebben. Mozes heeft twee groote lichten. Maar de sterrekundigen bewijzen met vaste redenen, dat het gesternte van Saturnus, dat wegens den afstand het allerkleinste schijnt te zijn, veel grooter is dan de maan. Dit verschilt, omdat Mozes voor het volk datgene beschreef, wat zonder wetenschap en kennis alle leeken, met gewoon verstand begaafd, verstaan; genen echter onderzoeken met groote moeite alles, wat met de scherpzinnigheid van het menschelijk vernuft kan bereikt worden. Nu is daarom die ijver niet af te keuren noch de wetenschap te veroordeelen . . . Want de sterrenkunde is niet alleen een aangename wetenschap, maar ook eene bijzonder nuttige . . . Daarom moeten de menschen, die hierin een nuttig werk verrichten, niet alleen geprezen worden, maar zij, die tijd en bekwaamheid hebben, mogen zich aan deze soort van oefening niet onttrekken. Mozes wilde ons ook niet geheel van deze studie aftrekken, toen hij, hetgeen tot het terrein der kunst behoort, wegliet (omisit). Maar omdat hij zoowel voor ongeleerden en onkundigen als voor geleerden tot een leermeester was gesteld, kon hij zijne taak niet anders vervullen, dan door af te dalen tot deze bondige redeneering (quam si se demitteret ad crassam istam rationem).

Gelijke redeneering volgt Calvijn telkens weer in zijn paraphrase van Genesis 1 : 14-19. Calvijn zegt bij vers 14, dat God ons niets anders verhaalt (nihil enim aliud refert), dan dat God vaste organen stelde om het reeds eerder geschapen licht door de wereld te spreiden.

Niets anders”. Niet: gebeurd, doch: ons meegedeeld. Verdere vragen liggen buiten het bestek der openbaring, wil hij zeggen.

Maar een enkele schijnt er toch wel nog wat meer van te weten, dan deze hoofdzaak.

Welnu, dat zij dan zoo.

Maar zèlfs die enkele weetgierige mensch bedenke toch, dat de Genesis-kommentaar van Johannes Mercerus, die voor ons waarde heeft, omdat Th. Beza hem heeft ingeleid, over het door Prof. Geesink verdedigde gevoelen — dat reeds toen (1598!) door velen der „onzen” werd |39| aangehangen — wel anders dacht, doch dit dan alleen op exegetische gronden, en zonder dat ook maar met een enkel woord van „Schriftaanranding” gesproken werd, bij die „onzen” 21).

Een tikje van die ruimhartigheid en van dat onderscheidingsvermogen zij onzen anonymus en zijn lofzeggers ootmoedig aanbevolen.


Over de scheppingsdagen.

Ook over de „dagen” van Genesis 1 heeft de brochure van den onbekenden schrijver-predikant enkele bladzijden gegeven ll. Wie, al is het ook maar uit de verte, de persdebatten over de Asser synode c.a. gevolgd heeft, weet nu al wel, waar het over loopen zal: er zijn er, die de „dagen” van Genesis 1 niet beschouwen als dagen van 24 uur; die althans zeggen, niet te durven vaststellen, dat de auteur van Genesis 1 het absoluut zeker zóó bedoeld heeft, en die dus in beginsel de mogelijkheid toegeven, dat die „dagen” periodes kunnen zijn van niet nader te bepalen duur. En nu komt weer de bekende redeneering: „Assen wil, dat Dr Geelkerken letterlijk lezen zal, wat er staat. Wie het woord „dag” niet als 24-urige periode (geen seconde meer, geen seconde minder) opvat, die leest niet „letterlijk”. Dus: wanneer onder wat men noemt de „mannen van Assen” ook zulk een uitlegger van het woord „dag” als „niet-24-uur” voorkomt, dan legt zoo’n man Dr Geelkerken lasten op, die hij zelf met den vinger niet aanraakt, dus: hij is óók Schriftaanrander”. Ziedaar het vonnis met zijn overwegingen.

O Aristoteles!

Want laat ons in antwoord op een en ander allereerst dit vooropstellen.

Reeds eerder wees ik erop, dat men met de beschuldiging van „on-eigenlijk” opvatten, of „niet-létterlijk” lezen, zeer voorzichtig moet zijn; immers, de vraag is eerst, op welk terrein men zich begeeft. In het voorbijgaan zegt de naamlooze brochureschrijver zóó maar even, dat er „volgens de exegetische regelen” van Assen te spreken is van „de gewone letterlijke opvatting der H. Schrift” (bl. 15). Zou hij eens willen zeggen, waar en wanneer „Assen” spreekt van „de gewone letterlijke opvatting der H. Schrift”? Het is allemaal geredeneerd in het wilde weg. Want de synode van Assen heeft — zie haar rapport, Acta 1926, bl. 42, noot — zelf reeds uitdrukkelijk gezegd, dat óók in het paradijsverhaal dingen staan, die men niet „letterlijk” opnemen kan; want er staan immers „anthropomorfe (menschvormige) uitdrukkingen” in? En deze worden dan in het rapport gesteld tegenover „uitdrukkingen in eigenlijken zin”. M.a.w. het is onlogisch, te zeggen, dat er sprake kan zijn van „de” (!) „gewone” (!) letterlijke opvatting der H. „Schrift” (!). Laat |40| staan van het paradijsverhaal, gelezen in elk van zijn trekken, en onderdeelen, en bizonderheden.

Het liep te Assen tusschen Dr Geelkerken en de Gereformeerde kerken — d.w.z. tusschen Dr Geelkerken en óók dezen „geref. predikant” — over de vraag van historie òf „hoogere werkelijkheid”; over de vraag van historie òf „inkleeding”; over de vraag van werkelijkheid in tijd en ruimte, dàn wel van symbolische voorstelling.

En wat heeft met die vragen nu de opvatting van sommigen inzake het woord „dag” te maken? Geen zier, volstrekt niets. Want allen, die hier dan als „mannen van Assen” — we zullen dien term maar niet ontleden gaan — in aanmerking kunnen komen, zijn het hierover eens, dat de schepping een begrip is van tijd en ruimte, dat de dagen, 24 uur of meer uren, desnoods periodes van niet nader te bepalen duur, periodes van den tijd zijn. Volgens Dr Geelkerkens opvatting, als men ze nu eens consequent zou gaan toepassen, is dat karakter van de dagen als perioden in den tijd, dubieus; want hij spreekt over den „staat der rechtheid” telkens weer als van een „hoogere werkelijkheid”. Nu behooren ook de 6 scheppingsdagen tot den staat der rechtheid. Daarom kàn men ook op het bericht omtrent de 6 „dagen” van Genesis 1 als Dr Geelkerkens opvatting dit vastleggen:

„Wij ontvangen hier mededeelingen omtrent de aarde in haar ongerepten staat; omtrent den mensch in den staat der rechtheid; omtrent de wereld der geestelijke dingen, die ongetwijfeld van een hoogere werkelijkheid is dan onze zintuiglijk waarneembare; van die geestelijke wereld naar haar beide polen: de wereld van Satan, de wereld Gods; van de wereld Gods, die daar werd, in de nauwste relatie staat met den ongevallen mensch of de ongevloekte aarde. Deze wereld Gods is naar haar werkelijkheid essentieel van de werkelijkheid onzer wereld onderscheiden. Bij Hem is het absolute zijn, bij haar het relatieve zijn, dat voor 22) Hem in stand gehouden wordt. En die relatieve werkelijkheid wordt te hooger, naarmate zij in nauwer gemeenschap is met het goddelijke, dat haar draagt (Acta 1926, bl. 32, 33) 23).

Nu houden we hier ons niet op met vliegen-afvangen. Schrijver dezes weet ook wel, dat Dr Geelkerken de scheppingsdagen ziet als momenten in den tijd, en de scheppingsacten als te denken in de ruimte. Maar, als Dr Geelkerken dat gelooft, dan is dat niet op grond van de hier boven geciteerde woorden omtrent die andere werkelijkheid, die „hoogere”, „te hoogere”, en toch ook weer relatieve, werkelijkheid, die in de „wereld Gods” zou liggen. Want, al heeft Dr Geelkerken hier zoo ongeveer alle filosofische oer-begrippen met elkaar in enkele volzinnen ten dans |41| geleid 24), zooveel is toch wel duidelijk, dat hij een essentieel verschil stelt tusschen de zondelooze „wereld Gods”, en de wereld van later, waarin wij thans leven, de wereld van het relatieve en zondig bestaan.

Nu meen ik, — dit in het voorbijgaan — dat Dr Geelkerken, die toch toe moet geven, dat Genesis 1 (schepping) en Genesis 2 en 3 (paradijsverhaal, staat der rechtheid, zondeval) in dezelfde „wereld Gods” vallen, en over denzelfden toestand van zondeloosheid tot ons spreken, zelf al inconsequent is, als hij niettemin vooropstelt, gelijk hij heeft gedaan, dat hij zeker weet, dat het paradijs een geografisch begrip is, en de schepping een werk Gods in den tijd. Van „tijd” en van „ruimte” mogen we ons geen oogenblik losmaken, ook volgens Dr Geelkerken niet, bij de lezing en de principiëele aanvaarding van Genesis 1.

Nu is het voor het doel van deze brochure niet noodig, breed uit te meten, dat Dr Geelkerken tot deze laatste gedachte komt, niet omdat hij ze in Genesis 1-3 gevonden heeft, maar op grond van andere Schriftplaatsen of anders uit zijn eigen denken, dat zich in dat geval aan de Schrift voorop-stelt en aan die Schrift voorafgaat. Tenminste, als hij consequent de zinnen volhoudt, die boven geciteerd zijn (herroepen heeft hij ze, bij mijn weten, nog nooit). Uit Genesis 1-3 heeft hij die gedachten dan niet.

Evenmin is het van beteekenis, thans er diep op in te gaan, dat Dr Geelkerken zich in tegenstrijdigheden heeft vastgewerkt, door wèl toe te geven dat Genesis 1 tijd en ruimte schept en stelt, maar dat Genesis 2-3, wanneer het ons binnenvoert in een deel van die ruimte (een geografische hof) en in een successie van tijd (de geschapen, en hun scheppingsleven voort-zettende menschen), nu ineens ons in een „hoogere werkelijkheid” binnenleidt zonder eenigen overgang. We hebben geen behoefte, de tegenstrijdigheden van Dr Geelkerken hier uit te zoeken.

Zèlfs is het van geen belang, den anoniemen brochureschrijver te vragen: maar ziet ge dan niet, beste man, dat Dr Geelkerken de allereerste is geweest, om te beweren, of liever, om uit te gaan vàn de bij hem zelf zoo levende idee, dat „voor de verklaring van Genesis 1 een andere maatstaf geldt dan voor de verklaring van Genesis 2 en 325); zoodat Uw nog al vrijmoedige vraag aan Prof. Ridderbos, die dat — op heel andere gronden, en met heel andere toepassing — óók al zoo gezegd heeft (en dan bewust) aan het verkeerde adres is? Ziet ge nu nog niet, dat de vraag, of soms Prof. Ridderbos hier den maatstaf van „eigen willekeur” aanlegt, aan het verkeerde adres is? Want Prof. Ridderbos geeft U de gronden aan, voor dit gevoelen, en Dr Geelkerken moet ge erop betrappen, dat hij ondanks zichzelf, heel òngemerkt, het |42| toch eigenlijk óók zóó toepast: hoogere werkelijkheid in Genesis 2-3, maar tijd-ruimtelijkheid in Genesis 1? Zoodat, àls U van „willekeur” spreken wilt, (bl. 15, noot) U bij Dr Geelkerken wezen moet, die een hermeneutisch systeem volgt, zijns ondanks, dat hij met evenzooveel woorden feitelijk bestreden heeft.

Nog eens, dit alles is van ondergeschikt belang.

Maar waar het op aankomt in het door U gestelde geding, of de mannen van Assen met Dr Geelkerken principiëel gelijke positie innemen tegenover de Schrift, ja dan neen, dat is 26) dit:

1. Uw heele vraagstuk is verkeerd opgezet; het spot, sterker nog dan de zooeven geciteerde woorden van Dr Geelkerken, met de eerste eischen van een filosofisch betoog, waarin de oer-begrippen klaar worden omschreven, of althans naar een klare omschrijving gezocht wordt, en waarin dan voorts elke onderscheiding logisch volgehouden wordt. Ook bij U houden de filosofische termen een vroolijk dansje; en dat zou inderdaad een vrij onschuldig tijdverdrijf zijn, als het niet zoo gevaarlijk was, nu gij er een consciëntiezaak van maakt, en U beroemt, dat „professoren en doctoren” U instemming betuigen, en kerkgeschiedenis er mee wilt maken, en zielen leiden, en God over uw brochure een zegen afsmeekt, gelijk ge dat alles ons verzekert. Ik vraag aan eenvoudige lezers verschooning, dat ik éven iets zeg over die filosofische onderscheiding; ik begon er niet mee, maar Dr Geelkerken bracht ze in het debat; en aan wat hij opgezet heeft, daaraan plukt, met niet eens bevende vingers, onze anonieme brochureschrijver.

