Wat is de Hemel?

Nieuwe Vlaardingsche Courant

42e jaargang, Vlaardingen (Dorsman & Od) 1919
No. 4348, Vrijdag 31 October 1919

a



Donderdagavond hield Ds. K. Schilder, van Gorinchem, in het kerkgebouw aan den Binnensingel, ten bate van de Vereeniging tot Steun der Theologische School te Kampen een lezing over het onderwerp: „Wat is de Hemell?” Het kerkgebouw was stampvol.

Toen de dichter Dante zich opmaakte om een dichterlijke voorstelling van het paradijs, van den hemel te ontwerpen, aldus spr., was zijn eerste aanroep tot Apollo, den god van zang en muziek, om hulp. Het was moeilijker voor hem dan het schrijven van zijn werk over hel en louteringsberg. Toen kon hij het met de muzen af, met den eersten top van den Parnassus. De moeilijkheid van den Renaissance-dichter, is ook de moeilijkheid van ons, zegt spr. Ook wij spraken van hel en tusschentoestand, maar moeilijker zal het zijn te spreken van den hemel, omdat het ’t mysterie is van het goddelijke zijn, van Gods glorie. Het lijkt gemakkelijk de talrijke schriftuurplaatsen te verwerken tot een beeld, maar het is niet zoo. De hel toch zien we wel op aarde, maar de hemel is al te zeer verborgen in de harten der menschen. De weg naar de hel is een natuurlijke weg, maar de weg naar den hemel is een weg van omkeering en van wonderen.

De hemel is te licht voor onze doffe oogen. Die in het licht ziet, wordt door het licht verblind. Wie van de aarde in den hemel tracht te zien, ziet te veel en het beeld ontgaat hem; hij ziet slechts heel vage lichtomtrekken. Ook hoort hij wel geluid, een stem, muziek, maar wt, dat weet hij niet. Al wat hij ziet en hoort is te groot, te onbelijnd. Zullen wij het daarom nalaten, vraagt spr., ons den hemel in te denken? Maar hoe zouden we dan den Bijbel kunnen verstaan? Daarom moet wij er ons een gedachte van vormen.

De hemel is de volheid van de presentie Gods, die woont bij de menschen. Het brandpunt van Gods glorie. Ons oog speurt tevergeefs naar een aanknoopingspunt om den aanvang van den hemel te ontdekken. Het ontstaan van den hemel is een eeuwig mysterie. En toch, de kwestie van den hemel beheerscht den Bijbel. Als wij den hemel noemen, raken wij een grensgebied aan. Waar de hemel is, daar is een mysterie, daar raakt de ruimte aan de onruimtelijkheid: het eindige aan het oneindige, het tijdelijke aan het Eeuwige, aan God. De hemel is het beginsel van de eindigheid. Het eerste afschijnsel van Gods mogendheid, maar toch een openbaring, een schepping en daarom tijdelijk. Spr. acht het een voorrecht, dat de „Vleeschwording des Woords” reeds was vastgesteld, toen God zijn eerste scheppingsdaad verrichtte. Het einde aller dingen zal zijn God en mensch n; het Eeuwige en het tijdelijke n.

Vondel zegt van God dat hij bij zichzelf bestaat zonder ronden of tegenwicht. De hemel is een „plaats”. Immers, daar bevinden zich de engelen. Deze zijn aan plaats gebonden. Waar plaats is, daar is ook „ruimte”. Er is iets van het „schepsel”, is dus „beperkt”. God zien in Zijn glorie, in Zijn Wezen, zal de hemel u niet vergunnen, zegt spr.

De historie van den hemel houdt verband met die van de aarde. Bij den aanvang van de schepping ontstaat ook de historie van den hemel. Vr dien werd Gods glorie slechts „gezien” door Hemzelf.

De historie van den hemel is een duidelijke openbaring van Gods logica. Toen na de schepping van hemel en aarde de mensch werd geschapen en hij in zonde viel, liet God den mensch niet gaan, maar zond tenslotte Zijn Zoon op aarde, alzoo Zichzelf huwende aan het schepsel.

God in het vleesch, Jezus Christus, is het bewijs, dat God en mensch n zijn. Hemel en aarde voor eeuwig n. Het groote einde moet echter nog komen, wanneer de „tabernakel Gods” komt bij de menschen. „Het nieuwe Jeruzalem, dalende uit den hemel”.

In den hemel en God zien, dat is de hymne der Psalmen, de zang der Kerkvaders. God zien en niet sterven. Zou dat kunnen? Zou de donkere wolk eindelijk eens licht worden? Ja, zeiden de middeleeuwen en de Scholastieken, maar neen zegt de Bijbel en ons hart. De aanraking zal wel innig zijn, maar God blijft God en mensch blijft mensch. God zal niet in Zijn Wezen gekend worden, men zal aanschouwen, maar niet doorschouwen.

