De hedendaagsche wereldbeschouwing

De Vrije Kerk. Vereeniging van Christelijke Gereformeerde Stemmen

9e jaargang, onder redactie van H. Beuker, D.K. Wielenga en Dr. H. Bavinck
Leiden (D. Donner) 1883, 10,435-461 (oktober 1883)

a



Het Pantheisme, de ketterij bij uitnemendheid der 19e eeuw.

Groen van Prinsterer.
Ongeloof en Revolutie. blz. 217.


Zoodra de mensch tot bewustzijn ontwaakt van zichzelven en de dingen om zich heen, tracht hij zich rekenschap te geven van de verschijnselen, die hij waarneemt met zijn blik. Dat is eene behoefte, die ligt in zijn naar eenheid en verband zoekenden geest. Hij kan zich niet tevreden stellen met eenvoudig waar te nemen en het „dat” der dingen uit te spreken, hij vraagt ook naar het „waarom” en het „hoe”, naar oorzaak en bestemming. Hij ziet zich innerlijk gedrongen, alle verschijnselen tot één beginsel terug te brengen, onder één gezichtspunt samen te vatten en daaruit een beschouwing af te leiden, die hem ten regel wordt voor zijn handelen. Ja, hij tracht van alle dingen in hun totaliteit en samenhang, van heel de wereld naar haar diepsten grond en laatste doel eene opvatting te verkrijgen, waarvan hij uitgaat en die hij toepast bij alle zijne gedragingen.

Zulk eene opvatting nu duiden wij naar het hedendaagsche spraakgebruik gewoonlijk met den naam van levens- en wereldbeschouwing aan. Wij verstaan daaronder geene losse, voorbijgaande meening, geen chaos van onsamenhangende gedachten en voorstellingen, maar een beginsel des handelens, eene wet des gedrags, een regel des levens, berustend op nauwkeurige waarneming |436| en een bewust zich rekenschap geven van de dingen in hun totaliteit, naar hun oorsprong en doel.

De meesten vormen zich zulk eene wereldbeschouwing echter niet zelven, veel minder zelfstandig en onafhankelijk. Wij allen staan daarbij onder den invloed van machtige geesten, die ons voorgegaan zijn; in hun gedachtenwereld worden wij geboren en opgevoed, en hun denkbeelden en beschouwingen nemen wij over, eer wij het weten. Slechts een enkele is het gegeven, op dit gebied zelfstandig en onafhankelijk werkzaam te zijn, en zich los te maken van die machtige invloeden, die ons allen beheerschen. En ook dan nog staat zulk een, dikwijls zichzelf onbewust, onder de heerschappij van dien geheimzinnigen en verborgenen geest, die werkt in de wereld en lijnrecht staat tegenover dien anderen Geest, welke in de gemeente als in Zijnen tempel woont.

Vandaar, dat er in onzen tijd met recht van eene moderne levens- en wereldbeschouwing gesproken kan worden, welke allen beheerscht en op elk terrein des levens haar invloed gelden, doet, van een geest des tijds, eene algemeene richting en denkwijze en streven, welke te wederstaan plicht is der gemeente van Christus.

Voor den theoloog, voor ieder Christen is het ten zeerste noodig, dien geest te kennen, opdat hij waar het behoort, zich tegen hem wapenen en hem bestrijden kunne. Laat mij daarom trachten, in enkele trekken u die hedendaagsche wereldbeschouwing te schetsen en daartoe u er op mogen wijzen, hoe zij ontstond, wat zij inhoudt en welke waarde zij heeft.


I.

Als wij in onzen tijd een blik rondom ons slaan, worden wij aanstonds getroffen door de bonte verscheidenheid |437| en den overvloedigen rijkdom der verschijnselen, die zich voordoen aan ons oog. Wat gisting en bruisching des levens, wat rumoer der volken, wat chaos van meeningen, begrippen en denkbeelden, wat baiert van woorden en klanken en phrases! ’t Schijnt alles te zamen een doolhof, waarin geen weg, geen in- en uitgang, is te ontdekken. Overal twisten, partijschappen, verdeeldheden op godsdienstig, kerkelijk, staatkundig, maatschappelijk terrein. Het individualisme is ten top gestegen. Met een ander van dezelfde meening te zijn en geen eigen opinie te hebben, wordt een schande gerekend en blijk van een onzelfstandig karakter. Alles woelt tegen elkaar in en krioelt dooreen. Er schijnt nergens verband en eenheid van beginsel en streven.

Het is juist daarom te opmerkelijker, dat er in dat labyrinth van verschijnselen een draad is te vinden, die er ons door heen leidt en orde er in ontdekken doet; dat er aan al die ver uiteenloopende en tegenstrijdige denkbeelden, neigingen en strevingen wel degelijk één beginsel, ééne gedachte ten grondslag ligt. De oppervlakkige moge slechts verschil, tegenstrijdigheid, eindelooze verwarring zien; de dieper ziende merkt ook hier verband, samenhang, eenheid van beginsel en doel, systeem. Zooals de waarheid ééne is, zoo tracht ook de leugen die eenheid na te bootsen. Er zijn maar niet zonden, er is zonde; niet maar dwalingen, er is in elke eeuw ééne dwaling, ééne ketterij, die allen aansteekt, woelt in aller hoofd en hart en waarvan de verschillende denkbeelden en verschijnselen, hoe schijnbaar uiteenloopend ook, dikwerf slechts wijzigingen en toepassingen zijn. Daar is ook in onze eeuw eene heerschende levens- en wereldbeschouwing, afwijkend van die in vorige eeuwen en lijnrecht staande tegenover die, welke sedert en door de Reformatie de |438| hoofden en harten had ingenomen. Er heeft in de denkwereld, in de wereld des geestes, een geweldige omkeer plaats gegrepen, waarvan die in de maatschappelijke en staatkundige wereld slechts het gevolg en de belichaming was. Hen, die dezen omkeer hebben aangebracht, hebben wij dus vanzelf te zoeken onder die denkers bij uitnemendheid, die als sterren van eerste grootte schitteren op het gebied van den geest. Onder die dichters en wijsgeeren, die wortelend in hun tijd, dien tijd in zich opnamen en verwerkten, en nu daarmee gevoed en zich verheffend boven hun tijd, hem beheerschten, den stempel van hun geest hem indrukten, hem omzetten door de macht van hun genie en eene nieuwe baan en richting hem voorschreven. Zulk een nieuwe wereldbeschouwing ontstaat en kan alleen ontstaan in het brein van dezulken, die als rijke, koninklijke, scheppende geesten eene geheel eenige plaats innemen en slechts door een geslacht van bewonderende epigonen worden gevolgd.

