Antwoord aan Prof. Dr. J.H. Gunning Jr.

De Vrije Kerk. Vereeniging van Christelijke Gereformeerde Stemmen

10e jaargang, onder redactie van J. van Andel, H. Beuker en W.H. Gispen
Leiden (D. Donner) 1884, 5,221-227 (mei 1884)

a



Hooggeleerde Heer, hooggeachte Broeder,


Ontvang vóór alles mijn hartelijken dank voor de aandacht, die Gij hebt willen wijden aan mijn artikel in de laatstverschenen October-aflevering van dit tijdschrift, en voor het vriendelijk schrijven, waarmede Gij het thans hebt beantwoord. Mijn doel met dat artikel was, om in eenige trekken de ééne, alles beheerschende wereld- en levensbeschouwing van onzen tijd te schetsen en de schijnbaar zoo ver uiteenloopende denkbeelden, verschijnselen en richtingen onder dat gezichtspunt samen te vatten, waaronder zij m.i. om recht te worden verstaan, behooren beschouwd te worden. Het was bij dat pogen zeer licht mogelijk, dat hier of daar eene minder nauwkeurige teekening ware gegeven, en met name aan de Vermittelungstheologen, meer bepaald nog aan wijlen Ch. de la Saussaye, geen volkomen recht was wedervaren. Beter ingelicht en van dwaling overtuigd, zou ik dan ook zeer gaarne mijn ongelijk erkennen en herstellen wat miszegd was. Te liever zou ik dit doen, omdat, waren Uwe opmerkingen juist, de ook door mij hooggeschatte Ch. de la Saussaye veel nader aan de belijdenis der gemeente zou staan, dan ik meende; en toenadering onder de belijders van denzelfden Christus in dit land zeer innig door mij wordt begeerd.

Maar Uw broederlijk schrijven, waarin Gij bewering tegenover bewering stelt, heeft mij van de onjuistheid mijner meening niet kunnen overtuigen. De gedachten, welke |222| ik koester aangaande de la Saussaye’s Theologie, zijn zeker wel niet onafhankelijk van de door U zoo genoemde „partijmeeningen” over haar gevormd, maar zijn er toch evenmin bloote copie en zonder eigen onderzoek overgenomen en nagesproken klanken van. Die gedachten zou ik nu gaarne eenigszins breedvoerig en met bewijzen gestaafd U willen mededeelen. Maar daartoe zou het voor eene vruchtbare gedachtenwisseling noodig zijn, om bepaaldelijk naar het uitgangspunt en het organiseerend beginsel van de la Saussaye’s Theologie onderzoek te doen, en dat te volgen door al zijne theologische denkbeelden,heen. Immers, tegenover enkele losse, op zichzelf staande en uit haar verband gerukte uitspraken, waarop ik mij thans zou beroepen, zoudt Gij andere kunnen stellen, die het tegendeel leerden; en de bespreking zou, als in zoovele gevallen, tot geen resultaat leiden. De Theologie van de la Saussaye echter eenigszins uiteen te zetten en het recht voor mijne beweringen daaruit af te leiden, zou meer tijd kosten dan mij nu is gegeven, en ook minder strooken met den aard van dit tijdschrift. Ik behoud mij dus voor, om binnen niet al te lang tijdsverloop op Uwe bedenkingen terug te komen en U rekenschap te geven, waarom ik meen, de la Saussaye geene hem vreemde denkbeelden te hebben aangewreven.

Vergun mij echter reeds nu, ook om eenig misverstand uit den weg te ruimen, naar aanleiding van Uw schrijven eenige opmerkingen.

Ik gaf in mijn opstel eene korte beschrijving van de „Vermittelungstheologie” en had bepaald het oog op de Ethische richting 1) onder hare vertegenwoordigers. De |223| eigenaardigheid der Ethische Theologie ligt nu volgens mij hierin, om uit het ethische te willen opklimmen tot het metaphysische, uit het waarachtig-menschelijke tot het Goddelijke, uit het echt-natuurlijke tot het bovennatuurlijke. Haar grondgedachten zijn toch deze: er werkt in de menschheid eene Goddelijke, bovennatuurlijke kracht, welke is de H. Geest; deze werkt in de gemeente op eene gansch bijzondere wijze, verschillend van den aard zijner werking in de schepping en in de natuurlijke menschheid. Die H. Geest is God en de laatste en diepste grond des geloofs; Hij schept en werkt in de gemeente een eigen leven. Dat leven in de gemeente wordt licht, d.i. gedachte, woord; de Theologie is het zelfbewustzijn der gemeente. Deze heeft tot taak, het leven der gemeente in zijne gansche diepte en breedte te beschrijven. Wanneer dit nu de grondgedachte is der Ethische Theologie, gelijk ik meen dat zij het is, dan volgt daaruit niet, dat het Goddelijke, bovennatuurlijke door haar ontkend wordt of met het menschelijke en echt-natuurlijke identisch is. Maar wel, dat het leven eerst licht wordt uit en door het menschelijke, wanneer het door het menschelijk subject is heengegaan; dat het bovennatuurlijke niet objectief tegenover en boven ons (wel in zichzelf, maar niet voor ons) bestaat, maar voor ons, voor ons bewustzijn eerst komt te bestaan, als het in ons leven en daaruit weer woord en gedachte is geworden.

