De Navolging van Christus

De Vrije Kerk. Vereeniging van Christelijke Gereformeerde Stemmen

11e jaargang, onder redactie van J. van Andel, H. Beuker en W.H. Gispen
Leiden (D. Donner) 1885, 3,101-113; 5,203-213
12e jaargang, onder redactie van J. van Andel, H. Beuker en W.H. Gispen
Leiden (D. Donner) 1886, 7,321-333 (maart 1885 — juli 1886)

a


IIIIII

In het onderwijs van Jezus en ook van de Apostelen nemen de vermaningen en opwekkingen, om zichzelven te verloochenen, het kruis op zich te nemen en Hem na te volgen eene zeer groote plaats in. Eenvoudig en duidelijk schijnt die eisch, en toch heeft de geschiedenis der Christelijke Kerk geleerd, niet slechts hoe zwaar hij is en indruischend tegen de neigingen van ons hart, maar ook hoe moeilijk te verstaan en in gezonden zin op te volgen. Gelijk in vele andere leerstukken, schijnt ook hierin de geschiedenis van de leer en het leven der Christelijke Kerk eene geschiedenis van dwailngen en misvattingen te wezen. Voordat wij trachten aan te wijzen, wat naar de H. Schriften onder de Navolging van Christus moet worden verstaan, willen wij enkele voorname opvattingen doen kennen, welke de Kerk in verschillende tijden van dit Christelijk levens-ideaal zich gevormd heeft.


I.

In den eersten tijd wandelde de pas gestichte gemeente van Jezus, gelijk Hij gewandeld had. Meest gewonnen uit de lagere klassen der maatschappij, in geen wijsheid of roem, in geen schatten of goederen eenige aanbeveling hebbende bij de grooten of edelen, had zij haar eenige getuigenis uitsluitend in haar leer en haar leven; zij werd door haar wandel alleen openbaar een brief van Christus te zijn. De omkeer, dien het Christendom in het |102| godsdienstige niet alleen maar ook in het zedelijke aanbracht, vooral onder de heidensche volken, was geweldig groot en aan eene revolutie gelijk. Paulus laat er ons iets van zien, als hij tot de gemeente van Corinthe zegt, dat sommigen hunner eertijds waren hoereerders, afgodendienaars, overspelers, dieven, gierigaards, lasteraars, roovers, maar dat zij nu afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd zijn in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods. Er kwam in die gemeenten eene gansch uieuwe beschouwing van leven en wereld, wijl zij door het woord der Apostelen in eene geheel nieuwe betrekking waren komen te staan tot den levenden God. Wel waren de Christenen — gelijk de bekende Brief aan Diognetus in het vijfde hoofdstuk vermeldt — noch door vaderland, noch door taal noch door gebruiken van de andere menschen onderscheiden. Zij bewonen nergens ’afzonderlijke steden, bedienen zich van geene afwijkende taal en leiden geen leven, dat zich door iets ongewoons kenmerkt. Zij bewonen de steden der Grieken zoowel als die der barbaren en volgen in kleeding, voeding of verdere levenswijze ’s lands gebruik. En toch wekt de inrichting van hunnen staat bevreemding en baart opzien. Want zij wonen in hun eigen vaderland, maar als vreemdelingen. Zij deelen in alles als burgers en dulden alles als uitlanders. Iedere vreemde streek is hun tehuis, en elk tehuis een vreemd land. Zij bevinden zich in het vleesch, doch leven niet naar het vleesch. Zij verwijlen op aarde, doch verblijven in den hemel. Zij gehoorzamen aan de bestaande wetten en overtreffen de wetten door hun eigen leefregels. Zij hebben allen lief en worden door allen vervolgd. Zonder hen te kennen, veroordeelt men hen. Ter dood gebracht, worden zij levend. Behoeftig, maken zij velen rijk. Alles missen zij en hebben van alles overvloed. Zij worden |103| veracht, en te midden van dien smaad verheerlijkt. Zij worden belasterd, en gerechtvaardigd. Zij worden gehoond, en houden anderen in waarde. Terwijl zij braaf handelen, worden zij als booswichten gestraft. Onder de tuchtiging verheugen zij zich, als die ten leven ingaan. Zij worden als vreemden door de Joden bekampt, en kwalijk bejegend door de Grieken; toch weten hunne vijanden de oorzaak van dien haat geenszins op te geven. Kortom, wat in het lichaam de ziel is, dat zijn in de wereld de Christenen.

Daarin bestond in den eersten tijd de navolging van Christus. Zichzelve verloochenend en het kruis vrijwillig op zich nemende, vormde de gemeente zich naar het voorbeeld, dat haar Heer en Meester haar had nagelaten. Maar reeds zeer spoedig werd deze navolging verontreinigd. De gemeente kwam in conflict met de macht van den Romeinschen Staat. Dat kou niet anders; de tegenstelling, de spanning moest vroeg of laat zich openbaren. Het Christendom, dat de gemeente in de wereld indroeg, trad op met een absoluut karakter; het liet zich onder geen der erkende godsdiensten opnemen of rangschikken; het was en kon niet tevreden zijn met eene plaats naast, het begeerde eene plaats boven alle godsdiensten, wijl het beweerde de alleen ware te zijn. Het liberale verdraagzame beginsel van den Romeinschen Staat, dat aan alle goden der volken eene plaats in den tempel inruimen wilde, kon veel toegeven; maar deze pretensie van het Christendom aan te nemen, stond met zelfveroordeeling en zelfmoord gelijk, en wat is er dat ooit zichzelf heeft gehaat? Zoo begon dan de strijd; keizer Trajanus maakte uit, dat de „naam zelf” van Christen, d.i. het Christen zijn op zichzelf, zonder eenige verdere schuld, eene misdaad en dus gevaarlijk en strafbaar was voor den Staat. De vervolgingen, die nu na korter of langer pauzen elkander in de |104| tweede en derde eeuw afwisselden, brachten duizenden om het leven. In dezen uitwendig zoo ongelijken strijd waren de Christenen de meerderen. Beter dan de omhelzing der wereld in lateren tijd, heeft de gemeente deze vervolging kunnen verdragen. Met vreugde ging zij den zwaren kamp te gemoet. Uit de meeste geschriften van dezen eersten Christelijken tijd spreekt een opgewekte, vreugdevolle toon; hoe gering en arm naar de wereld, allen zijn zich bewust dragers te zijn, zij het ook in aarden vaten, van een schat van oneindige waarde; zij zijn in het bezit der waarheid, der verzoening, wat zouden zij dan voor de heidensche wetenschap en vervolging beven? zij vreezen de wereld niet, en verachten den dood. Op elk gebied, ook dat der wetenschap, voelen de Christenen zich van den beginne aan de meerderen. Dat is voor ons in den tegenwoordigen tijd zoo iets vreemds, dat wij het niet genoeg bewonderen en schier benijden kunnen. Datzelfde machtige bewustzijn, dat krachtig zelfgevoel, of liever die diepe vaste overtuiging, dat men strijdt voor de eere Gods, spreekt ons later uit de werken der Hervormers tegen, en verklaart hunne kracht. Voor Calvijn zijn het allen onzinnige beesten en keffende honden — om maar niet meer te noemen — die afwijken van de waarheid, zooals hij die belijdt. Zoo zeker van de overwinning, aanvaarden de Christenen den strijd met de wereld. Liefst onder het beeld van een strijd 1 Tim. 6 : 12, of van een krijg 2 Cor. 10 : 4, werd dan ook het martelaarschap voorgesteld. Een martelaar was iemand, die voor de zaak Gods lijdende streed en dien strijd aanbond en bestond ten aanschouwe van engelen en menschen. De brandstapel was het worstelperk, de kampplaats; de daemonen waren de vijanden; en engelen en menschen waren de toeschouwers van den worstelstrijd van dezen |105| Christelijken athleet. De martelaren vormden de lijfwacht onder de soldaten van Christus; zij maakten de vaste zuilen uit, waartegen het geweld en de woede der vijanden machteloos brak; zij stierven ja, maar hun sterven was leven, hun nederlaag was zegepraal; hun sterfdagen moesten als geboortedagen worden beschouwd en herdacht.

