Kennis en Leven.

a


De geleerden — hoe zou het ook anders — zijn het met elkander niet eens kunnen worden, of wij thans leven in het laatste jaar der negentiende of in het eerste jaar der twintigste eeuw.

Zelfs een schijnbaar zoo eenvoudig vraagstuk blijkt voor eene allen bevredigende oplossing niet vatbaar te zijn. Dit schort niet daaraan, dat er geen moeite en denkkracht aan is besteed. Want gelijk vroeger reeds, zoo hebben ook thans bij de wisseling der eeuw de beroemdste mannen er hun oordeel over laten gaan.

Maar ook bij zoo onverschillige quaestie laat het gevoel en het hart zijne rechten gelden. Velen leven liever in de nieuwe eeuw, omdat het cijfer 1900 tot hunne verbeelding spreekt. Daarmede rekenend, heeft de Duitsche Keizer eenvoudig gedecreteerd, dat met 1 Januari 1900 de twintigste eeuw beginnen zou. En dat is, zoo niet de beste, dan toch de radicaalste oplossing; als de knoop niet ontward kan worden, moet hij menigmaal doorgehakt; het leven kan niet wachten op de leer; de wil snelt het verstand vooruit; en de daad maakt aan het pijnlijk wikken en wegen dikwerf op brusque wijze een einde.

Misschien legde bij deze berekening ook de overweging wel eenig gewicht in de schaal, dat de negentiende eeuw al lang genoeg had geduurd en aan hare lofredenaars reeds al te groote teleurstellingen had gebaard. Want de eeuw, aan wier einde wij staan, moge onder hare zusteren eene plaats der eere innemen; zij is zeker nie tde bescheidenste van alle geweest. Integendeel, zelve heeft zij haar lof op allerlei toon bezongen; uit vreeze, dat latere geslachten haar zouden vergeten, heeft zij zichzelve bij voorbaat den eerenaam van de verlichte en beschaafde uitgereikt; uit de hoogte en met minachting zag zij op de voorafgegane eeuwen neer.

De oudheid verloor alle waarde in haar oog. Hoewel uit gansch andere overwegingen, stemde zij toch in met het woord van |204| Tertullianus: wat hebben wij thans nog met Athene en Rome te doen? Er is geen reden meer voor, om de beschaving van Griekenland en Italië nog altijd ten grondslag te leggen aan onze hedendaagsche, wetenschappelijke ontwikkeling. De tegenwoordige eeuw heeft bij de vroegere niet meer te borgen. Zij heeft in hetgeen zij zelve verworven heeft gegevens genoeg, om er op voort te bouwen. Zij kan voldoende van zichzelve leven en door zichzelve bestaan.

En nog minder dan aan Athene en Rome achtte zij zich aan Jeruzalem gebonden. De Indogermaan, in wien het zelfbewustzijn en het gevoel van kracht was ontwaakt, waande er zich te edel en te voornaam toe, om te wonen in de tenten van Sem. Gelijk in Paulus’ dagen, zoo werd ook nu weer het kruis van Christus voor de Grieken eene dwaasheid. Indien er voor religie nog plaats was, dan moest zij door den mensch uit zichzelven worden opgebouwd, niet als eene gave dankbaar uit Gods Woord worden aangenomen. Bij den glans van het licht, dat thans was ontstoken, verbleekte alle schijnsel, waarbij vroegere geslachten wandelden.

Het behaagt ons niet om daartegenover iets af te dingen op den roem dezer eeuw. Wetende, dat alle goede gave en volmaakte gift nederdaalt van den Vader der lichten, zouden wij aan grove ondankbaarheid jegens God en aan miskenning zijner zegeningen ons schuldig maken, indien wij ook maar in eenig opzicht te kort deden aan wat de Koning der eeuwen aan deze eeuw boven andere geschonken heeft. Veeleer erkennen wij dankbaar elke lichtstraal, die er valt in het gebied van het onbekende en begroeten wij met blijdschap elke verovering, die er door den menschelijken geest gemaakt wordt in het rijk der natuur. Een Christenmensch heeft bij geen stilstand maar alleen bij vooruitgang baat, want de aarde is des Heeren mitsgaders hare volheid en de toekomst is Zijne. Iedere uitvinding aanvaardt hij met vreugde. Elke ontdekking stemt hem tot dank. De aarde is den mensch gegeven, opdat hij haar onderwerpen en beheerschen zou.

Maar vergissen wij ons, of houdt thans bij het einde der negentiende eeuw de verrijking des levens met de uitbreiding der kennis geen gelijken tred? Is de menschheid, zijn de volken, zijn de enkele personen door de verlichting ook beter, gelukkiger, tevredener geworden? Is in gelijke mate als de ontwikkeling van het hoofd ook de bevrediging van het hart, de rust der conscientie, de moed tot het leven toegenomen? De kennis is vermeerderd, zeer zeker! Maar is het leven dieper, rijker, inniger geworden, voor God en voor menschen?

Het antwoord behoeft niet lang en niet ver gezocht te worden. Het wordt ons toegeroepen van alle zijden. De verlichting heeft ook de |205| armoede, de ledigheid, de nietigheid van het leven aan het licht gebracht. Er is moeheid en zatheid des levens, walging van de beschaving aan de eene; gebrek, kommer, ellende aan de andere zijde. En onbevredigdheid is er alom. Klachten stijgen uit alle standen op.

Zelfs van de wetenschap keert men onvoldaan en vertwijfelend zich af. Het is nog zoo lang niet geleden, dat van haar de oplossing aller problemen, het heil der toekomst, de zaligheid der menschen werd verwacht. Bijbel en Christendom en kerk hadden wel afgedaan. Maar wetenschap zou de godin der menschheid wezen, de school haar tempel en de rede haar priesteres.

Doch na enkele jaren reeds is aan die hope de bodem ingeslagen. Zelfs de eenvoudigste vragen schijnen voor geen allen bevredigend antwoord vatbaar te zijn. Verschil van meening en inzicht neemt met de uitbreiding der kennis gaandeweg toe. Overal stuit het onderzoek op de grenzen van een onbekend land. Van alle kanten worden wij door het mysterie omringd. Terwijl veel van hetgeen wij weten voor het leven onverschillig is, is datgene, wat voor het leven het belangrijkste is, in een ondoordringbaren nevel gehuld. Mysterie is voor de wetenschap het leven en lot, de oorsprong en het doel aller dingen. Peinzensmoede en zonder levenslust werpt daarom een jonger geslacht zich in de armen van het onbewuste, om er genezing te zoeken voor de krankheid der ziel. De revolutie, die het leven wilde kneden naar de theorie, heeft plaats gemaakt voor de evolutie, welke al het bewuste naar onverbreekbare, mechanische wet uit het onbewuste opkomen laat. Kennis en leven worden beide in hunne rechten en in hunne onderlinge verhouding miskend.

Terwijl kennis en leven in den tegenwoordigen tijd veelvuldig uit elkander gerukt en vijandig tegenover elkander geplaatst worden, stelt en houdt de Schrift beide steeds in een innig verband. Beide hebben hun oorsprong in God. En in Hem zijn zij één. Nergens wordt dit schooner en duidelijker uitgesproken dan in het woord van den Psalmist: Bij U, o Heere, is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.

Psalm 36, waaruit deze woorden genomen zijn, is een klaagzang en een loflied tegelijk. Een klaagzang over de boosheid der menschen, een loflied over de goedertierenheid Gods. Eerst ziet de dichter rondom zich, slaat de goddeloozen gade in hun spreken en handelen en getuigt, dat er geen vreeze Gods voor hunne oogen is. De woorden huns monds zijn onrecht en bedrog; weldoen verstaan zij niet. Op hun leger zelfs bedenken zij nog onrecht en houden zich met het vormen van booze plannen bezig; zij wandelen op een weg, die niet goed is, en het kwade |206| verwerpen zij niet. Hoofd en hart, verstand en wil, gedachte en daad zijn samen van alle vreeze Gods verstoken.

Maar opeens, zonder overgang, slaat de dichter den blik omhoog en roept uit: o Heere, uwe goedertierenheid is tot in de hemelen! Tegenover de overtreding der goddeloozen treedt deze goedertierenheid des Heeren in het volle licht, en krijgt zij een omvang, welke niet is te meten. Er zijn geen woorden te vinden, om de mate harer volheid te beschrijven. Aardsche afmetingen moeten te hulp genomen worden, om een indruk van hare alles overtreffende grootheid te geven.

Zooals Paulus later eenmaal sprak van de diepte en hoogte, van de lengte en breedte der alle kennis te boven gaande liefde van Christus, zoo spreekt de dichter hier van de goedertierenheid Gods, als reikende tot de hemelen. Tegenover de overtreding der goddeloozen, die den toorn des Almachtigen gaande maakt, komt zijne goedertierenheid zoo in al hare grootte uit, dat zij als tot de hemelen opstijgt. Zijne waarheid, zijne trouw in het houden zijner beloften, is zoo hoog, dat zij zich verheft tot in de bovenste wolken. Zijne gerechtigheid, die het recht der vromen handhaaft en hun heil beschikt, is vast en onbewegelijk als de bergen. En zijne oordeelen, waarmede Hij de menschen bezoekt, zijn diep en ondoorgrondelijk als de afgronden en als de diepten der zeeën. Het is niet te begrijpen, tegenover alle zonden der menschen, en toch is het zoo: Heere, Gij behoudt menschen en beesten!

Toch komt die goedertierenheid des Heeren nog rijker en heerlijker uit binnen den kring der gemeente. Groot is zij al in het rijk der natuur, over menschen en beesten; maar dierbaar is zij daar toch vooral, waar de menschen-kinderen toevlucht nemen onder de schaduw zijner vleugelen. Wie dat doen, worden dronken van de vettigheid zijns huizes, van de goederen en weldaden, die de Heere in zijnen tempel aan zijn volk te genieten geeft. Zij worden gedrenkt uit die beek van genietingen, welke uit Hem ontspringt en voor zijne gunstgenooten vloeit. En te verwonderen is dat ook niet, want leven en licht is in Hem in overvloedige volheid aanwezig. Bij U, o Heere, is de fontein des levens; in uw licht zien wij het licht.

Fontein des levens is God: fontein van alle leven, van het leven der engelen zoowel, die zweven rondom zijn troon, als van de kleinste insecten, die ontsnappen aan ons oog; van het leven van menschen en beesten; van het natuurlijk en geestelijk, van het zedelijk en godsdienstig leven, van het leven der wetenschap en der kunst, van alle leven in alle schepselen in den hemel en op en onder de aarde. En al dat leven is oorspronkelijk in God. Hij is er de fontein en de springader van. Hij is louter zijn en louter leven. |207|

In dat Goddelijk leven is niets doodsch. Er is geen matheid of moeheid in, geen inzinking of uitputting, geen vermindering of verandering. Het is ongeboren, ongeworden, onverderfelijk, onvergankelijk. Eeuwig komt het uit de diepten van zijn wezen op. Zoo rijk is het en zoo vol, dat het zelfs in drie personen bestaat. Gelijk de Vader het leven heeft in zichzelven, zoo heeft Hij ook den Zoon en den Geest gegeven, het leven te hebben in zichzelven. Het is het leven der hoogste eenheid en der rijkste verscheidenheid.

En dat leven is enkel licht. Als wij God licht noemen, spreken wij van Hem, gelijk altijd, in beeld en gelijkenis. Maar wij kunnen van Hem niet anders spreken; en de Schrift gaat daarin ons voor. God is enkel licht en daar is gansch geene duisternis in Hem. Licht heeft de eigenschap, om openbaar te maken, en alwat openbaar maakt, is licht. Duisternis bedekt en doet het zijnde voor ons bewustzijn wegzinken. Maar licht brengt het zijnde uit zijne verborgene, donkere diepten te voorschijn.

Als de Schrift van God zegt, dat Hij licht is, dan geeft zij daarmede te kennen, dat er niets verborgens en niets donkers in zijn wezen is; wel voor ons, doch niet voor Hem zelven. Daar is in Hem geen mysterie des zijns, geen raadsel des levens. De Vader kent den Zoon en de Zoon kent den Vader, en de Geest onderzoekt de diepten Gods. God kent zichzelven volkomen. Zijne zelfkennis is aan zijn wezen gelijk, eeuwig, onveranderlijk, voor geen vermeerdering of vermindering vatbaar. Het licht zijner kennis maakt voor Hem zijn gansche wezen openbaar. Hij is louter, eeuwig licht. Zijn zelfbewustzijn is even oneindig als Zijn zijn.