Na het einde, na den wereldbrand, waarmee God Zijn schepping zal zuiveren zal er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen. Dan zal God zijn alles in allen. Dan zal God en mensch n zijn, maar niet zooals de Panthesten meenen, die denken dat het menschelijke gelijkvormig is aan het goddelijke. Dit blijft altijd onderscheiden.

De menschelijke geest heeft getracht die ideen te realiseeren. De meeste schoone van alle pogingen is het gedicht van Dante over het paradijs of den hemel. Het is dezelfde Dante, die door de diepten der hel en langs de moeilijke wegen van het vagevuur, eindelijk aan de hand van Beatrice vergund wordt een blik te slaan in het hemelsche geheim.

Hij beschrijft den hemel als verdeeld in 3 afdeelingen, elk weder verdeeld in 3 onderafdeelingen. De eerste 3 zijn de Maan, Mercurius en Venus. Op de maan wonen zij, die er nog maar net gekomen zijn. Menschen met groote plannen, maar die niet volbrengen konden. Op Mercurius bevinden zich zij, die wel goed waren, maar bijbedoelingen hadden en op Venus hebben een plaats gevonden degenen, die zich hebben laten meevoeren door aardsche, hartstochtelijke liefde. Alzoo alle drie plaatsen voor zwakkelingen. De aarde werpt nog hare schaduw op deze planeten.

De tweede drie zijn de Zon, Mars en Jupiter. Op de Zon wonen de zaligen, de zingende heiligen, de kerkvaders en de leeraars. Op Mars de martelaren en op Jupiter de rechtvaardige koningen. Zij vormen een spreuk: „Heb lief de gerechtigheid, gij die de aarde beheerschen” en zij vormen ook een adelaar, het Romeinsche keizerrijk, de macht van den Paus in een kerkelijk en wereldrijk. Een eenheid dus. In de eerste drie dus de zwakke, in de tweede drie de sterke geesten.

De derde drie zijn: Saturnus, de hemel der vaste sterren en de hemel van kristal, waarboven zich het Empirium, het verblijf Gods bevindt. Op Saturnus bevinden zich de Christelijke denkers, de mystieken, in contemplatie, in gepeinzen verzonken, in de hemel der vaste sterren Jezus en Maria en de engelen en bijzondere heiligen. Daarboven de hemel van kristal met het primo mobil, het „eerste bewegen”. Dan God, die geen tijd en geen ruimte kent, omgeven van 9 cirkels van lichtende engelen. Als Dante daar komt ziet hij een oogenblik de verborgenheden van de heilige drievuldigheid en van God en mensch.

Wat van dit werk te denken? vraagt spr. Het is wel schoon, maar er zijn nog veel dingen in die wij niet kunnen aanvaarden zegt spr. Niet Beatrice kan ons den hemel inleiden, maar alleen Jezus Christus. In den hemel is er geen Beatrice de zegenaarster meer, maar alleen de Beator, de zegenaar. Het is ook verkeerd gedacht, dat Dante de aarde moet verlaten om den hemel te vinden. Hij heeft niet begrepen, dat de aarde het geestelijk middelpunt van het heelal is. Hij dacht dat dit alleen maar geografisch zoo was. Van Genesis 1 tot Openbaring 22 is volgehouden dat de aarde is het centrum en de menschen zijn zonen Gods. De zaligheid is de afdaling Gods op aarde. Dante ziet ook God te laat en te kort in den hemel. God is op de laatste plaats evengoed te zien als op de hoogste. Verder stelt Dante de Engelen in de hoogste plaats, daarmede bewijzende het scheppingsplan niet te hebben begrepen. De mensch is zoon, staat hooger dan de engel, de dienende. Ook zal de schaduw der aarde den hemel niet raken, er zal herinnering zijn aan de zonde zonder smart.

Bij al de fouten heeft het werk echter schoone en juiste trekken, gelijk spr. nader aantoont.

Spr. behandelt verder nog eenige zinnebeeldige uitdrukkingen uit de Schrift, betrekkelijk zijn onderwerp, er op wijzende, dat al blijven er vele vragen over, al moet ook de hemel een wonder blijven, het einde zal Sabbath zijn. Dan zal alles „tempel” zijn. „Hof” en „Stad”, vol van de heerlijkheid Gods.




a. Te vinden in Stadsarchief Vlaardingen, Plein Emaus 5, 3135 JN Vlaardingen.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001