Maar al zeer spoedig mengde zich veel zondigs zoowel onder hen, die het martelaarschap ondergingen, als onder hen, die het verheerlijkten. Afgedacht er nog van, dat zeer velen in het oogenblik van gevaar zich terugtrokken, en de Christelijke belijdenis verloochenden, kwam er eene beschouwing van het martelaarschap, die wel te verklaa. ren maar van Christelijk standpunt niet te verdedigen is. Allen toch lieten zich medeslepen door de bewondering voor den geloofsmoed en de standvastigheid van den kloeken belijder, den getrouwen getuige. Geen wonder ook, nog treffen ons de geschiedenissen van hun lijden en hun getrouwheid; hoeveel te meer moest het aanschouwen ervan niet aller harten roeren, aller bewondering wekken! Bovendien, het was de zaak die men zelf omhelsde, voor welke daar door den martelaar gestreden werd. Men voelde zich een met hem; wat met hem geschiedde, men kon het straks zelf moeten ondergaan. Hij was in zulk een oogenblik de vertegenwoordiger der gemeente; zijn gedrag werd haar toegerekend en rekende zij zichzelve toe. De gemeente zag op hem, hij had haar eer, de eer harer belijdenis, bovenal de eere van Christus hoog te houden. Indien hij bezweek, hetwmeeneschande voor hem niet slechts, maar voor zijne broederen, voor den Christennaam. Maar indien hij dan ook bestond en onder het geknetter der vlammen nog zong en bad, dankte en juichte, dan was de eer van Christus, van de |106| gemeente gered. Op die wijze werd het martelaarschap allengs als eene zaak van eer en roem beschouwd. Het is, alsof in de martelaarsgeschiedenissen de heidensche gedachte, dat de roem het hoogste van alle goederen is, nog nawerkt en zich gelden doet.

Daaruit is dan ook, behalve uit het aanstekelijke van alle overspanning, te verklaren, dat velen zonder noodzaak en met hartstochtelijk geweld jaagden naar de eer van ’t martelaarschap, zelven aan de rechters zich aanboden om veroordeeld en gedood te worden. De ware Christelijke doodsverachting gaat zoo over in een dweepend verlangen naar den roem, dien de marteldood aanbracht bij God en bij menschen. De martelaar werd beschouwd als de ware, echte, als de hoogste Christen; zijn sterven op zichzelf, afgedacht van de gezindheid, verheerlijkt en geprezen. Zoolang zij in de gevangenis zich bevonden, werden zij opgezocht en dikwerf bovenmate vereerd. Op die wijze krijgt het Christendom een pathologisch karakter; lijden en sterven op den brandstapel, dat is eerst recht Christen te wezen. De martelaar is de beste en trouwste navolger van Christus. Deze verheerlijking van het martelaarschap schrijdt dan weldra zoo ver voort, dat men er verdiensten aan toeschrijven gaat. Reeds Ignatius acht den marteldood voor een alle andere deugden en goederen overtreffend geluk. Clemens noemt het martelaarschap eene samengevatte practische boete aan het einde des levens; eene belijdenis die eene reiniging van zonden schijnt te zijn en met roem is verbonden. Tertullianus, Cyprianus, Origenes verheffen het hemelhoog en de laatste aarzelt niet, er vergeving der zonden aan toe te schrijven. Het maitelaarschap wordt meer en meer in de oogen des volks eene navolging en voortzetting van het.Middelaarslijden van Christus; door hun sterven |107| worden de martelaren de van Christus’ offer uitgaande verlossende en verzoenende werkingen deelachtig, welke ~ ook anderen ten goede komen. De Roomsch-Katholieke leer van de verdienstelijkheid en overtolligheid der goede werken wordt alzoo in de beide eerste eeuwen reeds voorbereid. De martelaar vervult — in anderen zin dan Paulus het bedoelde — de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus.

Maar de toestanden veranderden en daarmede het Christelijk levensideaal. De Christelijke Kerk kwam het lijden te boven en trad in verbinding met den Staat. Er rezen daaruit voor haar zeer groote voordeelen: zij werd erkend door den Staat, mocht legaten en schenkingen ontvangen, trad in bezit van de goederen die aan de heidensche tempels behoord hadden, de geestelijkheid kreeg eigen jurisdictie enz. Maar de nadeelen waren niet minder groot: af hankelijk van den Staat, verloor de Kerk haar vrijheid; steunend op de wereldlijke macht, zocht ze niet meer in geestelijke, zedelijke kracht hare sterkte; velen volgden het voorbeeld van den keizer en gingen tot het Christendom over, dikwerf echter zonder ware overtuiging. Zwaar was de strijd dien de Kerk achter zich had, maar zij was als overwinnares uit dien kamp te voorschijn getreden; thans zou zij op de veel zwaarder proef worden gesteld, of zij de weelde kon verdragen. De reinheid der kerk ging te loor, het Christelijk levensideaal zonk omlaag en werd aangepast aan de omstandigheden en nieuwe toestanden, waarin men kwam te leven. Natuurlijk mag dit niet zoo worden opgevat, alsof dit verval der kerk alleen in de daad van Constantijn zijne oorzaak had. Het is zeker onjuist te meenen, zoowel dat door de vredesedikten van den keizer de wereld in één slag tot het Christendom bekeerd, als dat daardoor de kerk in |108| eenmaal van haar zuiver Christelijk karakter beroofd zou wezen. Het verbond met den Staat was slechts eene schrede, maar dan ook eene veelbeteekenende schrede voorwaarts op den weg, dien de kerk reeds sedert geruimen tijd bewandelde. Toen de kerk indrong in de wereld, drong ook deze steeds meer in de gemeente; en de vereeniging met den Staat was daarvan bewijs en bevestiging.

Echter geschiedde dit niet zonder protest van vele Christenen. llet Montanisme, het Novatianisme, het Donatisme waren zoovele pogingen om de reinheid der kerk in afscheiding van wereld en Staat te bewaren. Deze bewegingen droegen echter alle een min of meer sectarisch karakter. Een dergelijk krachtig protest tegen de verwereldlijking van het Christendom, maar dan binnen de kerk en straks door haar uitgelokt en gesteund, sprak zich uit in het Monnikenwezen. Wij kunnen de strijdvraag geheel ter zijde laten, of dit machtige verschijnsel zich zuiver uit de toenmaals bestaande Christelijke kerk ontwikkeld heeft, dan wel onder Joodsche en Heidensche invloeden ontstaan is en zich naar het voorbeeld van de Esseners en de Therapeuten gevormd heeft. In elk geval staat vast, dat het in de twee eeuwen, welke voorbij gegaan waren, tal van voorbereidingen gehad heeft en in het bewustzijn der Christenen een hecht aanknoopingspunt moet gevonden hebben, om zulk eene uitbreiding en duurzaamheid te erlangen, als er feitelijk aan ten deel gevallen is. Van den aanvang af zagen de Christenen zich van tal van kringen in het leven der wereld uitgesloten. Aan schouwspelen, wedrennen en allerlei handelingen konden zij geen deel nemen. Toen de rijkdom en het aanzien onder de gemeenteleden toenam, en velen zich vrij wel in deze wereld tehuis begonnen te vinden, kwamen daartegen van anderen ernstige waarschuwingen in. |109| Men kon zich zelfs op de Schrift beroepen; hoe had Jezus niet tegen den rijkdom zijne stem verheven en de armen zalig gesproken? Met wat donkere verwen had het N. Testament niet de wereld gemaald? Hoe werd niet allerwege de eisch gesteld, om alles ouders en broeders en zusters, geld en goed te verloochenen ten einde een navolger van Jezus te zijn? Het was geen wonder, als velen den rijkdom en den handel ter geldwinning veroordeelden; als zij het vasten en bidden, het verzaken van het huwelijk en andere aardsche genietingen op hoogen prijs stellen, en in de onthouding, de ascese, een voornamen karaktertrek gingen vinden van den waren navolger van Jezus. En als men daarbij bedenkt, dat de gemeente leefde in eene wereld, waarin men deels aan wellust en brooddronkenheid zich overgaf, deels onder invloed van de stoïsche, neoplatonische en gnostische philosophie in de heidensche tegenstelling van geest en stof bevangen bleef, dan kan het geen verwondering baren, dat velen zich uit de wereld in de eenzaamheid terugtrokken, om daar alleen voor God, voor den hemel te leven.