Een enkel voorbeeld (heusch niet nieuw):

Gij, man van den consciëntie-kreet, haalt van de Asser synode aan een zinsnede, welke het „ongeoorloofd” noemt, „bij een verhaal, dat historie beschrijven wil”, het „een of ander element eruit te nemen of in oneigenlijken zin op te vatten, tenzij daarvoor uit de Schrift zelve deugdelijke redenen aangevoerd kunnen worden”.

Laat dat laatste nog eens even weg. Wat doet gij nu, klager over Assen? Ge springt ineens van de tegenstelling „eigenlijk of oneigenlijkòver op die heel andere tegenstelling: „letterlijk-niet letterlijk”; en deze wisselt dan weer stuivertje met de andere, derde, onderscheiding van „werkelijk-niet werkelijk”, of: „hoogere of lagere werkelijkheid”. En wat daar nog meer te citeeren valt uit de door Dr Geelkerken en U min of meer als vertoogen bedoelde woorden en gezegden.

Maar dat gaat toch niet! En het is mij een raadsel, hoe menschen, die zich intellectueel noemen, deze dingen zoo maar voorbij kunnen zien 27). Een dag van 24 uur of van 25 uur, of van 240 uur, of 2400 uur, enz., enz., — zulk een „dag” is toch altijd een periode in de gewone |43|werkelijkheid”, een begrip uit den „tijd”, een heel gewone werkelijkheid, volstrekt geen „hoogere” werkelijkheid. Als Dr Geelkerken zegt: die boom (in dat overigens, ik weet niet waarom, geografisch paradijs) is niet te verstaan als een boom, en dat „eten” is misschien heelemaal geen eten geweest, en zoo voort, dan is dat een heel andere zaak, dan of men zegt: de 6 dagen waren perioden, meetbaar in den tijd, maar alleen verschillen wij van meening over de vraag, of die perioden nu perioden zijn, gelijk wij thans ze meten, dan wel van een andere maat. Maar perioden in den tijd, fragmenten van tijd, waren het in ieder geval! Dàt heeft met „onwerkelijk”, of „on-eigenlijk” niets te maken. Zèlfs niet met „letterlijk” of „niet-letterlijk” lezen (zie beneden).

Want — en dit is een nieuwe grief tegen uw manier van opzetten van het vraagstuk — want gij kunt toch weten, dat ieder onder de „mannen van Assen”, die in gemoede meent, dat die dagen door de Schrift zelf niet bedoeld zijn als dagen van op de minuut af 24 uur, dit gevoelen aan de Schrift zelf ontleenen wil. Tegen Dr Geelkerken is gezegd: de Schrift moet zèlf gronden geven voor een niet-letterlijke lezing. Gij, brochureschrijver, gij meent, zoo maar in een enkel zinnetje, te mogen zeggen, dat de „Asser mannen”, die de „dagen” van Genesis 1 anders dan als 24-uurs-dagen nemen, geen enkelen deugdelijken grond uit de Schrift kunnen aanvoeren. Gij zijt ten dezen in uw binnenste heel stellig verzekerd. Het kan zijn, dat gij gelijk hebt, al wekt uw redeneermethode nu niet bepaald het volste vertrouwen. Maar, met uw verlof, U weet natuurlijk, dat degenen, die hier in aanmerking komen, toch wel getràcht hebben, hun opvatting als door de Schrift zelf geëischt of toegelaten, te bewijzen. Dàt heeft Dr Geelkerken niet gedaan ten aanzien van zijn „hoogere werkelijkheid”. Het is evenwel hier wel degelijk gebeurd. U weet, dat er zijn, die zeggen:

de eerste drie dagen stonden los van de positie van de aarde, tegenover de zon, daarom zijn althans die eerste 3 dagen misschien geen „gewone” dagen van thans, dagen, door den zonne-stand beheerscht, geweest; en, als 3 maal het woord „dag” beteekenen kan iets anders dan 24 uur, dan kàn het ook zoo zijn in 4 andere gevallen;

of:

de zevende dag is geen gewone dag (onbepaalde duur); uit welke opvatting (b.v. door De Wekker verdedigd) anderen besluiten: maar als één keer op de 7 het woord „dag” niet is: 24 uur, dan behoeft het de andere 6 keeren ook niet zoo te zijn;

of:

een „dag” aan noord- of zuid-pool is geen 24-uursdag altijd; en toch heet dat een „dag”, en valt die „dag” in de gewone, helemaal niet „hoogere”, werkelijkheid; waarom zou dan in Genesis 1, dat zijn standpunt neemt, niet bij den aequator, niet op eenigen breedtegraad van de planeet Aarde, niet aan noord- of zuid-pool, maar uit het standpunt van God, die het heelal stelt, en tusschen millioenen hemellichamen ook |44| de Aarde in beweging zet, waarom zou in Genesis 1 dan het begrip „dag” ook niet kunnen zijn een ander, d.w.z. langer (of korter, dat kan ook) tijdsbestek, dan onze zonne-dag? 28)

Feit is, dat — vooral volgens U, die zoo nadrukkelijk op den vierden dag als dag van zon-„formatie” wijst — de groote slinger, die in de wereldklok haar uren voor de Aarde afmeet, eerst op den vierden dag is in beweging gezet voor de aarde. Hiermee houdt alle zekerheid omtrent de dag- en uur-maat der scheppings„dagen” op. Wie dan bovendien nog let op de grondbeteekenis van het woord „jôm” (dag) en weet, dat zijn grondbeteekenis op „lichten”, „schitteren” wijst, die is wel zeer voorzichtig. Wil men absoluut hebben, dat het woord „dag” moet verklaard worden naar ons tegenwoordig spraakgebruik, doet men dan evenzoo met den „afgrond”, waarop duisternis was en zoo voort? Een ander moment in de natuurlijke historie dan het moment van Genesis 1, leerde ons het begrip „dag”. Maar geen andere werkelijkheid.

Ik herhaal, dat ik hier geen positie kies. Ik meen, dat eigen meening hier niets ter zake doet. Want zelfs de meest verzekerde tegenstander van de opvatting van dagen van niet-24 uur, kan het mij toegeven, dat principieel aan de Schrift recht gedaan blijft, als 3 dingen vaststaan:

1e. dat geen enkele voorstelling ingang vindt in ons geloovig denken, tenzij dan, dat men in gemoede meent, aan de Schrift deze te mogen ontleenen of ze met de Schrift te kunnen verbinden;

2e. dat wetenschappelijke onderzoekingen, die buiten de Schrift omgaan, nooit een bindende maatstaf voor ons geloovig denken zijn (aanleiding kunnen, mogen, en moeten ze zelfs, altijd zijn voor nadere toetsing van ons inzicht, omdat wij ons kunnen vergist hebben in onze bewering: dit zegt de Schrift; maar maatstaf mogen ze nooit zijn; zoodat, wanneer het zéker is: dit en dat is door de Schrift geleerd, geen enkele wetenschap zich ooit als rechter over de Schrift stellen mag);

3e. dat de werkelijkheid, waarover men spreekt, de werkelijkheid blijft van den tijd, waarin wij met alle schepsel hier op aarde leven, en van de ruimte, waarin de wereld door God geplaatst is.

Aan deze 3 voorwaarden is telkens voldaan, niet door Dr Geelkerken, maar wel door de mannen van Assen, in hun (overigens geheel officieus) spreken over Genesis 1.

Laat mij het nu kras mogen zeggen: iemand kan een waarheid zeggen, maar tot die waarheid komen door een onlogische redeneering in een overigens principieel verkeerd opgezet betoog. En een ander kan een onwaarheid verkondigen, door een onlogische, inconsequente redeneering in een overigens principieel zuiver betoog. In zulk een geval is |45| eerstgenoemde man, die op dat eene incidenteele punt gelijk heeft, principieel een ketter, en is de tweede, die in dat incidenteele geval ongelijk heeft, principieel een orthodoxe.

Daarom is het pure onzin, te vragen, of mogelijk in die kwestie van de „dagen” Dr Geelkerken gelijk heeft (hij schijnt, na Assen, ineens met man en macht de 24-uurs-theorie voor te staan, want hij laat zijn redevoeringen afwisselen door colportage van het boekje van onzen anonymus, en hij moet toch een ernstig, eerlijk, wetenschappelijk zichzelf getrouw man geacht worden). Ik herhaal: het is dwaasheid, te vragen, of inzake die incidenteele vraag naar de lengte van de zes of zeven „dagen” Dr Geelkerken gelijk heeft, of een ander ongelijk. Het is de vraag, langs welke wegen hun redendeering gaat, hoe zij principieel staan tegenover het openbaringsbegrip der Heilige Schrift, en in hoeverre ze bereid zijn, of niet bereid zijn, te bukken voor wat de Schrift zegt, zoodra eenmaal duidelijk gebleken is: dat of dat zegt de Schrift uitdrukkelijk.

En hierom meen ik, dat de brochure lichtvaardig over de rails van logica en kenleer haar trammetje waggelen, denderen laat. In zulke trammetjes gaat de Waarheid niet zitten.

En wie, met een beroep op dergelijke actes van beschuldiging een kerkformatie begint — hij zij intellectueel of niet — die moet dat maar verantwoorden tegenover dien God, die de Vader der geesten genaamd wordt m: waarlijk niet voor niets, en die ons het licht van zooveel eeuwen schonk, zelfs van Aristoteles en Kant, niet voor niets. —

Hoe gemakkelijk slaat deze schrijver zich door alle kwesties heen! Het staat er zoo maar eventjes: „toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag”, en dan komt de aanvulling van onzen schrijver: „d.w.z. de eerste dag van die talloos-vele dagen, die nog volgen zouden”.

Maar een ander mensch zegt: kalm even: dat kan ook beteekenen: de eerste dag van de 7, waarover het loopt in Genesis 1.

Maar als die 7e dag dan ook een van de talloos vele andere kalenderdagen is, dan moet de schrijver maar eens tegen De Wekker een brochure schrijven gaan, want die vond, dat de 7e dag een dag was van veel langer dan 24 uur. Waarom juist die ééne dag anders? Heeft volgens onzen anoniemen schrijver God precies 24 uur gerust, op Zaterdag? En toen den volgenden Zondag? Wat tóen?

Wij gaan niet verder, want het wordt anders profaan, en dat is niet bedoeld. Wij vragen alleen maar, dat de schrijver eerst wat studeeren zal in de logica, eer hij zich in een kerkhistorisch debat, dat over tientallen jaren nog beteekenis hebben zal, mengt. En dat hij nog eens ernstig nadenkt over de vraag, of het nu waarlijk zoo dwaas is, de mogelijkheid aan te nemen, dat onze, zeven 24-uurs perioden bevattende, rust- en werkweek afspiegeling is van Gods, zeven perioden Gods omvattende, scheppings- en sabbathsweek.

Maar dan altijd: God, werkende in den tijd en de ruimte. |46|

Dus altijd: dagen in eigenlijken zin. Zelfs in letterlijken zin 29). Want een dag aan de noordpool is letterlijk dag. Alleen maar een dag van andere maat.

Hoe het zij: men moet elkaar niet belasteren. Dr Geelkerken heeft niet te klagen, dat de synode van Assen niet getracht heeft, zijn gevoelen duidelijk en objectief uiteen te zetten. Laat men dan hier met zijn „tegenstanders” — eigenlijk is dat een verkeerd woord — precies evenzoo doen. Dàn zal men niet langer, nog wel met een beroep op Dr H. Visscher (Heilig Evangelie of Pseudo-Schrift) insinueeren, dat „mannen van Assen” om de resultaten der natuurwetenschap gekomen zijn tot die andere exegese van het woord „dag”. Want men mag wèl zeggen: naar aanleiding van die resultaten. Maar dat is heel wat anders. Wie zegt: ze deden dat „om” de wetenschap, die maakt zich schuldig aan „pseudoschrift”, nog wel met het „heilig evangelie” op tafel. Heeft Dr Geelkerken niet zelf gevraagd, dat naar aanleiding van nieuwere onderzoekingen men nog eens nader zich afvragen zou: hebben wij misschien te vroeg gezegd: dit, of dat, is zéker de leer der Schrift? Heeft iemand hem dat ooit verweten? Laat Dr Geelkerken weten wat hij doet, als hij zulke brochures laat verkoopen in zijn tegenwoordigheid 30) aan de massa. Hij graaft zijn eigen graf, als man van eerlijke wetenschap èn van ernstige petitie. Hij heeft immers gevraagd om diepgaande Schriftstudie? Ernstige petitie komt in repetitie. Ook al wordt de petitie door anderen afgewezen. Zij houdt vol. Hier echter wordt met insinuatie vervolgd, wat hij zelf, afgedacht van incidenteele mislukking of succes, als ernstig streven gevraagd heeft, ziende op den nood der tijden. Nader Schriftonderzoek, niet om, maar wèl naar aanleiding van nieuwere wetenschappelijke gegevens.

