De opvoeding der rijpere jeugd

door Dr. H. Bavinck

J.H. Kok — 1916 — Kampen

a



Eerste gedeelte. Uit de geschiedenis der neopaedie

1

§ 1. Bij de Natuurvolken

De belangstelling, waarin de opvoeding der rijpere jeugd in de laatste jaren allerwegen is gaan deelen, kan licht verleiden tot de gedachte, dat deze in vroegere tijden zoo goed als geheel werd verwaarloosd. Wie de geschiedenis in het licht der evolutiehypothese beziet, voelt onwillekeurig neiging, om al wat thans opkomt als geheel nieuw te beschouwen en, in vergelijking met vorige toestanden, als ontwikkeling en vooruitgang te boeken. Men vergeet dan echter, dat elk volk zijne eigene ontwikkeling doorloopt en in de historie zijne eigene plaats inneemt, en evenzoo, dat elke eeuw hare zelfstandige waarde bezit en volstrekt niet daarin opgaat, dat zij de volgende voorbereidt.

Trouwens, de verschillende trappen van ontwikkeling, welke de volken innemen, laten zich niet in eene geregelde, steeds klimmende orde met elkander verbinden; de wereldgeschiedenis is alles behalve een rechtlijnig, steeds naar boven strevend ontwikkelingsproces. Er zijn vragen, diepe ernstige vragen, die altijd aan de orde waren en waarop wij thans nog evengoed naar een antwoord zoeken, als in den aanvang der tijden; en er zijn krachten van stoffelijken en van geestelijken aard, die bij het begin der geschiedenis evenzeer werkten als in de eeuw, waarin wij thans leven. |8|

Ook moge Rousseau de hypothese hebben opgesteld, dat de menschen oorspronkelijk als individuën bestonden en eerst door een vrijwillig contract zich vormden tot eene maatschappij; de werkelijkheid legt een gansch ander getuigenis af, de mensch is van huis uit een sociaal wezen geweest en heeft steeds onder tal van invloeden eener kleinere of grootere maatschappij zijn ontwikkeling bereikt. Altijd en overal is de mensch uit eene gemeenschap geboren en van stonde aan in eene gemeenschap ingelijfd. Nooit en nergens stond hij als een individu op zichzelf; steeds was hij deel van een geheel, lid van een gezin en familie, van een stam of een volk.

De verbanden, waarin hij van zijne geboorte af werd opgenomen, kunnen echter in twee groote groepen onderscheiden worden. Sommige berusten op bloedverwantschap, zijn van nature gegeven en dragen een organisch karakter; andere ontstaan daarentegen min of meer door vrijwillige toetreding en zijn dus meer kunstmatig, mechanisch van aard. De eerste kan men met H. Schurtz de primaire of de geslachtsverbanden; de andere de secundaire of de gezelligheidsverbanden noemen. Beide soorten van gemeenschap bestonden, bijna van den aanvang af, steeds naast elkaar, en laten zich niet de eene tot de andere herleiden; zij komen, elk voor zich, uit een ander beginsel op en geraken niet zelden met elkaar in conflict. Gene hebben hunne sterkte vooral in de vrouw, deze in den man; de eerste berusten op het principe der ongelijkheid en vereenigen personen, die in geslacht en leeftijd verschillen (ouders en kinderen, broeders en zusters enz), de andere zijn gebaseerd op het principe der gelijkheid en binden saam, wie van hetzelfde geslacht en denzelfden leeftijd zijn en gemeenschappelijke belangen zoeken te behartigen (club, corps, societeit, enz.).

Natuurlijk is het niet mogelijk, om tusschen deze twee soorten van organisaties een scherpe grens te trekken; soms naderen ze elkaar en gaan geleidelijk in elkander over. Het huwelijk bijv. komt tot stand door vrije keuze en schept toch in het gezin een nieuwe, organische gemeenschap; en de Sippe of clan 2 wortelt ten |9| deele in geslachts-, ten deele in gezelligheidsverband. Evenmin kan men op een jaar en een dag de verschillende leeftijdsperioden onderscheiden, binnen welke jongens of meisjes, mannen of vrouwen voor de behartiging van een of ander belang tot eene club zich vereenigen. Maar toch blijft het onderscheid der beide groepen in hoofdzaak bestaan. En ook valt het niet moeilijk, om bij alle stammen en volken een viertal tijdperken in het menschelijk leven aan te wijzen, binnen welke gezelligheidsverbanden gevormd worden.

