De Borgtocht van Jezus Christus

De Vrije Kerk. Vereeniging van Christelijke Gereformeerde Stemmen

7e jaargang, onder redactie van H. Beuker, D.K. Wielenga en Dr. H. Bavinck
Amsterdam (P. van der Sluys Jr) 1881, 12,549-558 (december 1881)

a



De Borg des Beteren Verbonds, door S.A. van den Hoorn, pred. te Tiel. Delfzijl, Jan Haan, 1881. Prijs ƒ 0.35.


De artikelenreeks in De Verzamelaar 1) over den Borg des beteren Verbonds, door den ijverigen predikant van Tiel, S.A. van den Hoorn, is thans om de welwillendheid, waarmede zij ontvangen werd en de gunstige beoordeeling, die haar ten deel viel, afzonderlijk uitgegeven en met rijke aanteekeningen vermeerderd. Niemand minder dan Dr. Kuyper schreef aangaande deze studie: „De stukken van Ds. S.A. van Hoorn over „den Borg des beteren Verbonds” munten uit door degelijkheid van onderzoek en helderheid van uiteenzetting”. De studie van van den Hoorn levert dan ook eene belangrijke bijdrage tot de geschiedenis der Gereformeerde Theologie. De voorliefde van het Gereformeerde volk voor de benaming van Jezus als Borg trok zijne aandacht, en spoorde hem aan om den oorsprong en de eigenlijke beteekenis dier benaming nader te onderzoeken. Als vrucht van dit onderzoek kan de schrijver (bladz. 9) ons meêdeelen, dat, schoon de waarheden, er door uitgedrukt, reeds vroeger bij anderen te vinden zijn, toch door Coccejus eerst op de eigenaardige beteekenis van het woord „Borg” in Hebr. 7 : 22 de aandacht is gevestigd. En zeker is het, dat de specifiek Gereformeerde gedachte, die men later door den Borgtocht van Christus uitdrukken wilde, reeds lang vóór Coccejus zoo niet duidelijk uitgesproken, dan toch gevoeld en meer of min helder begrepen werd; ook al is het mogelijk — wat wij van den Hoorn niet |550| kunnen bestrijden — dat Coccejus eerst deze gedachte aan het in Hebr. 7 : 22 voorkomende woord Borg aangesloten en daaruit nader ontwikkeld heeft. Althans bij den Leidschen Hoogleeraar Franciscus Junius (1545-1602) lezen wij reeds: „Cum persona Verbi promissa omnia in se suscepisset implenda, tanti sponsoris promissio non minorem apud Patrem fidem habebat quam si illo ipso momento debita nostra persolvisset” 2).

Deze uitspraak bevat reeds heel de Gereformeerde leer van Jezus’ Borgtocht, zelfs van den aard van dien Borgtocht als Expromissie, als in kiem in zich. Deze leer vond dan ook haar oorsprong niet in de vertaling van Hebr. 7: 22, maar in het karakter der Gereformeerde beginselen zelve, die daarheen onweerstaanbaar drongen; ook al ontkennen wij daarmede niet, dat zij in Hebr. 7 : 22 later een zijdelingsche aanleiding en een welkomen en krachtigen steun tot verdere ontwikkeling vond. In de Luthersche Theologie is voor de leer van Jezus’ Borgtocht geen plaats; zij komt daar dan ook slechts zeer sporadisch voor. Maar de drijfkracht der Gereformeerde beginselen moest vanzelf heenvoeren naar de leer van Jezus’ Borgtocht, ook al was het woord Borg in de vertaling der H. Schrift niet te vinden geweest.