O, wat kan men in de kerk soms makkelijk zich afmaken van zijn eigen woorden! En dat alles, om een boekje aan den man te brengen, waarin voorbijgezien wordt, dat het debat over de „dagen” van Genesis 1 bleef binnen het terrein van de „exegese”, terwijl het dispuut over boomen, slang en wat daarmee samenhangt liep over het feit, de werkelijkheid, en het begrip „historie”. Om van het vraagstuk der openbaring nog maar te zwijgen.


Gevaar voor evolutieleer?

Een enkel woord wil ik nog wijden aan wat de anonieme brochure zegt |47| over de gevaarlijke consequenties, die h.i. liggen in de lijn van de opvatting, boven vermeld, omtrent de „dagen” van Genesis 1. De schrijver vreest, dat „men de evolutieleer binnenhaalt”. Ja, hij constateert, dat „het gevaar voor de deur ligt”. De „evolutieleer” is dan volgens hem „de leer, die de Schepping op zij dringt en de geleidelijke ontwikkeling der dingen propageert”. mm

Nu is het jammer, dat de schrijver het begrip „evolutie” zoo beperkt. Want het ware een al te populaire voorstelling van zaken, als men zou zeggen, dat de evolutie-theorie alleen maar te maken heeft, of zelfs maar hoofdzakelijk te maken heeft, met de vragen, die de stoffelijke ontwikkeling der aarde, en de bestaanswijze van dieren en planten etc. raken. De evolutie-gedachte is ten slotte een idee, die op àlle terreinen van leven, en denken, en gelooven, en zijn, haar recht vraagt. Ook op religieus terrein. De vraag is vooral in deze dagen, nu het gereformeerde openbarings-begrip in het brandpunt van den geestelijken strijd staat, of hetgeen wij in de Schrift hebben, openbaring is, die van God gekomen is, transcendent, dàn wel, of die openbaring opkomt uit, of ook maar ten deele samenvalt met het „milieu”, waarin haar instrumenten leven, de „oostersche” wereld, enzoovoort. De vraag, of het Oude Testament, en Israëls religie, en zijn monotheïsme, en zijn verheven Godsbegrip, en ook zijn in de eerste bijbel-hoofdstukken vervatte prediking van oorspronkelijke gerechtigheid, zondeval, en verlossing in Christus Jezus, vruchten zijn van breed-menschelijke „ontwikkeling”, dan wel directe openbarings-werken Gods, die vraag hangt rechtstreeks samen met heel het geding dat aan de twee namen Geelkerken en „Assen” verbonden is.

Nu is het teleurstellend, dat iemand, die nu toch eenmaal over de „evolutie” spreekt, en dat in onmiddellijk verband met heel de vraagstelling van Assen contra Dr Geelkerken, niet naar deze twee kanten het vraagstuk beziet. Omtrent Dr Geelkerken is hij geheel en al gerust; aan diens trouw aan de gereformeerde gedachte mag niemand twijfelen. Maar wie de „dagen” van Genesis 1, al is het ook op z.i. bijbelsche gronden, ànders opvat dan de schrijver van het requisitoir tegen de „mannen van Assen”, die loopt gevaar, de evolutie binnen te halen . . . Het lijkt ons zóó wat ondoordacht; in elk geval: eenzijdig.

We zullen twee dingen er tegenover stellen.

In de eerste plaats, dat, indien men eenmaal de evolutie-leer ter tafel brengt, dan ook eens ronduit moet gesproken worden over de herhaaldelijk geuite klacht, dat het openbaringsbegrip, gelijk het (niet zoozeer in opzettelijk voorgedragen theorie, als wel in onwillekeurige gevallen van de praktijk) blijkt te leven voor het begrip van Dr Geelkerken en enkele van zijn medestanders, ligt, niet in de lijn der „revelatie”, doch in die der „evolutie”. Sprak Dr Geelkerken niet van „oostersch licht”, en oosterschen verteltrant, enz.? Zeker, daar is natuurlijk samenhang tusschen Israël en de Oostersche volken, en die samenhang brengt ook mee de parallellen tusschen bijbelsche en andere scheppings- en |48| zondvloedverhalen, en zoo voort. Maar niet de moeizaam verworven kennis van de „oostersche wereld”, doch de voorop-gestelde openbarings-inhoud der H. Schrift maakt voor een gereformeerde uit, waar hier de ontwikkeling, en waar hier de afval is, in Babel òf Bijbel, bij de heidenen dan wel bij Israël. Wij kunnen hier niet op ingaan. We verwijzen naar de geschriften van Dr H.H. Kuyper: Evolutie of Revelatie nn, en van Dr J. Ridderbos: Israël en de Baäls, Afval of ontwikkeling oo. (Naar déze twee; niet, alsof er niet meer zouden zijn, maar omdat deze titels reeds in een korte spreuk doen zien, waar het hier om gaat.)

Het zou onbegonnen werk zijn, hier uit te maken, òf Dr Geelkerken, en Dr N.D. van Leeuwen (wiens leus „de bijbel ontstond in het oostersch milieu” praktisch neerkomt op: „de bijbel ontstond min of meer „uit” het oostersch milieu”) inderdaad aan de evolutie-leer, en dan nader op het terrein van de godsdienstgeschiedenis, bedenkelijke concessies hebben gedaan. Ook zij hebben hun rechten; en men mag in een paar regels zich niet van hen afmaken. Ik wil echter alleen maar zeggen: laat de anonymus niet zijn evolutie-vrees aanknoopen bij de „dagen”-exegese; want hij kàn, als hij een vergelijking trekken wil tusschen Dr Geelkerken en de mannen van Assen, niet voorbijgaan aan de kwestie, of Dr Geelkerkens openbaringsbegrip, gelijk het toegepast werd, evolutionistisch is, ja dan neen. Er zijn er, die hardop zeggen: ja.

Maar we geven hem gaarne toe, dat de fout van den één niet excuseert die van den ander. En wat betreft de „dagen” van Genesis 1, zou ik daarom nog dit willen zeggen, in betrekking tot de gevreesde evolutie-tendenzen.

Het is hier louter de vraag, hoe men komt tot zijn „exegese” 31).

Exegetische resultaten scheppen geen filosofisch, geen kentheoretisch, geen godsdiensthistorisch „standpunt”, of „uitgangspunt”. Het is precies omgekeerd: al naar gelang het uitgangspunt is, zal men exegetiseeren. Iemand, die om andere, buiten Genesis 1 gelegen redenen, voelen zou voor de evolutieleer, en toch nog, om een of andere reden, er prijs op stelt, met den bijbel onder den arm naar kerk of school te loopen, die zal natuurlijk trachten, die „dagen” om te zetten in tijdperken, van millioenen jaren, liefst. Maar dan heeft niet de „exegese” van de dagen als tijdperken hem de evolutie geleerd, maar de evolutie heeft hem de (alsdán door en door kreupele, ongeloovige, bijbel-critische karikatuur-)exegese van „tijdperken” geleerd. Het uitgangspunt deugt bij zoo’n man niet; en dáár zit dan de kneep. Als twee hetzelfde doen, is het nog niet hetzelfde. De één kan zeggen: ik geloof aan „tijdperken” en kan dat dan goed bedoelen, de ander kan hetzelfde zeggen, en toch ene ketter zijn in merg en been; als hij n.l. probeert den bijbel om te zetten naar |49| zijn hand. En als er iemand op zou staan, die op deze gronden, en in zulk verlangen, een asyl voor zijn eigenlijk bij voorbaat reeds ongeloovige wetenschap zou zoeken in de „tijdperken”-leer, dàn bestaat de mogelijkheid, dat een ander, die zelf ook aan tijdperken gelooft, maar op heel àndere grónden, het als ketter zou moeten vonnissen.

Daarom is het ook zoo oppervlakkig, en zoo misleidend, als men zich blindstaart op een zeker resultaat van redeneering. Het komt altijd eerst en meest op de redeneering zelf aan. Daarom is het ook oppervlakkig, te visschen naar foutjes, die misschien „mannen van Assen” zouden gemaakt hebben. Want: op welke pijlers steunt ieders betoog, van welke grondgedachten gaat men uit? Dat is de vraag. Natuurlijk niet de eenige. Maar in Schrift-vraagstukken wel een der eerste. En daarom aarzel ik niet, te verklaren, dat iemand, die terwille van „natuurwetenschap”, of terwille van eigen denken omtrent wat kan of niet kan, de „dagen” van Genesis 1 uitrekt tot tijdperken, en dan zonder dat het hem iets schelen kan, of men hem al te eeniger tijd aantoont: maar dat verbiedt eerlijke exegese, — dat zóó iemand onder de leertucht der belijdende kerk moet vallen. En dan mogen ze klagen over „meten met twee maten” zoo hard ze willen, dan houd ik vol, dat het voor de rechtbank van trouw en waarheid bestaanbaar is, in het afgetrokkene, dat onder hen, die het vonnis teekenden, ook zelfs menschen waren, die eveneens zeiden: het zijn tijdperken. Want als die dat gelooven zouden op andere gronden, met bereidheid, om dadelijk de idee los te laten, als men bewijzen kan, dat de bijbel het niet toelaat, dan is zoo iemand volkomen eerlijk. Want nooit om eenig exegetisch of ander resultaat „op zichzelf”, wordt iemand aangenomen of verworpen. Niets staat „op zichzelf”. De dingen zijn niet zoo simpel.

Maar — en dit is een meer directe poging tot antwoord op wat de anonieme brochure zegt — maar zoolang de „mannen van Assen” zullen vasthouden aan het begrip „schepping”, en aan de transcendente beteekenis van „God zeide”, en aan het verschil tusschen de eerste en tweede schepping, en aan de leer van den Logos, en aan het absolute: „in den beginne”, en wat dies meer zij, zòòlang zal dat alles eenvoudig een dam zijn, waarop elke fundamenteele overbuiging naar de evolutieleer zou stuiten.

Ziehier dan ook tegelijk, waarom het dwaasheid was, te eischen, dat zoo maar even een tweede synode eens zou gaan spreken over die „dagen” van Genesis 1. Wil men puur wetenschappelijke debatten opzetten ter synode? De synode is een vergadering van kerken. Zijn heeft dus o.m. belijdenisvragen te behandelen, en kàn dàn wel degelijk samenkomen om tegenover de evolutie-hypothese te stellen (en uit te werken) de begrippen: schepping en openbaring. Het moge er van komen! En zij kan ook geroepen worden om een bepaald geval van leertucht te onderzoeken. Eerst in dat bepaalde geval kan blijken, of de persoon, om wien het dan gaan zal, de tijdperken-exegese voorstaat, omdat hij |50| van den bijbel af wil, dan wel, omdat hij naar den bijbel toe wil, hem wil verstaan. Maar in het afgetrokkene eens over de kwestie gaan spreken, dat zou een aanmatiging zijn, en een vertooning; een wetenschappelijk discours, los van kerkelijken arbeid. En dat mag tot geen prijs.

Tenslotte: laat de schrijver niet vergeten, dat reeds Dr H.H. Kuyper in gemeld geschrift (rectorale rede) heeft aangetoond, dat het dilemma: „evolutie” of „revelatie” niet geheel zuiver is gesteld. Er komt wat meer bij.

Dit in het algemeen.

En nu een slot-opmerking in het bizondere van dit geval (Assen).

Het is uit geschriften van beide kanten aan te toonen, dat die „mannen van Assen”, die de betwiste exegese van „dagen” gaven, allen, hoofd voor hoofd, getracht hebben, uit de Schrift dit te bewijzen; terwijl Dr Geelkerken zijn opvatting van „slang” en „boom” en heel dat andere, niet uit de Schrift heeft afgeleid. Nog eens: het is best mogelijk, dat de mannen van Assen inzake die dagen puren onzin leerden. Blijkt dat, dan zullen ze mòeten retireeren. Maar het is óók onredelijk, wat zij deden op één lijn te stellen met wat Dr Geelkerken bestond. De tegenstellingen zuiver houden!


Over den uiteengescheurden bijbel . . .

Al is het met eenigen tegenzin, toch willen we niet zwijgen over de klacht, dat de „mannen van Assen” den bijbel „uiteenscheuren”. Ze verklaren „vele gedeelten” van „Gods Woord” „onecht”, en werpen ze „buiten de Schrift”. Aldus wordt de aanklacht geformuleerd pp.

Eerst een opmerking over die „vele gedeelten”. Het zijn er maar enkele, die met zorgvuldigheid bijeengezocht zijn.