Dat was nu mijne bewering, als ik zeide, dat het |224| Goddelijke uit het menschelijke, het bovennatuurlijke uit het natuurlijke wordt verklaard. Ik weet wel, dat niet alle Ethische Godgeleerden dit beginsel hunner Theologie even helder en consequent indenken en toepassen 2), maar dit schijnt mij toch toe, hunne gemeenschappelijke overtuiging te zijn.

Mijn tweede opmerking is deze: Gij zijt van gedachte, dat de benaming Godmensch als zwevend en onduidelijk door mij werd afgekeurd. Misschien gaf ik daartoe aanleiding, maar het is mijne meening niet. Dat die naam door rechtzinnigen, ook onder de Gereformeerde Godgeleerden, steeds is gebezigd, was mij niet onbekend. Dat wij dergelijke „hulpwoorden” noodig hebben, stem ik van heeler harte toe. Maar dit was mijne bewering, dat onder dien geliefkoosden term thans dikwerf eene Christologie wordt verborgen, welke m.i. aan den Persoon des Heeren te kort doet, en die term dus verzwakt en van zijne vroegere duidelijke beteekenis beroofd wordt. Vroeger vond men in dien naam kort en voor elk verstaanbaar uitgedrukt: de vereeniging der beide naturen in de eenheid des Persoons, zooals door U met mijne volle instemming breeder wordt omschreven. Maar het kan U niet onbekend zijn, hoe die term thans door vele Godgeleerden in zeer verzwakten, ja misvormden zin wordt gebezigd en juist dienst doet, om het onderscheid tusschen beide naturen op te heffen. Ten bewijze beroep ik mij hier alleen op: Von der Goltz, Die christlichen Grundwahrheiten, Gotha 1873, 105-112 enz., terwijl het bovendien duidelijk daaruit blijkt, dat er in diezelfde Godgeleerde kringen telkens gesproken wordt van het |225| godmenschelijk karakter der H. Schrift, het godmenschelijk leven der gemeente enz. (vergelijk von der Goltz, 137-147.), wat, naar mijne meening beslist ongeoorloofd is. 3)

Mijn laatste opmerking geldt de derde aanteekening bij Uw brief. Wanneer uwerzijds alleen werd beweerd, dat slechts de wedergeborene de dingen des Koninkrijks kan verstaan, dat onzerzijds dus, om de waarheid Gods te kennen en te beschrijven, geloof aan, aanraking met haar noodig is, geen Gereformeerde zou U dat betwisten en de beschuldiging van subjectivisme ware nimmer tegen de Ethische Theologie ingebracht. Die aanklacht rust op eenigszins dieperen grond. Volgens U n.l. is het Woord Gods, dat het zaad der Kerk is, niet de H. Schrift, maar „de feitelijke leiding des H. Geestes, die in de gemeente is”; de grond van ons geestelijk bestaan is gelegd door de atmosfeer waarin wij leefden. (Het Ethische Beginsel |226| der Theologie, bl. 31, 32). Dat geestelijk bestaan, dat leven wordt zich allengs bewust en spreekt zich uit in de leer, in de belijdenis. Die belijdenis wordt beschreven in de Dogmatiek. De waarheid, zelfs in de H. Schrift, is dus volgens U altijd de reflex van het leven in het bewustzijn. En zoo is dus de Christelijke bewustheid, of het geestelijk leven der gemeente wel niet norma, maar toch bron der Christelijke waarheid. De H. Schrift ziet dan van zelve hare plaats zich aangewezen in het derde deel der Dogmatiek. Volgens U wordt dus de waarheid afgeleid uit de gemeente (uit het leven, door den H. Geest in haar gewerkt). Daartegenover verdedig ik de stelling: de gemeente wordt door den H. Geest ingeleid in de waarheid. Die waarheid ligt buiten haar en bestaat onafhankelijk van haar, evenals de natuur objectief ligt voor en tegenover den natuuronderzoeker. Maar evenals die natuuronderzoeker door de rede in hem verwant is aan en dus in staat gesteld wordt om te onderzoeken de rede in de natuur, zoo ook maakt de H. Geest de gemeente bekwaam, om de waarheid te kennen en tot inhoud te maken van haar bewustzijn 4). Nu zal het U duidelijk zijn, waarom ik niet toestemmen kan, dat de beschuldiging van subjectivisme getuigt van eene „oppervlakkigheid, waarover men zich later verbazen zal.”