Dit wordt nog daardoor versterkt, dat de H. Schrift het licht ook bezigt als beeld van zuiverheid, reinheid, heiligheid. En als God een licht wordt genoemd, heet Hij zoo niet alleen, wijl Hij alles in zichzelven met zijn verstand klaarlijk weet, maar ook, omdat Hij in zijn wil geheel zuiver en heilig is. Zonde bewerkt in de geestelijke wereld datzelfde, wat de duisternis in het natuurlijke doet. Zij bedekt, maakt onklaar en verwart, verwoest en ontbindt, en kweekt daardoor dwaling en onverstand. Gelijk alleen het zuivere water doorzichtig is tot op den bodem, zoo is ook alleen dat zijnde volkomen te kennen, datdoor geen zonde verontreinigd en bezoedeld is. God nu is enkel licht, vrij van alle duisternis der zonde, en verheven boven alle smet der ongerechtigheid. Daarom kent Hij zichzelven in zijn gansche wezen. Er is in Hem geen mysterie des zijns maar ook geen mysterie des kwaads, geen donkere natuurgrond, geen onpeilbare diepte van onbewust en onkenbaar leven. Maar zijn gansche leven is licht, klaar en voor zijn eigen bewustzijn volkomen openbaar. Kennis en leven zijn in Hem één. |208|

Gelijk in God, zoo zijn kennis en leven ook in Christus één. De Vader gaf den Zoon het leven te hebben in zichzelven: en deze Zoon heet ook de Logos, het Woord, dat in den beginne bij God en zelf God was, Joh. 1 : 1.

Johannes onderscheidt zich terstond van de andere Evangelisten daarin, dat hij zijn Evangelie niet aanvangt met de menschelijke geboorte van Jezus, maar tot de eeuwigheid opklimt. Hij gewaagt niet van Jozef en Maria, van stal en kribbe, van herders en wijzen, van Bethiehem en Nazareth. Maar hij stijgt tot het begin van alle dingen op en legt in de diepten der eeuwigheid de grondslagen van zijn Evangelie.

Christus toch werd niet eerst de openbaring Gods, toen Hij op aarde verscheen, maar Hij was het eeuwiglijk: in den beginne was Hij reeds het Woord, dat bij God en zelf God was. Daarom noemt Johannes Hem ook het Woord Gods. Alle woord is uiting van gedachte, openbaring van een verborgen, innerlijk, persoonlijk leven. Het wezen eens menschen blijft ons onbekend, zoolang het niet in het woord zich voor ons ontsluit; in het woord deelt iemand zijn leven, zijn ziel, zijne persoonlijkheid aan ons mede; en daarom is het woord te machtiger, naarmate een mensch er zichzelven in geeft.

Zoo was en is Christus van eeuwigheid het Woord Gods. In Hem wordt het Goddelijk wezen openbaar, want de Vader deelt in Hem zijn leven mede, spreekt in Hem de gansche volheid zijner gedachten uit, straalt in Hem al zijne deugden en volmaaktheden af. Woord en leven zijn in Hem één; Hij is God uitgesproken en God gegeven; God zich openbarende en God zich meêdeelende. Hij is de middelaar, de eenige en eeuwige middelaar, door wien God zijne kennis en zijn leven ons schenkt. De generatie is grondslag van alle revelatie, in schepping en herschepping beide.

In de eerste plaats is de Zoon de middelaar der schepping in het gemeen. Door Hem als het Woord, den Logos, werden alle dingen; en zonder Hem werd zelfs niet één ding, dat en wat het geworden is. Alle dingen in den hemel en op aarde, beide zienlijke en onzienlijke werden door, in en tot Hem geschapen, en hebben in Hem hun bestand en vastigheid, hun eenheid en systeem. Alles berust daarom op gedachte en heeft een logisch bestaan. Er ligt aan de schepping geen eeuwige, donkere, onbegrijpelijke stof ten grondslag. Zij heeft zich niet allengs door eigen kracht uit onbewuste, donkere stof tot de hoogten des lichts en des levens opgeheven. Maar van den beginne aan stond zij in het licht van het Woord. Zij ligt naakt en open voor Gods alziend oog en wordt door Hem tot op den bodem doorschouwd. Zoover zij bestaat, is zij kenbaar. De grenzen van het kenbare vallen met die van |209| het zijnde saam. Voor het agnosticisme is er daarom geen plaats. Waar het weten ophoudt, vangt de kennis des geloofs aan. Door het geloof verstaan wij, dat de wereld daartoe door het woord Gods toebereid is, opdat het niet alzoo wezen zou, dat de zienlijke dingen ontstonden uit dingen, die onder de oogen verschijnen.

Maar veel nauwer dan de band aan de schepping in het algemeen, is die, welke het Woord aan de menschen verbindt. In den Logos was leven, leven van allerlei aard en van allerlei schepselen. Immers was Hem door God gegeven, het leven te hebben in zichzelven. Uit en door Hem zijn ook de menschen het leven deelachtig. Maar bij deze moet het leven zich verheffen tot licht. Dat is mogelijk, omdat Hij, in wien de volheid des levens is, ook is het eeuwige, oneindige Woord. En het leven, dat uit Hem den menschen geschonken wordt, is van dien aard, dat het hun licht tevens is.

Licht is in het Evangelie van Johannes een beeld, niet zoozeer van gerechtigheid en zaligheid, als wel van kennis en waarheid. Het licht schijnt, 1 : 5, verlicht, 1 : 9 ; en wordt gehaat door degenen, die kwaad doen, wijl hunne werken erdoor openbaar worden, 3 : 19-21. Het leven, dat voor menschen in den Logos is, is het middel tot hunne verlichting, de bron van hun kennis. Wijl Hij het Woord, de Logos is, in wien God zijne gedachten uitspreekt en door wien alle dingen geschapen zijn, is er voor menschen geen kennis, dan door gemeenschap aan het Woord. Dat geldt zeer zeker bovenal van de kennisse Gods. Maar het heeft toch gansch in het algemeen op alle kennis betrekking, welke de mensch deelachtig is of worden kan. Het leven van den Logos is het licht der menschen op alle gebied van kennis en wetenschap. Door den Logos is er logos, gedachte, in alle geschapene dingen; door Hem is er ook logos, gedachte, in den mensch. De samenstemming en verwantschap tusschen de rede in den mensch en de gedachte in de dingen is door Hem gelegd en heeft in Hem haar bestand. Het is het licht van den Logos, dat in den mensch en in de wereld schijnt, en, indien het in deze beide samenvalt, den mensch tot kennis brengt.

Indien dat echter reeds in het algemeen van alle kennis geldt, dan toch bovenal van de kennis, welke de mensch aangaande God bezit en verkrijgen kan. Op dit gebied inzonderheid is het leven van dengene, die het Woord Gods is, het licht der menschen. Want in Hem heeft God zichzelf uitgesproken en zichzelf gegeven, zijne oneindige kennis en zijn oneindig leven medegedeeld. En daarom is er in menschen geen kennis, hoe gering ook, van het Goddelijk wezen, dan door het Woord, dat in den beginne bij God en zelf God was. |210|

Dit was het geval, ook toen de mensch nog niet gezondigd had. Maar het geldt nu in verdubbelde mate, wijl de mensch door de zonde het licht en het leven verloor en aan de duisternis en den dood werd overgegeven. Nu was het niet genoeg, dat het licht des Woords scheen in de duisternis, want de duisternis begreep het niet. Nu moest het op aarde neerdalen en vleesch worden in Christus.

En dat is geschied. Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond. Tweeërlei taak kwam Christus daarom op aarde vervullen: den Vader verklaren en het eeuwige leven schenken. Het licht is in Hem geworden tot waarheid en het leven tot genade. Beide hebben daardoor tegenover de zonde met haar duisternis en dood een antithetisch karakter aangenomen, opdat de mensch ze samen weer door het geloof deelachtig zou kunnen worden.

Tweeledig is het werk, dat Christus, in wien het Woord Gods vleesch geworden is, op aarde verricht heeft; Hij heeft de waarheid geopenbaard en het eeuwige leven geschonken.

Uit Joh. 3 : 21, en 1 Joh. 1 : 6, is door sommigen afgeleid, dat de waarheid bij Johannes een zedelijk begrip is en met het goede samenvalt. Immers wordt daar van een doen der waarheid gesproken; wie de waarheid doet, komt tot het licht; indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met God hebben en in de duisternis wandelen, zoo liegen wij en doen de waarheid niet. Indien, zoo zegt men, daarom de waarheid iets is, dat gedaan moet worden, dan kan zij geen inhoud van het verstand, maar moet zij voorwerp van den wil wezen; dan draagt zij geen theoretisch maar een practisch karakter: dan bestaat zij niet in kennis maar in handeling en is zij vrijwel met het goede één.

Maar deze opvatting is toch niet juist te achten, evenmin als de verklaring van de Kantteekening, dat het doen van de waarheid zooveel is als oprechtelijk handelen. De waarheid is bij Johannes, evenals elders, wel terdege een intellectueel begrip; zij duidt eene zaak aan, die tot het gebied des verstands behoort en in het bewustzijn moet opgenomen worden.

De waarheid staat toch bij Johannes tegenover de leugen, Joh. 8 : 44, 1 Joh. 1 : 6, 2 : 4; tegenover verleiding en dwaling, 1 Joh. 1 : 8, 4 : 6. Zij is een voorwerp van geloof, Joh. 8 : 46; van verstaan, Joh. 8 : 32 en van weten, 1 Joh. 2 : 21. Zij is inhoud van het getuigenis des H. Geestes, die de Geest der waarheid is, Joh. 15 : 26, 16 : 13, 1 Joh. 5 : 6. Bovenal is zij geopenbaard door Christus, die de waarheid en het leven is.

Christus nl. is het eeuwige Woord, dat bij God en zelf God was. Hij was in den hemel en is daaruit nedergedaald, en Hij bleef in den hemel, |211| gelijk uitdrukkelijk gezegd wordt, ook toen Hij op aarde was, Joh. 3 : 13. Daar in den hemel was Hij bij God, stond Hij met Hem in gemeenschap en verkeer, Joh. 1 : 1; daar was Hij in den schoot des Vaders en aanschouwde Hem, 1 : 18, 6 : 46; daar zag en hoorde Hij de dingen, die Hij later op aarde verkondigen zou, 3 : 11, 8 : 26 en 38, 15 : 15; daar leerde, zeide, gebood, toonde hem de Vader, wat Hij op aarde spreken en werken zou, 5 : 20, 8 : 28, 12 : 49, 50. Daarom weet Christus, wat Hij spreken moet; daarom getuigt Hij, wat Hij gezien heeft, 3 : 11. Het is eene getuigenis, welke van Christus uitgaat, en die van ’s menschen zijde moet aangenomen worden, 3 : 32. Hij zegt, spreekt, verkondigt, maakt bekend, openbaart de dingen, die Hij bij God gezien en gehoord heeft, 3 : 12, 8 : 28 en 38, 12 : 49, 17 : 6.

De inhoud van dit getuigenis zijn in het algemeen de hemelsche dingen, 3 : 12 ; alwat Hij van den Vader gehoord en gezien heeft, bepaaldelijk het wezen en de naam des Vaders, 1 : 18, 17 : 6. En dat alles wordt onder den naam van de waarheid samengevat.

Zóó heet de inhoud van Jezus’ getuigenis, omdat Hij daarmede staat tegenover de schaduwachtige bedeeling des O. Testaments en voorts ook tegenover den schijn en de leugens der wereld. De wet is door Mozes gegeven, maar de genade en de waarheid zijn in Jezus Christus geworden, 1 : 17; en daarom wijst alles in het O. Test., de Jakobsladder, de koperen slang, de Jakobsbron, het manna, het Paaschlam enz., naar Christus henen.