De eerste periode is die van den kinderlijken leeftijd; het kind bij de zoogenaamde natuur-, of liever cultuurarme volken blijft niet zoo lang hulpbehoevend als bij ons. De invloed der moeder neemt af, naarmate het kind grooter wordt en bij speelkameraden zich aansluit, of ook door den vader in zijn bedrijf (jacht, visscherij, krijg, enz.) ingewijd en onderricht wordt. De tweede periode vangt met de puberteitsjaren aan, waarin jongens en meisjes, die tevoren onschuldig met elkaar omgingen en in het spel zich vereenigden, uit elkaar gaan en tot eene onderscheiden taak in het leven worden voorbereid. Na deze voorbereiding treedt de derde periode gewoonlijk met het huwelijk in; maar ook als het huwelijk gesloten en het gezin gesticht is, behouden mannen en vrouwen elk hun eigen aard en taak. Overal treffen wij naast de familie leeftijdsklassen en mannenbonden aan; mannen gaan samen op jacht en visscherij, op krijg en krijgsbuit uit; zij vereenigen zich in een soort van gilde tot uitoefening van een of ander bedrijf (veeteelt, landbouw, nijverheid enz,), vormen bonden van religieuzen, politieken, socialen, amicalen aard, die dikwerf een karakter van geheimzinnigheid dragen, of groepen zich ook naar standen en rangen in kasten of corpsen (van toovenaars, priesters, adel, officieren enz.); niet zelden stichten zij daarbij voor hunne samenkomsten bijzondere gebouwen (mannenhuizen, clubgebouw, societeit). Bij de vrouwen komt zulk een vereenigingsleven ook menigmaal voor, maar in den regel veel minder streng georganiseerd. De vierde of laatste periode begint met den ouderdom; maar opmerkelijk is het verschil in waardeering, dat deze leeftijd bij de volken vindt. Bij sommige volken staat deze leeftijd vanwege zijne zwakheid en onprofijtelijkheid in zoo diepe minachting, dat de ouden |10| van dagen uit den weg worden geruimd 3 of in schamele armenhuizen onder dak worden gebracht; bij andere volken daarentegen genieten zij om hunne ervaring en wijsheid algemeene achting.

Nu is het opmerkelijk, dat van al deze perioden de tweede door vele volken als de gewichtigste wordt beschouwd, en de meeste belangstelling en zorg geniet. De overgang van het kind tot jongeling en maagd in de puberteitsjaren geldt allerwege als het belangrijkste keerpunt in het menschelijk leven, en wordt bij alle stammen en volken op plechtige wijze gevierd. De feesten en ceremoniën, die er bij plaats hebben, gaan gemeenlijk in omslachtigheid en praal nog die bij de huwelijkssluiting te boven. Vanzelf zijn ze niet overal in aard en omvang aan elkander gelijk; zij loopen in gewicht en duur soms ver uiteen, en ook bestaat er in den regel een groot verschil in de wijding van jongens en van meisjes. Maar toch kenmerken zij zich door eene groote mate van overeenstemming.

In het algemeen geven zij uitdrukking aan de gedachte, dat de knaap thans uit den kring van het gezin wordt losgemaakt, aan het gezag en de leiding zijner moeder onttrokken en in den stam, met al de daaraan verbonden rechten en plichten, ingelijfd wordt. In zekeren zin staat het den jongen man wel vrij, aan deze wijdingsceremoniën zich te onttrekken, maar wie er zich niet aan onderwerpt, wordt veracht en blijft in de schatting van den stam een kind of eene vrouw. En toch is het te begrijpen, dat jeugdige en tengere knapen zich soms aan deze plechtigheden onttrokken, want ze waren dikwerf zeer pijnlijk en werden gedurende langen tijd, soms weken en maanden, voortgezet.

Zij begonnen daarmede, dat de knaap uit het ouderlijk huis werd afgehaald. om een geruimen tijd in afzondering, hetzij in het mannenhuis of ook in een bosch door te brengen, en aan strenge onthouding, aan velerlei vasten en waken zich te onderwerpen. Tevens moest hij talrijke zware en smartelijke proeven doorstaan, die hem gelegenheid gaven, om zijn moed en zijne kracht te openbaren, en die hij zonder een kreet van pijn te dragen had. |11| Tot die proeven behoorden, behalve het vasten en waken, het ondergaan van insnijdingen op rug en schouders, van doorboring der neusvleugels, oorlellen en bovenlip, van het uittrekken van twee of meer voortanden, van eene bijen- en wespenplaag, van tatoueering en besnijdenis. Vooral de laatste plechtigheid was wijd verbreid. Ofschoon bij enkele volken, zooals Israel, eenige dagen na de geboorte toegepast, werd ze bij de meeste volken gedurende de wijdingsfeesten van de puberteitsjaren voltrokken en soms nog door eene tweede besnijdenis gevolgd.