Reeds in de derde eeuw komen hermieten, kluizenaars en vereenigingen van asceten voor. En toen Antonius door zijne strenge levenswijze, zijn rechtzinnig geloof, zijne hulp aan kranken als een heilige vereerd werd, bewoog zijn voorbeeld en woord velen om de wereld te ontvluchten en in de woestijn te gaan leven. In de tweede helft der vierde eeuw waren de woestijnen van Egypte van meestal streng rechtzinnige monniken vervuld. Egypte was de bakermat van het monnikenwezen, maar vandaar breidde het zich uit naar Klein-Azie en Syrie, Palestina en Arabie. In het Oosten echter was het bestemd te gronde te gaan. Innerlijk verteerd door allerlei dorre theologische twisten, kwijnde het evenals heel de |110| Christelijke Kerk aldaar langzaam weg, om ten slotte in de armen te vallen van den Islam. Maar alzoo niet in het Westen. Ook daarheen sloeg het monnikenwezen spoedig over; Hieronymus vooral heeft in Rome voor dit verschijnsel de aandacht en de bewondering weten te wekken. Met het overplanten op Westerschen bodem had echter eene belangrijke wijziging in het karakter van het monnikenwezen plaats. Volksaard, klimaat drongen daar vanzelf toe. Een gallische maag kon den leefregel in het Oosten niet verdragen. Die wijziging bestond vooral daarin, dat terwijl de monniken in het Oosten meer zelfstandig tegenover elkander waren en aan contemplatie zich wijdden, aan het monnikenwezen in het Westen een vaste orde en een practisch doel werd voorgeschreven. Het werd eene instelling, wel buiten maar toch niet zonder nut voor de maatschappij; de kloosters werden kweekplaatsen van wetenschappelijk leven, waar men zichzelven oefende en anderen onderwees, in de kunsten des vredes. Aan de kloosters waren de eerste lagere en hoogere scholen verbonden.

Wat was het nu, dat zoovelen van de edelsten en besten naar het eenzaam kluizenaars- en kloosterleven verlangen deed? Bij velen was het zonder twijfel de oprechte begeerte, om dezer wereld af te sterven en geheel voor God, voor de eeuwige en onvergankelijke dingen te leven. Men wist wel, dat het zondige hart in de eenzaamheid werd medegenomen. Maar daar werden toch, naar men meende, de hartstochten getemd, en werd hun de prikkel ontnomen, die ben in het gewone leven telkens weer opwekt en aanzet. Op zich zelve gesteld en losgemaakt van het zondig verband met de wereld, zouden zij lichter door den geest overwonnen kunnen worden. Het was bij de eerste kluizenaars niet het verlangen naar een lui en |111| gemakkelijk leven, dat ben de wereld ontvluchten deed, maar de vurige wensch om in de eenzaamheid en in de gemeenschap met God beter dan elders den strijd tegen de zonde te strijden en deze geheel en al uit te roeien uit het hart. Want evenals het oog, zegt Basilius de Groote, dat telkens zich heen en weer wendt, het voorwerp niet duidelijk waarnemen kan, maar daartoe onafgewend op het voorwerp gericht blijven moet, zoo kan ook onze geest, wanneer hij met allerlei aardsche zorgen bezwaard is, de waarheid niet duidelijk erkennen. Niet meer door de voorwerpen van buiten verstrooid, trekt de geest zich in zichzelven terug en verheft zich alzoo tot God. En eenmaal daartoe gekomen en door die schoonheid omstraald; bekommert de mensch zich niet meer om het uitwendige. Dan vergeet hij de natuur, bekommert zich niet om voedsel en zorgt niet voor zijne kleeding; vrij van al die aardsche zorgen richt hij zijn streven alleen op het verkrijgen der hemelsche goederen. En daarom wandelde de monnik met een treurig en neergeslagen oog, met ongekamd haar, met een onzindelijk gewaad in zijne woonplaats rond; water en brood was zijn eenige voedsel; vasten en bidden zijn gedurige bezigheid; licht mocht de slaap slechts wezen en in het middernachtelijk uur, het uur der vroomheid, stond men op om in gebed de ziel te verheffen tot God.

Dit monnikenleven vond in de Christelijke Kerk algemeene goedkeuring en bewondering. De kluizenaars en kloosterbroeders waren de opvolgers en plaatsvervangers van de martelaars; de vrijwillige, krachtige getuigen, in wie het Christelijk levensideaal het zuiverst envolkomenst bewaard en vertoond werd. Hun leven wordt nu beschouwd als de echte Christelijke strijd en krijgsdienst onder Christus den koning, als de ware, Goddelijke philosophie, als |112| het Godewelgevallige, aan de Engelen gelijke, volmaakte leven, als de rechte navolging van Christus, die immers ook ongehuwd en zwervend het land doortrok en zelfs dikwerf zich afzonderde in de woestijn en in eenzame plaatsen. Wel ging men nooit zoover, om dit ideaal aan allen ten plicht voor te houden; hoe kon dat ook, zonder de menschelijke maatschappij op te heffen en te vernietigen? Maar er werd toch in het monnikenleven naar een hoogeren trap van volmaaktheid gestreefd, dan in het gewone leven bereikt worden kon. En zoo kwam men vanzelf tot de verderfelijke onderscheiding van eene dubbele moraal, van hoogere en lagere plichten, vanraadgevingen en geboden; eene onderscheiding die in tweeërlei richting verderfelijk werkte, wijl zij eenerzijds bij hen die naar de hoogste volkomenheid streefden hoogmoed kweekte en aan hun goede werken verdienstelijkheid toeschreef; andererzijds voor de gewone menschen eene middelmatige, niet al te hooge moraal als voldoende stelde en het ideaal der volmaaktheid en der heiligheid omlaag trok naar het niveau van het practische alledaagsche leven.

Nu is dat monnikenwezen niet maar een verschijnsel in de Christelijke wereld. Het vertoont zich schier bij alle volken en onder alle godsdiensten. Wij treffen het aan zoowel bij de Joden als de Grieken, onder de volgelingen van Buddha en de belijders van den Islam. En al is het Christendom alleen door het Roomsch-Katholicisme in bescherming genomen en door de Hervormers in beginsel verworpen, zoodat eene dubbele moraal en een afzonderlijke monniikenstand met het Protestantisme in onverzoenlijken strijd is, toch is er in de beschouwing van vele Protestanten over staat en maatschappij, beroep en ambacht, in één woord over al het aardsebe en natuurlijke nog veel, dat aan het monnikenwezen herinnert. Onthouding |113| van spijs en drank, van staatkundige en maatschappelijke werkzaamheden, van kunst en wetenschap wordt nog door velen als een Christelijk beginsel, als een voornaam stuk van den godsdienst gepredikt; en nog meerderen zijn er, die de zelfstandigheid en het recht van het natuurlijke zoo niet miskennend dan toch slechts noode erkennend de heilige kunst niet verstaan om ook het aardsch beroep waar te nemen in het geloof, als eene taak door God hun opgelegd en daarom met blijmoedigbeid en vrijmoedigheid te vervullen.


[II.]

Gelijk het martelaarsideaal plaats maakte voor dat van den monnik, zoo moest dit op zijne beurt wijken voor die opvatting van de Navolging van Christus, welke in de tweede helft der Middeleeuwen ingang vond. In de elfde eeuw trad de katholieke kerk in eene nieuwe periode harer ontwikkeling. De bekeering van de germaansche volken tot het Christendom en hun onderwerping aan den Roomschen Stoel was tot stand gebracht. Het zwaard der vorsten zoowel als de zending der monniken had in Europa voor het Christendom den weg gebaand. De katholieke kerk trad thans als Germaansch-Roomsche op; de Paus werd als Opperste Herder der Christenheid en tevens als Souverein, bij wiens gratie ook de wereldlijke vorsten regeeren, erkend. Het leerstelsel der kerk was nagenoeg afgewerkt en zou straks onderworpen worden aan de gespierde denkkracht der scholastieke Theologen, die wat zij geloofden tot weten en begrijpen wilden verheffen. De hierarchische inrichting der kerk, vrij wel overeenkomend met het feodale stelsel dat heerschte in staat en maatschappij, stond vast; het volk in maatschappelijk en godsdienstig opzicht als onmondig beschouwd, was onderworpen aan vorst en geestelijkheid, die beiden dikwerf even slecht voor zijne tijdelijke en eeuwige belangen zorgden. De geestelijkheid, wier belangen met die der |204| kerk samenvielen, onderscheidde zich al spoedig door grove onkunde en ongeestelijken wandel. Als een zwaar juk lag de Roomsche kerk met haar leer en inrichting, met haar wetten en ceremoniën op de schouders der geloovigen.