Langs een dubbelen weg is de hedendaagsche wereldbeschouwing gevormd geworden. De eene is die lijn van gedachten, welke door Cartesius al opgenomen, vooral door Kant is voortgezet en door Fichte, Schelling en Hegel ten einde toe afgeloopen is.

Op deze zelfde gedachtenlijn bewogen zich ook al die groote dichters, welke de tweede bloeiperiode der Duitsche letterkunde openden, Lessing en Herder, Goethe en Schiller. Zij stonden allen in meerdere of mindere mate onder den invloed, niet van het Christendom, maar van de wijsbegeerte, van Spinoza en Kant.

Hun levenselement en levensinhoud was het historisch Christendom niet meer. Wat hen aantrok en boeide, was het antieke, het heidensche, het algemeen-menschelijke. Zij stonden niet meer in de wereld der eeuwige, onzichtbare |439| dingen, maar met beide voeten in, de wereld hier beneden. Natuur en kunst waren hun goden. ’t Zoeken naar waarheid, humaniteit, „Bildung”, cultuur nam al hun denken en streven in. Het is een kleingeestige arbeid, uit hun geschriften al die uitspraken bijeen te lezen, welke ten gunste of ten ongunste van het Christendom pleiten en daarnaar hun Christelijk gehalte te bepalen. Zij stonden met hun geest en gedachte tegenover het historisch Christendom, al is het dat zij de heerlijke ideŽn er uit trachten over te nemen en op te nemen in hun gedachtenwereld. Zelfs Herder, hoeveel ook bijgebracht hebbende tot waardeering van het O. Test., was daarom toch vooral met bewondering voor taal en poezie der Hebreërs vervuld, wijl hij er eene uiting in zag van den menschelijken geest en het menschelijke altijd en overal zijn volle aandacht en waardeering bezat.

Wat door deze dichters met genialen blik werd gezocht en in hun zangen uitgegoten, dat werd door de denkers logisch afgeleid en in stelsel gebracht. Poezie en wijsbegeerte hangen nauw samen. Aan ’t hoofd dier wijsgeeren staat de Socrates van den nieuweren tijd, Immanuel Kant 1724-1804. Het karakter der 18de Eeuw, zegt Groen van Prinsterer, was: afbreken van den schakel der tijden, onzinnig streven naar eene geheel nieuwe schepping. Dat was ook het streven van Kant. Hij stelde zich voor, antwoord te geven op deze vraag: hoe komen wij tot kennis? Zijn doel was, om de methode, den grondslag, het formeele onzer kennis te onderzoeken. De vroeger ingeslagen weg, om tot kennis te komen, was onbetrouwbaar. Eene nieuwe baan moest geopend worden. En Kant baande een nieuwen weg. „Bisher, zegt hij, nahm man an, alle unsere Erkenntniss müsse sich nach den Gegenständen richten, aber alle Versuche auf dieser Bahn |440| haben noch zu keinem Ziele gefŁhrt; man versuche es daher einmal, ob wir in den Aufgaben der Metaphysik nicht besser fortkommen, wenn wir annehmen, die Gegenstande müssen sich nach unserem Erkennen richten.” Dat is de geweldige omkeer, door Kant teweeggebracht: wij moeten ons niet naar de voorwerpen, deze moeten zich richten naar ons. Geen receptieviteit dus onzerzijds, geen afspiegeling der dingen in onzen geest; onze geest zelf is actief, autonoom, in ’t kennen werkzaam, hijzelf vormt en schept de dingen buiten zich, deze bestaan slechts voor hem. Het is zoo, Kant hield nog een „noumenon” over, dat onzen geest tot zijne kennende werkzaamheid opwekte, tot dat kennen den stoot en de aanleiding gaf. Maar het machtige en aan gevolgen rijke beginsel van de souvereiniteit en de autonomie der rede was uitgesproken; het is het subject, dat de dingen schept, van hun eigenschappen voorziet, ze opvat in ruimte en tijd, en subsumeert naar de kategorieën des verstands. Het „Ding an sich” is onkenbaar; het „noumenon” is een onbegrijpelijk, geheimzinnig iets, dat geheel overtollig is en best gemist kan worden. De geest is het een en het al. Ook de ideën van ziel, wereld, God zijn producten der rede, eischen van het kenvermogen; de objectieve werkelijkheid ervan is onbewijsbaar. En al trachtte Kant door de practische rede weer op te bouwen, wat hij met de theoretische omvergeworpen had, de omkeer was teweeggebracht. het subject is schepper en formeerder aller dingen, onafhankelijk en autonoom, in het denken rust het zijn.

De gevolgtrekkingen werden spoedig uit Kant’s beginsel afgeleid door J.G. Fichte 1762-1814. Zijn eerste daad was, om het overtollige „noumenon” van Kant uit den weg te ruimen. Zoo bleef alleen de geest, het Ik over. Dat Ik, niet het individueele maar het algemeene, het |441| abstracte, onpersoonlijke, „reine” bewustzijn, het denken „an sich”, de idee van het denken in den zin van Spinoza’s substantie, dat Ik is bron, principe aller dingen. Het is absoluut actief, auteur niet slechts van de vormen, ook van de stof der dingen. En op de vraag, hoe dat Ik er toe komt, om een Niet-Ik aanzijn te geven en uit zichzelf tegenover zichzelf te stellen, is het antwoord, opdat er een „sollen”, een streven zij voor het Ik, opdat het Ik alzoo tot bewustzijn kome van zijn inhoud en tot practische werkzaamheid zich gedrongen zie. Alle zelfbewustheid sluit toch beperktheid in. Het Ik stelt dus in dat niet-ik zich een tegendeel, geeft zich daarin eene „Schranke”, opdat het, alzoo beperkt, tot zelfbewustzijn en kennen ontwake; het stelt zich in dat niet-ik een „Gegenstand”, die tevens „Widerstand” is, opdat het tot handelen worde gesolliciteerd, daarin een materiaal vinde voor den plicht, en dien tegenstand overwinnend en die beperking terugdringend, zelf weer uit het beperkte tot het absolute terugkeere. Thesis, antithesis, synthesis is dus de korte formule van heel ’t wereldproces.