Maar voorts werd de jonge man op dezen leeftijd ook ingewijd in al de overleveringen, rechten en wetten, gebruiken en ceremoniën, welke aan den stam als een kostbare schat toebehoorden en meestal als eene geheimenis werden bewaard. Daardoor werd de knaap niet alleen opgenomen in het natuurlijke, sociale leven van den stam, maar kreeg hij ook aan al zijne geestelijke goederen deel. Want de stam is nooit alleen een op bloedverwantschap berustend, sociaal en oeconomisch verband, maar altijd tegelijkertijd eene godsdienstige en cultische gemeenschap. Inlijving in den stam beteekent ook steeds een persoonlijk in betrekking treden tot de goden en de geesten, welke door den stam worden vereerd. Al de plechtigheden, die bij den puberteitsleeftijd plaats grijpen, dragen daarom een religieus karakter; zij symboliseeren op min of meer duidelijke wijze de gedachte van dood en opstanding, van het afleggen van een oud, en het ingaan in een nieuw leven; zij stellen de intrede in de jongelingsjaren als eene nieuwe, als eene tweede geboorte voor.

Vandaar, dat de jonge man aan het einde van den proeftijd dikwerf een nieuwen naam ontvangt, van eene andere, geheime taal zich bedienen mag, en in een nieuw gewaad gekleed wordt, al bestaat dit alleen in een gordel tot bedekking der schaamte. En zoo herboren, mag hij nu ook deelnemen aan het leven van zijn stam, niet in volle zelfstandigheid, maar in het gevolg en den dienst van anderen; hij mag, ter oefening, mede uittrekken op jacht, visscherij of krijg; na de algemeene opvoeding, welke hij in het ouderlijke huis ontving, heeft hij zich thans te bekwamen tot een of ander bedrijf. En tevens ontvangt hij het recht, om straks te dingen naar de hand eener vrouw en haar, na verwerving van den |12| bruidsschat, ten huwelijk te leiden. Daarmede treedt hij den vollen, mannelijken leeftijd in en bereikt hij het hoogtepunt des levens 4.




1. Wijl de woorden: opvoeding der rijpere jeugd, jeugdvorming, jeugdorganisatie enz. om de eene of andere reden onbevredigd laten, veroorloof ik mij hier en enkele malen elders het gebruik van het vreemde woord neopaedie (letterlijk: opvoeding van jeugdigen, dat is van jonge menschen in het algemeen), dat veel beter dan de bovengenoemde de zaak aanduidt, welke men bedoelt. Het woord is niet van mijne vinding, maar was reeds vroeger in gebruik; het komt althans voor in den titel van een werk over de leermethode, dat ten jare 1624 door den humanist Mariotelli in het licht werd gegeven (Lexikon der Pädag. I 827).

Voorts zij hier nog de opmerking aan toegevoegd, dat onder „rijpere jeugd” verstaan wordt niet alleen de jeugd in den knapen-, maar ook die in den jongelingsleeftijd; de opvoeding der vrouwelijke jeugd blijft echter onbesproken, wijl deze, om tot haar recht te komen, eene afzonderlijke behandeling vereischen zou.

2. Een Sippe of clan is een oorspronkelijk bij alle Germanen voorkomende vorm van maatschappelijke organisatie, die tusschen familie en stam instaat, en bloedverwanten samenbindt tot economische instandhouding en gewapende verdediging hunner gemeenschap.

3. De zestigjarigen van de brug, riep men in het oude Rome, om de ouden van dagen neer te storten in de rivier.

4. Dr. Heinrich Schurtz, Altersklassen und Männerbünde. Eine Darstellung der Grundformen der Gesellschaft. Berlin Reimer 1902. Dezelfde, Urgeschichte der Kultur. Leipzig 1900 bl. 98 v. Stanley Hall, Adolescence, its psychology and its relation to physiology etc. London 1905 II 232 v. G.A. Coe, The spiritaal life, Fleming H. Revell Comp. 1903 bl. 48. H. Visscher, Religion und sociales Leben bei den Naturvölkern. Bonn 1911 II 394-505. Ook in het door Freud uitgegeven tijdschrift: Imago. Zeitschrift für Anwendung der Psychoanalyse auf die Geisteswissenschaften, komen artikelen voor van Dr. Reik over: Die Pubertätsriten der Wilden.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2005