Veel sterker is de tegenstelling, waarmede Jezus’ getuigenis tegenover den schijn en de leugen der wereld staat. De leugen heeft haar oorsprong in Satan, den overste der wereld, 12 : 31, 14 : 30, 16 : 11, en den vader dergenen, die tegen Jezus overstaan, en Gode vijandig zijn, 8 : 44. En de schijn is aan deze wereld eigen, die beneden, die aardsch is en met de hemelsche wereld eene tegenstelling vormt 3 : 31, 8 : 23. Al het geestelijke en goddelijke, dat in deze wereld gevonden wordt, is van boven en daalt uit den hemel neer, 3 : 3, 13 en 31, 8 : 23. En zelve is die wereld met hare zienlijke dingen een beeld, een schaduw en eene gelijkenis van de hemelsche en onzienlijke goederen. De wind is een beeld des Geestes; de geboorte eene gelijkenis van de wedergeboorte; het water en brood, het licht en het leven, de herder en de landman, het tarwegraan en de wijnstok een schaduw van Christus. Maar Christus is dat alles in der waarheid, terwijl al die zienlijke dingen het slechts zijn in beeld. Christus is het ware brood, het levende water, de echte wijnstok, de wezenlijke herder enz.

In dezen zin staat de waarheid bij Johannes tegen alle schaduw, schijn en leugen der wereld over. Waarheid is naar zijn Evangelie het |212| inbegrip van alle geestelijke, hemelsche realiteit, welke in den persoon, het woord en het werk van Christus hier op aarde tot openbaring gekomen is. Zij draagt tegelijk een metaphysisch, een logisch en een ethisch karakter. Zij bestaat in den naam van den eenigen, waarachtigen God tegenover alle afgoden; in de realiteit der hemelsche tegenover de gelijkenis der aardsche wereld; in den persoon van Christus tegenover de schaduwen des O. Testaments; in zijn getuigenis tegenoverde leugen van Satan; in zijn werk tegenover de werken des duivels. Wat Jezus is en zegt en doet, dat alleen heeft waarachtige realiteit, duurzaam bestand, eeuwige geldigheid. Al het andere gaat voorbij; Satan wordt buitengeworpen; de wereld met al hare heerlijkheid verdwijnt; degenen, die uit de duisternis zijn, worden geoordeeld. Maar wie de waarheid kent en doet, blijft in der eeuwigheid.

Daarom heeft de waarheid bij Johannes dan ook eene practische zijde; zij kan niet alleen gekend maar ook gedaan worden. Immers is zij geen wijsgeerige formule, of afgetrokken bespiegeling, maar volstrekte, eeuwige realiteit, door God in Christus geopenbaard en tegenover allen schijn en schaduw der wereld gesteld. Zij is het inbegrip van al het ware, van alwat met het wezen en den wil Gods overeenkomt, en daarom geen zaak alleen van het hoofd, maar ook van het hart en de hand. Zij heeft invloed op het leven, bepaalt en beheerscht het. Wie haar kent, kent in den zin, waarin het vierde Evangelie van kennen spreekt, die doet haar, die richt er zijn leven naar in, die kan niet meer wandelen in de duisternis, maar zoekt en komt tot het licht. Het kennen zelf gaat in leven over; het is zelf reeds leven, eeuwig, waarachtig leven, want het is een kennen van den eenigen, waarachtigen God en van Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft.

Behalve de waarheid, heeft Christus ook op aarde het leven gebracht.

Zelf is Hij niet alleen het licht en de waarheid maar ook het leven, het volle, waarachtige leven. Dat was Hij vóór zijne menschwording, als Woord, als Logos. In Hem was leven, voor alle schepselen, inzonderheid voor de menschen. Maar gelijk deze het licht hebben verloren en in de duisternis wandelen, zoo zijn zij ook geestelijk dood geworden door de zonde.

Dood is bij Johannes niet de aanduiding van den tijdelijken, lichamelijken dood, bestaande in scheiding van ziel en lichaam, maar is in zijn Evangelie de naam voor den ganschen, onzaligen levenstoestand van hem, die buiten de gemeenschap met Christus en met den Vader staat.

Dooden, geestelijk dooden, heeten allen, tot wie de stem van den Zone Gods uitgaat; wie die stem hooren, zijn uit den dood in het leven overgegaan, 5 : 24 en 25, 1 Joh. 3 : 14; zij leven, al zijn zij ook |213| den lichamelijken dood gestorven en al verkeeren zij in den staat des doods, waarbij de ziel van het lichaam gescheiden is, want die gelooven en leven, zullen en kunnen niet sterven in der eeuwigheid, 11 : 24, 25. Zij zullen den dood niet zien in der eeuwigheid. Zij zullen nooit ervaren, wat dood is, 8 : 51, 6 : 50 en 51. Tegenover dit bezit van het eeuwige leven toch is het lichamelijke sterven een feit van ondergeschikte beteekenis, meer schijn dan wezen, den naam van dood eigenlijk niet meer waard.

En omdat de menschen met de waarheid ook het leven verloren hadden, is Christus gekomen, om hun weder het leven te schenken. De Vader heeft niet alleen aan den Logos in zijn voorbestaan, maar bepaaldelijk ook aan Christus het leven geschonken in zichzelven, opdat Hij het meedeelen kon aan anderen en door zijn woord eene crisis, een oordeel, eene scheiding teweegbrengen kon, 5 : 25-27. Christus is daarom persoonlijk het leven, 14 : 6, 11 : 25; in Hem is het voor menschen zichtbaar en tastbaar geopenbaard, 1 Joh. 1 : 1, 2. Wijl Hij dit eeuwige, Goddelijke leven deelachtig is, heeft Hij de macht, om het zinnelijke, psychische leven af te leggen en toch weer terug te nemen, 10 : 17, 18. Hij moest dit doen, omdat zijn leven alleen door den dood heen den zijnen ten goede kon komen. Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft het alleen; maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort, 12 : 25. Zijn leven, dat Hij als de Christus van den Vader ontving, sluit dus de macht in, om het leven, in weerwil van en tegenover den dood, te behouden; om uit den dood, dien Hij moest ingaan, weer op te staan: om in zichzelven voor de zijnen den dood volkomen te overwinnen. Christus is de opstanding en het leven, 11 : 25; dat is, het uit den dood opstaande, het den dood volkomen overwinnende leven. Zijn sterven was dus schijnbaar een ondergang, eene nederlaag; inderdaad was het een overgaan tot den Vader, 13 : 1, een verhoogd worden van de aarde, 12 : 32, eene verheerlijking, 13 : 31.

Dit leven schenkt Christus aan allen, die in Hem gelooven, 3 : 16, 36; die zijn vleesch eten en zijn bloed drinken, 6 : 51-58; die zijne woorden van eeuwig leven hooren, 5 : 24, 6 : 63, 68; die Hem aannemen, 1 : 12. Onder dit leven vat Johannes alle goederen des heils samen; het staat tegen het verderf over, 3 : 16, 10 : 9, 28. Het vangt niet eerst na den dood aan, maar is terstond met het geloof geschonken. Wie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, is uit den dood in het leven over gegaan en sterft niet meer. De goede Herder geeft zijn schapen het eeuwige leven terstond, zoodat zij niet verloren gaan, 10 : 28. |214|

Het is ook terstond het eeuwige leven; het wordt niet eenmaal, het is van zijn eersten aanvang af, van nature onsterfelijk. Leven en eeuwig leven vallen saam. Er is maar één leven, dat dien naam waarlijk verdient, en dat is het eeuwige leven. Wie werkelijk leeft en niet dood is, die heeft het leven, het ééne, ware, eeuwige leven, zelfs al is hij lichamelijk gestorven. En wie dit leven mist, leeft slechts schijnbaar en is wezenlijk, geestelijk dood.

Tusschen het leven, dat de geloovigen op aarde deelachtig zijn en hetgeen zij in den hemel ontvangen, is daarom geen verschil in beginsel en wezen maar alleen in graad. Ook het eeuwige leven als toekomstige gave komt bij Johannes wel voor. Wie zichzelven verloochent, zijn natuurlijk leven haat in deze wereld, die zal het juist daardoor voor het toekomstige, eeuwige leven bewaren, 12 : 25, verg. 4 : 14 en 36, 6 : 27. Zij, die hier op aarde de stem van den Zone Gods hebben gehoord en daardoor het leven hebben ontvangen, 5 : 25, zullen toch nog eenmaal komen tot de opstanding des levens, dat is, tot eene opstanding, die bij het hun geschonken leven behoort, die het kroont en voltooit, 5 : 28. Het werk van den Zoon is levendmaking. Dat doet Hij reeds op aarde door het geloof, en Hij zet het voort en voleindt het in de opwekking ten uitersten dage, 6 : 39, 40, 44, 54. Deze zet de kroon op zijn arbeid; zij zal het bewijs leveren, dat God Hem geeft, alwat Hij begeert, 11 : 22.

Het is er op dezelfde wijze mede gesteld als met het gericht, dat door Christus voltrokken wordt. Wel is Hij niet op aarde gekomen, om de wereld te veroordeelen, maar te behouden, 3 : 17, 12 : 47; doch zijne komst brengt toch eene crisis, eene scheiding te weeg. Hij is tot een oordeel in de wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden, 9 : 39; Hij oordeelt nu reeds, door zijne verschijning, door zijn woord, en heeft daartoe de macht van den Vader ontvangen, 5 : 27, 30. Die gelooven, worden dan ook van den toorn Gods verlost en komen niet in het gericht, 3 : 17 en 36, 5 : 24; maar die zijn woord verwerpen, blijven onder Gods toorn, zijn reeds geoordeeld, 3 : 18, 36; want hun oordeel bestaat daarin, dat zij de duisternis liever hebben dan het licht, 3 : 19.

En dit oordeel wordt daarin voltooid, dat zij nooit ervaren zullen wat leven is, 3 : 36, dat zij in hunne zonden sterven, 8 : 21 en 24, en dan komen tot de opstanding der verdoemenis, 5 : 29, dat is tot zulk eene opstanding, die de veroordeeling door het woord, dat Jezus gesproken heeft, 12 : 48, medebrengt. Het oordeel begint hier op aarde en voleindt zich na de opstanding. En zoo ook neemt de levendmaking hier een aanvang, om voltooid te worden ten uitersten dage. |215|

Waarheid en leven zijn één in God. Eén zijn zij ook in Christus, beide als het Woord, dat in den beginne bij God en zelf God was, en als Middelaar, die wederom het licht en het leven, de genade en waarheid aan menschen heeft geopenbaard. En als weldaden, door Christus verworven en geschonken, staan zij daarom ook met elkander in onlosmakelijk verband.

Eenerzijds is de kennis de weg tot het leven. Immers is het woord des Evangelies het middel, waardoor God ons met Christus en zijne weldaden bekend maakt en het geloof door zijnen Geest werkt in het hart.

Christus is ook daartoe in het vleesch verschenen, opdat Hij den Vader ons verklaren, zijn naam ons openbaren, de waarheid ons meedeelen zou. Hij is ook als vleeschgewordene het Woord, de openbaring Gods, en doet niet alleen maar spreekt, getuigt, verkondigt ook, wat Hij van den Vader gezien en gehoord heeft.

Deze woorden, die Jezus spreekt, zijn geen ijdele klanken en ledige zinnen, maar zij zijn geest en leven, 6 : 63; zij zijn van een geestelijk karakter. zijn van boven, getuigen van wat boven is, staan tegenover alwat beneden, uit het vleesch is en schenken en bewerken daarom het leven. Het gebod, dat de Vader aan Christus gegeven heeft in betrekking tot zijn zeggen en spreken, verschaft en is het eeuwige leven, 12 : 50. En Hij is het alleen, die deze woorden des eeuwigen levens bezit en spreekt, 6 : 68.

Opdat deze woorden het eeuwige leven schenken, is echter van ’s menschen zijde noodig, dat hij geloove. Alleen wie de stem van den Zone Gods hooren, en alzoo Hem gelooven, die Christus gezonden heeft, hebben het eeuwige leven.

Dat geloof toch heeft tot voorwerp de woorden van geest enleven, die Christus verkondigt. En de hoofdinhoud dier woorden is, dat Jezus de Christus is. Heel het Evangelie van Johannes is daartoe geschreven, opdat wij gelooven, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en geloovende, het leven zouden hebben in zijnen naam, 20 : 31.

Altijd keert de gedachte weder, dat dit de groote, alles bevattende inhoud des geloofs is. Wij hebben geloofd en bekend, belijden de discipelen, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods, 6 : 68. Martha zeide tot Jezus: Ja Heere, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, die in de wereld komen zou, 11 : 27. Te gelooven, dat Hij de Christus is, de Zone Gods, de Gezondene, die van God is uitgegaan, die is wat Hij van zichzelven getuigt, 8 : 24, 13: 19, 11 : 42, 16 : 27 en 30, 17 : 8, 21 — dat is de weg tot het eeuwige leven.