Deze leer van het Ik werd door Schelling 1775-1854 onder invloed van het Spinozisme vervormd tot het Identiteitssysteem. Bij Fichte, ook al verstond hij onder het Ik niet het bijzondere maar het algemeene, had heel dat proces toch nog een subjectief karakter; ook was het niet-ik, schoon product van het Ik en enkel negatief en passief, toch nog eene „Schranke”, het stond nog min of meer tegenover het Ik en werd er niet gansch en al een mede. Welnu, ook die tegenstelling moest weg. En Schelling sprak de stelling uit: beide, geest en stof, zijn identisch in het absolute, zijn twee zijden, twee openbaringen van een en hetzelfde. Hier is de volkomen eenheid uitgesproken van geest en natuur, het ideëele en het reëele, |442| subject en object, denken en zijn. Het absolute, in zichzelf indifferent en onderscheidsloos, treedt in dat ideëele en reëele te voorschijn en brengt zichzelf daarin voort. Het zijnde is de eeuwige geboorte Gods in de dingen en wederopneming der dingen in God.

Ten einde toe werd deze gedachtenlijn afgeloopen door Hegel 1770-1831, den voltooier der objectieve wijsbegeerte, den schepper van het absolute Idealisme. Het absolute openbaart zich niet slechts in geest en natuur, ligt daaraan niet slechts als substantie ten grondslag, maar is zelf het eenige subject van heel het wereldproces. Het Absolute is het een en het al. Denken en zijn zijn volstrekt een; het denken denkt zichzelf. Alles is moment van den absoluten geest. Het absolute keert uit zijne „Entäusserung” in de natuur door de onafgebroken reeks van de laagste tot de hoogste stadien der ontwikkeling in zichzelf terug. Alles is hier dus opgelost en verzwolgen in den oceaan van het absolute. Dat alleen is, ª< 6" B<. Het absolute Idealisme heeft hier zijn laatste consequentie getrokken, en heel zijn gedachten-inhoud blootgelegd.

Deze wijsgeeren nu zijn het, die de denkwereld geheel en al hebben omgekeerd, onder wier invloed wij allen geboren en opgevoed worden. Toch moet behalve op deze idealistische nog op eene andere wijsbegeerte worden gelet, die de tegenwoordige wereldbeschouwing mede hielp vormen. Ik bedoel het materialisme. In de Grieksch-Romeinsche wereld overwonnen en teruggedrongen door het Christendom, herleefde liet eerst weer, na eenigermate door het Nominalisme voorbereid te zijn, in de Renaissance. Toch werd het als wijsgeerig stelsel eigenlijk pas gehuldigd door Gassendi 1592-1655, en sloeg spoedig naar het nuchteren, practische, naar macht en rijkdom strevende Engeland over, waar het een vruchtbaren bodem |443| en tal van aanhangers vond. Toen na den dood van Lodewijk XIV in 1715 Frankrijk in levendig verkeer met Engeland trad, werd het daarhenen overgebracht. En hier ontdeed het zich van al de ingetogenheid en den eerbied, die er in Engeland nog altijd voor godsdienst en kerk mede gepaard ging. In verbinding met sensualisme en scepticisme trad het in de wegbereiders der Revolutie Voltaire, Rousseau en vooral Diderot, de la Mettrie e.a. onverholen tegen het Christendom en tegen alle geestelijke en onzichtbare dingen op. En de omkeer, alzoo bewerkt in de wereld der gedachte, gaf zich gestalte in de Omwenteling van 1789. Deze Revolutie deed op haar beurt in Frankrijk en allerwege waar zij doordrong, het materialisme toenemen, dat bovendien nog begunstigd werd door de herlevende industrie en natuurwetenschap. Ook in Duitschland drong het door. Reeds in de 18de Eeuw had het hier en daar sympathie gevonden, maar kon, er toch niet tot bloei geraken. Maar toen ongeveer het jaar 1830 het idealistisch pantheisme zijn hoogste vlucht had bereikt en de ijdelheid dier speculatie ingezien werd, toen handel en nijverheid ook in Duitschland begonnen te bloeien, toen sloeg bij velen het idealisme in zijn tegendeel, het materialisme, om. En idealistisch en materialistisch pantheisme zijn tot op den huidigen dag de heerschende wereld- en levensbeschouwing, de ketterij bij uitnemendheid der 19de Eeuw. Juist in de landen, die den toon aangeven, Duitschland, Engeland en Frankrijk, heerscht dit pantheisme in zijn dubbele strooming, en beheerscht alle verschijnselen op elk levensgebied, op dat van het denken en het zijn, van staat en kerk en maatschappij. Alzoo is het Spinozisme, het geloof aan de ééne substantie met de beide modi van denken en uitgebreidheid, in onze eeuw tot bloei en tot eere gekomen. Terwijl de |444| vorige Eeuw van Spinoza oordeelde, dat hij „signum reprobationis” op ’t aangezicht droeg, wordt bij thans op voorgang van Lessing en Jacobi, van Goethe en Schleiermacher als de grootste en diepzinnigste wijsgeer gevierd. Over Duitschland de eene gekomen, over Engeland en Frankrijk de andere, geven idealist en materialist elkander de hand en sluiten samen een verbond tegen het beginsel en den geest der Hervorming, tegen Christus en zijne gemeente, tegen den levenden God, Schepper van Hemel en Aarde.


II.

Is ons de herkomst der tegenwoordige heerschende Wereldbeschouwing in hoofdtrekken duidelijk geworden, het is dan van belang haar wezen en werking althans eenigszins te leeren kennen. Het doet daarbij op zichzelf weinig af, of deze beschouwing als materialisme of als idealisme optreedt en heerscht. In beide gevallen is het pantheisme; tusschen beide bestaat eene zeer nauwe verwantschap. Historisch zou het zelfs aan te toonen zijn, dat beide vormen van pantheisme, hoe schijnbaar tegengesteld, elkander hebben bevorderd; maar de verwantschap spreekt op zichzelve duidelijk genoeg. Beide loochenen het bovennatuurlijke, het eeuwige en geestelijke als eene eigene, op zichzelve staande, in zichzelve rustende wereld, van de zichtbare om ons heen in wezen en wetten en werking geheel en al onderscheiden. Beide gaan uit van de natuur en beschouwen haar als het eeuwig in en uit en tot zichzelve zich bewegende leven; zij is het uitgangs- en, eindpunt der hedendaagsche, daardoor Heidensch geworden, philosophie; zij is de levensgedachte zoowel in de stelsels der Stoa, van Epicurus en de moderne materialisten, |445| als in die der idealistische wijsgeeren, Fichte en Schelling en Hegel. Beide zijn, om kort te gaan, modificaties van een en hetzelfde monistisch systeem; het idealisme kan ’t geestelijke slechts in het abstracte, in de algemeene denkwetten vinden, dat dus eerst concreet wordt door ’t materieele, ’t zinnelijke; en de materialist, die God definieert als het inbegrip aller bezielde stof, wordt daardoor pantheist.