Maar vervolgens: ook nu wordt de kwestie weer onzuiver gesteld. Want wel zegt de schrijver, zoo in het voorbijgaan, dat hij het verschil tusschen tekst-critiek en Schriftcritiek heel goed weet qq; en wel geeft hij in zijn „Naschrift” op den 3en druk een tamelijk komisch aandoend vaderlijk vermaan tot „beter begrijpen” (!) aan Dr W.H. Gispen te Delft, die hem verweten had, dat hij tekstcritiek en Bijbelcritiek door elkaar haspelde rr, maar — dit verandert geen zier aan het feit, dat hij, indien hij waarlijk dat verschil weet, dan te meer schuldig staat, door zóó onzuivere tegenstellingen te scheppen. Want, — dit laatste doet hij, als hij zegt: de hoogleeraren, die bepaalde „texten” als niet in de oudste handschriften voorkomende, willen weglaten, werpen die texten dus „uit de Schrift”, of „uit Gods Woord”. Dàt is toch de zaak vertroebelen.

Bijbel-critiek, dàt is: uw eigen gedachte opleggen aan Gods Woord. Om nog even terug te komen op wat in de voorafgaande bladzijden behandeld werd: een illustratie van bijbelcritiek is b.v. in de vrijzinnige leer, dat het volk Israël, toen het zwierf door de woestijn, met geen mogelijkheid zoo’n hoog Godsbegrip kòn hebben gehad, als de wetten |51| van Mozes aan den dag leggen; dat dus die wetten niet van Mozes kùnnen zijn, dat daarom de priesters en de profeten, eerst veel later, door de ontwikkeling der godsdienstige beseffen in het algemeen, het monotheïsme hebben begrepen, en dat ze dàt monotheïsme toen zijn gaan preeken, en dat men toen eerst het oude polytheïsme der vaderen veroordeeld heeft, en als „afval” heeft geteekend, terwijl het toch eigenlijk het oude volksgeloof was; maar dat de latere predikers van het monotheïsme, voor het gemak, en om succes te behalen, hun monotheïsme maar hebben voorgesteld als het alleroudste standpunt der vaderen, zoodat het allemaal eigenlijk een soort bedrog is. Dit is een staal van evolutieleer, op een heel klein onderdeel toegepast op de boeken van Mozes.

Zie, zóó iets is bijbelcritiek. Die vraagt niet: wat staat er? Maar: wat zegt mij mijn verstand? Wat er staat, kan den man der bijbelcritiek tenslotte niet deren. Hij zegt met de grootste kalmte: ja zeker, dàt en dàt „staat er” ook, maar ik zeg: dat kán niet zoo zijn.

Daartegenover is „tekst-critiek” heel iets anders (de naam is ongelukkig gekozen). Die vraagt alleen maar: wat heeft er gestaan? Als ze dàt weet, heeft ze verder niets meer te doen. De tekst-critiek is een poging om uit de verschillende handschriften, die ons van de bijbelboeken gebleven zijn, en die inderdaad van elkaar afwijken (hoewel nooit zoo, dat de lijnen vervagen) door vergelijking en anderszins den meest oorspronkelijk te achten tekst te vinden, en dien vast te stellen. Want een feit is, dat de oude handschriften, de eigenlijke, nergens meer te vinden zijn, en dat we afschriften hebben, die uiteenloopende lezing geven.

Nu zou het ons te ver voeren, breeder in te gaan op het verschil tusschen het één en het ander; of op de gevaren 32), die de tekstcritiek meebrengt, of op het feit, dat het standpunt, dat men inneemt tegenover de Schrift, óók wel degelijk invloed hebben kan op een al te vrijpostig of een bescheiden arbeid tot tekst-vaststelling en herstel van tekst-bederf. We volstaan met volgende opmerkingen.

1. De anonieme brochure verzuimt weer (precies als bij de kwestie van de „dagen”) te vragen, om welke reden men soms bepaalde teksten als niet van de hand der schrijvers zelf afkomstig, wil beschouwen. Deed hij dat royaal, dan zou blijken, dat die reden in de door hem genoemde gevallen niet ligt in eenige opvatting van wat kan of niet kan, maar in objectieve redenen, aan den tekst zelf ontleend (het verband, andere handschriften, die een zekeren tekst hebben, enz.).

2. Daarom is het onjuist, te zeggen: „zij werpen die teksten uit Gods Woord”. Want ze zeggen juist: ze zijn ten onrechte in Gods Woord |52| ingedragen, door overschrijvers e.d.; en dus is de lezing, die ik voorstel, m.i. de terugkeer naar Gods Woord. Als iemand in gemoede meent, te kunnen aanwijzen, dat een bepaalde tekst niet in de oorspronkelijke handschriften gestaan heeft, dan zou hij „iets aan de woorden der profetie dezes boeks toe-doen” ss, indien hij, met die opvatting in zijn hart, die plaats liet staan.

3. Als de redeneering van den schrijver ernstig is — en dit moeten we aannemen — dan wil hij dus niet hebben, dat ooit van z’n leven, tot aan den jongsten dag toe, iets verandert aan den tekst, dien „onze vaderen” gevolgd zijn, toen ze de belijdenis opstelden. Immers: de schrijver klaagt, dat de belijdenis dan toch maar zegt: „al wat in die 66 boeken staat, gelooven we zonder eenig voorbehoud.” En daarom, zoo besluit hij, moeten we de uitdrukking: „die boeken”, laten staan, zooals ze bedoeld is ten dage, als de belijdenis opgesteld is. Men moet die uitspraak der belijdenis „letterlijk nemen” (bl. 29) tt.

Laat ons nu even nadenken. De Ned. Geloofsbelijdenis is opgesteld in 1561. Let wel, menschen van Assen, let wel, wetenschappelijke voorlichters van de bezwaarden, let wel, redactie van Het Vaderland, en van andere bladen, die toeziet, en de brochure van onzen anonymus als zoo’n ernstig geval, dat leelijk in de maag van „Assen” zitten zal, aankondigt: dat was veel meer dan een halve eeuw, vóórdat de Statenvertaling klaar was. Toen dus die geloofsbelijdenis opgesteld was, beteekende de uitdrukking „alle deze boeken” een heel andere bijbeluitgave dan onze tegenwoordige. Was de grondtekst, waarop die andere uitgave steunde, nu dezelfde, of een andere, dan de tekst, dien de Statenvertaling gevolgd heeft? Goed vasthouden, wat onze anonymus wil.

Laat eens zien. Toen die Nederlandse geloofsbelijdenis verscheen, had ook Beza nog niet gepubliceerd zijn beteekenisvolle werk over het Nieuwe Testament. Dat werk verscheen eerst in 1565; de belijdenis kende het dus nog niet. In dat werk is Beza druk bezig met tekstcritischen arbeid; hij zoekt op zeer veel plaatsen naar den oorspronkelijken tekst van het N.T. terug te keeren; en kiest uit de verschillende varianten, op andere manier, met betere regelen, meermalen ook met heel andere uitkomst, dan vóór hem door anderen gedaan is.

Nu verder. Als de Dordtsche synode de bijbelvertalers aan het werk zet, dan gebruiken deze heeren — want er waren toen geen conscientiekreten, noch toejuichende recensenten, als in 1928 — heel rustig de tekstcritische resultaten van Beza, die inmiddels na 1565 met heel wat andere vermeerderd waren. Wie het niet gelooven wil op grond van artikelen in de encyclopaedieën, of op gezag van den gereformeerden professor Grosheide (Kanon en Tekst van het Nieuwe Testament, Hollandia, Baarn uu), of op gezag van den Roomschen Prof. Groenen (Algem. Inl. Tot de H.S.; Gesch. v.d. Tekst, Leiden, Théonville, 1917 vv), die moet het dan maar nalezen bij de heeren van de Dordtsche synode zèlf. Daartoe leze hij b.v. de Acta Revisorum N.T., in N. Hinlópen, Historie van de |53| Ned. Overzettinge des Bijbels, Leiden, Joannes le Mair, 1777, 123v.v. ww; of andere werken. Daar verklaren ze het zelf, dat ze gebruikt hebben de editie van Stephanus, met de tekstcritische aanteekeningen van Beza.

Dus is vast te stellen, dat de tekst van de bijbelboeken ten dage van de opstelling der Ned. geloofsbelijdenis (1561, toen nog niet eens de Deux-aes-bijbel bestond) een andere tekst is dan die, welke ten grondslag ligt aan de Statenvertaling 33). Daar helpt nu eenmaal niemand aan.

Als ik nu den man van den conscientiekreet hoor verzuchten: dat een tekstcritisch resultaat, dat gister en eergister nog niet „semper, ubique et ab omnibus” aanvaard geworden was, in strijd komt met den historisch uit te leggen letterlijken term der belijdenis („alle deze boeken”) dan wil ik hem, en de geleerde en zeergeleerde heeren recensenten in Den Haag, Amsterdam, Bunschoten, Apeldoorn enz. dringend verzoeken:

òf: uit te spreken, dat de „mannen van Dordtaanranders zijn van de Nederlandsche geloofsbelijdenis, want hun bijbelvertalers weken af van den tekst van „al deze boeken”, gelezen als een min of meer vaststaande grootheid, anno 1561, —

òf: te zeggen: ik heb me vergist, en ik heb niet al te ernstig nagedacht, dezen keer.

4. Want, hoe wil deze opschrikker van het geref. volk nu ooit klaar komen? Laat hem nemen elken tekst, dien hij wil ten grondslag leggen |54| aan een bijbeluitgave: iedere tekst is resultaat van tekstcritiek. Ook de tekst, dien de Statenvertaling volgt, is resultaat van tekstcritiek 34). En die tekstcritiek komt, menschelijkerwijs gesproken, nooit klaar, zoolang de wereld zal staan. En dat heeft God zelf nu eenmaal zoo laten komen. En wat beteekent dan de ernst van zoo’n conscientiekreet; en hoe hoog staat het met de wetenschappelijke eerlijkheid of werkzaamheid van de pers van de groep-Geelkerken?

5. Deze dingen zijn volstrekt niet nieuw. De Statenvertaling, zegt Prof. Grosheide in een populaire brochure, vertelt in de Kantt. ronduit, dat ze aan tekstcritiek haar krachten beproeft. Alleen in Mattheus staan er al 15 zulke opmerkingen. Populair genoeg, zou men zeggen. Ja, men kan gemakkelijk klagen, dat „onze mannen” niet werken, en dat het licht dus maar komen moet van ethischen kant! Maar feit is, dat zelfs resultaten van eerlijk-gereformeerde auteurs, inzake bijbelstudie, die voor een paar stuivers te koop zijn, worden opzij gezet door zulke brochures, die tekstcritiek noemen: Schrift-verscheuring, en in elk geval afwijking van de Ned. geloofsbelijdenis! Is het nu niet waar, dat Dr Geelkerken, door terwille van de kerkelijke ontwikkeling, zulke domheden te recommandeeren, althans te laten recommandeeren, de ontwikkeling van het gereformeerde leven achteruitzet, ophoudt? En dat hij niet leidt, maar geleid wordt? Ach, bij Dr Geelkerken en zijn blad en zijn colportagedienst kunt ge het krijgen, zooals ge het hebben wilt. Vandaag pousseert men artikelen van een dominee ginds, over „Confessionalisme”, waarin tegen het hangen aan de letter der confessie als tegen een grove zonde geprotesteerd wordt, en Dr Geelkerkens blad zegt: fijne kost, menschen, komt, koopt en leest. Later haalt onze anonymus het in zijn hoofd, te decreteeren, dat de letter der confessie in 1561 de gereformeerde tekstcritiek definitief aan banden legt, en weer zegt Dr Geelkerkens pers: fijne kost, menschen, komt, koopt en leest! Wat is dat voor houding, van een man, die zich laat huldigen als man van vooruitgang? Heden Barthianismen, morgen onnoozelheden als van den anonymus? Heden een vooruitstrevend gebaar van Dr Geelkerken, morgen een gedachteloos colporteeren met een boekje, dat hij vóór een paar jaar zéker had afgemaakt in de Overtoomsche Kerkbode. Laat ieder, die eerlijk wil wezen, zich eens plaatsen voor de vraag: zou Dr Geelkerken vóór 10 jaar ook zulke brochures hebben aanbevolen? Hij had ze uitgelachen vanwege de dwaze voorstelling. Maar ook in kerkberoering blijft God de God der waarheid. Dit zeg ik niet alleen tot Dr Geelkerken, als eindredacteur, |55| maar ook tot allen, die erom heen staan en van de brochure zeggen: dat is nog eens een merkwaardig „tijdwoord”. En tot hen, die beter weten, en . . . zwijgen over een reclame, die hun als mannen van studie moet tegenstaan.