Dat geloof toch is geen bloot voor historisch waar houden van de |216| sententie, dat Jezus de Christus is, maar het sluit een kennen in van de waarheid, van den persoon van Christus, van den Vader, die Hem gezonden heeft. Het geloof richt zich door het woord heen op den persoon van Christus zelven. Het is geen gelooven op de autoriteit van eenig menschelijk getuigenis, maar een kennen en weten, dat Jezus waarlijk de Christus, de Zaligmaker der wereld is, 4 : 42. Het is een komen tot Christus zelven, een aannemen van zijn persoon, een eten van zijn vleesch en drinken van zijn bloed, een zijn en leven in Hem; het is een hebben van den Zoon. En wie den Zoon heeft, heeft het leven, 1 Joh. 5 : 11.

Daarom is het eigenlijk niet het woord en niet het geloof, maar het is Christus zelf, die door het geloof aan het woord het leven geeft. De Zoon maakt levend, dien Hij wil, want gelijk de Vader het leven heeft in zichzelven, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelven. En daarin volbrengt Hij juist den wil des Vaders, dat Hij aan allen, die in Hem gelooven, het eeuwige leven schenkt.

Maar anderzijds is het even zeker, dat het leven tot de kennis leidt. Het Evangelie van Johannes onderscheidt twee soorten van menschen; sommigen komen tot Christus, als zij zijn woord hooren, en gelooven in zijn naam, maar anderen verwerpen het, stellen er zich vijandig tegenover, en keeren er zich ongeloovig van af.

Daar zijn aan den eenen kant zulken, die uit de wereld, van beneden, niet van Jezus’ schapen zijn. En deze begrijpen het licht van den Logos niet, zij nemen Christus niet aan, zij komen niet tot het licht en hebben de duisternis liever dan het licht, zij hooren en kennen God niet, zij stellen de eere van menschen boven de eere van God, zij haten het licht.

Doch aan den anderen kant zijn er ook, die door den Vader aan Christus gegeven zijn, die van boven, uit God zijn geboren, die uit de waarheid zijn en de waarheid doen, die den wil van God willen doen, van Hem geleerd, en door Hem getrokken zijn. En deze komen tot het licht, dat in Christus is; zij nemen Hem aan, hooren zijn stem en volgen Hem; zij bekennen van de leer van Christus, dat zij uit God is en dat Hij niet van zichzelven spreekt. Ieder kent deze tegenstelling. Zij gaat door heel het leven en de geschiedenis heen. En het is inzonderheid het vierde Evangelie, dat ze telkens weer in het oog vat en in al haar scherpte doet uitkomen 1 : 12 en 13, 3 : 21, 6 : 45, 7 : 17, 8 : 47, 10 : 27, 11 : 52, 17 : 6 enz.

Er zijn vele uitleggers, die hierbij aan het Evangelie van Johannes een gnostisch dualisme toeschrijven. Er zouden dan van nature goede |217| en kwade, duivelsche en goddelijke menschen zijn. Maar deze opvatting is ongerijmd, want van nature ligt heel de wereld in het booze, en is voor ieder zonder onderscheid de wedergeboorte noodzakelijk. Tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien.

Ook is het onjuist, hierbij aan eene zedelijke voorbereiding te denken, welke de een in tegenstelling met den ander voor de aanneming van het evangelie van Christus aan zichzelven onder den invloed van opvoeding en omgeving zou kunnen schenken. Want niet in voorwaardelijken zin, maar volstrekt en beslist zegt Christus, dat degenen, die alzoo zijn wedergeboren, zeker en vast tot Hem komen en zijne stem hooren.

Maar duidelijk is de voorbereiding, die bij de uitverkorenen aan het komen tot Christus voorafgaat, van tweeërlei aard. De eerste bestaat daarin, dat zij door den Vader aan Christus gegeven zijn, met het bepaalde doel, dat Hij hun het eeuwige leven schenke. En de andere is hierin gelegen, dat zij op Gods tijd worden wedergeboren, door den Vader getrokken en tot Christus geleid worden.

Zoo is de kennis de weg tot het leven, maar ook omgekeerd het leven de weg tot de kennis. Beide staan met elkander in wederkeerig, onverbrekelijk verband.

Daarmede, dat kennis tot leven en leven tot kennis leidt, is beider wederkeerig verband nog niet voldoende omschreven en bepaald.

Uit Joh. 1 : 12, 13 wordt terecht afgeleid, dat het leven, hetwelk geschonken wordt in de geboorte uit God, aan het aannemen van Christus en het gelooven in zijn naam voorafgaat.

Het verband wijst dit uit. Het Woord, dat in den beginne bij God en zelf God was, is aan alle dingen verwant, bepaaldelijk aan de wereld, aan de menschheid en aan Israël. Want alle dingen zijn door dat Woord gemaakt. In dat Woord was het leven en het leven was het licht der menschen. En Israël was het zijne, dat Hij tot zijn erfdeel aangenomen had.

Op grond daarvan zou men verwachten, dat alle schepselen dat Woord bij zijne werking en verschijning in de wereld met vreugde zouden hebben begroet. Maar het tegendeel was het geval. De wereld, die door Hem was gemaakt, heeft Hem niet gekend. De menschheid, die in duisternis wandelde, heeft het licht niet begrepen. En zelfs de zijnen, tot wie Hij kwam in het vleesch, hebben Hem niet aangenomen.

Het scheen daarom, alsof de werking van den Logos in de wereld en de verschijning van Christus onder de menschen geheel ijdel en vergeefsch was geweest. Maar dat is toch inderdaad niet zoo. Daar waren er, die Hem aannamen en geloofden in zijn naam. Het waren zij, die |218| niet uit den bloede noch uit den wil des vleesches noch uit den wil des mans, maar uit God geboren werden.

Deze geboorte uit God verklaart dus, waarom zij, in onderscheiding van alle anderen, niet vijandig van Christus zich afkeerden maar geloofden in zijnen naam. Het geloof in en de kennis van Christus is vrucht van het leven, dat hun door geboorte uit God werd geschonken. Omdat zij van hemelschen, Goddelijken oorsprong waren, hebben zij Hem, die uit den hemel neergedaald en door den Vader gezonden was, als den Christus Gods erkend en beleden. Want wie uit God is, hoort de woorden Gods.

Toch, al is ongetwijfeld in dezen tekst de gedachte vervat, dat de wedergeboorte, de instorting van het beginsel des geestelijken levens, aan het aannemen van Christus en het gelooven in zijn naam voorafgaat, toch mag daaruit niet worden afgeleid, dat deze wedergeboorte door een afstand van jaren van het komen tot het geloof gescheiden is, dat zij buiten het Woord Gods om geschiedt en in den onbewusten toestand des menschen plaats heeft.

De vraag is thans hier niet aan de orde, of de wedergeboorte niet alzoo geschieden kan en dikwerf geschiedt, maar alleen, of het vierde Evangelie, de wedergeboorte plaatsende vóór het geloof, op dergelijke gevallen het oog heeft. En daarop is niet anders dan een ontkennend antwoord mogelijk.

Immers wisselt de uitdrukking: uit God zijn of geboren zijn, met deze andere af, dat alleen zij, die uit de waarheid zijn, die de waarheid doen, die den wil Gods willen volbrengen, dat zij alleen de stemme Gods hooren, tot het licht komen en van Jezus’ leer bekennen, dat zij uit God is. Hierbij kan er alleen gedacht worden aan zulke personen, die onder het evangelie leven, die eenigermate de waarheid Gods kennen en van zijn wil hebben gehoord. De waarheid is toch bij Johannes geen onbewuste aspiratie van den mensch, maar eene reëele wereld van gedachten, door God in Christus en alzoo in het evangelie geopenbaard.

Hetzelfde leert ook de bekende plaats Joh. 6 : 44, waar Jezus zegt, dat niemand tot Hem komen kan, tenzij de Vader hem trekke. Want dit trekken, ofschoon het volstrekt niet maar een zedelijke aanrading is, wordt in de volgende verzen door een van God geleerd worden verklaard. Wat Jezus daar zegt, is hetzelfde, als wat reeds in de profetie verkondigd werd, dat zij allen van God geleerd zullen zijn. Alleen zij, die van den Vader hoorden en leerden, n.l. wat Hij in zijn evangelie van Christus getuigt, die komen tot Hem. Het is dezelfde gedachte, die Jezus elders tot Petrus uitsprak, toen deze Hem beleden |219| had als den Christus, den Zoon des levenden Gods: vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is.

Als Jezus in het Evangelie van Johannes dus telkens tusschen twee klassen van menschen onderscheid maakt, tusschen zulken, die niet en anderen, die wel uit de waarheid zijn, dan heeft Hij daarmede allereerst ongetwijfeld de Joden van zijn tijd op het oog.

Die Joden waren de „zijnen”; zij behoorden tot het volk, dat Hij tot zijn eigendom had aangenomen. Hunne Schriften getuigden van Hem, al meenden zij ook ten onrechte, dat zij in de letter dier Schriften het eeuwige leven hadden. Door zijne geboorte uit Israël, bewees Hij, dat de zaligheid uit de Joden is. Maar de Joden stelden zich hoe langer hoe vijandiger tegenover Hem, verwierpen Hem en hechtten Hem aan het schandhout des kruises.

Slechts betrekkelijk weinigen waren het, die Hem als den Messias erkenden. Dat waren zij, die uit God geboren waren, die de waarheid deden, die den wil Gods wilden doen, maar die natuurlijk nog niet aanstonds, als zij van Jezus hoorden, konden aannemen, dat in dezen mensch de beloofde Messias verschenen was. Zoovelerlei twijfel en vreeze hield hen dikwerf nog langen tijd terug. Wij zien het in een Nathanaël, den Israëliet, in welken volgens Jezus’ getuigenis geen bedrog was, in een Nicodemus, die ’s nachts tot Jezus kwam, en in zoovele anderen, die eerst langzamerhand hunne oprechte verwachting van den Messias in dezen Jezus van Nazareth vervuld zagen.

Van al deze Israëlieten zonder bedrog kon getuigd worden, ook voordat zij Jezus als den Christus erkenden en beleden, dat zij uit God geboren waren en de waarheid deden en op ’s Heeren tijd de stem van Christus zouden hooren en verstaan.

En soortgelijke gevallen komen ook altijd, in kleiner of grooter getal, in de Christenheid voor. Daar zijn er, die niet uit de waarheid zijn en daarom steeds verder afwijken; zij gaan van ons uit, omdat zij niet van ons waren. Doch er zijn ook anderen, die wel uit God zijn geboren maar toch door twijfel of vreeze nog, als Nicodemus weleer, weerhouden worden van de belijdenis van Jezus als den Christus. Ook van hen geldt, dat zij de stem van Jezus eenmaal zullen hooren en Hem als zijne schapen volgen zullen.

Hieruit laat zich ook verklaren, dat het vierde Evangelie, schoon zoo sterk mogelijk uitsprekende, dat alleen de uit God geborenen tot Christus komen en in Hem gelooven, toch anderzijds de zedelijke verantwoordelijkheid des menschen geen oogenblik opheft of verzwakt. Van een gnostisch dualisme, dat de menschen van nature in soorten splitst, is nergens sprake. De geboorte uit God is geen physische |220| verandering of magische omzetting; zij draagt geheel en al een geestelijk karakter, zij staat met het kennen en doen der waarheid in verband.

Het trekken des Vaders verwezenlijkt zich door een hooren en leeren van wat God verkondigt. Daarom blijft de mensch voor zijn ongeloof verantwoordelijk. Het schort aan den wil, dat zoovelen niet tot Christus komen, om in Hem het eeuwige leven te vinden, 3 : 19 en 31, 5 : 40, 7 : 17, 8 : 44. Zelfs de wasdom van kennis en leven is daarvan afhankelijk, dat iemand in Christus blijft, gelijk de rank in den wijnstok, 15 : 2 en 9, 8 : 31.

Nergens wordt het verband van kennis en leven schooner en sterker uitgedrukt, dan in de woorden van Jezus in het hoogepriesterlijk gebed: dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.

De schrijver van het vierde Evangelie was niet dialectisch en wijsgeerig aangelegd als de apostel Paulus, maar hij had eene intuïtieve, contemplatieve natuur. Gelijk hij, zoolang hij met Jezus persoonlijk omging, geen hoogere vreugde kende, dan aan te liggen aan zijne borst, en de heerlijkheid te aanschouwen van het vleeschgeworden Woord, zoo bleef hij ook later als apostel altijd getuigen van datgene, wat hij gehoord en met zijne oogen gezien, wat hij aanschouwd en met zijne handen getast heeft van het Woord des levens. En dat verkondigthij, opdat, evenals hij zelf, zoo ook anderen daardoor gemeenschap hebben met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus.