De leer van Jezus’ Borgtocht was dus naar de juiste opmerking van van den Hoorn, van de ontluiking der Gereformeerde Theologie af reeds in haar embryonisch aanwezig. Toch werden haar waarde en belang eerst ten volle met bewustheid ingezien, sedert Coccejus optrad met zijne Verbonds-theologie. Deze foederaalmethode was volstrekt niet eene vinding van Coccejus; ze was van onverdacht Gereformeerden oorsprong. Toch werd Coccejus van alle zijden aangevallen door menigeen, zonder dat hij zich goed rekenschap kon geven van het gevaar, dat in de beginselen van dezen Godgeleerde voor Kerk en |551| Theologie dreigde. Coccejus gold nu eenmaal als Arminiaan, Cartesiaan, Sociniaan; gelijk altijd, was men ook in dien tijd met dergelijke namen volstrekt niet spaarzaam. Onder ieders bereik en bevatting vielen echter de beginselen van Coccejus in een tweetal kwestiën, over den sabbat en over de vergeving der zonden onder het Oude Testament. Aangaande dit laatste punt leerde Coccejus, op grond van Rom. 3 : 25 en Hebr. 10 : 18, dat het ongestraft laten der zonde onder het, O.T., de „non-punitio”, eerst in de volheid des tijds door Christus’ lijden en sterven tot eene volkomene vergeving geworden was, en liet dus vergeving en verzoening volstrekt samenvallen.

Dit was de aanleiding, dat de leer van Jezus’ Borgtocht meer opzettelijk en van nabij onder het oog werd gezien. Welke was nu de gedachte, die de Gereformeerden door den geliefkoosden naam van Borg hebben willen uitdrukken? Van den Hoorn heeft zeer goed ingezien, dat Borg en Middelaar niet namen van eene en dezelfde beteekenis zijn. Bladz. 9 (verg. bladz. 6) zegt hij terecht, dat latere Gereformeerden in het woord Borg nog eene nadere verklaring van den Middelaar Jezus Christus vonden. Welke nadere verklaring lag dan nu in de leer van Jezus’ Borgtocht aangaande zijn Middelaarschap opgesloten?

Indien ik den geachten Schrijver goed heb begrepen, schijnt deze voor hem daarin gelegen te zijn, dat de benaming van Borg Christus eerst volkomen duidelijk en ondubbelzinnig aanduidt als dengene, die de geheele zaligheid heeft verworven, voor haar volkomen instaat tot den einde toe (bladz. 39, 41, 55 en elders). Door dezen naam en deze leer wordt dus — zoo zegt de schrijver, bladz. 40, 42 — alle oudere en nieuwere Pelagianerij en Arminianerij bij den wortel afgesneden, komt God tot zijne eere en ligt de volkomen zaligheid der verkorenen onwankelbaar vast. Als Borg heeft Jezus zich |552| niet alleen verpand voor de schuld der uitverkorenen, maar ook voor hunne geheele aanneming tot kinderen Gods.

De gedachte, hierin neergelegd, is volkomen juist, maar mijns inziens niet geheel volledig. Om zekerheid des heils was het de Gereformeerden, als altijd, zoo bij hunne ontwikkeling der leer van den Borg te doen. En die vastheid vonden zij, doordat zij Jezus Christus beschouwden niet slechts als Middelaar van het Verbond der genade, maar vooral ook als Borg van het Testament des Vaders in den Raad des Vredes.

Het Verbond der Genade heeft in den eigenlijken zin des woords geen Borg, wel een Middelaar. Wil men Jezus Borg noemen van het Genadeverbond, dan spreekt men oneigenlijk en onnauwkeurig. Zeer juist en duidelijk zegt daarom de scherpzinnige Tako Hajo van den Honert 3): »De Borgtocht, oft de dadelike voldoening van Christus is geene voorwaarde van het verbond des vreedes, die van den Borge voor en in de plaatse van de Bondgenooten, oft nog voldaan moet worden, oft bereids voldaan is, maar sij is een gedeelte, opdat ik zoo spreeke, en eene bepaalinge oft wijsinge oft bestempeling van die zaligheid, die in het verbond des vreedes wordt uitgeboden. De belovte Gods namelik in bet verbond des vreedes is de saligheid, die in Christus is, eerst door sijne borgtocht en daarna door sijne dadelike genoegdoening aan Gods gerechtigheid; en de eisch in dat verbond is geloov in den Borge, oft in den door lijden bereids volmaakten Hoogepriester. En dus sien we, dat Christus niet dan seer oneigen een Borge des Verbonds genoemt kan worden.”