6. Het kan me ook nu weer in dit verband niet schelen, of Prof. Kuyper inzake Markus’ slot, en Prof. Aalders in het geval van een plaats in Jeremia, al of niet gelijk heeft. Vermoedelijk zal hun eigen wetenschappelijk rust hen zelf wel het eerst doen zeggen: „best mogelijk, dat ik me vergis. Vergis, op dit bepaalde punt.” Maar het gereformeerde volk, dat nog op eerlijkheid prijs stelt, zal, in gevallen als deze (vergelijk wat ik zei over de „dagen”) telkens weer vragen: welke gronden hebt gij voor uw gevoelen; legt gij uw meening aan de Schrift op, of leidt gij ons naar de Schrift toe?

Het is niet noodig te verzuchten, zooals onze brochureschrijver doet, in een incidenteel geval — daar hebt ge het ongeluk weer! — kijk toch eens aan, een ethische bijbelverklaring handhaaft Jeremia 3 : 18, en een gereformeerde handhaaft dat vers niet. Want, stel eens even, dat Prof. Aalders inzake Jer. 3 : 18 ongelijk heeft, is daarmee over de beginselen 35) iets beslist? Als ik twee gidsen heb, de één leidt me op een verkeerden weg, maar struikelt niet over een bepaalden steen, de ander leidt me op een goeden weg, maar struikelt wèl over dien bepaalden steen, is dan daarmee iets uitgemaakt omtrent hun algemeene waarde als gidsen, als helpers, als mannen, die mij wat te geven hebben?

7. Waarom zou ik nog meer zeggen? Inzake het slot van Marcus heeft Prof. Hepp in De Reformatie indertijd breed Prof. Visscher geantwoord 36). Onverschillig hoe men nu over bepaalde gevallen denkt, die artikelen kunnen de kwesties en de fundamenteele verschillen tusschen tekst-vaststelling en bijbelcritiek, doen zien. En voorts wischt geen water van de zee ooit het feit af, dat ook onze aanklager van de „Asser mannen” een bijbeltekst dagelijks gebruikt, die resultaat is van tekstcritische schifting, invoeging, weglating, ànders dan Guido de Bres heeft gevolgd, toen hij een of andere uitgave van den bijbel las.

Maar niettemin: „alle deze boeken ontvangen wij voor heilig, kanoniek.” De één zegt: hier is een vlekje, de ander zegt: daar zie ik een vlekje. Een vlekje, niet in Gods Woord, doch in een afschrift er van! Maar ze zijn het eens in den wil om „alle deze boeken”, zooveel het kan, zonder vlek of rimpel, door de tijden heen te dragen, en er bij te leven en te sterven. Dat daar ergens een man komt, die de kwestie van |56| de echtheid van Daniël erbij sleept, zonder de geringste oorzaak, en die een klacht aan Assen adresseert, die reeds te Dordt had moeten komen, en die dus ongeveer 3 eeuwen te laat komt, ja, dat kunnen we ook niet helpen. Insinuaties, dat Prof. Aalders „moeilijkheden” ziet, en dat hij daarom een tekst eruit werpt (bl. 27, noot) xx, mogen den man van de fijne conscientie vergeven worden. Wie leest wat Prof. Aalders zelf zegt, zal andere dingen opmerken.

Eén van beide: de anonieme brochureschrijver moet over geen enkelen tekst, die nu eenmaal in den bijbel van Guido de Bres’ tijdgenooten stond, ooit een debat openen, omtrent de vraag, of de aangenomen hebreeuwsche of grieksche lezing ervan juist is, òf, àls hij een debat erover openen en regelmatig beëindigen wil, dan heeft hij toegegeven, dat tusschen hem en de „mannen van Assen” dat debat zuiver een wetenschappelijke kwestie is; geen geloofs-kwestie. En dan heeft hij daarmee zijn brochure op dit punt verloochend, ongeacht het resultaat van die nadere onderzoekingen. Zoodra hij op objectieve gronden over de echtheid van bepaalde teksten met een ander spreken wil, is hij over de brug van de „mannen van Assen” heengekomen. Tenminste, voor zijn bewustzijn. Want in feite is hij al over die brug, zoo vaak hij den Dordtschen bijbel van de Staten Generaal leest. Ziende op zijn 66 boeken, en met verwijzing naar de uitdrukking: „alle deze boeken” in de geloofsbelijdenis, zegt hij: „Dat zijn, naar de bedoeling van onze Vaderen, de bijbelboeken, zooals ze voor ons liggen.” Cursiveering van hem yy. Laat mij dan mogen cursiveeren deze 3 woorden: dat is dwaasheid. Guido de Bres had wat anders voor zich liggen. O slechte Beza: de recensenten van de niet-gereformeerde pers gaan voor een niet gering deel binnenkort uw plaats in het gedenkteeken der Hervorming ruimen. Schriftaanrander! 37) O Beza! De beweging-Geelkerken brengt ons achter Dordt terug! Of is de reclame te ondoordacht geweest? Hoe het zij: in beide gevallen was er geen leiding van het volk.


„Waar gaat het eigenlijk om?”

„Waar gaat het eigenlijk om?” vraagt de schrijver, ziende op Assen zz. Deze vraag, nog wel in 2 afdeelingen aaa, behandelend, vermijdt hij zorgvuldig elk citaat uit de officieele Acta — want van „Asser zijde” geeft hij alleen een, door zijn apodictische tegenspraak op zij gezetten, volzin van Prof. Kuyper, benevens een aandoenlijk verhaal van een oud vrouwtje, dat wel eens wat gezegd heeft of gehoord. Daartegenover mag Dr |57| Geelkerken wel het woord krijgen. Dit is dan vanwege de onpartijdigheid.

Voor het besef van den schrijver ging het in Assen alleen over de vraag van de uitlegging van enkele bijzonderheden van Genesis 2 en 3.

Nu kan ieder, die de rapporten leest, zien, dat die bizonderheden beiderzijds, zoowel van de zijde der synode (in haar rapporten en memories) als van den kant van Dr Geelkerken (in zijn stukken aan de classis Amsterdam, en in zijn brochures, en in zijn besprekingen ter generale synode, en in zijn latere redevoeringen) bezien zijn in het licht van de groote, diepere vragen, die er achter lagen. Het is ongeoorloofde reconstructie der geschiedenis, die bizonderheden als slang, boom, „spreken” enz. nu ineens maar te isoleeren en ze daartoe te rukken uit het groote verband van „hoogere werkelijkheid”, „oostersch licht”, openbaringsmilieu, menschelijken factor, enzoovoort. Ik begrijp er niets van, dat de pers van Dr Geelkerken, en zijn eigen persoon, deze brochure zonder protest laten verkoopen. Want wie de bizonderheden — slang, boom — losmaakt van dat groote, en toch in den grond van de zaak, buitengewoon interessante debat over al de genoemde punten, die moet goed weten, wat hij doet: hij rukt, behalve Assen, ook Dr Geelkerken de krans van het hoofd. Laat men de bizonderheden, waar het om ging, in hun groote verband van „groote, gewichtige, diepe vraagstukken” staan, dan kan men Dr Geelkerken de eer geven, dat hij althans kerkhistorie heeft helpen maken, dat hij inzake het Schriftprobleem tenminste vragen aan de orde stelde, kwesties oprakelde. Zegt men evenwel hetgeen thans de anonymus verklaart, dan is Dr Geelkerken om een incidenteel puntje even in Assen geweest en is er ook weer zoo vandaan gekomen. Dan laatsten tijd gaat het er, dit zij erkend, wel wat op lijken, dat Dr Geelkerken de groote vragen, waar het toen — volgens zijn eigen woorden — om ging, laat liggen, vooral als hij dézen anonymus als helper aanvaardt, — maar dit is alles dan toch van later datum. In Assen zelf, anno 1926, waren aan de orde vragen, die tenslotte alle draaien om het openbaringsbegrip.

En daarom kan het den schrijver van dit vlugschrift tenslotte bitter weinig schelen, of de een inzake de dagen, de ander inzake Nijlwater, de derde inzake de zon, de vierde inzake een of anderen tekstvariant, gelijk heeft of ongelijk. De worsteling loopt over de vraag: hoe en langs welke wegen en op welke manier en in welke vormen en met welk effect komt God tot ons in bizondere openbaring, en welke plaats heeft de Schrift daar bij?

Daarover loopt het. En daarom zijn die „boom” en „de slang en haar spreken” ook maar uitloopers van het debat. En de anonieme schrijver behoeft waarlijk niet te zoeken naar citaten van Prof. Kuyper, of Prof. Aalders, waarin deze hoogleeraren dan ook beweren, dat die „sprekende slang” en die „boom” het eigenlijk niet zijn. Want dit heeft met wat hij noemt bbb |58|


het disputabel stellen van de slang en haar spreken
door de kerken zelf

niets, letterlijk niets te maken. Het is overbodige moeite, te zoeken naar een zinnetje van Ds Veltman, of van Prof. Aalders (brochure „De Exegese van Genesis 2 en 3”) of van Prof. Kuyper (Heraut 2573), waarin dan verzekerd zou worden:

hetzij, dat er wel anderen dan Dr Geelkerken waren, die b.v. zeiden: de slang is voor mij Satan,

hetzij, dat men de „slang” en de „boomen” op zichzelf nog niet een reden noemt voor tuchtoefening (ik zeg het nu maar heel kort).

Want ook nu is het weer de groote vraag: wat zit er achter? Iemand kan gelooven, dat het woord „slang” in Gen. 2-3 den duivel beteekent, òf, omdat hij meent, dat een oosterling een slang een leelijk beest vindt, en het daarom als symbool gebruikt om de „twee polen van God en Satan” (uitdrukking van Dr Geelkerken) te stellen tegenover elkaar in een soort „inkleeding”, die een idee van goed en kwaad uitwerken wil in een overigens volmaakt symbolisch verhaal, — òf hij kan het doen, omdat wel de Satan zich bediende van een slang, maar omdat hij zich herinnert, dat teeken en beteekende zaak, instrument en hanteerder van het instrument, wel eens meer hun namen verwisselen. De eerste gelooft dan niet aan de historie, de gewone werkelijkheid, het feit, het zintuigelijk gebeuren, de ander doet dat wèl.

Daarom is van elk incidenteel puntje te zeggen, vóór en na een debat: dit en dat puntje, daar zit het ’m niet in. Want ernstige menschen vragen naar den achtergrond, de entourage, het diepste wezen, het fundament, den onderbouw, het systematisch ingedachte ideeëncomplex, waaruit een incidenteel woord, een bepaalde stelling, geboren en te verklaren is. Toen Dr Geelkerken zijn zaak voor de synode eenmaal had gebracht gezien, ging het niet meer om de vraag van dat incidenteele ding, een sprekende slang en een boom, maar om het openbaringsvraagstuk, gelijk het een toepassing zocht. Was Dr Geelkerkens incidenteele opvatting aanvaard, officieel, met zijn toelichting, dàn had ieder een dergelijke openbarings-opvatting kunnen „toepassen” op elk ander bepaald punt. Hebben dan voor niets de termen: Ideëel, Reëel, Hoogere Werkelijkheid, Karl Barth, geklonken? Het is populair in den naarsten zin van het woord, als onze conscientiekreet-schrijver uit de afwijzing van het incidenteele geval, los van de groote kwesties, distilleert dit zinnetje:

„dus, eerst werpen ze iemand uit, en later zeggen ze: kom, het was toch zoo erg niet, met die slang en dat spreken” . . .

Zoo kan men alle debatten vertroebelen. |59|


Voorloopig slot.

Gegeven dit alles, wijs ik nog hierop.

1. Wat baat eigenlijk heel de brochure van onzen onbekenden „predikant”? Al waren de mannen van Assen àllen aanranders van het Schriftgezag 38), verandert dat iets aan Dr Geelkerken en de zijnen?

2. De synode deed „half werk”, wordt geklaagd ccc. Voorzoover dat doelt op al die Schriftaanrandingen in de gereformeerde kerken zelf, meen ik in gemoede, den brochureschrijver niet met een enkel woord naar huis te hebben gezonden. En voor het overige vraag ik: wèlke synode deed géén half werk? Welke synode kwam klaar? Geen enkele. Gelukkig niet. Aan de christologie van Chalcedon werken we nog altijd; de synodes, die tegenover Rome de gereformeerde belijdenisschriften stelden, hadden nog niet begrepen, dat later Remonstranten, door het geloof verdienstelijk te maken, zouden teruggrijpen naar Rome; ze kwamen dus pas weer een stukje verder „klaar” in Dordt 1618-’19. En zoo kunnen we doorgaan. We komen nooit klaar. Moet men daarnaar met vette letter informeeren?

3. Zijn de Gereformeerde kerken een „zinkend schip”? De schrijver beweert het ddd. Ik antwoord: dat zinken is niet bewezen, het doet er momenteel ook niet toe. Als het zinkt, uw eigen schip, schipper, profeteer dan, noem uw naam, en — schrijf in dagen van crisis nooit anders, dan wat rustig is ingedacht. Gij spreidt, zegt ge, „de brieven” van critiek voor den Heere uit? Doe het dan ook met deze ernstig bedoelde opmerking, waaraan alle haat vreemd is: dat gij, door dingen te schrijven, die tastbaar onjuist zijn, zielen hebt helpen verleiden, ondanks uw bedoelingen, en dat, voor wat uw verantwoordelijkheid betreft, dit niet was de daad van een pomper op een zinkend schip, maar het boren van gaatjes in zijn bodem.