Maar niet zonder menigvuldig protest matigde Rome deze heerschappij over de gewetens zich aan. Reeds in de elfde en twaalfde eeuw was ongeloof niet zoo ongewoon, als men meestal geneigd is te denken; en het werd door de kruistochten, die met geestdrift ondernomen maar met droeven uitslag bekroond, den gezichtskring verruimden en aan de waarheid van het Christendom deden twijfelen, in de hand gewerkt. Maar behalve dat ongeloof; in de volkskringen door geheel Europa henen openbaarde zich een geest van verzet tegen de Roomsche kerk, tegen haar leer en hierarchie. Gedurende het tweede tijdvak der Middeleeuwen is er schier overal een beweging waar te nemen, die hervorming wil van het bestaande. Hetzij in hetzij buiten de kerk, en dus ijverend voor herstel of voor scheiding, verheffen zich tal van hervormers en sekten, die met de ontwikkeling van het katholicisme ontevreden, naar iets anders en iets beters zoeken. Dat streven openbaart zich in de meest verschillende vormen; in het Manicheesch dualisme der Katharen, die in de 12e eeuw zich heinde en ver over Europa verbreidden en het zondige met het stoffelijke vereenzelvigden; in het pantheisme van Amalrik van Bena en David van Dinant, die tot libertinisme vervielen en in het thans aangebroken tijdperk des H. Geestes elk geloovige voor God hielden in denzelfden zin als Christus het was; in de revolutionaire zoowel als reformatorische woelingen van Peter van Bruys en Arnold van Brescia, die vooral optraden tegen de wereldlijke macht en de aardsche rijkdommen |205| der kerk; in de Waldenzen, die vooral door de Protestanten verheerlijkt en voor ware en zuivere Christenen gehouden zijn.

Hoe verschillend deze bewegingen tegen de katholieke kerk echter ook waren, zij hebben alle zeer vele trekken van overeenkomst. Allen beweren, dat de Roomsche kerk en leer en geestelijkheid verbasterd is en bedorven, en dat herstel slechts te wachten is van terugkeer tot het oorspronkelijk Christendom. Waar de kerk het geestelijke verzinnelijkte, en het inwendige aan het uiterlijke opofferde, kenmerkten zij allen zich door een hooggaand spiritualisme, dat bij velen dikwerf wel in grove onzedelijkheid omsloeg maar toch in zijn betrekkelijk recht niet mag worden miskend. Terwijl het katholicisme alles liet opgaan in rechtzinnigheid en eeredienst, vereenvoudigden zij de leer en legden den nadruk op heiligheid des levens. In één woord, het ideaal dat door de kerk pasklaar gemaakt was voor de werkelijkheid, werd door hen weer ongeschonden omhoog gehouden en ten toets voor de werkelijkheid gesteld.

Onder al deze secten staan de Waldenzen bovenaan. Hun oorsprong ligt nog ten deele in het duister. Meest wordt Petrus Waldus, omstreeks 1170, hun geestelijke vader genoemd. Zelven leidden zij echter hun oorsprong en ontstaan uit vroegere eeuwen af. Sommigen meenen, dat zij zelfs tot de derde en vierde eeuw opklimmen en in dien tijd, toen de kerk in strijd met de leer van Christus en de Apostelen wereldsche macht verkreeg en de Paus en de Bisschoppen aardsche vorsten werden, zich van de Roomsche kerk hebben afgescheiden en door heftige vervolging gedwongen zijn hunne schuilplaats in de bergen en dalen te zoeken. Hoe dit ook zij, door Petrus Waldus kwamen zij eerst tot groote beteekenis. Verwant aan de secte der |206| Italische Armen en aan de naar Arnold van Brescia † 1155 genoemde Arnoldisten, hebben zij onder verschillende namen door heel Midden-Europa zich verbreid, en overal voor vrijheid op den grondslag van het Evangelie geijverd.

En nu is het merkwaardig, hoe bij al deze secten, maar vooral bij de Waldenzen de Navolging van Christus op den voorgrond treedt. Het verlaten van de apostolische traditie was in hun oog de groote fout en schuld van de Roomsche kerk. Naar de Schrift moest alzoo worden teruggekeerd; zij moest in vertalingen aan het volk worden in handen gegeven. Symbolen hadden de Waldenzen niet; toch scheen dit de eenstemmigheid des geloofs niet te schaden. Het aantal dogmata, die men beleed, was ook niet groot; in vele punten was er verschil van gevoelen. Allen kwamen echter hierin overeen, dat zij wel niet streng tusschen kanonische en niet-kanonische geschriften onderscheid maakten, maar aan Christus’ woord en bevel het hoogste gezag toekenden, en onder alle zijne woorden wederom de grootste waarde hechtten aan de Bergrede. Daar gaf Hij de evangelische geboden, wier bewaring het kenteeken der ware kerk was. En niet slechts had Hij deze geboden ons ten voorschrift gegeven, maar alzoo had Hij zelf ook gewandeld; zijn woord niet slechts, zijn leven ook was ten voorbeeld. En Christus heeft, zoo leerden zij, de zaligheid beloofd aan hen, die zijn woord gehoorzaam zijn en Hem navolgen.

De Bergrede werd daarbij meest letterlijk opgevat en toegepast; daarnaar moesten allen het leven inrichten. Maar zij maakten onderscheid tusschen de geboden, die aan allen ter navolging waren gegeven zooals in de Bergrede, en die tot welker bewaring alleen de dienaren des Evangelies verplicht waren, zooals in Matth. 10 en elders. |207| Evenals Petrus Waldus zelf zijne goederen wegschonk aan de armen, zoo ook moesten allen die het land doorreisden om het Evangelie te prediken afstand doen van het huwelijk en van allen eigendom. Naar het bevel van Christus moesten zij twee en twee in een wollen kleed, zonder staf en zonder male, met sandalen geschoeid, op reis zich bewegen, om allerwege niet slechts het Evangelie te verkondigen maar ook de kranken te genezen. En de dienaren waren dan ook feitelijk als de „Volmaakten” van de gewone leeken onderscheiden en werden door dezen in hooge achting gehouden; zij moesten niet slechts in woorden maar vooral in daden van zelfverloochening toonen, ware navolgers van Christus te zijn.

Tegenover alle deze reformatorische bewegingen zoo binnen als buiten haar stelde de katholieke kerk zeer spoedig de vervolging in met het zwaard. In de elfde eeuw werd reeds voor de ketters de brandstapel opgericht, als een voorsmaak, naar men zeide, van het helsche vuur, dat hen wachtte. Thomas Aquinas, de grootste theoloog der Middeleeuwen, verdedigde in zijne „Summa” de stelling, dat de ketters niet slechts verdienden door den ban van de kerk te worden uitgesloten, maar ook door den dood van de aarde te worden gebannen; want de ketterij is de zwaarste van alle zonden. En dit was geen privaat gevoelen van een Godgeleerde, maar werd in het Katholicisme bepaald kerkelijke leer. Al beweert Rome, dat de kerk geen bloed begeert en met een geestelijk vonnis zich tevreden stelt, dit neemt niet weg, dat bijv. de Synode van Reims in 1157 bepaalde, dat wanneer ketters na herhaalde vermaning niet tot de kerk terugkeeren, hunne goederen moeten worden verbeurd verklaard, de hoofden der secten levenslang gevangen gezet, hare aanhangers met een gloeiend ijzer aan het |208| voorhoofd gebrandmerkt en uit het land gejaagd moeten worden. Behalve het middel der vervolging, dat bijv. op de Albigenzen en Waldenzen toegepast werd, bezigde de kerk weldra ook de inquisitierechtbanken, die onbeperkte volmacht kregen, om iederen verdachte voor zich te dagen, zonder beschuldiging of getuigen tegen hem te handelen, en door middel van pijnbank en foltertuigen hem tot bekentenis te dwingen; de schuldigen werden daarna aan het wereldlijk gericht tot verbranding overgegeven, de anderen tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld.

Echter niet alleen buiten, maar ook binnen de katholieke kerk werd weldra het ideaal nagestreefd, dat de Waldenzen zich voor oogen stelden. Ook daar gingen stemmen op, die om hervorming riepen; velen begonnen hun tijd te beschouwen als een tijd van afval en zedeloosheid, van verwijfdheid en wreedheid.