Nu zijn dit de beide grondgedachten van het Pantheisme, dat de substantie ééne is en dat deze niet boven, achter, maar in de dingen ligt en zich openbaart. Daarmede zijn in eens alle grenzen uitgewischt, alle onderscheidingen opgeheven tusschen het bovennatuurlijke en het natuurlijke, het eeuwige en het tijdelijke, God en den mensch; maar ook tusschen alle dingen onderling, tusschen ’t organische en ’t anorganische, mensch en dier, ’t ware en valsche, ’t goede en kwade. Alles is één; er is nergens een nieuw begin, een hoogere aanvang. Alles moet dynamisch worden verklaard. Schepping moet plaats maken voor evolutie. In den beginne was niet het Woord, zelfs niet de daad, maar het onbewuste, onpersoonlijke denken, de idee, m.a.w. de blinde, alogische wil, de onbewuste drang, het domme, onzalige instinct, Waarom dat wereldproces een aanvang neemt, is niet in te zien en ook nog door geen der pantheistische wijsgeeren verklaard. Eduard von Hartmann heeft eenvoudig uitgesproken, dat de absolute onzaligheid van den zuiveren, inhoudloozen wil den eersten stoot tot het wereldproces heeft gegeven. De Heidensche kosmogonie keert hier in nog phantastischer gedaante terug. Want of men nu dien immanenten drang met den eenen wijsgeer het denken „an sich”, of met een ander het Ik of met een derde den „reine Wille” en het Onbewuste of met de Evolutionisten |446| de urcel en de urkracht noemt — bij allen rust de oorsprong der dingen in dikke duisternis, in een blind noodlot. Het tijdelijke rust niet in het eeuwige, de stof wordt niet gedragen door den geest; aan ’t begin staat niet de Wijsheid en de Liefde, maar het Onverstand en de absolute Onzaligheid. De verhouding der dingen is dus geheel en al omgekeerd. Wat beneden was, is omgewenteld naar omhoog, en wat boven was, is gedreven naar omlaag. Het blinde, duistere, het onverstand en de zonde is eerst; niet God, maar Satan geeft den stoot tot de wereldontwikkeling. Het geestelijke, eeuwige, bovennatuurlijke, de dingen hierboven, God zelf is niet, maar wordt, staat niet aan het begin maar aan het einde, is niet oorzaak maar resultaat, niet Schepper maar schepsel; het eeuwige, ware, goede, schoone is wordende, vrucht van ontwikkeling, product van een proces, dat in de duisternis begint en door de zonde heenloopt. Van beneden naar boven — is de lijn der ontwikkeling. Uit den nacht moet de dag, uit de duisternis het licht, uit de hel de hemel, uit den mensch moet God worden afgeleid en verklaard. Vlak andersom als de H. Schrift, als de gemeente des Heeren, als de Hervorming ons leerde denken, wordt thans door de wijsgeeren gedacht. Tegenstellingen zijn er niet meer; wat zoo genoemd wordt, is noodwendig doorgangspunt. Thesis, antithesis, synthesis, is het „Lösungswort” van heel het wereldproces en van alle dingen.

En op dezelfde wijze, als dit proces een aanvang neemt, zet het zich voort. Er is altijd ééne zelfde kracht, ééne voortdurende ontwikkeling, ééne opklimmende reeks van evoluties, vervormingen en omzettingen. Er is nergens stilstand, nergens een sprong, nergens een grens; er zijn geen soorten van leven, elk met eigen aard en wetten en conditien, er zijn geen eigen kringen, geen zelfstandige |447| terreinen. Overal heerscht ééne wet, is een zelfde leven, zijn dezelfde evoluties; het al is één en het ééne is het al. Strenger en consequenter is de eenheid van dit wereldproces in al zijne evoluties door niemand doorgedacht en in stelsel gebracht, dan door den beroemden Engelschen wijsgeer Herbert Spencer. In zijn „System of Philosophy” tracht hij alle wetenschap tot één beginsel te herleiden, en aan te toonen, dat aan al de evoluties, waar en hoe dan ook, slechts ééne wet ten grondslag ligt. Het absolute, dat op zichzelf onkenbaar is en daarom nog eene plaats aan den eerbied voor ’t mysterie, d.i. den godsdienst overlaat, openbaart zich in en doordringt al ’t eindige. De kracht is ééne en de stof is ééne. Maar zij zet zich om en vervormt zich naar vaste, onveranderlijke wetten. Overal, op eik levensgebied is de ééne grondwet der evolutie deze: de bestendigheid der kracht. Het wereldproces is dus ééne groote, universal-evolutie, voortgaande door eene oneindige en steeds stijgende reeks van evoluties en dissoluties. Deze gaan, overal van dezelfde soort en naar dezelfde wetten, door in plant en dier en mensch, in lichaam en ziel, in godsdienst en zedelijkheid, in Staat en Kerk en maatschappij. De hoogste geestelijke, zedelijke kracht is niets dan eene omzetting van de sociale, deze van de levens- en deze wederom van de physieke kracht. De geestelijke verschijnselen zijn dus i.e.w. omgezette warmte. Het is ééne golving, ééne strooming, op en neer gaande met gelijkmatigen rythmus; evolutie en dissolutie wisselen elkaar af als ebbe en vloed; alles is één en het eene is het al; ª< 6" B< en BV<J" ÕgÃ.