Indien men daarom Jezus beschouwt als Borg in den eigenlijken zin van het Verbond der genade, moet men er toe komen, om met van den Hoorn tegen van den Honert, Boston en vele Gereformeerde Theologen in, te beweren, dat Christus |553| Borg is geworden voor het geloof en de gehoorzaamheid der uitverkorenen (van den Hoorn, bladz. 84, 99.). Daartegenover nu zegt van den Honert in het aangehaalde werk, bladz. 409 mijns inziens zeer terecht: »Christus heeft sig in het Verbond des vreedes niet als Borge ingelaaten en verbonden, om voor oft in plaats van sijn volk te gelooven”. In dien zin toch zou men evengoed en met evenveel recht den Vader Borg van het Verbond kunnen noemen, die immers door zijn Geest het geloof in de harten werkt en dus aan den Zoon de Heidenen zou geven tot zijn erfdeel en de einden der aarde tot zijne bezitting (Jes. 53 : 10. Psalm 2 : 8. 110 : 3). Ja, dan zal, naar de juiste opmerking van denzelfden van den Honert, mogelijk niemand onder de goddelijke Personen met meer recht een Borg des Verbonds kunnen genoemd worden, dan de Heilige Geest. Hij immers is het, die de verkregene zaligheid toepast en het verloste volk wederbaart en heiligt en zich verpand heeft, om dat volk alzoo te bewerken, dat zij zelven hoe langer hoe meer de voorwaarden van het Verbond der genade getrouw, gewillig en volkomen volbrengen.

De eigenlijke gedachte, door de Gereformeerden in de leer van Jezus’ Borgtocht uitgedrukt, wordt dus door ons niet ten volle gepeild, wanneer wij dien Borgtocht alleen in verband beschouwen met het in den tijd opgerichte verbond der genade en niet allereerst met den buiten en voor allen tijd vallenden Raad des Vredes. Aan van den Hoorn is dit dan ook volstrekt niet ontgaan. Zelf wijst hij er op in het 9de artikel, bladz. 60-65. Dat is nu naar mijne gedachte in de leer van Jezus’ Borgtocht de hoofdzaak. Van alle eeuwigheid is de Zone Gods borg geworden voor de zaligheid der zijnen. De ontwikkeling dezer leer van den Borg gaat daarom hand aan hand met die van het Testament des Vaders en den Raad des Vredes. |554|

Het Verbond der genade, dat in den tijd opgericht wordt, heeft tot eeuwigen grondslag en onderstelling het Testament, het in de eeuwigheid gesloten verdrag van Vader en Zoon. Men onderscheide tusschen het Verbond der genade, zooals het was in se, in het eeuwig besluit, en zooals het was in zijne uitvoering. Foedus gratiae non est nisi executio testamenti aeterni. Bij de beschouwing nu van het Verbond der genade in se behoort de leer van den Borgtocht des Zoons. Christus was Middelaar van alle eeuwigheid. Maar zijn Middelaarschap bevat als ’t ware — gelijk van den Honert het ter aangehaalde plaatse ontwikkelt — twee deelen: zijn Borgtocht en zijn Priesterschap. Zijn Priesterschap tot in eeuwigheid wortelt in zijn Borgtocht van alle eeuwigheid. De verhouding tusschen Christus’ Borgtocht en zijn Middelaarschap is dezelfde als die, welke bestaat tusschen het Testament en het Verbond der Genade. Van alle eeuwigheid heeft Christus zich als Borg verpand, om in plaats van de erfgenamen des Testaments de wet te volbrengen.

Met de exegetische vraag, of deze opvatting van Jezus’ Borgtocht nu steun vindt in Hebr. 7 : 22, en of het woord, door »verbond” vertaald, met van den Honert in zijne eigenlijke beteekenis, in die van »Testament” moet opgevat worden, laat ik mij hier niet in. Het is mij genoeg, aangewezen te hebben, dat naar de grondgedachte der Gereformeerden de leer van Jezus’ Borgtocht in het nauwste verband beschouwd moet worden met die van den Raad des Vredes.