Met Franciscus 1182-1226 en Dominicus 1170-1221 treedt het monnikwezen eene nieuwe periode in. Reeds in de 10de eeuw, sedert de stichting der Cluniacenserorde, was er deze verandering in gekomen, dat de kloosters, die vroeger los op zichzelf stonden, onderling werden verbonden. Er ontstonden congregaties, die over heel het Christelijk Europa, tot zelfs in Palestina toe, zich verbreidden. Elk klooster werd lid van een geheel. Zoo werden de monnikenorden eene macht, die weldra de geestelijkheid in de schaduw stelden, en in de elfde eeuw, tot een eigen onmiddellijk aan den Paus onderworpen leger werden gemaakt. Maar met Franciscus en Dominicus kwam er nu nog deze groote wijziging aan toe, dat de orden bedelorden werden. Dezen handhaafden het ideaal van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid niet slechts, maar verscherpten het door te eischen het prijsgeven van allen eigendom en wijzigden het in dien zin, dat de |209| monniken, wijl nu van de gaven van anderen moetende leven, voortaan niet meer in de eenzaamheid maar in de maatschappij zouden verkeeren. De eene zijde van het monnikenideaal, het leven buiten de maatschappij, wordt dus prijsgegeven; maar om des te sterker den anderen eisch te stellen van volstrekte armoede. De monnik houdt op anachoreet te zijn maar wordt bedelaar. En nu pleit het voor den meesterlijken takt, die de Roomsche kerk steeds gekenmerkt heeft, dat zij deze bedelorden zoo spoedig erkend en haar stichters weldra na hun dood tot heiligen verklaard heeft. Groot was anders de tegenstelling tusschen den Paus, die aanspraak maakte op de wereldheerschappij, en den vromen Franciscus, die de armoede zijne schoonste bruid noemde. Maar de katholieke kerk, die allen alles wil zijn en elk het zijne wil geven, nam ook deze richting onder hare bescherming; en zij is er wel bij gevaren.

De leidende gedachte bij deze bedelorden nu was geen andere, dan de Navolging van Christus. Er moest tegenover de heerschende lichtzinnigheid ernst gemaakt worden met de voorschriften van Jezus. Ze mochten niet langer op zijde gezet, of geestelijk misduid, maar moesten letterlijk worden opgevat. Ja, niet die enkele voorschriften slechts, maar heel het leven van Jezus zelf moest nagebootst, gecopieerd worden. Te handelen en te lijden als Jezus deed en leed, dat was het groote ideaal.

De ware navolging van Christus bestond in overpeinzing, in nadoen van zijn lijden; in na en weer lijden van wat Hij geleden had. In de 13e en 14e eeuw verschenen er overal, ook hier te lande, een onnoembaar aantal „Levens van Jezus.” Die werden allen geschreven met de levendigste kleuren, en dienden niet alleen om gelezen, maar om overpeinsd en inwendig aanschouwd te worden. |210| Men moest Jezus zien, zooals hij lag in de kribbe, zooals hij wandelde door Galilea, zooals hij leed in Gethsemané en voor Pilatus, en hing aan het kruis. Zulk een „Leven van Jezus” werd daarom niet eens gelezen en dan ter zijde gelegd. Neen, het was er op berekend om in ééne week uitgelezen te worden. ’s Maandags las men bijv. tot aan de vlucht naar Egypte; Dinsdags tot aan zijne prediking in de synagoge van Nazareth; Woensdags zijn verkeer bij Lazarus en Maria en Martha; de drie volgende dagen las men de passie en Zondags de opstanding. En dan begon men van voren aan, iedere week opnieuw. Zoo leefde men dag en nacht en ieder uur het leven van Jezus mede. Alle vrome mannen en vrouwen in dien tijd streefden naar „Kerstvormigheid”; de navolging van Christus is de groote allesbeheerschende gedachte, het middel om ons van de wereld af te trekken en tot een leven van contemplatie, van aanschouwen, op te leiden.

Deze mystiek droeg nu bij sommigen wel zeer heerlijke vruchten. Behalve aan mannen als Bernhard van Clairvaux, Bonaventura, Tauler, behoeven we slechts aan Thomas a Kempis te denken, wiens geschrift over de Navolging van Christus in vele talen is overgezet en nog heden ten dage in de meest verschillende kringen van vromen gelezen en geliefd wordt. De grondgedachte is dezelfde als bij alle mystieken uit dien tijd. Het thema is de verachting der wereld, de askese, de ijdelheid.aller dingen. Alles predikt het kruis, en leidt op den weg des kruises. Christus is van dat kruis de uitdrukking, heel zijn leven was ééne marteling. En naar dat lijden zichte vormen, dat op zich te nemen hetwelk mogelijk is door de liefde — daarin bestaat de ware navolging van Christus. Maar behalve deze innige gevoelsmystiek, merken wij nu ook bij Thomas nog op eene ethische kracht, eene |211| practische richting. Jezus te volgen in zijn ootmoed en nederigheid, in zijn zachtmoedigheid en liefde; dat is zijn volgeling te wezen. Niet definities te kennen en de Triniteit te begrijpen, maar Zijne geboden te onderhouden, is het hoogste.

Niet alle vruchten van dit mysticisme waren echter zoo schoon. De meesten beschouwden de navolging van Christus als een reeks van toestanden en handelingen, die nagebootst moesten worden. Sommigen gingen in kerk of kapel een „verworpen hoekske” opzoeken, om gelijk te zijn aan Jezus, die immers geboren was, in een „huis vol gaten.” Anderen wandelden met gebogen hoofd en neergeslagen oogen op de straat, zooals Jezus gewandeld had op den kiuisweg. Als men las, dat Jezus voor den Joodschen Raad werd geslagen, gaf men zichzelf een kinnebakslag; kwam men toe aan de geeseling, men geeselde zichzelven; men rekte de armen uit, als men Jezus’ kruisiging las. Door de opgewekte sterke verbeelding, die altijd door het overpeinzen van Jezus’ lijden gevoed werd, zag men hem „bebloed en gegeeseld alsof hij regtevoort gegeeseld ware geweest”; men zag hem liggen schreien in de kribbe; men meende zijne eigen stem te hooren. Ja, de wonden, die Jezus’ lichaam aan het kruis door de nagelen ontvangen had, werden in ’t eigen lichaam afgedrukt. Dit laatste wonderlijk verschijnsel, de zoogenaamde stigmatisatie, schijnt inderdaad bij sommigen te hebben plaats gehad. De waarheid ervan is door ooggetuigen gewaarborgd. Het eerst, zoover wij weten, heeft dat verschijnsel zich voorgedaan bij den bovengenoemden Franciscus van Assisi. In den zomer van 1224 bevond hij zich op den berg Alverno, om te vasten. Op den dag der kruisiging overdacht hij het lijden van Christus in gebed. En daar ontvangt hij een visioen. Christus zelf |212| als Seraf verscheen hem en drukte hem onder hevige smarten in handen en voeten de teekenen der nagelen en in zijne zijde de wonde, door de lans toegebracht. Na zijn dood werden de lidteekenen op zijn lijk gevonden, Paus Gregorius IX bevestigde de waarheid ervan in drie bullen. In de orde werd later een dag gewijd aan de herdenking van de wonden van den heiligen Franciscus.

Ditzelfde verschijnsel heeft zich later bij vele anderen, maar altijd in de kath. kerk vertoond; van Roomsche zijde worden er niet minder dan zestig of zeventig genoemd. Nog in onzen tijd heeft het zich voorgedaan bij de bekende Louise Lateau te Bois d’haine bij Charleroi, die de stigmata, de vijf wondeteekenen, ontving 21 April 1868 en later er nog bij kreeg een wond op den schouder, waarop Christus naar hare voorstelling het kruis had gedragen, en eene krans van wondjes op het voorhoofd, afdruksel van de wond die Jezus kreeg van het dragen der doornenkroon. Dit laatste bewijst echter het subjectieve van het verschijnsel. Het wordt geheel bepaald door den aard en de intensiteit van de voorstelling, welke men van den lijdenden Jezus zich vormt. Er behoort toe eene gloeiende verbeeldingskracht, die het gekende object ziet, inwendig ziet en aanschouwt; en aan de andere zijde een meestentijds zwak, teeder, zeer aandoenlijk lichaam. En dan is deze stigmatisatie niets dan de bijzondere toepassing van de algemeene wet van de vormende kracht, welke onze ziel uitoefent op het lichaam. Deze ligt aan de formatie van het menschelijk lichaam in zijn geheel ten grondslag; toestanden der ziel drukken zich af en openbaren zich in houdingen en vormen van het lichaam, soms tijdelijk, soms ook blijvend. De verbeelding is een krachtig vermogen. De verbeelding van ziek te zijn, maakt ons ziek; werkend door de zenuwen, |213| drukt zij zich in het lichaam af. Uit die enorme werking der verbeeldingskracht, welke zich dag en nacht met de aanschouwelijke voorstelling voedt, zijn te verklaren de meeste van die visioenen, waarin men ook heden ten dage nog werkelijke verschijningen van Jezus, van Maria, van Engelen en heiligen meent te ontvangen.