Het is daarom een betrekkelijk kleine kring van gedachten, waarin deze apostel zoowel in zijn Evangelie als in zijn Brieven zich beweegt. Hij neemt zich niet voor, een geordend verhaal te leveren van Jezus’ woorden en daden. Hij streeft er niet naar, om eene geregelde uiteenzetting te geven van de voornaamste waarheden des heils. Hij laat dat aan anderen over en onderstelt de getuigenissen, die door andere apostelen van Christus’ persoon en werk in Evangelie en Brief zijn neergelegd. Hij bepaalt er zich toe, om die momenten uit Jezus’ leven en die gedachten der waarheid uit te werken, die hem het meest toespreken en aan welke hij zich, overeenkomstig zijn aanleg en karakter het meest verwant gevoelt.

Klein moge dus de kring van waarheden zijn, waarin Johannes zich beweegt, het is toch een kleine kring van groote, heerlijke waarheden. En aan deze waarheden ontdekt hij altijd nieuwe zijden; hoe meer hij erover peinst en nadenkt, des te meer diepten ontsluiten er zich in voor de oogen zijns geestes; door het woord dringt hij aanschouwend door tot de zaak, waarvan het woord getuigt. Zijn gelooven is een kennen van God, een aanschouwen van de Goddelijke heerlijkheid in |221| Christus, eene gemeenschap met den Vader en met den Zoon, dien Hij gezonden heeft.

Dat komt in heel het Evangelie van Johannes en ook in zijne Brieven uit. In de overige boeken van het N. Testament wordt de uitdrukking: woord Gods, alleen gebezigd van hetgeen door God in wet en evangelie gesproken is. Maar Johannes is de eenige, die dezen naam toepast op den Zoon, die van den beginne bij God en zelf God is, die het eeuwige natuurlijke, persoonlijke Woord van God is.

De beide beteekenissen, waarin die uitdrukking voorkomt, sluiten elkander niet uit maar vullen elkander aan; zij zijn onderling ten nauwste verbonden. En dat is het, wat Johannes gevoelt en beseft. Het evangelie is het woord Gods, juist omdat de persoon, die er de inhoud van is, het eeuwige Woord van God is. Het evangelie is daarom alleen zuivere, betrouwbare openbaring van God, omdat Christus, die het verkondigde en op aarde bracht, de Logos is, in wien de Vader zijn gansche wezen en leven, al zijne deugden en volmaaktheden uitgesproken heeft.

Maar daaruit vloeit ook terstond voort, dat het geloof aan het evangelie geen grond heeft, wanneer het niet samengaat met envrucht is van het geloof in den persoon van Christus. Een zoogenaamd historisch geloof is eigenlijk den naam van geloof niet waard. Het evangelie werkelijk gelooven en als Goddelijke waarheid aannemen, kan alleen, wie den Zoon vertrouwt, wie Jezus erkent als den Christus, als den Gezondene van den Vader, als den weg, de waarheid en het leven.

Daarom is in het Evangelie van Johannes het voorwerp des geloofs niets anders dan dit, dat Jezus is de Christus. Evenals objectief het evangelie als het woord Gods en Christus als het Woord Gods onverbreekbaar met elkander in verband staan, zoo valt subjectief het geloof aan het evangelie altijd met het geloof aan Christus saam. Beide zijn in den diepsten grond één. Met dezelfde daad der ziel omhelst de geloovige het evangelie als het woord Gods en Jezus als den Christus. Het geloof blijft niet bij het getuigenis aangaande Christus in het evangelie staan, maar richt zich door dat getuigenis heen op den persoon van Christus, dringt door het woord tot Hem door, van wien het getuigt, en treedt in levensgemeenschap met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus.

Deze gedachtengang leidt er den vierden Evangelist toe, om naast het gelooven ook nog van kennen te spreken. juist omdat het gelooven altijd tweeërlei insluit, aannemen van het evangelie en vertrouwen op Christus, is het in zekeren zin onvoldoende. Gelooven doet altijd denken aan het aannemen van eene getuigenis op grond van eene of andere |222| autoriteit. En dat is het ook altijd, op godsdienstig gebied evengoed als op andere terreinen des levens. Maar als de geloovige door het getuigenis des woords in levensgemeenschap treedt met Hem, die van dat woord de inhoud is, dan gaat het zelfs hier op aarde reeds in beginsel in een kennen over.

Dit kennen is bij Johannes geen dialectische ontleding van begrippen, geen bloot verstandelijk inzicht in het woord der waarheid. Zulk eene louter intellectualistische werkzaamheid is den naam van kennen niet waard, evenmin als het natuurlijke leven zonder het geestelijk leven den naam van leven, en de natuurlijke dood voor wie het leven in Christus deelachtig is den naam van dood verdient. Zulk een kennen is eigenlijk een liegen. Die daar zegt: ik ken Hem en zijne geboden niet bewaart, die is een leugenaar en in hem is de waarheid niet. Een iegelijk, die zondigt, heeft God niet gezien en heeft Hem niet gekend. Die niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde, 1 Joh. 2 : 4, 3 : 6, 4 : 8. Het ware kennen wordt in de practijk openbaar. Hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben. zoo wij zijne geboden bewaren, 1 Joh. 2 : 3.

Het echte wezenlijke kennen is eene daad van den ganschen mensch, een in zich opnemen van de waarheid als Goddelijke realiteit, eene aansluiting aan den persoon zelven, van welken het woord de getuigenis is, een aanschouwen van God en eene gemeenschap met God. Het is boven de ons gewone tegenstelling van weten en doen, van theorie en practijk zeer verre verheven, omvat hoofd en hart te zamen en neemt verstand en wil beide in dienst. En van dat kennen zegt jezus in het hoogepriesterlijk gebed, dat het het eeuwige leven is.

Niet van het kennen in het algemeen, maar van het practische, religieuse, zaligmakende kennen, dat den eenigen waarachtigen God tot voorwerp en inhoud heeft, zegt Christus in het hoogepriesterlijk gebed, dat het met het eeuwige leven één is.

Deze eenheid is van zeer geheimzinnigen aard; zij laat zich moeilijk onder woorden brengen en geeft daarom ook tot verschillende opvattingen en verklaringen aanleiding. Soms wordt deze eenheid verzwakt en de kennisse Gods in het aangezicht van Christus slechts beschouwd als het middel, om het eeuwige leven deelachtig te worden. En aan den anderen kant wordt de eenheid van kennis en leven zoo nauw genomen, dat beide ten volle saamvallen en vereenzelvigd worden.

Beide uitleggingen lijden aan eenzijdigheid.

De eerste blijkt reeds daardoor onhoudbaar, dat zij kennen met gelooven verwart en het onderscheid, dat tusschen beide in het Evangelie van Johannes gemaakt wordt, over het hoofd ziet en miskent. Geloof |223| is een middel tot de zaligheid en het eeuwige leven; maar dit kan niet evenzoo, in denzelfden vollen zin van het kennen worden gezegd.

Weliswaar schijnen gelooven en kennen op het eerste gezicht geheel hetzelfde te zijn. Beide woorden hebben menigmaal hetzelfde object, nl Jezus als den Christus, den Gezondene van den Vader; beide worden met voorwerpszinnen verbonden. inhoudende, dat Jezus de Christus, de Zoon des levenden Gods is; beide wisselen onderling en gaan in elkander over.

Maar toch zijn er gegevens genoeg, die ons een duidelijk onderscheid tusschen gelooven en kennen aan de hand doen. Reeds daarom kunnen zij niet volkomen gelijk zijn, wijl zij meermalen naast elkander voorkomen. Wij hebben geloofd en bekend, zeggen de discipelen, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods, Joh. 6 : 69. Soms gaat dan het geloof aan het kennen, 6 : 69, 10 : 38, maar soms ook het kennen aan het gelooven vooraf, 17 : 8, 1 Joh. 4 : 16. Het gelooven gaat aan het kennen vooraf, wijl eerst de door het aannemen van het evangelie verkregene vaste overtuiging, dat Jezus de Christus is, den weg baant tot kennis van zijn persoon. Maar omgekeerd moet op het kennen toch altijd weer het gelooven volgen, wijl de kennis van Jezus’ persoon als den Gezondene van den Vader steeds de zekerheid bevestigt aangaande het evangelie, dat van Hem getuigt. Er is hier wederkeerige inwerking op elkander. Het geloof leidt tot kennis, maar de kennis bevestigt ook weer het geloof.

In deze bedeeling kan dit ook niet anders. Het geloof is beide, een zeker weten en een vast vertrouwen; het heeft het evangelie en daardoor den persoon van Christus tot object; het is, gelijk Calvijn het uitdrukte, altijd een omhelzen van Christus in het gewaad der Heilige Schrift. Wij kennen Christus hier op aarde niet anders dan uit en door zijn Woord; elke andere weg, die ingeslagen wordt om tot kennis van Christus te komen, is een dwaalweg, die ten verderve leidt.

Maar daarom is gelooven en kennen dan ook niet één en hetzelfde. Weliswaar kan ook van Christus gezegd worden, dat Hij geloof en hope had, en de Gereformeerden hebben dit terecht tegenover de Roomschen vastgehouden. Want Hij was uit den hemel op aarde nedergedaald, en wandelde dus, evenals wij, naar zijne menschelijke natuur, niet in aanschouwen maar in geloof. Maar toch is het opmerkelijk, dat Jezus wel dikwerf zegt, dat Hij den Vader kent, 7 : 29, 8 : 55 enz., maar nooit, dat Hij in Hem gelooft. De reden is deze, dat Christus als de eeniggeborene, alles wat Hij van den Vader wist, van den Vader zelf gehoord en gezien had. Niemand heeft ooit God gezien. de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die dus ook in den |224| schoot des Vaders was, toen Hij rondwandelde op aarde, die heeft Hem ons verklaard.

Maar met de geloovigen is dit anders. Zij hebben God niet gezien en zien Hem hier op aarde niet. Zij wandelen door geloof, zijn gebonden aan het woord der apostelen en kunnen alleen tot gemeenschap met den Vader komen door de gemeenschap met de apostelen. Het geloof is dus de eenige vorm, waarin de kennis van God hier op aarde hun deel kan zijn; de eenige weg en het eenige middel, dat de gemeenschap met God hun ontsluit. Alle kennis is hier op aarde geloofskennis.

In den hemel echter gaat het gelooven in aanschouwen over. En die aanschouwing is een andere weg tot kennis. De kennis blijft, maar zij wordt hier op aarde en boven in den hemel op verschillende wijze verkregen. Wel zegt de apostel Paulus, dat met profetieën en talen ook de kennis te niet gedaan zal worden. Maar hij verklaart dit zelf eenige verzen later door te zeggen: nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ik gekend ben.

De kennis is dus iets anders en iets meer dan het geloof. Het geloof is de weg tot de kennis en de kennis is de vrucht des geloofs. Het geloof sluit altijd in dien eigenaardigen vorm, waarin hier op aarde de kennisse Gods alleen optreden kan; het duidt ook altijd den weg aan, waarin zij thans alleen door ons verkregen kan worden. Maar de kennis laat dien vorm in het midden en ziet af van den weg, om alleen onze aandacht te bepalen bij haar inhoud, bij hetgeen, hetzij langs den weg des geloofs hetzij langs dien des aanschouwens, door ons aan kennis van den eenigen waarachtigen God verkregen kan worden.

Hoezeer de kennis, op aarde door het geloof en in den hemel door de aanschouwing verkregen, uiteenloopt, zij hebben toch onderling zooveel gemeen, dat zij met denzelfden naam aangeduid kunnen worden. Met het geloof is dat niet het geval; dit houdt eenmaal op en gaat in aanschouwen over. Maar de kennis blijft, zij legt alleen het onvolmaakte, het „ten deele” af, om over te gaan in het kennen, gelijk ik gekend ben. Het is er evenzoo mede gesteld, als met het eeuwige leven, dat hier op aarde reeds een aanvang neemt doch in den hemel voltooid wordt.

Daarom kan van het geloof gezegd worden, dat het de weg en het middel tot het leven is; wie gelooft, heeft het eeuwige leven. Maar het kennen is meer dan middel, het is een element, een bestanddeel van het eeuwige leven. Het eeuwige leven bestaat in kennis van den eenigen waarachtigen God en van Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft.