4. Klaagt U, dat men zich van de vragen inzake Genesis 1 enz. afmaakt, door de bewering: het is niet aan de orde? eee Ik meen, boven reeds hierop geantwoord te hebben. Maar begin gij dan toch, gij, gij. Doe |60| uw „bewindsel” van uw aangezicht weg; en argumenteer met Schrift en belijdenis tegen èlke leering, die de gereformeerde kerken als kerken leeren of doen leeren; met inachtneming van art. 30 K.O. Iemand, die zelf letterlijk niets heeft gedaan, heeft geen recht te insinueeren dat men „tot elken prijs schijnt te willen zwijgen”. Waar vindt U zóó eerlijk rapporten gepubliceerd over elk wissewasje, dat iemand meer eens even naar de synode stuurt, als in de Gereformeerde kerken? Geen enkele Nederlandsche kerk die zoo vrijgevig is in de publicatie.

5. De anonieme auteur constateert zoo maar, dat men „met Assen verlegen is” fff. Weliswaar zijn de Asser besluiten uitvoerig toegelicht, verdedigd, gehandhaaft, maar goed, toch zijn we met Assen verlegen. Maar de gronden? Er zijn er 5:

a. „De slang” en „haar spreken” zijn reeds losgelaten, lees ik. Dat moet dan staan, in wat ik besprak hierboven, en opmerkte over het z.g. disputabel stellen van de slang en haar spreken. Dit is dus reeds beantwoord.

b. Ongereformeerde uitlatingen, die na Assen, achteraf, publiek blijken uit de pers en het optreden van de medestanders van Dr Geelkerken, worden in de pers van „Assen” telkens aangehaald, als bewijs, dat het toch wel bij Dr Geelkerken c.s. heelemaal verkeerd gaat. Ergo: Assen is verlegen om argumenten . . . Ik zou het zóó zeggen: omdat men ginds aldoor maar ontkent, en omdat over de eerst gewisselde stukken haast niet meer gesproken wordt, juist van de zijde van Dr Geelkerken, daarom komt men vanzelf wel tot zulke bewijzen, achteraf. Die trouwens, voor het eenvoudige volk, groote waarde hebben.

c. De brochure van Ds Brussaard over Schriftgezag wordt niet vervolgd, zegt de schrijver. Wel zoo. Laat onze anonieme „predikant” dan maar precies zeggen, wàt er aan scheelt, en Ds Brussaard zal wel antwoorden. Hij heeft het altijd gedaan op elke vraag. Niet Assen is verlegen, maar de naamlooze „predikant”, die wel bezwaard is, maar niets doet, tegen Ds Brussaard. Hij had anders, op weg naar zijn uitgevers, best even bij Ds Brussaard aan kunnen loopen . . .

d. Over de classis Winschoten is nu al genoeg gezegd. Er zijn toch werkelijk nog menschen, gelukkig, die er tegen hebben, iemand niet te vertrouwen, zoolang hij niet zelf aanleiding geeft tot wantrouwen. De schrijver de brochure nu wil eerlijk „volgens de lijn van Assen” gehandeld zien, en ziet die lijn in ondervraging van iedereen. Ook zegt hij, te staan op het standpunt van Assen. Daarom mag ik zeker vermoeden, dat hij den kerkeraad, waaraan hij ambtelijk verbonden is, hoe dan ook, zal verzoeken, zijn ambtsdragers, ook hem zelf, eens te ondervragen, en anderen daartoe op te wekken. Dan is het tevens uit met de naamloosheid. Maar — tot nu toe dan? Tot nu toe profiteert hij van een praktijk à la Winschoten!

e. De Vrije Universiteit, die niet in directen zin zich op kerkelijk standpunt plaatste, wordt er ook bij gehaald: ze heeft Assen niet letterlijk |61| nageschreven! Maar waarom verzwijgt hij de gronden, die men te Middelburg aanvoerde? Moet nu het verschil tusschen kerk en school ook al weer verduisterd worden?

6. Eindelijk wordt, en dan nog wel, als fout, aan Assen toegerekend, dat het maar een incidenteele beslissing nam ggg. Afgedacht van het feit, dat dat in zekeren zin niet waar is — want de „achtergrond” van het wederzijdsche standpunt kwam ook ter sprake — was dit niets anders dan zuiver recht. Men mag toch een predikant geen onrecht doen? En het zou onrechtvaardig geweest zijn, zoowel tegenover Dr Geelkerken als tegenover de gemeente, die door zijn optreden reeds „tweelingen in haar schoot bleek te hebben” — term van den schrijver — wanneer men kalmpjes tot die kerk gezegd had: er is een bepaald geval aan de orde gesteld, door een lid der kerk, en door de classis, enz. enz., maar wij trekken ons dat niet aan; wij gaan eerst eens over heel de kwestie, met al wat er aan vast zit, breed studeeren! In synode! Wat heeft men toch voor een kerkrechtfantasie soms? Tweelingen in den schoot dragen — onze anonymus zuch erover als het de kerken gezamenlijk raakt. Maar hij wil dat maar laten zitten als het een plaatselijke kerk raakt, want dan moet alles wachten op een algemeen concilie. Neen: alle leden der kerk van Amsterdam-Zuid hadden er recht op, bediening des Woords te ontvangen in den volgens kerkverband wettigen en met Schriftgezag overeenkomende weg. Dat recht vroeg om handhaving; en de vraag kwam van beide „partijen”.

7. Men moet verder, zegt de brochure. Volmaakt ben ik het er mee eens. Laat men dan niet noodeloos ophouden, door achteruit te slaan, alsof er nog geen gereformeerde studie begonnen is.

8. Dat Dr Geelkerken als „slachtoffer” vallen moest, is een vreeselijke beschuldiging, die ik niet met een tweede bijvoeglijk naamwoord kenschetsen zal. Natuurlijk steunt ze op de onderstelling, boud genoeg uitgesproken als stellige bewering, dat al de besproken gevallen van z.g. Schriftaanranding met Dr Geelkerkens werk op één lijn lagen, en dat dus met twee maten werd gemeten. Valt die onderscheiding, dan tegelijk de beschuldiging.

9. Assen heeft geen „bolwerk opgeworpen tegen de Chr. geref. kerk”, zegt de schrijver. Ik verbaas me over de opmerking. Was het daar dan om te doen? Wat heeft Dr Geelkerken met de Chr. geref. kerk te maken?

10. Hij zoekt de „oplossing” (wel te verstaan, voor de door hèm zelf geschouwde problemen, die ik evenwel in hun zóó bestaan ontken) in een samenwerking van gereformeerden en niet-gereformeerden (kerkelijk niet gereformeerd) om eens te studeeren over Schrift en Schriftkwesties.

We verspillen er geen woord aan. Wil men elders soms? De Chr. geref. kerk is vroeger al eens uitgenoodigd door de Geref. kerken, maar bedankte. Artikel 36 der geloofsbelijdenis wordt er behandeld, zonder onze medewerking of die van anderen te vragen. De Hervormde kerk kàn niet in beweging komen voor een dergelijk onderzoek; haar losse groepen blijken het niet te willen. En meent men nu werkelijk, dat wat „confessioneel” |62| is in de Herv. kerk het met ons eens is over de termen, en het wezen der bizondere openbaring? Wat Prof. Haitjema schreef, bewijst het wel anders. Bovendien, als er in de naaste toekomst bepaalde tuchtgevallen komen — waarmee de anonieme schrijver veel haast heeft, als tenminste anderen maar met hun naam de kastanjes van de aanklacht uit het vuur halen — dan is het, gelijk reeds gezegd is, onrecht, den betrokkene de pijnlijke ervaring van wachten, wachten, en nog eens weer wachten, op te leggen. Kerkelijke zaken kerkelijk, en de wetenschap haar eigen terrein. Het zou er vreemd uitzien, als zuiver wetenschappelijk onderzoek langs kerkelijk-institutairen weg moest gaan, en dan met vooruitloopen op den arbeid van de mannen, die God aan zijn kerk geeft.


Slot.

Afgedacht van enkele bizonderheden, die het geheel niet schaden, heeft dit vlugschrift vrijwel alles behandeld, wat de anonieme aanval ter sprake bracht.

Laat nu ieder, die den anoniemen schrijver nazegt: „het persoonlijke speelt toch al te groote rol, het komt op de zaken aan”, nu eens niet met een enkel woord van antipathie, als hij het er niet mee eens is, maar met een antwoord, komen. Er is toch om gevraagd?

Schrijver dezes, die eerst eens heeft afgezien, of de leiders der groep-Geelkerken de naamlooze brochure als hulpmateriaal zouden verwerpen of niet, is dit zijn eigen vlugschrift met tegenzin begonnen; louter terwille van het gereformeerde volk. Maar onder het schrijven kreeg het onderwerp meer en meer zijn belangstelling, omdat tenslotte al die anti-thetische opmerkingen weer terugleiden naar het breede veld van thetischen opbouw.

Vooral aan die intellectueelen, die volgens berichten in de pers 39) (tendentieus misschien?) zich verplicht achten, de Geref. kerken in hun gedachten of daden te vervolgen met de beschuldigingen, welke hier beantwoord zijn, wordt hier in ernst gevraag: handhaaft gij uw bezwaren? Geeft gij niet toe, dat gij, althans inzake deze brochure, achter een man, die wetenschappelijk te licht bevonden werd 40), te spoedig aangewandeld |63| zijt? En àls u dat nu overkomen is, kan dat dan niet vaker geschied zijn? Zegt eens, gij mannen van studie, van speciaal-studie, wat zoudt gij ervan zeggen, als iemand een brok van uw eigen studie-terrein, rechten, klassieke letteren, of wat dan ook, zoo vluchtig bezemde, als de hier bestreden brochure, en dan een groote menigte volks achter zich trok? Gij zoudt u verontwaardigd toonen.

Intellectueelen, mag dan àlles maar in de kerk, en tegenover de heilige godgeleerdheid?

Tenslotte: indien ik, al was het ook maar een paar, van de uitgetredenen mocht overtuigd hebben, dat bij hen de zaken anders zijn, dan gezegd werd, laat ze dan de daad doen: terugkeeren tot vanwaar ze uitgegaan zijn. Of, als ze onzeker zijn: laat hen dan beginnen bij het zekere, en dan verder zien en worstelen.

En als ik enkelen onder de gereformeerden, die werkelijk onder den indruk kwamen van enkele gecatalogiseerde aanklachten, heb mogen dienen door accentueering van de lijnen, die het terrein afbakenen, dan ben ik dankbaar.

De tijden zijn ernstig; de strijd is zwaar. Niemand doe een stap, niemand schrijve een leidend woord, niemand zegge tot zichzelf, of tot een ander: ga, of hij moet weten, dat God het wil, en dat wie hem niet volgt, daarin Christus nalaat te volgen. En anders ga hij niet.

En eindelijk: de groep-Geelkerken, in haar kerkelijk instituut, heeft de hier bestreden naamlooze brochure officieel behandeld, in kerkeraadsvergadering, in classis, een van haar predikanten heeft er een avond aan gegeven, om er over te redevoeren.

Ze is zelfs inzet geworden van een officieele kerkelijk samenspreking in de breedste vergadering, die men heeft.

Dit feit is niet ongedaan te maken.

Wil men zich zuiveren van den blaam, dat hier inderdaad gebrek aan ernst geweest is, dan zal argument tegenover argument te stellen zijn.

En ja, daarna moet er nóg wat meer gebeuren. Dan moet er ook schuld beleden worden. Schuld beleden over dit verbijsterende feit, dat ik voor de toekomst vastleggen wil: dat dezelfde propagandadienst van de groep-Geelkerken zijn eerste actie inzette, na 1926, met den verkoop |64| van een geschrift, dat waarschuwde tegen „Confessionalismehhh, en zijn tot nu toe laatste actie opzette in den verkoop van het hier bestreden anoniem geschrift. Zoover het Oosten ligt van het Westen, zóóver liggen die twee geschriften van elkaar. En toch beide gebruikt? O, de negativiteit! Maar voorts: God is de God der waarheid!





Juist voor het afdrukken van dezen tweeden druk verneem ik, dat volgens bericht in het Ochtendblad 5 Jan. Handelsblad, de anonieme predikant, die hier bestreden wordt, zich bekend gemaakt heeft. Het is inderdaad de man dien ik op bladz. 7 bedoel, (nader aangeduid op bladz. 28, vierde regel van 2.) n.l. Dr J.L. Jaspers te Santpoort. Geen dienstdoend predikant, doch sedert 1 Febr. 1924 Emeritus van de Kerk te Lunteren.