Lang echter, voordat Spencer heel dit proces tot één machtig beginsel heeft herleid en in een grootsch systeem heeft samengevat, is de grondgedachte er van in het Pantheisme uitgesproken en op verschillende levensterreinen |448| in toepassing gebracht. Het is dezelfde grondgedachte, die ook in ’t Darwinisme reeds haar uitdrukking heeft gevonden. Het Darwinisme toch, dat volstrekt niet — gelijk men ons zoo gaarne diets maakt — vrucht en resultaat is der natuurstudie, maar eene wereldbeschouwing, maar philosophie, historisch samenhangende met het materialisme der vorige eeuwen en door Goethe al eens bij gelegenheid uitgesproken, wil eenvoudig het onderscheid opheffen, dat door het soortbegrip tusschen mensch en dier en plant, tusschen het organische en anorganische is gesteld. Het leert niet alleen, dat alle soorten uit elkaar zijn voortgekomen en dus bloed- en stamverwanten zijn, maar ook, — en dat is het wezenlijke der Evolutieleer — dat al het hoogere uit ’t lagere zich heeft ontwikkeld zonder hulp van buiten af, alleen langs mechanischen weg, naar physisch-chemische wetten. En natuurlijk, heeft men eens dezen weg ingeslagen, dan is er geen stilstand, dan kan men noch in ’t zelfbewustzijn noch in het geweten een grens meer eerbiedigen. Alles moet dan door evolutie, dynamisch, worden verklaard. Nadat de mensch losgemaakt is van het bovennatuurlijke, moet men hem wel uit de natuur trachten te begrijpen. Van al het geestelijke in den mensch moeten analogieën in organismen van lagere orde opgespoord worden. Het zelfbewustzijn mag zelfs niets anders wezen dan product, resultaat, begeleidende afspiegeling van ’t stoffelijke, en de mensch niets meer dan een automaat.

En gelijk onder den invloed van ’t Pantheisme het onderscheid tusschen God en mensch is opgeheven en straks tusschen mensch en dier, zoo gaat men nog verder voort en vernietigt ook het onderscheid tusschen de menschen onderling. Vrijheid, gelijkheid, broederschap is dan de leuze, die allen bekoort. Uitgewischt worde al |449| meer het onderscheid tusschen man en vrouw in karakter, beroep en gewaad; de vrouw worde geemancipeerd en volge den man in het publieke leven; de man worde als de vrouw en legge zijne eigenaardigheid af. In het huisgezin verdwijne de afstand tusschen ouders en kinderen, en worde het ouderlijk gezag steeds verder en dieper ondermijnd. In de maatschappij worde het verschil tusschen de rangen en standen, heer en knecht, adel en volk, dienstbare en vrije weggenomen; het karakteristieke, het eigenaardige, het bont-schakeerende van ’t volksleven houde op; dat allen dezelfde rechten hebben, allen op ééne school naar één model worden opgevoed, op ééne staatsleest geschoeid; verschil van stad en dorp, van stand en beroep kome niet meer in aanmerking; in taal en kleeding en voedsel, in heel de levenswijze zij er gelijkheid en eenvormigheid. Zoo wordt van zelf voor het Communisme de weg gebaand en glad en effen gemaakt. In den Staat valle ook het onderscheid weg tusschen Overheid en onderdaan; er is geene overheid meer, door God met gezag over de burgers bekleed; de onderdanen regeeren zichzelven. Ja weg gewischt worde de grens tusschen volken en volken; in een groot volkerenverbond laten alle natiën zich opnemen; een machtig wereldrijk als van Nebucadrezar en Alexander, van Caesar en Napoleon omspanne alle tongen en geslachten; het vaderland des menschen zij deze wereld maar deze dan ook geheel en alleen.

Dienzelfden invloed van ’t Pantheisme, bestaande in miskenning van al ’t eigenaardige en in versmelting en vermenging van al het onderscheidene tot het al-ééne, ontdekken wij op elk levensterrein, in kunst en wetenschap, godsdienst en zedelijkheid, handel en nijverheid. Maar belangrijker is het voor ons, dien invloed op het gebied der |450| Theologie wat dieper na te gaan. En dan behoeft het geen betoog dat de aanvallen op het Christendom, van Strauss en Baur en hun epigonen, alle geschied zijn onder den invloed der Hegeliaansche wijsbegeerte. Geen betoog, dat heel de moderne Theologie, de faculteit van Godgeleerdheid omzettende in eene faculteit van godsdienstwetenschap, niets anders doet dan het Darwinisme ook toepassen op de godsdiensten. Geen betoog, dat de kritiek, waaraan Oud en Nieuw Test. de Christel. Kerk en de waarheden die zij belijdt, blootstaan, door de pantheistische wijsbegeerte wordt geinfluenceerd.

Maar ook binnen den kring dier theologen, die met ons den Christus belijden, wordt nog in menig opzicht deze verderfelijke invloed bespeurd. En de dubbelzinnige eere, aan het pantheisme ingang en invloed verschaft te hebben op de Godgeleerde wetenschap, komt aan Schleiermacher toe. Niet slechts zijn „Reden über die Religion” en zijne „Monologen”, ook zijne „Glaubenslehre” wordt door die dwaling op iedere bladzijde ontsierd en besmet. En heel die breede, achtingswaardige rij van Godgeleerden, die in Schleiermacher den laatsten Kerkvader eeren, staat onder den invloed dier idealistische wijsbegeerte, die haar lijn door de geschiedenis trekt van Cartesius tot Hegel. Het karakter immers der zoogenaamde „Vermittelungstheologie” bestaat hierin, om het onderscheid tusschen het bovennatuurlijke en het natuurlijke, het Goddelijke en het menschelijke te doen vervloeien en in een vaag, zwevend, onduidelijk „Godmenschelijk” te laten opgaan. Terwijl het de roem en kracht was der vroegere, vooral der Geref. Theologie, om de eere Gods op ’t strengst te handhaven, door den Schepper eindeloos ver te verheffen boven alle creatuur, is deze Theologie er op uit, het Goddelijke uit het menschelijke te verklaren, en in het |451| echt-natuurlijke het bovennatuurlijke te zien. Kenmerkend voor de „Vermittelungstheologie” is daarom haar niet theologisch maar Christologisch uitgangspunt. Ja, zij heeft geene eigenlijke Theologie; eene uitgewerkte Godsleer wordt bij Schleiermacher tevergeefs gezocht. Het absolute kan niet gekend, kan slechts in ’t gevoel worden op- en waargenomen. Het goddelijke kan slechts aanschouwd en gekend door en uit ’t menschelijk bewustzijn; de Theologie is geen weten van God, maar een weten van de Christelijke bewustheid. Vandaar, dat deze Theologische richting overal en altijd eene dynamische verklaring zoekt te geven van de inspiratie, het wonder, de menschwording, de vereeniging der Goddelijke met de menschelijke natuur in Christus, de wedergeboorte, de voltooiing van ’t Godsrijk. Onbewust daalt het Goddelijke in den mensch als „dynamis” neer, en eerst door het menschelijke heengegaan, wordt het gekend en treedt het aan het licht. Het leven stijgt uit de diepte op en wordt dan eerst het Woord en het Licht, omgekeerd aan de belijdenis: in den beginne was het Woord en daarin het licht en het leven. Het is van ditzelfde valsche beginsel slechts verdere toepassing, als de tegenstelling verzwakt wordt tusschen het heilige en het onheilige, zonde en genade, Adam en Christus, Godsrijk en wereldrijk; en in het ethische de eenheid gezocht wordt van ’t goddelijke en menschelijke, van het godsdienstig (geestelijk) en het zedelijk leven. Immers, zoo wordt het metaphysische van zijn eigen wezen en bestand beroofd. Het geestelijke, het leven der wedergeboorte, het godsdienstige leven is dan in zichzelf ledig, zonder inhoud en ontvangt dien eerst in het zedelijke. Het spreekt dan van zelf, dat, naar Rothe’s bewering, de Kerk straks moet opgaan in den Staat, de kerkelijke tucht in de opvoeding der school, de cultus in de kunst, of naar |452| de la Saussaye’s uitdrukking, de kerk uit de uitsluitend godsdienstige sfeer in de zedelijke moet worden overgebracht. Totdat men eindelijk, op deze lijn zich voortbewegende en den eeuwigen grondslag zich almeer onder de voeten voelende wegzinken, aankomen moet, waar Ritschl reeds aankwam, die, Jezus slechts erkennend voor een bloot mensch, die God in zich had, maar niet zelf God was, alzoo den overgang vormt tot de moderne Theologie.