Het algemeene karakter, dat de Navolging van Christus in de Middeleeuwen droeg, was alzoo meditatie en contemplatie van Jezus’ lijden. De Middeleeuwsche vrome was met heel zijn ziel verzonken in het kruis; op de tranen, de smarten, de wonden, de striemen des Heeren was zijn geestesoog gericht. Door waken en vasten, door weenen en mediteeren trachtte men zich in Jezus’ toestand te verplaatsen, zijn lijden over te nemen, zijn wonden zelf lichamelijk te gevoelen. De navolging bestondin een mede-, in een weer over- en nalijden van wat Jezus geleden had.


III.

Drieërlei voorstelling leerden we in de vorige artikelen kennen van de Navolging van Christus. De eerste was die van den martelaar. Deze was de beste, de hoogste Christen, de volkomenste en trouwste navolger van Jezus. Zeker kan nu ook in het lijden om ’s Heeren wil de navolging van Christus zich openbaren. Paulus acht het eene gave der genade, in de zaak van Christus voor Hem te mogen lijden, Phil. 1 : 29. En Petrus leert ons in zijn eersten brief 2 : 21v. 3 : 17, 18. 4 : 1, dat vooral in onschuldig te lijden Christus ons een voorbeeld heeft nagelaten. Maar de martelaars, die hartstochtelijk naar de eere van den marteldood dongen en daarin de zuiverste navolging van Christus meenden te zien, vergaten dat „causa, non passio facit martyrem” d.i. dat de zaak waarvoor men lijdt, maar niet het lijden op zichzelf den martelaar, den getuige maakt. Het werd door hen al te zeer vergeten, dat Jezus’ lijden een daad, zijn doen een lijden was, dat zijne „lijdelijke” en „dadelijke” gehoorzaamheid slechts twee zijden zijn van dezelfde zaak. Er kan meer echte navolging van Christus aanwezig zijn in de daad van een Cyprianus, die onder Keizer Decius zich aan de vervolging onttrok dan in het jagen naar en ondergaan van denzelfden dood en dezelfde smadelijke straf, die Christus geleden heeft. |322|

Verwant aan deze beoefening van de Navolging van Christus is die van den monnik, in de 3e en 4e eeuw opvolger van den martelaar. Terwijl de martelaar vooral Jezus’ laatste lijden trachtte na te volgen, stelt de monnik zijn hoogste ideaal in het nabootsen van Jezus’ leven en levenswijze. Armoede, kuischheid, gehoorzaamheid zijn de drie groote deugden, die hij zoekt te beoefenen. Ongehuwd en zwervende, zonder buidel of male, het land door te trekken; of in eenzame plaatsen zich af te zonderen en het leven in gebed en vasten door te brengen dat was het, wat het meest en het eerst aan Jezus gelijkvormig deed zijn. En het is zoo; Jezus verbindt aan het navolgen van Hem ook opneming van zijn kruis Matth. 10 : 38; Hij eischt dat men om zijnentwil alles verlate, huis en akker, vader en moeder Luk. 14 : 26. Matth. 19 : 21v. ja het eigen leven Matth. 16 : 25; alleen wie de dooden aan de dooden overlaat en de hand aan de ploeg slaande, niet achterwaarts ziet, is Zijner en het Koninkrijk der Hemelen waardig, Luk. 9 : 57v. Maar de monnik meent ten onrechte, dat de navolging van Christus in een nabootsen, in een copieeren van Jezus’ persoonlijke levenswijze bestaat. En toch, het is zeer goed mogelijk, dat iemand, op die wijze uitwendig naar Christus zich vormende, inwendig Hem zeer ongelijk is; uiterlijk met Hem overeenkomend, staat hij misschien innerlijk zeer ver van Hem af. De navolging wordt dan in eenige uitwendige trekken van overeenkomst gezocht en tot enkele sterk sprekende handelingen en daden beperkt, maar het wezen ontbreekt. Zoo was bijv. Jezus’ leven in den volsten zin een leven voor anderen, volstrekte zelfverloochening en zelfvernedering, een dienen Matth. 20 : 28 van God en van de menschheid; maar de monnik, zich opsluitende, leeft voor zichzelven, bekommert zich niet om anderen, laat heel de |323| wereld aan zichzelve over, en arbeidt — in het beste geval — aan eigen volmaking. Jezus’ leven was een godsdienstig leven, één dienst Gods, maar tegelijkertijd een zedelijk, een ethisch leien, een dienen der Zijnen. Maar de monnik, het ethische leven geheel en al miskennende, wijdt zich alleen aan het religieuse (in Frankrijk heet eene non „une religieuse”) en maakt juist daardoor van den godsdienst eene caricatuur. Jezus is gekomen niet om de wereld te veroordeelen, maar om haar te behouden Joh. 3 : 17; de monnik verlaat de wereld en begeeft zich in de woestijn om haar te veroordeelen. Bij Jezus was afzondering in eene woeste plaats des morgens vroeg Mark 1 : 35 sterking voor de dag- en levenstaak; de monnik stelt in de oefening, in de askese het wezen der deugd en verandert middel in doel.

Gansch anders is weer de Navolging van Christus, gelijk wij die aantreffen bij de Mystieken in de Middeleeuwen. Zij droeg vooral twee karaktertrekken: meditatie en contemplatie. Jezus’ leven, vooral de laatste dagen ervan, te overpeinzen, het zoo in te leven, dat men in de verbeelding Jezus zelven zag, zijne wonden aanschouwde, zijne stem hoorde — dat was de ware „Kerstvormigheid”. Ook deze voorstelling, hoeveel vrooms zij bevatte, is van eenzijdigheid niet vrij te pleiten. Er is voorzeker eene verborgene gemeenschap der ziel met Christus, met zijn lijden en met zijne verheerlijking Rom. 8 : 17; er is eene christelijke meditatie van Gods woorden en werken Ps. 19 : 15, 49 : 4, 77 : 13, Luk. 2 : 19; er is een daaruit voortvloeiend smaken, dat de Heere goedertieren is 1 Petr. 2 : 3. Maar er is geene comtemplatie in den eigenlijken zin des woords, die van deze meditatie onderscheiden zou zijn en naast en boven haar bestaan zou, omdat we hier wandelen door geloof en niet door aanschouwen 1 Cor. 13 : 12, |324| 2 Cor. 5 : 7. Dit valsche mysticisme berust op overschatting des gevoels en gaat gewoonlijk gepaard met bewust of onbewust gekoesterde pantheistische neigingen. Het ziet in verstand en wil belemmeringen van de gemeenschap met God, tracht die terug te dringen en geheel en al ter zijde te stellen, om in de mystische diepte des gevoels, buiten bewustzijn en wil om, onmiddellijk met God gemeenschap te hebben. Alle media, alle middelen die tusschen God en ons instaan, van onze zijde het verstand en de wil, en buiten ons Gods Woord, ja Christus zelf, en ten slotte ook het bewustzijn en de wil in God, moeten wegvallen. God wordt niets dan het oneindige zijn, alleen in het gevoel te ervaren. Werkelijk treedt dan ook bij de Mystieken Christus als Middelaar op den achtergrond. Hij is voor hen veel meer voorbeeld der mystische vereeniging met God, dan Verzoener der zonde en Uitdelger der schuld. Evenals de vrouwen op den Kruisweg, hebben zij meer medelijden met Jezus dan dat zij door schuldbewustzijn verslagen, in Hem hunne rechtvaardiging zoeken voor God. Er is bij deze Mystieken eene diepte des gevoels, die weldadig aandoet, maar tevens eene niet prijzenswaardige verdooving van het bewustzijn en dooding van den wil. De navolging van Christus is ook hier eenzijdig; zij vernietigt in den mensch, wat zij heiligen en vernieuwen moest.

Bij deze drie voorstellingen omtrent de Navolging van Christus moet nu nog eene vierde worden genoemd, n.l. de rationalistische. Volgens deze is Jezus slechts voorbeeld; in het geven van een exempel gaat Zijne komst geheel en al op. Toch kan ook dit nog op verschillende wijze worden voorgedragen. Er zijn er, die dat voorbeeld nog zoeken in Jezus’ persoon en leven zelf. Hij is de normale mensch, die zelf in woord en daad het zedelijk ideaal heeft geopenbaard en met zijn dood heeft bezegeld. |325| Maar anderen, die dan ook dikwerf de zondeloosheid van Jezus ontkennen, bestrijden dat. Jezus is niet en kan niet zijn het zedelijk ideaal, want dit is niet door één mensch voor allen te verwezenlijken; een ideaal, bv. dat van godsdienststichter, moge hij hebben vervuld, het ideaal dat voor allen en in alles navolgenswaard zou zijn, is ook door hem ons niet getoond. Hij was een mensch, een individu, en dus vanzelf eenzijdig en beperkt; hij verkeerde in geen huiselijke, maatschappelijke, staatkundige verhoudingen; kunst en wetenschap werden door hem niet beoefend; op tal van levensterreinen heeft hij zich in ’t geheel niet bewogen; hij is niet in alles verzocht geweest gelijk wij. De navolging van Christus bestaat dus alleen in het opvolgen van zijne lessen en geboden, in het bezield worden door en wandelen naar zijnen „geest”, in het volgen van Hem „in wezen en hoofdzaak”.