Beide leerstukken hebben hun bestaan en ontwikkeling te danken aan het overal merkbaar Gereformeerde streven, om voor al het tijdelijke een vasten, onwankelbaren, eeuwigen grondslag te zoeken in het Goddelijk wezen. Het Verbond van God met den mensch ligt onbewegelijk vast in het eeuwig verdrag van Vader en Zoon. De opera ad extra (das |555| Aussergöttliche) zijn niets dan de uitvoering, de verlichamelijking, de reflex van de opera ad intra (das Innergöttliche). Als altijd, staat ook hier het Gereformeerde Realisme scherp en duidelijk tegen het Sociniaansch en Remonstrantsch Nominalisme over. Daaruit volgt dan ook vanzelf de volkomen juistheid van het breedvoerig en helder betoog van van den Hoorn, bladzijde 44-59, dat Christus geen Borg is van God bij ons, maar voor ons bij God. God heeft geen Borg bij ons noodig; Hij is de Getrouwe en de Waarachtige; zulk een Borg te eischen, ware God wantrouwen. Maar nu Christus Borg is geworden van alle eeuwigheid voor ons bij God, nu is er — om met van den Hoorn te spreken, bladzijde 56 — zekerheid, dat zij daadwerkelijk het heil der schuldvergeving zullen ontvangen en zoowel heiligmaking en verlossing als rechtvaardigheid deelachtig zijn door de goddelijke wijsheid van den Heiligen Geest, dien Christus verworven heeft.

Christus heeft zich dus van alle eeuwigheid tot Borg en onderpand gegeven voor de volkomene zaligheid der zijnen. Nu kon dit echter wederom in tweeërlei zin worden opgevat. Men kon hem beschouwen als Borg bij fidejussie of als Borg bij expromissie. Vergelijk van den Hoorn, bladzijde 15, 16. Dit was niets anders dan het stellen van hetzelfde probleem in, een verder stadium van zijn ontwikkeling. Voetianen en Coccejanen gingen hierbij uiteen. Coccejus, de eerste meening toegedaan, leerde dat Christus Borg was voor de verkorenen, maar zoo, dat hunne schulden de hunne bleven tot op den tijd der voldoening door Christus. De vromen onder het Oude Testament kregen dus nog geen volkomen vergeving, wijl de verzoening nog niet tot stand gebracht was. De »non-punitio”, het ongestraft laten der zonden geschiedde dus alleen door de terugwerkende kracht der onfeilbaar zeker eenmaal door Christus aan te brengen |556| voldoening. De vromen des Ouden verbonds waren dus nog verplicht om eenmaal te voldoen, wel niet zelven, maar toch in en door den te komen Borg. 4) Dit gevoelen, door Heppe 5) voorgestaan, schijnt ook gedeeld te worden door van den Hoorn bladz. 93, ofschoon de uiteenzetting dezer kwestie op bladz. 15, 16 het tegengestelde verwachten liet.

Tegen die voorstelling van Jezus’ Borgtocht als fidejussie kwamen anderen op. Zij beweerden dat de Zoon in den Raad des vredes de zonden aller verkorenen niet hypothetisch, conditioneel, indien wij niet konden voldoen, maar, wijl dit zeker was, absoluut had overgenomen en zoo volkomen op zichzelven overgedragen, dat God nooit meer de voldoening van hen kon of mocht vorderen, maar alles eenig en alleen van den Zoon. God kon dus ook onder het Oude verbond de zonden volkomen vergeven, wijl die al van eeuwigheid gelegd waren op den Zoon, die ze eenmaal in den tijd onfeilbaar zeker verzoenen zou en van zich afwerpen en begraven in den dood.

Vergeving en verzoening vallen derhalve uit elkaâr; en dat is mogelijk, wijl naar het juiste inzicht der Gereformeerden onze zonden niet als geldschulden (gelijk de Socinianen meenden) maar als crimineele schulden zijn te beschouwen. De vergeving behoefde niet op de voldoening in den tijd te wachten, maar kon geschieden van eeuwigheid, wijl zij immers juist daarin bestaat, dat God ons ontslaande van onze verbintenis tot straf, de schuld heeft geëischt van Hem, die van eeuwigheid zich Borg stelde, om ze in den tijd te voldoen.