K. S.




1. Schrijver dezes meent — evenals Prof. Hepp in De Reformatie — den auteur bij name te kennen. Maar hij stelt zich in de volgende bladzijden geheel en al op het standpunt van den gewonen lezer. Enkele opmerkingen, die misschien later na publicatie van den naam te doen zullen zijn, dringt hij dan ook terug.

2. Breeder nog ging ik hierop in, tegenover De Wekker, in De Bazuin van 30 Juli 1926.

3. Dezer dagen las ik, dat het „ijdele geleerdheid” is, te vragen, in welk seizoen God de schepping verrichtte. Moet men nu zeggen, dat deze exegeet het ontstaan der seizoenen door de schepping loochent?

4. Zie Pentateuchus Moysis Commentario Illustratus, Antwerpen, 1625, bl. 143.

[Jacques Bonfrère (1573-1642), Pentatevchvs Moysis commentario illvstratvs, praemissis, quae ad totius Scriptvrae intelligentiam manuducant, praeloqviis perutilibus; a R.P. Iacobo Bonfrerio . . . Antverpiae, Ex officina Plantiniana, Apud Balthasarem Moretum, et Viduam Ioannis Moreti, et Io. Meursium, 1625]

5. Goed gelezen staat die uitdrukking nergens. Men leidt hem af uit verzen als Gen. 7 : 19. Maar we redeneeren er maar eens over met den man der consciëntiekreet mee.

6. Beneden zal straks nog blijken, dat, als men aan de bewoonde wereld denkt (waarover straks), en den „hemel” zich voorstelt als behoorende bij die (bewoonde) aarde, aan een hyperbool in het geheel niet behoeft gedacht te worden. Gelijk in heel de brochure, beslis ik niets, maar vraag alleen: is het Schriftaanranding? Zie ook straks over de Septuagint.

7. Men lette ook op plaatsen als Deut. 28 : 25, 26, Genesis 41 : 57, 2 Kronieken 9 : 23, Zefanja 1 : 11, Job 37 : 3 en leze b.v. Ed. König, Hermeneutik des A.T. 1916, bl. 91; of (met voorzichtigheid): G.F. Wright, Wetenschappelijke Bijdragen tot bevestiging der oud-testamentische Geschiedenis (vert. C. Oranje, voorrede van Dr A. Kuyper), Rotterdam, Daamen, 1907, bl. 164v. ; enz.

8. Over het woord „’arets”, gebruikt in Gen. 6 : 17, zwijg ik maar; ook dat beteekent tientallen keeren iets anders dan de (heele) aarde.

9. Reeds eeuwen geleden hebben joodsche theologen gezegd, dat de aarde hier moest gezien worden in verband met de menschen, die erop woonden. God werd door hen vergeleken met een koning, die zijn zoon (de menschheid) straft in zijn voedster (de aarde). (Strack-Billerbeck, Komm. op Matth., 965). Een gereformeerd theoloog zal niet gauw zeggen, dat dit nu het geding beslecht — want daar is nog het ernstig vraagstuk van den vloek in de natuur en de solidariteit van mensch en kosmos. Maar ik geef de opmerking slechts om te doen zien dat Dr Kuyper heusch geen nieuwlichterij zocht.

10. In precies denzelfden tijd ventileerde in Woord en Geest Dr v. Leeuwen de ideeën van Prof. Böhl over Exodus, en juichte het blad, omdat Dr Kuyper Schriftaanrander heette, omdat hij op een enkel punt Böhl’s Genesis raakte en beweerde, wat Dr van Leeuwen wilde ! Maar God is een God der waarheid.

11. De Septuagint heeft in Genesis 7 : 4: anastêma, maar in Deut. 11 : 6: hypostasis. En Calvijn heeft in Genesis 7 : 4: omnem substantiam, en verklaart het door: quidquid vivit ac viget; doch in Deut. 11 : 6 substantia (quae erat in pedibus eorum). Zelfs geeft Mandelkern, Concordantie, naast de proeve van vertaling, die terecht bij „quidquid vivit in terris” (al wat op aarde, in de landen, leeft) ook nog deze vertalingen: populatio, bevolking, en: domesticum animal, levende have. En bij Chr. Cartwrigh, Electa Thargumica-Rabbinica, sive Annotationes in Genesin, Londen, 1648, bl. 70, lezen we zelfs de vertaling „anastasin”. Ja, wat die oude joden betreft, er zijn er onder hen, die bij het woord „jekoem” denken aan datgene, wat op de aarde bestand had, natuurlijk, maar ook aan de bewoonde wereld (jekoem, oi-koem-enê); zelfs aan Kain, die opstond (koem) tegen Abel (Strack-Billerbeck, Komm. Matth., 965). Men ziet, dat iedereen het nog niet zóó gauw klaarspeelt met het woord „jekoem” als de anonieme brochureschrijver en zijn aanbevelers. Maar voor de pers van Dr Geelkerkens vrienden beteekent dat allemaal niets.

12. Dat het hebr. woord, hier gebruikt, deze beteekenis kan hebben, en volstrekt niet altijd „dood” beteekent, blijkt zeer duidelijk uit Gen. 4 : 3; 8 : 6; 16 : 3; 41 : 1; en zoo voort; Esther 2 : 12, Job 6 : 11 (termijn, rest, uitzicht), Jeremia 51 : 13 (volstrekt geen exemplarisch-algemeene verdelging, hoofd voor hoofd), Ezechiël 7 : 2, Amos 8 : 2 (idem), Klaagliederen 4 : 18 (Kantt.: gewisse teekenen en voorboden), en zoo voort.

13. Hoewel de joodsche rabbijnen herhaaldelijk wijzen op den term „alle vleesch” komen ze toch hier en daar tot het stellen van uitzonderingen. Sommigen meenden uit Num. 21 : 33 en Gen. 14 : 13 (een, die ontkomen was, n.l. van den zondvloed) te moeten afleiden, dat Og, koning van Basan door den vloed gespaard was. Anderen namen hetzelfde aan van den berg Gerizim (Ezechiël 22 : 24), of van het land Israëls (op grond van denzelfden tekst). Zij meenden, dat het olijfblad, dat tot Noach gebracht werd, uit het land Israël kwam. Zie weer Strack-Billerbeck op Matth., 965, 549, 841). Ook hier weer een poging om alle gegevens tegelijk te erkennen. Te ver, of liever, verkeerd gedreven, en onjuist; maar iets anders dan Schriftverwerping.

14. Let op de term „gedierte” (niet: dier), en op deze verklaring, gegeven, terwijl in den tekstenblijft staan. (Ik zeg dit zonder Hebr. 12 : 20 of Lev. 5 : 2, te vergeten). E. König heeft inplaats van het „gedierte” der Statenvertaling: wild. Hoofdgroepen zijn dus: wild, vee, kruipend gedierte, gevogelte. Vgl. Kantt. op Gen. 6 : 7, 20; 1 : 26 („wild” onder „vee”, „behemá”, begrepen).

15. Er zijn er, die het woord „alle” in 7 : 14 herleiden tot het woord „alle”, gelijk dat voorkomt in 6 : 19, 20. Zoo b.v. Kaulen in Wetzer & Welte’s Kirchenlexicon ; een man, die opkomt vóór de algemeenheid van den vloed, en zich van de door Dr Kuyper, deels ook van de door mij hier aangehaalde teksten, niets aantrekt. Een man dus, naar het hart van den auteur van den „consciëntiekreet”. Maar als de Kantteekenaren nu hetzelfde willen — zooals het schijnt — dan laat hun voorzichtig „allerlei” juist in 6 : 19 ruimte voor de mogelijkheid, dat soorten, die ons thans bekend zijn als afzonderlijke groepen, niet in de ark kwamen. Sluit men de mogelijkheid van nieuwe schepping of evolutie uit, dan ligt een partieele vloed voor de deur, om zoo te zeggen.

16. Wat die fossielen betreft, dit is geen „te hulp roepen van de wetenschap” geweest, zooals in de door ons bestreden brochure beweerd wordt. Gereformeerde wetenschap knoeit niet met feiten; feiten kunnen aanleiding zijn tot nader onderzoek van de Schriftgegevens en hun bedoeling. Scheef loopt het eerst, als wat men houdt voor het „feitenmateriaal” ons tot maatstaf in de Schrift-aanvaarding of -verwerping wordt. Hiervan is bij Dr Kuyper geen sprake.

17. Zie voorts nog The Catholic Enc. („de gansche hemel” correspondeeert met de „bewoonde aarde”) London, IV; J. Nikel, in Kirchl. Handlexicon (partieele opvatting strijdt niet met den tekst van den bijbel) en zeer interessante litteratuur-vermelding b.v. in Jewish Encycl.

18. We schijnen weer te gaan leven in den tijd waarin Calvijn heusch geen overbodig werk deed door verhandelingen te schrijven over de vraag, of een staf wel slang kan zijn, als ze daarna nog eens staf heet, en omgekeerd. Zie Opera, ed. Baum-Cunitz, Reuss, II, 1014.

19. Beweging, eerste beweging! Denkt onze anonyme schrijver daarbij niet van zelf reeds aan de hemellichamen, zoekende hun samenstel en onderlinge verhouding in de beweging door het heel-al?

20. Ik wil deze brochure populair houden, en zal daarom verder zwijgen over wat König zegt. Maar wie wil, kan nog veel sterkere argumenten bij hem vinden bl. 134-138. Telkens ed. 1925 (2e druk). Gen. 1 : 1 is schepping van het heelal (Weltall); de uitdrukking „hemel en aarde” in 1 : 1 daalt van de bovenruimten tot de aarde af, maar vers 2 en volgende verzen klimmen dan weer van de aarde tot den „hemel” op. „Formeeren” beteekent bij den anoniemen schrijver voorts heel iets anders dan bij Sikkel.

21. Ioannis Merceri Regii (hoogl. te Parijs) in Genesin comm. Addita Th. Bezae praefatione. Mathh. Berjon, 1598, i.l.

22. „Van”?

23. Cursiveering hier, gelijk in heel de brochure dikwijls, van mij, soms ook van den schrijver. Overigens lijken me die „beide polen” een gedachtenfout.

24. En het voor de geref. dogmatiek en voor het geref. openbaringsbegrip allernoodzakelijkst onderscheid tusschen de „Wereld Gods” en den „God de wereld” uit het oog verloren . . . En Bavincks (!) „Chr. Wereldbeschouwing” radikaal verloochend, of vergeten, hoe moet ik het zeggen . . .?

25. Want waar haalt hij anders „tijd” en „ruimte” vandaan?

26. Natuurlijk wordt hier verwezen naar het zeer vele dat de pers over deze kwestie gaf. En dat de anonymus laat liggen.

27. Zie een dagbladbericht, omtrent intellectueelen te Arnhem. Speciaal intellectueelen!

28. Wat waren dat voor „dagen” vóór de zon de aarde beheerschte? Dagen voor het eene halfrond? Of voor het andere? Dagen, die licht en donker geleidelijk deden opschuiven? Calvijn (op Gen. 1 : 3) weet het niet en acht het ook nutteloos, ernaar te vragen.

29. Daarom is het m.i. jammer, en verwarrend, dat in het reeds geciteerde boek van G.F. Wright, bl. 317, op gezag van Gladstone het niet-24-uren-tellen in de „dagen” van Genesis 1 op één lijn gesteld wordt met de niet-letterlijke opvatting van de „anthropomorphismen” in den bijbel. De tegenstelling is in deze „dagen-kwestie” een heel àndere, dan die van „letterlijk” òf „oneigenlijk”. Overigens geeft ook dit boek eenige juiste opmerkingen, bl. 314, 315, al wijs ik de probleemstelling af in den daar gegeven vorm.

30. Woord en Geest, van 7 Dec. 1928, kerknieuws.

31. Beter: of men inderdaad exegese geeft, of slechts den schijn ervan aanneemt.

32. Natuurlijk bestaan de gevaren; de schrijver noemt er enkele op bl. 30. Maar wat is niet gevaarlijk? Het komt altijd weer aan op het vooropgesteld uitgangspunt in de Schriftbeschouwing.