Zoo blijft er op dit standpunt van Jezus’ voorbeeld en van zijne navolging niet veel over. De moderne mensch heeft zulk een voorbeeld ook niet noodig. Wie geen behoefte kent aan Christus als Middelaar en Verzoener der zouden, heeft nog veel minder zijn zedelijk voorbeeld van noode. Zijn ideaal kan niet liggen in het verledene, in een mensch die toch naar de wet der ontwikkeling een kind heeft moeten zijn van zijn tijd, maar moet verlegd worden in de donkere toekomst, vrij geconcipieerd en in eigen kracht verwerkelijkt door den mensch. Wie in Jezus ook niet meer dan een voorbeeld ziet, wordt eer door Hem afgeschrikt en neergeslagen dan bemoedigd en opgebeurd; Hem aanziende, worden wij in onze conscientie veroordeeld en voelen dat de kracht ter navolging ons ontbreekt. Indien Hij alleen voorbeeld is, is Hij veeleer gekomen om ons te veroordeelen, en niet om ons te behouden. Alleen dan, wanneer wij Hem hebben leeren |326| kennen als Zaligmaker, die door zijn lijden onze schuld heeft verzoend en door Zijnen Geest de wet in ons vervult, alleen dan durven wij tot Hem opzien en ons Hem stellen tot voorbeeld.

En dan is Hij ons voorbeeld, in wat stand of betrekking we ook geplaatst zijn. Hij is voorbeeld voor allen en in alles. Hij is waarachtig mensch, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Hij heeft de wet volkomen vervuld, Hij draagt ze in het binnenste van zijn ingewand; bij Hem geen strijd tusschen zijn en bewustzijn, tusschen woord en daad; wat Bij zegt dat is Bij; Hij is de volkomene waarheid. Alwat de wet eischt, kennis en vertrouwen, gerechtigheid en heiligheid, liefde tot God en tot menschen is in Hem verwerkelijkt, vleesch en bloed geworden; in Hem heeft de wet zelve persoonlijk onder ons gewoond. En al die deugden zijn bij Hem in de volste harmonie. Wij allen zijn door geslacht en leeftijd, aanleg en gave, karakter en temperament eenzijdig; verstands- of gevoelsmenschen, mannen des woords of der daad, van bespiegeling of handelen; maar Christus kan niet bij eene klasse worden ingedeeld. Hij is lam en leeuw tegelijk, zacht als eene vrouw, krachtig als een man, eenvoudig en nederig als een kind. Het verstand overheerscht bij Hem den wil niet, noch de wil het gemoed. Nooit sleept eenige hartstocht hem mede, en toch is alle stoicijnsche gevoelloosheid en koude onaandoenlijkheid verre van Hem. Droefheid en vreugde, toorn en liefde, verontwaardiging en medelijden — Hij gevoelt ze dieper en fijner dan wij, en toch nooit zoo, dat de harmonie van zijn wezen verloren gaat. Volkomene vrijheid is het karakter van al zijn woorden en daden; en toch is alwat Hij spreekt en doet, een gebod van den Vader. Hij is altijd en overal dezelfde, als kind en als man, als de schare „Hosanna” roept of |327| het „Kruis Hem” uitschreeuwt; Zone Gods en Zoon des menschen, de schoonste der menschenkinderen, de waarachtige en volkomene mensch.

De opmerking bovengenoemd, dat Jezus zich toch op tal van levensterreinen in het geheel niet heeft bewogen en daarom niet voor allen en in alles het voorbeeld kan zijn, heeft dan ook niet veel te beduiden. Zij berust op de valsche onderstelling, dat ons leven eene copie, eene nabootsing, een nadoen van Jezus’ leven zou moeten zijn. Maar de ware navolging is geheel iets anders. Ook de ééne en zelfde zedewet is altijd en overal voor allen en in alles geldende en verbindende; zij schrijft aan allen dezelfde deugden en plichten voor. En toch blijft daarbij de rijkste schakeering,van het zedelijk leven in de verschillendste menschen gehandhaafd. Op dezelfde wijze is Christus geheel in alles en door allen na te volgen, maar niet in slaafsche en bekrompene nabootsing van zijn persoonlijke woorden en daden, maar in vrije, geestelijke toepassing van die beginselen van zijn zijn en zijn handelen, waardoor hij de zedewet in heel zijn leven ten volle vervuld heeft.


IV.

Er is in de H. Schrift ook sprake van de Navolging Gods Ef. 5 : 1. Reeds dit bewijst, dat navolging iets gansch anders is dan nabootsing. God na te volgen bestaat daarin, dat wij heilig Lev. 19 : 2. 1 Petr. 1 : 14-16, volmaakt Matth. 5 : 48, barmhartig Luk. 6 : 36, E£ 4 : 32 zijn als onze Vader die in de hemelen is. En deze navolging berust daarop en is mogelijk daardoor, dat wij zijne geliefde kinderen zijn en dus zijn beeld dragen Ef. 5 : 1. Veel meer wordt echter in de Schrift van de Navolging van Christus gesproken. |328|

Zonder twijfel duidde nu het navolgen van Jezus allereerst eene uitwendige levens- en lotgemeenschap met Hem aan, een in letterlijken zin volgen en vergezellen van Jezus op zijne reizen door Palestina. Dezen eisch stelt Jezus aan Mattheus bij het tolhuis Matth. 9 : 9, aan zijne discipelen Matth. 4 : 19 Joh. 1 : 37 v, aan den rijken jongeling Matth. 19 : 21; en werkelijk werd Jezus op zijne tochten door eene schaar van discipelen vergezeld. Maar deze uitwendige lotgemeenschap was openbaring van eene diepere verwantschap, van hartelijke en innige liefde tot Jezus. Zulk een leven van onrust en smaad kon slechts begeerd worden door wie met banden der liefde aan Jezus verbonden was en alles voor Hem wilde verlaten. Er behoorde de moed des geloofs en de kracht der liefde toe, om de verachting van het gansche joodsche volk te verdragen en Jezus openlijk te belijden. Vandaar, dat het navolgen van Jezus weldra in overdrachtelijken zin wordt gebezigd, en eene zedelijke, geestelijke beteekenis verkrijgt. De eisch, om Hem na te volgen, wordt daarom niet aan enkelen gesteld maar aan allen zonder onderscheid, aan heel de schare die Hem hoort Mark. 8 : 34, Luk. 9 : 23. Geheel in het algemeen, zonder alleen te denken aan wie bij Hem zijn, getuigt Hij: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen Joh. 8 : 12, 12 : 26. Het navolgen van Jezus wordt verbonden met en verklaard door het opnemen van zijn kruis en het verloochenen van zichzelven Matth. 10 : 38, 16 : 24 enz. En aan deze navolging wordt door Jezus verbonden het zijner waardig zijn en het geschikt zijn voor het koninkrijk der Hemelen Luk. 9 : 62, Joh. 8 : 12.