Het boven kortelijk aangegeven verschil is een verschil in methode, gaat zeer diep en beheerscht heel onze Theologie. Bij U is de waarheid altijd de min of meer |227| ontrouwe reflex, de gebrekkige formuleering van het leven; het leven is altijd dieper, rijker, voller dan de waarheid; orthodox kan alleen zijn, wie heilig is. Bij ons is de waarheid onveranderlijk en van eene onvergankelijke schoonheid en waardij, waartoe de hoogte van ons leven nooit kwam en hier op aarde nooit komen zal. Ons uitgangspunt is daarom een ander: Gij gaat uit van het leven der gemeente en hoopt alzoo tot de waarheid te komen; wij gaan uit van de waarheid, welke buiten en onafhankelijk van ons bestaat maar toch het zaad is der Kerk, het beginsel des levens, want God te kennen in Christus is het eeuwige leven. De hier gegeven beschrijving kan onjuist zijn, maar is zij naar waarheid, dan komt het mij voor, dat de beschuldiging van subjectivisme U wat minder oppervlakkig moet toeschijnen dan tot dusverre, en van onze zijde eenigszins meer gerechtvaardigd is.

Houd mij, hooggeachte Broeder, deze opmerkingen ten goede. Zij werden geschreven in broederlijken zin en met warme erkentelijkheid voor al wat ik uit de geschriften van Ch. de la Saussaye heb genoten. Maar des ondanks en tot mijn innig leedwezen over het niet te vereffenen verschil, hoe meer ik de beginselen der Ethische Theologie indenk, hoe minder zij mijn verstand en hart bevredigen. Ch. de la Saussaye vond in de conscientie der gemeente „le critère de la vérité.” Het ethisch beginsel schijnt mij toe, ook den toets van dat criterium niet te kunnen doorstaan.

Ontvang, Hooggeleerde Heer, de betuiging van hoogachting van


Uw dw. dr. en br. H. Bavinck.

Kampen, 18 April 1884.




1. Meermalen is door U het bestaan van zulk eene „ethische partij” ontkend. Maar m.i. hebben de zoogenoemde Ethische Godgeleerden |223| wel ter dege een eigen theologisch en kerkelijk beginsel, onderscheiden van dat der orthodoxe, Groninger, moderne Theologie, en vormen dus eene zelfstandige richting. Ik bezig den naam, zonder daarin op zichzelf eenige afkeuring of minachting te leggen, alleen ter aanduiding van eene feitelijk bestaande theol. richting (niet: partij).

2. Ik sprak dan ook in mijn opstel van de Ethische Godgeleerden in het algemeen, zonder bepaald alleen aan de la Saussaye te denken.

3. Gij oordeelt, dat ik tegen 2 Joh. 10 zondig, wanneer ik, bezwaar hebbende in de Christologie der Ethische Theologen, toch erken met hen „denzelfden Christus te belijden.” Nu hecht ik inderdaad zeer groote beteekenis aan de zuiverheid der leer, evenals de H. Schrift Rom. 16 : 17, 1 Tim. 4 : 16, 6 : 3. 2 Joh. 9, 10. Maar niet elke afwijking van de leer eener kerk is reeds verbeuring van den broedernaam. Dat zou leiden tot een sectarisme, als waarvoor de Geref. kerk zich ten allen tijde heeft gewacht. De Lutherschen wijken in de Christologie zeer ver van de Gereformeerden af en miskennen door hunne leer van de mededeeling der eigenschappen de waarachtig-menscholijke natuur van Christus, maar zijn daarom toch steeds door dezen als broeders erkend, enz. De „ernstige beginselvastheid” van den Leeraar, die U den kansel ontzeide, kan ik dan ook niet zulk eene hulde brengen, als door U geschiedt, althans niet wanneer hij predikant was in het Ned. Herv. Kerkgenootschap. Dan toch mag wel gemeenachap gehouden worden in kerk, kerkelijke vergaderingen, avondmaal enz. met beslist ongeloovigen, maar aan een Broeder, die dan toch nog met hem denzelfden Christus belijdt, moet de kansel ontzegd worden! Dat is eene getrouwheid, die ik niet begrijp, en die mij doet denken aan het uitzijgen van de mug en het doorzwelgen van den kemel. Matth. 23: 24.

4. Dit is iets gansch anders, dan de leer van het oude Supranaturalisme, hoewel onder dien naam dikwerf door de Ethische Theologen bestreden en er mede verward. Het zou echter te ver voeren, het verschil tusschen dit standpunt (het Gereformeerde) en het oud-supranaturalistische nader aan te wijzen.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Reactie op J.H. Gunning Jr., ‘Aan Prof. Dr. H. Bavinck’, De Vrije Kerk 10 (1884) 5,211-220 (mei 1884), vgl. nog J.H. Gunning Jr., ‘Aan Prof. Dr. H. Bavinck’, De Vrije Kerk 10 (1884) 6,277-286 (juni 1884).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000