33. Niet in een duur wetenschappelijk werk, maar in een „volksblaadje” (toch nog te „zware” lectuur voor de schapen, die door Dr Geelkerken op zijn meetings worden ingeleid in de wijsheid der anonieme brochure?), — in een volks-blaadje, zeg ik, van 1869, staat te lezen: „In eene burgerwoning te Embden zat, op het einde van het jaar 1569, een man van ruim zestigjarigen leeftijd voor eene tafel, waarop zich een twaalftal boeken bevonden van verschillend formaat. ’t Was spoedig te zien, dat het Bijbels en Testamenten waren. Geheel verdiept in de beschouwing van den schat, dien hij daar voor zich had, was hij bezig met ze onderling op sommige plaatsen te vergelijken. Het trof hem, dat er zooveel verschil was tusschen den tekst van den eenen en van den anderen Bijbel, zoodat geen drie van de uitgaven volkomen met elkander overeenstemden . . .” (óók wegens verschillende verhouding tegenover den vast te stellen grondtekst). (Zie: J.I. Doedes, Over Nederl. Bijbeluitgaven, in het midden der 16e eeuw, ten dienste der Hervormingsgezinden, no. 7 van: „Voor 300 jaren, volksblaadjes ter herinnering aan de schoonste bladzijden uit onze geschiedenis,” Harderwijk, Bronsveld, 1869, bl. 111, 120, 126). Gelukkig, dat de 60-jarige Embdensche burgerman niet met „bezwaren” lastig gevallen is, gelijk thans in 1928 wij. Hij zou van „Schriftaanranding” gesproken hebben? Maar wil de anonieme schrijver nu eens bedenken, dat deze Embdenaar de man is, die het eerst de geloofsbelijdenis heeft aan zijn hart gedrukt? Was die man nu een aanrander van de letterlijke woorden der confessie? Of kan hij den anoniemen schrijver rustig aanzien en zeggen: denk eens aan mij, eer gij menschen opschrikt, die het zooveel beter konden hebben, dan ik, als ze even moedig waren? Zoo’n Embdenaar van 1569 is „wijzer dan zijne leermeesters” van 1928 . . . [cf. Ps. 119:99]

34. Interessante lectuur biedt dan vervolgens ook nog: J.I. Doedes, Geschiedenis van de eerste uitgaven der Schriften des Nieuwen Verbonds in de Ned. Taal, 1522, 1523, Utrecht, Kemink & Zn., 1872, zie vooral C.H. Ebbinge Wubben, Over middelnederlandsche vertalingen van het Oude Testament, bouwstoffen voor de gesch. der Ned. bijbelvertaling (diss.) Haag, M. Nijhoff, 1903, passim; — Isaac le Long, Boekzaal der Nederduitsche Bijbels, 2e uitg. Hoorn, T. Tjallingius, 1764.

35. Wanneer op bl. 28, noot, door de anonieme brochure gezegd wordt: Prof. Aalders verklaart wat in Jer. 3 : 18 staat onmogelijk, en daarom gelooft hij het niet, dan is dat in hooge mate onwaardig. Prof. Aalders heeft niet gezegd: God kan dat niet doen; doch: de historische feiten, die wij achteraf door God zelf zien beheerscht, wijzen het anders uit.

36. Eerste jaargang, nrs 31-44.

37. „Klaagliederen”, niet van Jeremia, Hebreën niet van Paulus? Altemaal klachten. Maar Calvijn wist al van de opschriften der psalmen: niet alle van David. Intusschen geef ik den schrijver toe, dat de tekst der belijdenis op deze (overigens ondergeschikte) punten, moet worden herzien. Al is ’t maar alleen om brochures en haastige recensies te voorkomen.

38. De besproken brochure noemt nog het „vuur” van den brandenden braambosch (Ex. 3), dat volgens Prof. Hoekstra misschien geen physisch vuur, doch een vuurgloed is. Maar het blijft dan toch een historische werkelijkheid, zintuigelijk? Hoe vaak staat er zóó „vuur” vermeld? — Voorts: Handelingen 2 (het talenwonder volgens Dr A. Kuyper). Schrijver dezes deelt Dr Kuypers opvatting niet, maar merkt al weer op dat de gevallen ongelijk staan, omdat a. door Dr K. uit de Schrift geargumenteerd wordt, zij het ook m.i. met een gedachtenfout, of -sprong; b. de „werkelijkheid” gehandhaafd blijft; c. de afwijking, indien ze er is, in elk geval niet een concessie aan den zucht tot vooropstelling van den menschelijken factor of van „organische opvatting” is, want bij Dr K.’s opvatting van het talenwonder wordt het openbaringswerk nog veel meer den mechanischen kant uitgedreven, (in dit eene bepaalde geval natuurlijk): paradijstaal spreken vereischt meer mechanische inbeslagname van den spreker door den Geest dan de gewone taal; d. Dr K. verkleint het wonder bij de sprekers niet, doch breidt het nog wel — onnoodig m.i. — uit tot de hoorders van Hand. 2.

39. Inzake het Arnhemsch lyceum!

40. Zoo wordt nog b.v. op de voorlaatste bladzijde even bezwaar gemaakt tegen Dr A. Kuyper, die — juist uitgaande van het werkelijk bestaan der oude paradijsboomen — de boomen van het andere paradijs — der toekomst — noemt: boomen van hooger orde, boomen, die het verheerlijkte lichaam zullen voeden.

Zonder hier elke uitdrukking van Dr Kuyper te verdedigen — er staat echter in den bijbel ook, dat men „manna” eten zal — wil ik alleen maar opmerken, dat hier verwarring is. Wat van de oude paradijsboomen staat, behoort tot historische mededeeling, maar de uit Openbaring 22 genomen mededeeling omtrent het „geboomte” des levens in het komende paradijs, dàt behoort tot de apokalyps. Evenals de overeenkomstige plaatsen bij Ezechiël. En historie en |63| apokalyps hebben ieder een eigen wet van uitlegging. Johannes zegt zelf (letterlijk): ik was in den geest, toen ik alles zag, óók van dat levensgeboomte. Men leest hem dus „letterlijk”, als men een visioen visioen laat, en dus het hemelsch levensgeboomte bij hem van „hoogere orde” noemt. Wie dat letterlijk opneemt, die leest juist niet letterlijk. Maar boven Genesis 1-3 staat niet: ik, schrijver, was in den geest. Daar komt de historieschrijver aan, die begrippen als eten, drinken, kinderen krijgen, overneemt uit de wereld van het paradijs, en ze zoo maar overbrengt naar de wereld, die gevallen is. Daarom moet men Dr Kuyper niet aanwenden voor een bewering, die erop neer zou komen, dat hij met „de” boomen zóó doet als Dr Geelkerken.

Dat zijn toch eenvoudige dingen. Wat houdt de menschen toch zoo onrustig, dat zij deze eenvoudige dingen niet meer zien?




a.

b. Het gaat om de anonieme brochure Zijn de mannen van Assen zelf aanranders van het Schriftgezag? Een consciëntiekreet door een Geref. predikant, Bloemendaal (Fa. Grammé & Eikelenboom) [1928]. De brochure kreeg vier drukken (vanaf de derde druk met een Naschrift).

Het werkje bleek afkomstig van Jasper Luite Jaspers (1879-1953), gereformeerd predikant te IJsselstein (1905), Lekkerkerk (1909), Moordrecht (1911), Beekbergen (1915), Doesburg (1918) en Lunteren (1920-1924). Na zijn emeritaat (om gezondheidsredenen) was Jaspers nog hulpprediker te Santpoort (1927-1929). De brochure was reden voor de classis Arnhem om hem af te zetten als emeritus-predikant (1932). Omdat hij later van zijn standpunt terugkwam werd hij in 1948 weer in zijn positie als emeritus-predikant hersteld. Vgl. over hem De Haas IV,292.

c. Vgl. Johannes 18:20.

d.

e. Vgl. 1Koningen 12:16.

f. Vgl. Jasper Luite Jaspers (1879-1953), Zijn de mannen van Assen zelf . . ., 3v.

g. Cf. 1Kor. 9:20.

h. Cf. Mannen van Assen, 4.

i. Cf. Mannen van Assen, 4v.

j. Cf. Mannen van Assen, 5.

k. Kirsopp Lake (1872-1946, engels nieuwtestamenticus, hoogleraar te Leiden [1904-1914] en aan Harvard), The Earlier Epistles of St. Paul. Their Motive and Origin, London 19192.

l. Cf. Ps. 31:5, Jes. 65:16.

m. Cf. Heb. 12:9.

n. Cf. Mannen van Assen, 19v.

o. Cf. Abraham Kuyper, De Gemeene Gratie, I2,114v: „Over de ribbe van Adam waaruit de vrouw genomen was, heeft men daarbij echt Byzantijnsch geredeneerd, en zelfs uitgerekend of Adam na die ure met één rib minder geleefd heeft. De tekst verbiedt zulke ijdele geleerdheid. Als Adam zijn vrouw ziet, zegt hij niet: „Deze is van één mijner ribben”, maar heel anders: „Deze is ditmaal been van mijn been, en vleesch van mijn vleesch.” Die nadere uitlegging, onmiddellijk daarop, door Adam zelf gegeven mag men niet voorbijzien. Toegegeven derhalve dat er staat: „één van zijne ribben”, zoo mag dit toch niet opgevat, alsof dit heel de zaak uitdrukte. De volle zin ligt hierin, dat het been en het vleesch van Eva, d.w.z. geheel haar lichamelijke verschijning, niet uit het stof der aarde genomen was, maar genomen was uit zijn been en vleesch en door scheppingskracht alleen tot een volkomen lichaam opgebouwd.”.

p. Cf. Gal. 4:24.

q.

r. Cf. Mannen van Assen, 29 noot 29.

s. Cf. Mannen van Assen, 20-23.

t. Cf. Gen. 7:19.

u. Cf. Verklaring van de geheele Heilige Schrift. In het Engelsch beschreven door de heeren Patrik, Polus, Wels en andere voorname Engelsche godgeleerden. Met eene voorr. van Joan van den Honert, T.H.zoon, . . . Te Amsterdam, Isaak Tirion en Jacobus Loveringh, 1740-1757 (17 delen).

v. Cf. Richt. 6:37-40.

w. Cf. I. Waterman, Beredeneerd Hebreeuwsch- en Chaldeeuwsch-Nederduytsch Woordenboek, bewerkt naar de grammaticale en lexicale werken van Fuerst, Gesenius, Vater, Landau e.a., Rotterdam (Nijgh) 1859-1879.

x. Cf. Mannen van Assen, 23-26.

y. Cf. Noordtzij, Arie, Gods Woord en der Eeuwen getuigenis. Het Oude Testament in het licht der Oostersche opgravingen, Kampen (J.H. Kok) 19312, 318.

z. Cf. Noordtzij, a.w., 319v.

aa. Cf. Noordtzij, a.w., 323.

bb. Cf. Ps. 33:9.

cc. Cf. Joël 2:31; Hand. 2:20; Opb. 6:12.

dd. Cf. Ex. 13:21v.

ee. Cf. Ex. 4:3v.

ff. Cf. Ex. 4:6v.

gg. Cf. Joh. 2:1-11.

hh. Cf. H.J. Heijnes, In de Noord-Hollandsche wei, Amsterdam (Ten Have) 1928?

ii. Cf. Mannen van Assen, 18v.

jj. Cf. Spr. 20:10.23.

kk. Cf. Mannen van Assen, 6v.

ll. Cf. Mannen van Assen, 14-18.

mm. Cf. Mannen van Assen, 16v.

nn. Cf. Herman Huber Kuyper (1864-1945), Evolutie of revelatie, Amsterdam (Hóveker & Wormser) 1903 (Overdrachts-rede V.U. Amsterdam).

oo. Cf. Jan Ridderbos (1879-1960), Israel en de Baäls. Afval of ontwikkeling, Nijverdal (Bosch) 1915 (Rede gehouden bij de overdracht van het rectoraat der Theologische School van de Gereformeerde kerken in Nederland).

pp. Cf. Mannen van Assen, 26-30.

qq. Cf. Mannen van Assen, 29 noot 30.

rr.

ss. Cf. Opb. 22:18.

tt. Cf. Mannen van Assen, 29 noot 29.

uu. Frederik Willem Grosheide (1881-1972), Kanon en tekst van het Nieuwe Testament, Baarn (Hollandia-drukkerij) 1916 (Levensvragen, serie 8, no. 9).

vv. Petrus Gerardus Groenen (1876-?), Algemeene inleiding tot de Heilige Schrift. Geschiedenis van den tekst, Leiden (Théonville) 1917.

ww. Nicolaas Hinlópen (1724-1792), Historie van de Nederlandsche overzettinge des Bybels, door Nicolaes Hinlopen, voorgedragen in een brief aen den . . . heere, Nicolaes Hoogvliet . . . verzeld van bylagen hiertoe betreklijk, waer onder de resolutien van de overzetters en overzieners aengaende de Duitsche tale. Te Leyden, by Johannes le Mair, 1777 [titelblad Nijmegen]

xx. Cf. Mannen van Assen, 27 noot 27.

yy. Cf. Mannen van Assen, 28.

zz. Cf. Mannen van Assen, 5-7.

aaa. Cf. Mannen van Assen, 7-8.

bbb. Cf. Mannen van Assen, 12-14.

ccc. Cf. Mannen van Assen, 11v.

ddd. Cf. Mannen van Assen, 31.

eee. Cf. Mannen van Assen, 32.

fff. Cf. Mannen van Assen, 33-36.

ggg. Cf. Mannen van Assen, 36-38.

hhh. ?







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000