Overal ontdekken wij dus eenzelfde beginsel en een zelfde streven, het beginsel en streven der grootste uitnemendste denkers; het absolute, indalend in het relatieve en dat relatieve doordringend met opheffing van den rijkdom en de onderscheidenheid des levens, en daaruit eerst tot zelfbewustheid en vrijheid zich verheffend. Omkeering alzoo van de orde, dat God Oorsprong en Maatstaf en Doel aller dingen is en dat Hij uit niets maar alles uit Hem moet worden verklaard.


III.

Het is niet meer dan billijk, dat wij ten slotte vragen naar het recht en de waarde dezer moderne wereldbeschouwing. Dat zij, zooals ze daar ligt, eene dwaling is, door Schrift en belijdenis eenparig veroordeeld, weten wij; maar ook eene dwaling kan eenig recht hebben tegenover de eenzijdige voorstelling der waarheid, uit reactie waartegen zij ontstond. De periode aan het opkomen dezer wijsbegeerte voorafgegaan, was een tijdperk van wet en regel en gebod, objectief staande boven en tegenover den individu en dezen bindend en volkomen onderwerpend. De methode was in alles deductief en aprioristisch. Alles stond vast en was scherp belijnd en wettelijk bepaald; het stond wel als wet en leer voor en |453| boven, maar niet met dien mensch in verband. De warmte en gloed der vroegere evangelische gezindheid was verloren gegaan. Het leven verdween uit de vormen. En in de plaats trad „bekrompen bijgeloof, vervolgzieke huichelarij, traditioneele aanhankelijkheid aan eene leer in leerstukken verbrokkeld.”

Er heerschte eene miskenning van ’t recht van ’t aardsche, van het natuurlijke; en eene verkeerde opvatting van de verhouding, waarin de mensch moest staan tegenover de natuur en de wereld. Het natuurlijke werd geminacht. Er was wansmaak, gekunsteldheid, onnatuur. Het leven des gemoeds en des harten ontbrak; verstand, vernuft, oordeel waren het, die naar men meende den mensch en den dichter, den brave en den godzalige vormden.

Geen wonder, dat, toen straks dichters optraden en een greep deden in het volle rijke leven van menschenwereld en natuur, hun woord boeide en nieuw leven en nieuwe bezieling uitgoot in de harten. Het natuurlijke, eenvoudige, ongekunstelde, het antieke en klassieke begon aller aandacht en bewondering te trekken. Men begon zichzelf te gevoelen en zichzelf te zijn. Het individualisme ontwaakte. De kille vormen werden afgeschud, in welke men reeds lang niet meer leefde; en fier en zelf bewust en vol zelfgevoel, sloeg men den blik om zich heen en drenkte zich met volle teugen uit de frissche levende bron, in natuur en kunst weer ontsloten. Tot vrijheid en mondigheid en zelfstandigheid ontwaakten Europa’s volkeren; ’t was een nieuwe geest, die vaardig over hen werd, die de oude kluisters en boeien verbrak en, uit Hellas overgekomen, de dichters en wijsgeeren bezielde.

Welnu, tegenover de periode die voorafgegaan was en de waarheid onkenbaar gemaakt had, had deze reactie van het natuurlijke, dit „Selbst- en Weltleben”, deze |454| immanente, dynamische beschouwing, dit pantheisme, dat in elk geval weer eene bezielde natuur, een vol en rijk, van gloed en warmte tintelend leven gaf, althans eenig recht.

En wat recht heeft, heeft ook altijd eenigen zegen. Een rijken zegen heeft ongetwijfeld deze richting afgeworpen voor kunst en wetenschap, voor handel en nijverheid, voor heel ’t aardsche leven der menschen. Dezelfde receptieviteit, die wij bijv. bij Goethe opmerken tegenover de natuur, dezelfde objectieviteit, dezelfde grootsche belangeloosheid en toewijding is het, die ook mannen als Humboldt, Savigny, Niebuhr, Grimm, Ritter, Darwin, e.a. elk op een eigen terrein en in een eigen kring, tot hervormers der wetenschap, tot ontdekkers en wegwijzers maakte op het zeer wijde gebied der kennis. Aan dat „Selbstleben”, aan die immanente beschouwing danken wij in onze Eeuw den bloei der kunst, de herleving der wetenschappen, de hooge vlucht der cultuur. Door den blik van het hemelsche af te trekken en rondom zich te slaan op deze wereld, is de heerschappij des menschen over de natuur uitgebreid, zijn macht vergroot, zijne kennis vermeerderd, zijne roeping en bestemming ook voor dit leven beter begrepen dan voorheen.