Gelooven en kennen, zoo bleek ons, zijn in den mond van Jezus en in het Evangelie van Johannes niet hetzelfde. Gelooven is de weg, waarin |225| het eeuwige leven ons geschonken wordt; maar kennen is een bestanddeel van dat eeuwige leven zelf. Gelooven houdt eenmaal op en gaat in aanschouwen over, maar het kennen blijft, al wordt ook het „ten deele” in de hemelsche heerlijkheid vervangen door het: „gelijk ik gekend ben.”

Maar daarmede is toch volstrekt nog niet die andere uitlegging van Joh. 17 : 3 gerechtvaardigd, welke beide, kennen en leven, geheel en al vereenzelvigt en alle onderscheid tusschen beide ten eenenmale uitwischt.

Afgedacht daarvan, dat de H. Schrift, steeds op alle terrein alle verwarring en vermenging vermijdt, is er voor het gevoel iets stuitends in, om de woorden in Joh. 17 : 3 te willen opvatten als eene definitie, als eene redekunstige bepaling, welke Christus van het eeuwige leven geeft. Het is het hoogepriesterlijk gebed, waarin deze woorden voorkomen; het gebed, dat Christus tot den Vader opzond, voordat Hij over de beek Kedron inging in den hof van Gethsemané, om den strijd zijner ziele te strijden, In zulke oogenblikken definieert men niet. Het leven des gebeds wordt door andere wetten dan die der logica beheerscht.

Maar bovendien, meermalen bedient zich de H. Schrift van het werkwoord zijn, zonder eene vereenzelviging van twee daardoor verbonden zaken of begrippen te willen aanduiden. Ieder kent de instellingswoorden van het avondmaal en weet, dat het brood, ook zelfs op Luthersch en Roomsch standpunt, niet ten volle identisch is met het lichaam van Christus. En niemand zal meenen, dat Jezus eene logische bepaling van het geloof wil geven, als Hij in Joh. 6 : 29 zegt: dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, dien de Vader gezonden heeft.

Zoo is het ook met de uitspraak, dat het eeuwige leven in de kennis van God gelegen is. Zij dwingt ons geenszins tot de gedachte, dat beide één en hetzelfde zijn en zonder schade met elkander kunnen afgewisseld worden. Trouwens zal niemand beweren, dat de woorden: die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, zonder verschil van beteekenis te vervangen zouden zijn door deze andere: die in den Zoon gelooft, heeft de kennis van den eenigen, waarachtigen God. En evenmin zal iemand meenen, dat de zin: die dit brood (dat uit den hemel is nederdaald) eet, zal in eeuwigheid leven, omgezet zou kunnen worden in de gedachte: die dit brood eet, zal God kennen.

En eindelijk, kennis en leven zijn wel in God en in het Woord, den Logos, één, maar daarom nog niet in de menschen, wier leven en licht zij zijn. In God is elke eigenschap met zijn wezen één: Hij heeft niet alleen maar is alles in volstrekte volmaaktheid, wat door zijne deugden en eigenschappen te kennen gegeven wordt. Hij is het leven, het licht zelf, en Christus is de waarheid en het leven. Maar alzoo is het niet en kan het niet zijn in schepselen, die, ofschoon oorspronkelijk naar zijn |226| beeld geschapen, toch eindig en beperkt zijn en niets dan eene flauwe schaduw en eene matte gelijkenis vertoonen van wat eeuwig en volmaakt aanwezig is in God. In menschen kan slechts door samenvoeging en onderlinge verbinding van deelen eene analogie bestaan van de deugden, die op de allereenvoudigste wijze en zonder eenige samenstelling schitteren in het wezen onzes Gods. Kennis en leven mogen daarom in den mensch nog zoo nauw verbonden zijn: zij zijn nooit volstrekt één: de innige verwantschap doet de verscheidenheid niet te niet.

Daarom kan men de woorden van Christus niet anders opvatten, dan dat de kennis van den eenigen waarachtigen God en van Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft, inzoover het eeuwige leven is, als zij daarmede in een natuurlijk, vanzelfsprekend. onverbreekbaar, organisch verband staat en er een wezenlijk, blijvend bestanddeel van uitmaakt. Dat is niet het geval met het geloof. Het eeuwige leven is aan het geloof in zekeren zin en tot op zekere hoogte slechts uitwendig en toevallig verbonden. Eens toch houdt het geloof op en gaat in aanschouwen over, maar het eeuwige leven blijft, dat wel in volheid van genieting maar niet in natuur en wezen verandert. Maar anders is het gelegen met de kennis van God. Zij blijft er eeuwig mede in verband staan en vormt een nooit te verwijderen bestanddeel van het eeuwige leven.

De kennis van God toch in het aangezicht van Christus heeft maar niet, gelijk het geloof, het eeuwige leven tot vrucht en gevolg. Het vloeit er niet uit voort, gelijk het water uit de bron; het komt er niet uit op, gelijk de plant uit den bodem. Maar die kennis is zelf leven, eeuwig, zalig leven. Want de religieuse kennis is bij Johannes geen zaak van het hoofd, geen verstandelijk weten, maar eene werkzaamheid van den ganschen mensch, bestaande in aanschouwing der waarachtige werkelijkheid. En leven is bij hem geen naakt bestaan, geen puur zijn, maar leven en levensvreugde saâm, onverstoorbare blijdschap, eeuwige zaligheid. Wie op deze wijze God kent, den eenigen waarachtigen God in het aangezicht van Christus, en dus niet eenig schepsel maar den Schepper zelven, de fontein van leven en licht, die leeft op datzelfde oogenblik en is in dat leven zalig. Hij leeft, omdat en inzoover hij kent. Zijne kennis is zijn leven, het hart, het brand- en middelpunt, de zon, het leven van zijn leven. Wie God kent, leeft; wie Hem niet kent, is dood.

Uit de natuur laat deze diepzinnige, geestelijke waarheid zich eenigermate ophelderen. Met de kennis neemt op ieder gebied de inhoud van het menschelijk leven toe. Hoe omvattender het bewustzijn, des te rijker het zijn. De onbezielde schepselen kennen niet en leven niet. Als in de redelooze doch bezielde schepping eenig bewustzijn straalt, neemt ook het leven aanstonds in diepte en rijkdom toe. En onder de menschen |227| is het rijkst het leven van hem, die het meeste kent. Wat is het leven van den kranke van zin, van den onnoozele, van den eenvoudige en onontwikkelde arm en beperkt, vergeleken bij dat van den dichter en denker, den wijsgeer en kunstenaar! Hoe neemt het leven toe aan volheid en kracht, als de gezichtskring zich uitbreidt, de kennis zich vermeerdert en de menschelijke geest de tijden en de ruimten door wandelt.

Wetenschap vermeerderen, het is wel in zekeren zin vermeerdering van smart en vermoeiïng des vleesches, wijl de weg tot de waarheid door de duisternis der zonde en dwaling zoo moeilijk te ontdekken en te volgen is. Maar aan de andere zijde, wat is wetenschap heerlijk, en wat is kennis een genot. Te kennen, iets te kennen van de wijsheid, welke God tentoonspreidt in de werken zijner handen, het is leven en vreugde en zaligheid. De waarheid is zulk een onwaardeerbaar goed, dat zij ook reeds op natuurlijk gebied vrijmaakt en leven geeft. Hoeveel te meer zal dit dan het geval zijn, als de kennis God zelven tot voorwerp en inhoud heeft, den eenigen waarachtigen God, gelijk Hij zich in Christus heeft geopenbaard! Deze kennis kan niet anders zijn dan een leven uit de dooden. En het eeuwige leven zal altijd bestaan in een kennen, een genieten, een aanschouwen van God. Zij zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hunne voorhoofden wezen.

Het innig verband van kennis en leven vindt in het Evangelie van Johannes wel zijne scherpste uitdrukking en zijne diepste verklaring. Maar het komt toch volstrekt niet alleen in dat Evangelie ter sprake; veeleer ligt het aan heel de leer der Schrift over God en mensch ten grondslag, en wordt het telkens van eene verschillende zijde in het oog gevat en op eene andere wijze in het Iicht gesteld. In den breede is dit hier niet aan te toonen of te ontwikkelen. Slechts op enkele bijzonderheden moge de aandacht gevestigd worden, om de hoofdgedachte, die het Evangelie van Johannes ons deed kennen, te verduidelijken en te versterken.

Allereerst komt de schepping des menschen in aanmerking, waarbij God geheel anders te werk ging en een gansch ander wezen in het aanzijn riep dan bij die van engel en dier. Van de wijze, waarop de engelen geschapen werden, is ons wel niets bekend. Maar wij weten toch, dat zij onstoffelijke, onlichamelijke wezens zijn, geen zielen maar geesten, soortelijk onderscheiden van dier en van mensch.

Niet de engel maar wel de mensch is naar Gods beeld en gelijkenis geschapen. De engel moge de sterkere en de machtigere geest zijn, de mensch is de rijkere geest. Door de menigvuldige verhoudingen, waarin hij tot aardsche en hemelsche schepping, tot stoffelijke en geestelijke wereld, tot gezin en maatschappij, tot staat en kerk geplaatst is, is ieder mensch eene wereld in het klein en is hij een leven deelachtig |228| dat diep is als de zee en hoog als de hemelen en breed als de aarde.

En ook van de beneden hem staande, lagere schepselen is de mensch soortelijk en wezenlijk onderscheiden. De planten en dieren ontstaan op Gods machtwoord uit de aarde en worden door deze zelve, ofschoon niet uit zichzelve voortgebracht. De Geest Gods, die zweefde over de wateren en alles met zijne Goddelijke kracht doordringt, bracht ze door zijne bevruchtende werking uit den moederschoot der aarde te voorschijn. Daarom is het leven, dat zij deelachtig zijn, aan de stofwisseling zoo gebonden, dat het geen bestaan en geen bestand heeft in zichzelf. En ook gaat het niet boven de aarde uit: zelfs in zijne hoogste ontwikkeling is het een droomend leven, een wandelen in den nacht, zonder diepte van inhoud, zonder innerlijkheid van bestaan.

Maar anders is het bij den mensch. Als hij geschapen zal worden, gaat een bijzondere raadslag Gods, eene raadpleging met zichzelven vooraf. En zijne schepping bestaat daarin, dat zijn lichaam wel genomen wordt uit het stof der aarde, maar dat hem toch door God zelven een adem des levens wordt ingeblazen van boven, en hij op deze wijze en in dezen weg wordt tot eene levende ziel.

De mensch is daarom eenerzijds evenals plant en dier een bezield zinnelijk wezen; hij is geen geest, gelijk de engelen, maar eene ziel. Het zinnelijk, lichamelijk leven behoort tot zijne natuur. Zonder lichaam mag hij eigenlijk niet bestaan. Als door de zonde de scheiding van ziel en lichaam intreedt en de ziel dus bij ieder mensch ook een afgezonderd bestaan kan leiden, dan is dat een abnormale, een tijdelijke toestand. In de opstanding wordt de band, die door het geweld des doods losgemaakt maar nooit volstrekt verbroken werd, weer aangeknoopt en onverbrekelijk vastgelegd. De mensch is uit de aarde en behoort bij de aarde.

Maar toch is hij van de dieren daardoor onderscheiden, dat hem een eigen, zelfstandige adem des levens ingeblazen en geschonken werd. Het innerlijke van zijn wezen is geest. Het dier moge opgaan in zijne verschijning; bij den mensch kan er gesproken worden van een inwendigen, verborgen mensch. Zijn leven, schoon verbonden met de stof en daarom een psychisch karakter dragende, komt toch op uit de diepte van eene geestelijke zelfstandigheid en een zelfstandigen geest, die daarom ook desnoods buiten en zonder het lichaam zijn leven voortzetten kan. De dieren hebben geen eigen geest, maar van den mensch getuigt Paulus, dat de geest in hem weet, wat des menschen is.

Van het leven der lagere schepselen is het leven des menschen daarom onderscheiden zoowel in diepte als in hoogte. Als de Schrift ons op de diepte van dat leven wijzen wil, spreekt zij van het hart van den mensch. Dat hart toch is de bron van het leven, van alle |229| leven in den mensch, van aandoeningen en hartstochten, van begeerte en wil, zelfs van denken en kennen: gedachten en overleggingen komen op uit het hart en het denken heet een spreken in het hart. Uit het hart zijn bij den mensch al de uitgangen des levens. De geest is het zelfstandige beginsel des levens in den mensch; maar dat leven is zoo vol en zoo rijk, dat het als het ware door den geest uit de diepten van het hart wordt te voorschijn gebracht.