Dit verstond men onder den Borgtocht bij expromissie. Het schijnt mij toe, dat deze laatste voorstelling beter dan de eerste aan den eisch der Gereformeerde leerontwikkeling getrouw blijft |557| en ook de historische lijn beter vasthoudt. Reeds de bovenaangehaalde plaats van Fr. Junius spreekt den aard van Jezus’ Borgtocht als expromissie ingewikkeld uit. De Synode van Dordrecht sprak in hare artikelen, 2 par. 9 van eene »Ecclesia in sanguine Christi fundata”, die er ten allen tijde geweest was (Opb. 13 [?22] : 13). Sommige Gereformeerden gingen zelfs zoover, dat zij beweerden, dat alle heilsweldaden onder het Oude Testament genoten werden ex mera sponsione Christi. Anderen echter, zooals Melchior Leydekker 6) waren voorzichtiger en voegden er bij, niet alleen uit kracht van den Borgtocht, maar ook propter satisfactionem praestandam et vim retroactivam meritorum Christi.

Bij den Borgtocht door fidejussie valt de volle nadruk op de in den tijd plaats grijpende voldoening van Christus door zijn lijden en sterven. Bij den Borgtocht door expromissie daarentegen ligt het zwaartepunt in den buiten den tijd vallenden Raad des vredes.

Naar de eerste, Coccejaansche, beschouwing is de geschiedenis niet maar een verschijningsvorm van wat in het decreet eigenlijk al reëel voorhanden is, maar waarlijk geschiedenis, een worden van wat er niet was. Volgens de laatste meer Gereformeerde opvatting is de Vrederaad een essentieel moment in Gods eeuwige besluiten, en deze bevatten werkelijk in zich heel de geschiedenis van wereld en Godsrijk. Het tijdelijke is belichaming van de eeuwige Godsgedachten.

Over den omvang van het borgtochtelijk lijden van Christus ontstond reeds ten jare 1670 een theologische strijd. Jakobus Alting, professor te Groningen, beweerde toen, dat het voldoenende van het lijden van Christus zich beperkte tot de drie uren, dat de zon tijdens Jezus’ kruisiging verduisterd werd. |558| Hij vond een krachtig tegenstander in zijn ambtgenoot Maresius en werd gedwongen, zijn gevoelen te herroepen. 7)

In 1782 ontbrandde er een dergelijke twist over het borgtochtelijk lijden van Christus tusschen J.J. Le Sage ten Broek, en J. Habbema, beiden predikanten te Rotterdam. De eerste had in eene leerrede gezegd, dat de verzoening te weeg gebracht was door Jezus’ sterven aan het kruis, en niet door zoovele uitwendige bijzonderheden als daaraan voorafgingen. Zijn ambtgenoot viel hem spoedig openlijk aan. De twist liep hoog en riep tal van geschriften over den Borgtocht van Christus in het leven. Le Sage ten Broek werd echter door de Staten in zijne betrekking gehandhaafd. 8)

Naar aanleiding van de studie van Ds. van den Hoorn hebben wij de aandacht onzer lezers gevestigd op eenige zaken, die bij de leer van Jezus’ Borgtocht het allereerst in aanmerking komen. Wie over nog andere daarmee in verband staande punten meer inlichting verlangt, verwijzen wij met vrijmoedigheid naar het bovengenoemd werkje van Ds. van den Hoorn. Den Schrijver zeggen wij dank voor het onderzoek, dat hij aan dit belangrijk onderwerp besteed heeft; wij spreken den wensch uit, dat wij hem nog menigmaal op dit gebied van Godgeleerde studie mogen ontmoeten.


Franeker, Nov. 1881.

Bavinck




1. Weekblad, onder redactie van Ds. van den Hoorn, bij Haan te Delfzijl uitgegeven. Prijs per 3 maanden ƒ 0.65.

2. Opera Theologica, I p. 1663.

3. Het Hoogepriesterschap van Christus. Amsteldam, 1712 bladz. 408.

4. Zie De volstrekte Borgtocht van de Soone Gods, door G. Perizonius. Amst. 1710.

5. Die Dogmatik der evang. ref. Kirche, S. 270.

6. Filius Dei Sponsor of de Loff en Eere Jesu Christi. Amst. 1708. bladz. 75.

7. Witsius, De Oecon. foederum Dei, Lib. II. cap. 6.

8. Ypey en Dermout, Geschiedenis der Herv. Kerk. III. bladzijde 567-578.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000