Maar verder mogen wij dan ook niet gaan. Het beginsel, de souvereiniteit, de autonomie van den mensch, is radicaal valsch. Zeker, ook deze dwaling, der 19de Eeuw zal, onder het bestuur en de Voorzienigheid Gods, een zegen nalaten. Want wat menschen ten kwade denken, wordt door Hem altijd voor zijne gemeente ten goede gedacht en geleid. Wanneer eenmaal ook deze krankheid der eeuw zal voorbijgegaan zijn, zal beter dan nu, nu zij nog voortduurt en voortwoedt, de zegen gewaardeerd kunnen worden, dien God daaruit voor zijne gemeente |455| geboren laat worden. Maar dat mag ons geen oogenblik de zonde doen goedkeuren, opdat de genade te meerder mocht worden. Veeleer hebben wij voor ons zelven toe te zien, om elken zuurdeesem, dien deze dwaling legt in ons hoofd en hart, uit te zuiveren, elke vermenging van wat God onderscheiden heeft te weerstaan, en aan den ingang van den tempel der H. Godgeleerdheid deze gevaarlijke ketterij zonder sparen te weren.

Tegen elke pantheistische vermenging van het Goddelijke en menschelijke staat de Schrift, staat heel de Christelijke Kerk lijnrecht over. Ziet, dit is het grondprobleem der theologie, ja van alle wetenschap, het probleem dat in verschillenden vorm overal zich voordoet en aan alle vragen ten grondslag ligt: welke is de verhouding van God tot de wereld en van de wereld tot God? Ten allen tijde waren er twee richtingen, die door de Christelijke Kerk moesten bestreden en wier antwoord op die vraag vermeden moest worden. De eene het Deisme, dat wel God in zijne zelfstandigheid, eeuwigheid, onveranderlijkheid erkende, maar Hem ook alle leven en liefde ontnam en de wereld van Hem onderscheidde niet slechts, maar ook scheidde en ten volle isoleerde. De andere het Pantheisme, hetzij het idealistisch zij of materialistisch, dat alle onderscheid tusschen God en wereld opheft, beide vereenzelvigt, God in de wereld, de wereld in God laat opgaan. Beide richtingen worden door de Schrift veroordeeld; zij doen de eer en de majesteit Gods te kort. Even streng als daarom de Gereformeerde Kerk heeft gewaakt tegen alle Deisme en Pelagianisme, even fel is zij ten allen tijde gekant geweest tegen alle Pantheisme. Zij wil geen scheiding van God en wereld, geen arbeidsverdeeling tusschen God en mensch, geen onafhankelijkheid des menschen, hoe gering dan ook, naast en tegenover God. |456| Maar zij wil evenmin vermenging, verwarring, vereenzelviging van beiden, zoodat God en wereld slechts twee zijden zouden zijn van een en hetzelfde Absolute. Pantheisme en Deisme, Determinisme en Pelagianisme, noodlot en toeval, Gnosticisme en Arianisme, mysticisme en rationalisme, creatuurvergoding en werkheiligheid zijn de beide, telkens naar het karakter der eeuw in andere gedaante zich vertoonende vijanden, die het Christendom te bestrijden heeft en inzonderheid de Gereformeerde Kerk zich steeds geroepen zag, ten bloede toe te bekampen en te weren van hare erve. Want beide, hoezeer ook verschillend en elkander tegengesteld, sluiten, als het er op aankomt om Jezus te veroordeelen, samen, evenals Herodes en Pilatus eenmaal, tegen den Christus een verbond.

Op ieder punt der Theologie hebben wij de aanvallen af te slaan, door deze vijanden tegen de waarheid gericht. Door de verhouding toch, waarin wij ons gesteld achten tot God, wordt elke andere verhouding bepaald. Zeg mij, zoo is er naar waarheid gesproken, hoe gij staat tegenover God, en ik zal u zeggen, hoe gij staan moet tegenover alle ding in hemel en op aarde, tot godsdienst en zedelijkheid, Staat en Kerk, kunst en wetenschap. In de leer der Schrift hebben wij dus te waken, dat zij niet van „principium” des geloofs en der Theologie in resultaat en product van het geloofsleven worde veranderd en haar behandeling van den ingang naar het einde der Dogmatiek onder de genademiddelen worde verplaatst. In den persoon van Christus hebben wij zeer zeker te belijden eene nauwe en onverbrekelijke vereeniging des Zoons met onze menschelijke natuur, maar tegen alle vermenging of versmelting moet nadrukkelijk onze stem zich verheffen. In de Soteriologie moet ongetwijfeld op de verlossingsvatbaarheid des menschen worden gelet, maar ook |457| alle afleiding en verklaring van het leven der wedergeboorte uit het natuurlijke, zedelijke leven worden verworpen. In de leer der laatste dingen hebben wij op onze hoede te zijn, dat de voltooiing van het Rijk Gods voorgesteld worde als vrucht van een hier begonnen en na den dood nog voortgezet ethisch proces. Ja, door heel het organisme der Theologie henen hebben wij te waken tegen elke vermenging van wat God onderscheiden, maar ook tegen elke scheiding van wat God samengevoegd heeft,. Onvermengd en streng gescheiden blijve ons het heilige en onheilige; onverzwakt de scherpe tegenstelling van zonde en genade, goed en kwaad, Adam en Christus; onderscheiden blijve het godsdienstig en zedelijk, het geestelijke en natuurlijke leven.

Zelfs op maatschappelijk en Staatkundig terrein, op dat van kunst en wetenschap moet dit beginsel gehuldigd en toegepast worden. God wil geen eenvormigheid, maar rijkdom van schakeeringen en in die verscheidenheid eenheid. Scherp worden daarom in Zijn Woord altijd de lijnen getrokken tusschen overheid en onderdaan, heer en knecht, man en vrouw, ouders en kinderen. Er is eene volheid van leven. Een ander is het leven der menschen en een ander der vogelen en een ander der visschen; een ander het wezen en de wetten der kunst en een ander der wetenschap; een ander het zedelijk en een ander het godsdienstig leven. Alles is geschapen met een eigen aard en moet zich dienovereenkomstig ontwikkelen. Het heelal is eene eenheid, maar in die eenheid is niets aan het andere gelijk.