Als daarentegen de Schrift ons wijzen wil op de hoogte, waartoe het leven des menschen zich verheft, dan spreekt zij van zijn verstand en rede (nous). Omdat de menschelijke ziel in haar wezen geest is, gaat zij hoog boven het leven der waarneming uit, dat ook aan de dieren eigen is. Het verstand is het vermogen en de zetel van het zelfbewustzijn, van denken en kennen, van onderzoeken en beproeven, van overleggen en willen. Door dat verstand kent de mensch niet alleen de zienlijke dingen, maar dringt hij ook tot de onzienlijke door. Daardoor verstaat hij de eeuwige kracht en Goddelijkheid. welke van God in de werken zijner handen openbaar wordt. Daardoor heeft hij een besef van de wet Gods, die in zijn hart geschreven staat. Daardoor beproeft en onderzoekt hij, welke de wil Gods zij. Door verstand en rede is de mensch burger van eene hoogere, dan de zienlijke, wereld en heft hij zich op tot het rijk der eeuwige en onvergankelijke goederen.

En deze beide nu, verstand en hart, staan in de Schrift steeds in het allernauwste verband. Zij zijn twee zijden van den éénen geest, die in den mensch woont; twee openbaringen of uitingen van het ééne leven, dat hem geschonken is. Het hart duidt den bodem aan, waarin dat leven wortelt en waaruit het opkomt; het verstand toont ons den bloesem en de vrucht, welke dat leven in zijn hoogste ontwikkeling draagt. Het hart is de wortel, het verstand is de kroon van den boom des levens. Het leven van den mensch schiet nederwaarts wortelen in het hart en draagt opwaarts vruchten in het verstand.

Bij deze zielkundige beschouwing van den mensch, welke de Schrift ons aan de hand doet, sluit zich op het nauwst hare leer van het beeld Gods aan.

Indien wij een oogenblik tusschen den mensch en het beeld Gods, waarnaar hij geschapen werd, onderscheid mogen maken, kunnen wij zeggen, dat de mensch als zinnelijk-redelijk wezen op het beeld Gods aangelegd is en dat het beeld Gods op de zuiverste en volkomenste wijze bij hem past.

Toch mag deze onderscheiding geen oogenblik voedsel geven aan het denkbeeld, alsof de mensch, ook zonder het beeld Gods, een waar en compleet mensch zou kunnen wezen, gelijk Rome beweert. |230|

Het beeld Gods is geen bovennatuurlijk toevoegsel, dat bij den reeds geschapen mensch bijkomt. Maar het behoort tot zijne natuur. Wel is het geen substantie, want dan zou de mensch, doordat hij het beeld Gods verloor, tegelijkertijd ophouden mensch te zijn. Maar het is toch eene wezenlijke, natuurlijke, geen toevallige en willekeurige hoedanigheid, die hem zoo eigen behoort te zijn als de gezondheid aan zijn lichaam, en zonder welke hij ophoudt een normaal mensch te wezen. Het beeld Gods is niets anders dan de geestelijke gezondheid van den mensch, de rechtheid van zijn verstand en hart en van al zijne vermogens en krachten.

Het beeld Gods wordt daarom niet later, hetzij in tijd hetzij in gedachte, aan den mensch toegevoegd; maar hij wordt terstond alsbeeld Gods geschapen, en ontvangt in zijn verstand die kennis der waarheid en in zijn hart die gerechtigheid en heiligheid, welke hij behoeft om Gode te gelijken en aan zijne wet te beantwoorden.

Het beeld Gods bestaat dus niet alleen, ofschoon in ruimen zin toch ook, in de vermogens van verstand en wil, maar het brengt terstond een positieven inhoud mede, welke aan die vermogens past en er van nature bij behoort.

Immers is het verstand van nature voor de waarheid bestemd en op de waarheid aangelegd. De waarheid is het goed des verstands. Het verstand kan geen rust en vrede vinden, voordat het de waarheid gevonden heeft. Het stelt zich niet, gelijk Lessing beweerde, met het zoeken naar waarheid tevreden, om het bezit der waarheid aan God over te laten; maar de honger en dorst van het verstand naar de waarheid wordt eerst door de waarheid zelve gestild en gelescht.

En evenzoo is het met het hart gelegen. Het vindt geen rust, voordat het ruste vindt bij God, tot wien het geschapen werd. De gerechtigheid en de heiligheid Gods alleen stilt de behoefte, welke van dat hart onafscheidelijk is, en doet het opspringen van vreugde.

Daarom zegt Paulus, dat de geloovigen, vernieuwd zijnde in den geest huns gemoeds, den ouden mensch moeten afleggen, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding en den nieuwen mensch moeten aandoen, die naar het beeld Gods geschapen werd in gerechtigheid en heiligheid der waarheid.

De oude mensch wordt verdorven, verderft meer en meer overeenkomstig de lusten en begeerlijkheden, welke van de bedriegerij der zonde uitgaan en waarmede zij het op het verderf van den ouden mensch toegelegd heeft. Maar de nieuwe mensch, die in de geloovigen woont, werd in hen geschapen, evenals de eerste mensch, naar het voorbeeld Gods in gerechtigheid en heiligheid der waarheid. |231|

De waarheid toch, welke door God in Christus werd geopenbaard, brengt, indien zij door het geloof aangenomen wordt, gerechtigheid en heiligheid mede. Gelijk de leugen en de verleiding der zonde het verderf bewerkt, zoo gaat er van de erkende waarheid eene kracht uit, die de schuld der zonde te niet doet, haar smet ten eenenmale uitwischt en alzoo den mensch weer in zijne oorspronkelijke verhouding tot God herstelt.

Dan wordt de mensch weer, wat bij in den beginne was, een profeet, die de waarheid Gods verkondigt, een priester, die zich Gode wijdt, en een koning, die naar Gods wil al het geschapene regeert en aan zijne macht onderwerpt. Hoofd, hart en hand worden in hunne oorspronkelijke harmonie hersteld en saam aan den wil des Heeren dienstbaar gemaakt.

Onderling werken deze op elkander in. Het hoofd leidt het hart, het hart laat zijn invloed ook op het hoofd uitgaan. Het geloof, dat eene werkzaamheid is van het verstand, heeft het wonen van Christus in ons ten gevolge; en dat geloof is zelf weer eene vrucht van de wedergeboorte uit water en geest. De kennis verrijkt en bevordert het leven, maar het leven gaat over in kennis en geeft er richting en leiding aan.

Zelfs in den toestand der zonde, waarin overigens de rechte verhouding verstoord is, blijft altijd die wederkeerige inwerking van hoofd en hart op elkander bestaan. En bij de Oostersche volken in nog veel sterker mate dan bij de Westersche.

Gene toch zijn veel ontvankelijker en veel vatbaarder voor indrukken. Zij hebben dieper gevoel, sterker hartstocht, rijker verbeelding, en zijn minder kalm van natuur en minder bedaard van overleg. Zij leven veel dichter bij hun hart dan wij. Wat zij waarnemen, dringt terstond tot het binnenste van hun wezen door en stuit nooit af op een onaandoenlijk gemoed of eene onverschillige natuur. En omgekeerd, wat zij gevoelen, uit zich aanstonds in woord en gebaar en zet schier onmiddellijk zich om in gedachte en daad. De afstand tusschen hoofd en hart is klein en spoedig doorloopen.

Anders is het bij de Westersche volken, die meer verstandelijk zijn aangelegd. Zij kenmerken zich door een sterk gevoel van vrijheid, door een krachtig streven naar onafhankelijkheid. Zij munten uit door klaarheid van gedachte, strengheid van betoog, scherpzinnigheid van redeneering. Het hoofd heeft hier van den aanvang af eene andere, grootere beteekenis dan het hart. Altijd heeft onder de Indo-Germaansche volken het streven bestaan, om het hoofd te emancipeeren van het hart en de rede te doen heerschen over de aandoeningen des gemoeds en de lusten en tochten van het hart.

Maar desniettemin behoudt het hart zijne invloedrijke beteekenis in |232| het leven van iederen mensch. Zelfs de dorste rationalist en de diepzinnigste wijsgeer ontkomt aan zijne machtige werking niet. Men kan wel zeggen en eischen, dat het hart op ons waarnemen en denken en oordeelen geen invloed hebben mag. Maar aan dezen eisch kan niemand in de werkelijkheid voldoen. In ieder vak van wetenschap komt het beginsel uit, waarvan de onderzoeker uitgaat. Wat voor levens- en wereldbeschouwing men toegedaan is, wordt ten slotte niet door het hoofd maar door het hart beslist.

Uit het hart zijn de uitgangen des levens, ook van het leven der wetenschap. En Jezus heeft zelf gezegd, dat uit het harthetonverstand voortkomt; dat men wedergeboren moet zijn, om het koninkrijk der hemelen te zien; en dat zoo iemand wil den wil zijns Vaders doen, van zijne leer bekennen zal, of zij uit God is dan of Hij van zichzelven spreekt.

In het beeld Gods, dat de mensch oorspronkelijk ontving en waarnaar hij in Christus herschapen wordt, behooren waarheid, gerechtigheid en heiligheid daarom onverbrekelijk bijeen. De eene is niet te denken en niet te verkrijgen zonder de andere.

De mensch, die dit beeld deelachtig werd, is niet alleen de met God maar ook de met zichzelven en met alle dingen verzoende mensch. Wat door de zonde uiteengeslagen werd en in vijandschap tegenover elkaar kwam te staan, is in beginsel in de rechte verhouding hersteld.

De Christen is de mensch Gods, die tot alle goed werk volmaaktelijk is toegerust.

Geen willekeur of toeval was het, maar hooge wijsheid, dat God een Oostersch volk, dat Hij Israël verkoos, om drager zijner openbaring te zijn en den Christus voort te brengen, zooveel het vleesch aangaat.

In velerlei opzicht stond Israël ten achter bij de volken, met welke het door heel zijne geschiedenis heen in aanraking kwam. Het kon geen voorname rol spelen in de wereldhistorie, niet wedijveren in wetenschap of kunst, noch ook zijne mededingers op zijde streven op het gebied van handel en nijverheid.

Niet om zijne veelheid noch om zijne macht werd het door den Heere boven andere volken verkoren. Maar God had het lief naar zijn welbehagen en bereidde zelf het zich toe tot een volk zijns eigendoms. Israël moest niet groot zijn en machtig door zijne natuurlijke gaven; het had niet voort te brengen vergankelijke stelsels van wijsheid noch te scheppen onsterfelijke werken van kunst. Maar het moest overeenkomstig zijn onder Goddelijke leiding gevormden aanleg ontvangen en bewaren, wat de Heere er in zijne genade aan schonk. Het moest niet wijsgeerig over God redeneeren, maar luisteren naar de woorden Gods, |233| getuige zijn van zijne wonderen, en onder de drijving des Geestes zijne daden verkondigen aan de volken der aarde.

En daarom draagt het kennen in de H. Schrift zulk een gansch bijzonderen zin en zulk eene diepe, rijke beteekenis.

Het Hebreeuwsche woord, dat door kennen is overgezet, duidt eigenlijk aan, een zich toeëigenen van wat buiten en tegenover ons staat; een uit den weg ruimen van de hindernissen, die er ons van verwijderd houden; een te niet doen van den afstand, die er ons van scheidt.

Op diepzinnige wijze wordt het daarom gebruikt van de vereeniging van man en vrouw, welke in het huwelijk plaats grijpt. In de echtelijke gemeenschap eigent de man de vrouw en de vrouw den man zich toe, zoodat zij worden tot één vleesch.

Van God gebezigd, krijgt het daarom de beteekenis van verkiezen in genade, van aannemen in liefde. Als er gezegd wordt, dat God Israël, dat Hij zijn volk, dat Hij de zijnen kent, dan wordt daarmede uitgedrukt, dat Hij zich tot hen henen wendt, dat Hij hen zich toeëigent, dat Hij allen afstand en elke hindernis, die scheiding maakt, verwijdert, en dat Hij met hen in liefde zich vereenigt.

Dat doet Hij in den weg van openbaring, door verschijning, door woord en door daad; voorbereidend eerst onder Israël door wet en profetie en dan in de laatste dagen door zijnen Zoon, die de vervuller is van heel het Oude Testament, de hoogste drager der Godsopenbaring, God zelf geopenbaard in het vleesch.