Deze mystieke unie, deze geestelijke levensgemeenschap met Christus is nu het eerste, dat in zijne Navolging opgesloten ligt. Vooral bij Paulus vinden wij de breedere |329| uitwerking dezer heerlijke gedachte. Door den doop is de mensch in levensgemeenschap met Christus gesteld, Rom. 6 : 3, Gal. 3 : 27, zoodat hij nu in Christus is en Christus in hem Gal. 2 : 20, 3 : 28, 2 Cor. 13 : 5. Ef. 3 : 17, Col. 3 : 11, Phil. 1 : 8, 21. Maar dit in Christus begonnene leven moet voortgezet worden; Christus moet steeds meer aangedaan worden Rom. 13 : 14 en eene gestalte in ons verkrijgen Gal. 4 : 19; en wij, eerst jonge kinderen in Hem 1 Cor. 3 : 1 moeten in Hem opwassen en volmaakt worden Col. 1 : 28. De levensgemeenschap, aangevangen toen wij met Hem gekruisigd en begraven zijn Gal. 2 : 20, Rom. 6 : 8, wordt zoo op aarde eene lijdensgemeenschap Rom. 8 : 17. Paulus zelf beschouwde het levensgevaar waarin hij steeds verkeerde 1 Cor. 15 : 31 als een omdragen van het gestorven-zijn van Jezus in zijn lichaam 2 Cor. 4 : 10, als een in den dood overgegeven worden om Jezus’ wil, 2 Cor. 4 : 11. De verdrukkingen die Paulus draagt zijn overblijfselen van die van Christus Col. 1 : 24, en in de litteekenen die in zijn vleesch zijn ingedrukt ziet hij de stigmata van Christus, de merkteekenen van zijne gemeenschap met Hem Gal. 6 : 17. Het lijden dat Christus trof is overvloedig ook in de geloovigen 2 Cor. 1 : 5, en maakt hun aan Christus’ lijden en sterven gelijkvormig, Phil. 3 : 10. Deze lijdensgemeenschap heeft Jezus zelf in het oog, als Hij zijne navolging verklaart door dezen dubbelen eisch: het verloochenen van zichzelven en het opnemen van het kruis. Om deze gemeenschap met Christus deelachtig te zijn, moet alles worden verloochend, moet de jongeling alles verkoopen Matth. 19 : 21, moeten de discipelen schepen en netten laten varen Luk. 5 : 11, moet Mattheus zijn tolhuis eraan geven Matth. 9 : 9, en moet vader en moeder, vrouw en kinderen, heel de wereld, ja het eigen leven worden prijsgegeven Matth. 16 : 25, |330| Luk. 14 : 26, enkel en alleen om Jezus’ wil. En als ruil voor deze genietingen en goederen der aarde moet dan — dagelijks, voegt Jezus bij Lukas 9 : 23 er nadrukkelijk aan toe — het kruis worden opgenomen, d.w.z. moet de lijdensgemeenschap met Christus aanvaard worden, want hetzelfde lijden dat den Meester trof, wacht ook den dienstknecht Joh. 15 : 21. Wat aan het lijden van Christus — natuurlijk niet het verzoenend lijden, dat is geheel en alleen door Christus gedragen, maar aan het lijden op zichzelf en in het algemeen beschouwd — nog ontbreekt, wordt in de geloovigen vervuld; en zoo juist de lijdens- maar ook de levensgemeenschap van Christus en de zijnen voltooid. Want de navolging van Christus is allereerst een ingaan in zijn lijden, maar daarom en daardoor ook een ingaan in zijne heerlijkheid. Indien wij met Hem lijden, wij zullen ook met Hem verheerlijkt worden Rom. 8 : 17; wie gemeenschap heeft aan den dood van Christus, heeft het ook aan zijne opstanding en hemelvaart Rom. 6 : 5, 8, Ef. 2 : 6, aan zijn leven en heerlijkheid Col. 3 : 4. Hondervoud ontvangt hier op aarde reeds terug elk die om Jezus’ wil alles verliet, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven Matth. 19 : 29. Wie Hem navolgt, is Zijner waardig Matth. 10 : 38, zal het licht des levens hebben en zijn waar Hij is Joh. 12 : 26, 13 : 36.

Maar deze geestelijke gemeenschap openbaart zich nu ook — en dat is de tweede gedachte, in de Navolging van Christus vervat — op het terrein van het zedelijke. Eene mystieke maar ook op grondslag daarvan eene ethische verhouding van ons tot Cbristus, ligt in de navolging van Hem opgesloten. Immers, verschillende deugden van Jezus worden door Hem zelven of door de Apostelen ons ten voorbeeld en ter navolging gesteld. Zijne nederigheid en zachtmoedigheid Matth. 11 : 29, zijne liefde |331| Ef. 5 : 2, zijne zelfverloochening 2 Cor. 8 : 9 en zelfvernietiging Phil. 2 : 5 v. zijne heiligheid 1 Joh. 3 : 3, 6 en lijdzaamheid 1 Petr. 2 : 21-24, 4 : 1, 13. enz. Christus is ons in alles gelijk geworden Hebr. 2 : 17, in alles verzocht Hebr. 2 : 18, 4 : 15, door lijden geheiligd Hebr. 2 : 10, en heeft gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft Hebr. 5 : 8. En Hijzelf maakt ons door zijnen Geest zijnen beelde gelijkvormig 2 Cor. 3 : 18, Rom. 8 : 29. Daarom kan Hij ons voorbeeld zijn, en is het ons voorrecht, zijne voetstappen te volgen, en te wandelen gelijk Hij gewandeld heeft 1 Joh. 2 : 6.

Men heeft echter onderscheid gemaakt tusschen de Navolging van Christus als mensch, als Middelaar en als God. Alleen als mensch zou Hij dan geheel na te volgen zijn, als Middelaar slechts ten deele, en geheel niet als God. Deze onderscheiding mist genoegzamen grond in de Schrift. Van de navolging wordt in Christus niets uitgesloten. Zulk eene onderscheiding zou ook onmogelijk in het leven van Jezus kunnen toegepast worden. Bovendien leert de Schrift duidelijk, dat de geloovigen als geliefde kinderen ook God hebben na te volgen en het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt van Christus deelachtig zijn. Beter en schooner is dus de regel: Omnis Christi actio est nostra institutio, d.i. elke handeling van Christus is eene onderwijzing voor ons. Ieder woord en elke daad bevat eene leering, die we hebben ter harte te nemen.

Niet ieder woord en niet elke daad op zichzelve is dus door ons op- en na te volgen. Er zijn speciale woorden en geboden Gods, welke ons niet betreffen en dus ook niet als tot ons gericht mogen beschouwd worden. Zijn gebod aan Abraham, om zijn zoon te offeren; aan Saul om Agag te dooden worden ons niet voorgeschreven maar veeleer in zijne wet ons verboden. En zoo zijn er ook |332| vele daden Gods, die we als zoodanig niet mogen en niet kunnen navolgen. Schepping, verkiezing, roeping, wedergeboorte enz, en evenzoo de vleeschwording van Christus, en al zijne wonderen zijn geheel eenig en voor geen navolging vatbaar. Het ware God verzoeken de navolging dezer daden op zichzelve te beproeven. Maar wel openbaren zich in deze en in alle andere daden Gods of van Christus al die heerlijke deugden en volmaaktheden, welke met Gods wet overeenkomen en die wij ons ten voorbeeld hebben te stellen. Alwat naar de wet Gods in Christus’ woorden of daden als deugd en plicht ons wordt voorgeschreven, dat alles is ons door Christus tot een exempel nagelaten.

Maar hieruit blijkt dan ook, dat het van nieuwere Moralisten niet goed gehandeld is, om in de leer der dankbaarheid de wet door het voorbeeld van Christus als regel van ons leven te vervangen. Onze Heid. Catechismus doet beter; hij kent wel de navolging van Christus, zie slechts de schoone antwoorden op vr. 32. 43. 45. 49. Maar in de leer der dankbaarheid bespreekt hij onze deugden en plichten aan de hand der tien geboden. Deze zijn de grondwet en maken ter laatster instantie uit, wat in het leven van Christus door ons mag en moet nagevolgd worden.

Wat echter de wet ons gebiedt, zien we in het voorbeeld van Christus ons voor de oogen geschilderd. Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken. De wet, ofschoon de Christen reeds een vermaak in haar heeft naar den inwendigen mensch Rom 7 : 22, veroordeelt hem toch dikwijls en slaat hem ter neer. Maar in Christus spreekt diezelfde wet tot hem uit den mond van zijn Zaligmaker, die den vloek der wet heeft gedragen en al haar eischen vervuld. De wet kan ons niet veranderen, niet omzetten, niet vernieuwen. Maar Christus die de Heer is des Geestes, |333| verandert allen, die Hem met ongedekten aangezichte aanschouwen, naar zijn evenbeeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, 2 Cor 3 : 18. Er gaat van Hem, onzen Heiland en ons voorbeeld te zamen, hervormende, herscheppende, vernieuwende kracht uit, die ons aan Hemzelven gelijk maakt en het beeld Gods in ons volkomen herstelt. Wanneer dit hier reeds op aarde aanvankelijk geschiedt, nu wij Hem nog maar in een spiegel aanschouwen, wat zal het dan zijn, als wij Hem zien zullen van aangezicht tot aangezicht? Wij zullen Hem gelijk wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is, 1 Joh 3 : 2.


Kampen.

H. Bavinck.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Zie wel: De navolging van Christus en het moderne leven, Kampen (J.H. Kok) [1918] (Schild en pijl, jaargang 1, aflevering 3); opgenomen in: Kennis en Leven. Opstellen en artikelen uit vroegere jaren, Kampen (J.H. Kok) 1922, 115-144.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004