Op onze hoede alzoo, dat deze dwaling ergens binnendringe, hebben wij ook alle „Vermittelungstheologie” tegen te staan. Daarbij behoeft het zelfs niet in ons op te komen, iets te ontnemen aan de diensten, door mannen |458| als Neander, Ullmann, J. Müller, Twesten, Lange, Martensen en anderen in Duitschland en hier te lande bij name door de la Saussaye, van Oosterzee, Gunning vroeger en ten deele nog aan Kerk en Theologie bewezen. Maar alle die menigvuldige, groote diensten hebben zij niet door en ten gevolge van, maar juist in weerwil van en ondanks hun geinfluenceerd worden door deze machtige dwaling bewezen. Wat zij der Kerk en Theologie goeds hebben geschonken, had zijn oorsprong in hun teruggaan tot de beginselen der Hervorming. Dat was het reformatorische in Schleiermacher, dat hij, positie nemende in het levend geloof aan den Verlosser, weer het beginsel der Hervorming herleven deed en daarin ver boven de tegenstelling van rationalisme en supranaturalisme zich verhief. Minder groot zou wellicht hun naam, maar veel rijker hun zegen geweest zijn, indien Schleiermacher en zijne volgelingen met beide voeten zich gesteld hadden op den grondslag der Hervorming en instee van ten deele zich te laten afvoeren, tegen den stroom van den tijdgeest waren opgeroeid. Toch is dit geene beschuldiging. Zij leefden vroeger dan wij en konden de schadelijke uitwerkselen van deze „Vermittelung” niet zien. Zij hebben ons door hun voorbeeld geleerd, die dwaling te mijden. Wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht. Wijl wij na hen kwamen en staande op hunne schouders verder zien dan zij konden zien, daarom bannen wij uit hen weg, wat nog onzuiver en met den geest der wereld vermengd is. Zooals bij Calvijn en Luther en Zwingli, onderscheiden wij ook bij hen tusschen het wezenlijke, het eeuwige en dus reformatorische, en den tijdgeest, die door hen sprak. Niet dus om tot achter hen terug te gaan, te repristineeren en hen en hun arbeid als van geenerlei waarde te achten, maar integendeel, om door |459| hen geleerd, beter dan zij nog, het reformatorisch beginsel uit te spreken en vast te houden en toe te passen dat is het wat ons van hen scheidt. Niet tot achter hen terug, maar boven hen vooruit is onze leuze. Verrijkt met wat goeds door hen is gezegd, met zoovele heerlijke en treffelijke ideen over humaniteit en de samenstemming van het Evangelie met de behoeften van hart en geweten en over alle deelen der Theologie, sluiten wij ons aan aan het eeuwige in hun arbeid en bouwen zelfstandig voort aan den tempel der H. Godgeleerdheid.

Zelfstandig ja, en positief willen wij daarbij te werk gaan. De Theologie heeft een eigen beginsel, methode, inhoud en doel. Wat wij aan andere wetenschappen gunnen, volkomene vrijheid, eischen wij als een recht ook voor deze wetenschap op. Zij zij aan niets gebonden dan alleen aan zichzelve, aan haar eigen principe en object. Haar grondslag en vastigheid hebben wij dus niet te zoeken in de bewegelijke golven des vromen bewustzijns, in de kategorieen des verstands, in de ideen der rede en des gewetens, maar alleen in God zelven, die beginsel, inhoud en doel is der H. Godgeleerdheid. Zijne eere heeft zij boven alles te handhaven, Zijn Woord onvoorwaardelijk te omhelzen, door Zijn Geest alleen zich te laten leiden. De revolutie, door de wijsgeeren in de Theologie teweeggebracht, moet met alle kracht te keer gegaan worden. De tijd ruste weer in de eeuwigheid. Het natuurlijke worde gedragen door het bovennatuurlijke. De stof ruste in den geest; alle dingen in het Woord. God is de Zijnde, Jehovah is zijn naam, die is en die was en die komen zal. En dus niet God wordend door en in ons, maar wij wordend en zijnde door God. Hij niet afgemeten naar ons verstand en opgediept uit ons gevoel en bewustzijn, maar wij geheel en al, met verstand en ziel en alle krachten |460| ons latende leiden door Hem. God dus de Eerste en de Laatste, de A en de O, die alle dingen draagt door het Woord zijner kracht, in wien wij leven, ons bewegen en zijn. Niet wij zijn het, die de dingen scheppen om ons heen; niet ons Ik is bron van de vormen en de stof der dingen. Integendeel, wij behooren zoo in ’t natuurlijke als in het geestelijke passief en receptief te zijn. Dat is in de Theologie als in alle wetenschap eerste vereischte, een ontvankelijk en onbevangen en zich toewijdend hart. Wat naar Vilmar’s schoone opmerking de poezie van Goethe ons verkondigt: gij zoekt licht en warmte, o mensch, treed dan uit uwe cel en open uwe oogen en laat u bestralen en verwarmen door de zon, die daar schijnt — dat hebben wij ook in de Theologie te doen: hart en ziel en alle zinnen open te stellen en ons te laten verlichten door de Zon der gerechtigheid; het beeld van den Zoon des menschen ons in de ziel te laten vallen, opdat wij naar dat beeld veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid. Niet produceeren en scheppen, maar reproduceeren en nadenken is dus de taak van den echten Theoloog, opvangen en weergeven en als een kind zoo ontvankelijk, van gegeven, van genade te leven.

En daartoe moet ons oog in fijne onderscheiding en nauwkeurige waarneming zich oefenen, om alles zoo op te vatten, als het is in zijn aard. Te wachten hebben wij ons dus ook voor die begripsverwarring en phraseologie, welke door de pantheistische wijsbegeerte ingevoerd, thans algemeen heerscht; en als heilzame oefening, onzen geest te breidelen door strenge eerbiediging van de wetten, door God aan de wereld der gedachte gesteld. Ook de taal, wijl geen privaat eigendom maar des volks, blijve van alle schending vrij. Wij mogen de begrippen niet in elkander laten vloeien, noch door eene revolutie de |461| wereld der gedachten in onklaarheid en verwarring brengen.

Het komt voor elken beoefenaar der wetenschap, niet ’t minst voor den Godgeleerde, op scherpe formuleering, op zuiverhouding der begrippen, op logischen gedachtengang, op doordenking van de beginselen ten einde toe in al hunne toepassingen aan. Zuiver moet ons hart, zuiver ook ons verstand wezen, om de dingen waar te nemen, gelijk zij waarlijk zijn. En reinheid van hart en helderheid van hoofd zijn de sieraden van den waren Godgeleerde.

Maar dan zullen wij ook niets anders doende dan de heerlijkheid aanschouwen des Eengeborenen van den Vader, Zijnen beelde gelijkvormig worden en het afstralen naar buiten in woord en in daad. En onze Theologie zal waarlijk zijn, wat zij behoort te wezen: verkondiging van de deugden Desgenen, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.


Kampen.

H. Bavinck.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Vgl. J.H. Gunning Jr., ‘Aan Prof. Dr. H. Bavinck’, De Vrije Kerk 10 (1884) 5,211-220 (mei 1884)







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000