De kennis, welke God alzoo in Christus ten opzichte van zijn volk in werking zet, is daarom de wortel van alle volgende weldaden, de springader des geestelijken levens, de eerste schakel in de keten des heils. Zij brengt te harer tijd de roeping, de rechtvaardiging, de heerlijkmaking mede. God eigent degenen, die Hij kent, zich toe; Hij neemt hen tot zijne kinderen aan; Hij maakt hen aan zijn eigen beeld gelijk. En het schrikkelijkst oordeel zal voor den mensch gelegen zijn in de woorden des Heeren: Ik heb u nooit gekend.

In dezen zelfden diepen zin wordt het kennen ook van den mensch gebruikt. Hemelsbreed is het van het weten onderscheiden, dat dikwerf niet anders geldt dan de beschrijving van een persoon of zaak. Maar kennis is door en door persoonlijk; zij rust op persoonlijke kennismaking; zij is eene geestelijke toeëigening, eene uiting van zieleverwantschap; zij is alleen te verkrijgen, wanneer men ergens, gelijk het in Spr. 27 : 23 heet, zijn hart op zet.

Zoo kennende en gekend, ontmoeten God en mensch elkander in Christus. In Hem zijn zij voor eeuwig met elkander verzoend en sluiten zij duurzamen vrede. Dwaas is daarom de natuurlijke mensch, die aan |234| de kennis van des Heeren wegen geen lust heeft. Maar wijs is de man, die den Heere vreest. Want wie God kent, die vindt in die kennis het leven en trekt een welgevallen van den Heere. Hij is door God zelf geleerd, heeft de zalving van den Heilige en weet alle dingen. Eertijds duisternis, is hij thans licht in den Heere, zoekt het licht en wandelt in het licht.

Naar twee richtingen breidt dan die kennis zich uit. Zij ontvouwt zich als wetenschap en als wijsheid. Tusschen beide is het onderscheid groot. Wetenschap is vrucht van opzettelijk onderzoek en nadenken, wijsheid is vrucht van practisch inzicht. Er zijn wetenschappelijke menschen, die zeer dwaas zijn, en er zijn eenvoudigen en onontwikkelden, die uitmunten door groote wijsheid. De zondaar, die, hoe geleerd ook, zegt: er is geen God, is een dwaas. En het kind van God, dat alle wetenschap mist, is wijs door de wijsheid, die van boven is.

Beide hebben Gods openbaring tot grondslag. Nergens wordt dit schooner gezegd dan in de eerste zes verzen van Spreuken 30: zij zijn in onze vertaling niet duidelijk overgezet maar hebben deze hoofdgedachte. De man n.l. Agur spreekt: Ik heb mij om God bemoeid en getracht Hem te vinden, maar ik vermag het niet, want ik ben onvernuftig en heb geen wijsheid of wetenschap, dat ik God, die zoo groot en wiens naam zoo wonderlijk is, kennen zou. Eén weg is er slechts om Hem te kennen: alle woord Gods is louter en doet Hem kennen als een schild voor allen, die op Hem vertrouwen. En tot dat woord mag niets worden toegedaan, opdat God ons niet straffe en tot een leugenaar make.

Uit de kennisse Gods worden beide, wetenschap en wijsheid, geboren, en in haar hebben beide heur doel. Zoo ver is het er van af, dat de Schrift de kennis veracht, dat zij veeleer op allerlei wijze haar aanprijst. Vervuld met kennis, moeten de geloovigen opwassen in de kennis en genade van den Heere Jezus Christus, bij hun geloof deugd en bij de deugd kennis voegen, en met alle heiligen streven naar de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zone Gods.

En het einddoel van alles is daarin gelegen, dat de aarde vol zij van kennis des Heeren en dat zij allen den Heere kennen, van den kleinste af tot den grootste toe.

Hoe hoog de Schrift de kennis ook acht, zij kent toch ook eene valsche kennis, welke zij ten strengste veroordeelt en waartegen zij met ernst waarschuwt.

Omdat zij zelve met eene zoowel in vorm als in wezen geheel eigenaardige kennis optrad, moest zij vroeger of later wel in botsing komen met eene wijsheid, die uit een gansch ander beginsel afgeleid werd en een geheel verschillenden inhoud had. |235|

Reeds het Oude Testament kent de tegenstelling, welke Paulus later omschrijven zal als het dwaze Gods en het wijze der menschen. Jesaja getuigt van Assyrië en Babel, dat zij in trotschheid des harten zich tegenover Israël op hunne wijsheid en op hun verstand beroepen, 10 : 13, 47 : 10. Maar de profetie waarschuwt tegen zulke menschelijke wijsheid en roept het wee uit over degenen, die in hunne oogen wijs en bij zichzelven verstandig zijn en zich beroemen in hunne wijsheid. Want de wijsheid der wijzen zal vergaan en het verstand der verstandigen zal zich verbergen.

Toch werd eerst in lateren tijd die wijsheid der Heidenen voor Israël tot eene ernstige verleiding. Toen na de ballingschap vele Joden zich onder andere volken verspreidden, kwamen zij, inzonderheid in Alexandrië, met de Heidensche wetenschap in aanraking, die in formeel opzicht veel meer ontwikkeld en afgewerkt was dan de kennis, welke de Joden opgedaan hadden uit hunne heilige Schriften.

Van die Heidensche wetenschap ging daarom eene machtige bekoring uit op het ontvankelijk gemoed der zonen van Israël. Velen zochten de hoogste wijsheid in eene verbinding van Oudtestamentische gedachten en Grieksche wijsbegeerte. Eene reeks van geschriften, zooals de apocriefe boeken van Jezus Sirach en de Wijsheid en onderscheidene werken van Philo, waren de vrucht van het huwelijk, dat tusschen Joodsch geloof en Grieksche wijsheid, gesloten werd. Inzonderheid Philo is de vader geworden en de vader gebleven van al de bemiddelingen, die later telkens opnieuw, tot in deze eeuw toe, tusschen geloof en wetenschap beproefd zijn.

Datzelfde gevaar kwam ook weer op, toen de gemeente van Christus met het Woord Gods, dat zij ontvangen had, optrad in het midden der wereld. Het gevaar was toen te grooter, omdat aan den eenen kant de wereld van dien tijd op allerlei wijze voorbereid en toegerust was tot den strijd, en aan den anderen kant de gemeente nog jong en onervaren en voor allerlei dwaling gemakkelijk toegankelijk was.

Zeer moeilijk is het, om uit de boeken des Nieuwen Testamentseen duidelijk beeld te verkrijgen van de ketterijen, die reeds tijdens het leven der apostelen in de gemeenten zich voordeden. Joodsche, Heidensche en Christelijke denkbeelden woelden dooreen. Wettelijkheid en wetteloosheid, onthouding en vleesches-dienst kwamen naast elkander voor en gingen menigmaal in elkander over.

Maar duidelijk is, dat de beginselen der latere machtige Gnostiek reeds in de eerste eeuw aanwezig zijn. Er ontwaakte bij velen, toen zij overstroomd werden met allerlei denkbeelden uit Oostersche godsdiensten en Westersche stelsels, een streven, om het alles saam te vatten |236| in één machtig systeem en langs dien weg een hooger weten deelachtig te worden, dan de eenvoudigen en onontwikkelden bezitten konden.

De valsche wetenschap, die toen zich verhief, veranderde, evenals later de wetenschap zoo dikwerf heeft trachten te doen, den Christelijken godsdienst in wijsbegeerte, den historischen persoon van Christus in eene Goddelijke idee, de verlossing van de zonde in eene verklaring van de wereldraadselen, de geschiedenis in een spel van begrippen. En het resultaat was, dat niet de geloovigen, maar de „wetenden” de eigenlijke, geestelijke menschen en de zaligen op aarde waren.

Tegen die valsche wetenschap verhieven reeds de apostelen in de boeken des Nieuwen Testaments hunne stem. Er is wel eene kennis, — zoo leeren wij uit hunne geschriften — die niet aller deel is, die voor de wijzen en verstandigen verborgen en alleen den kinderkens geopenbaard wordt. Alleen aan de discipelen van Jezus is het gegeven, de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te verstaan. Ook is er wel onderscheid in kennis tusschen de geloovigen onderling, want er zijn onder hen kinderen en jongelingen, mannen en vaders, pasgeborenen en volwassenen, zwakken en sterken, sommigen moeten nog met melk gevoed worden en anderen kunnen reeds vaste spijze verdragen; daar zijn er, die pas de eerste beginselen kennen en daarbij blijven staan, terwijl anderen tot de volmaaktheid trachten voort te varen. Zelfs is er in de gemeente eene bijzondere gave der wijsheid en der kennis, die niet aan allen doch slechts aan enkelen geschonken wordt.

Doch dit is alles iets gansch anders dan de valschelijk zoogenaamde wetenschap, dan de ijdele philosophie, die aan het kruis van Christus zich ergert en het evangelie eene dwaasheid acht. Want deze valsche wetenschap loochent, dat Christus in het vleesch gekomen is; dat in Hem en in Hem alleen al de schatten van wijsheid en kennis zijn; dat Hij de eenige Middelaar Gods en der menschen is. Zij houdt zich bezig en vermoeit zich met ijdele geslachtsrekeningen en hecht geloof aan allerlei fabelen; zij predikt onthouding van allerlei spijzen en dranken, hoewel niets onrein is in zichzelf, of geeft aan allerlei bandeloosheid zich over. Zij beperkt de zaligheid tot de wetenden en sluit alle anderen van haar uit.

En daartegenover draagt de Schrift de beginselen voor van echte wijsheid en kennis, van de ware wetenschap. Deze heeft Christus tot middelpunt; want Hij alleen is de volheid Gods en de gemeente der geloovigen is op haar beurt zijne volheid, de vervulling van Hem, die alles in allen vervult. Geene verzoening is er, dan die door Hem is volbracht, den eenigen Middelaar Gods en der menschen, den waarachtigen mensch Christus Jezus, want Hij heeft door zijn kruis alle |237| dingen verzoend en vergadert alles toteen onder zichzelven als het hoofd. Geen verachting der wet of der Schrift komt daarom te pas, want de wet is wijs en heilig en goed en de Schrift is van God ingegeven en nuttig tot leering en onderwijzing en wederlegging. Een iegelijk behoort zich daarom te houden aan de gezonde leer, die naar de godzaligheid is en niet wijs te zijn boven hetgeen geschreven is. De verlossing bestaat niet in mededeeling van kennis maar in vergeving der zonden door het geloof. En niet de wetenden zijn zalig, maar God wil, dat voor alle menschen gebeden en dankzeggingen worden gedaan, dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen Zijn zaligmakende genade is allen menschen verschenen en wordt ge schonken aan een iegelijk, die gelooft.

Gelooven en weten vormen daarom geen tegenstelling, maar het Christelijk geloof baant den weg tot het waarachtige weten, tot de kennis van den eenigen waarachtigen God en van Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft. Ook het Nieuwe Testament gaat uit van de gedachte, dat de vreeze des Heeren het beginsel aller wijsheid is.

Het weinige, dat wij uit de H. Schrift mededeelden over het verband van kennis en leven, zou overvloed van stof geven voor eene rijke en breede toepassing, ook op vele vraagstukken van den dag. Maar wij bepalen er ons toe, om met een enkel woord de algemeene beteekenis aan te geven, welke deze eenheid van kennis en leven draagt voor kerk en Theologie.

In de practijk van het Christendom bestaat er altijd gevaar voor het opkomen van twee richtingen, die dan bij hare ontwikkeling hoe langer hoe meer van elkander vervreemden. Het zijn het intellectualisme aan den eenen en het mysticisme aan den anderen kant.

Reeds in het natuurlijke is er onder de menschen groot verschil in aanleg en karakter. Er zijn verstands- en er zijn gemoedsmenschen.

Sommigen teren alleen op de gedachten van hun hoofd, en anderen leven liefst bij de aandoeningen van hun hart. De een is gesteld op beginsel, op stelsel, op logische consequentie; de ander hecht meerwaarde aan het leven, dat dikwerf met elk systeem den spot drijft. Theorie en practijk, logica en realiteit, beginsel en leven komen ieder oogenblik in botsing met elkaar.

Dit natuurlijk onderscheid werkt ook in de geloovigen door, en slaat menigmaal bij hen tot eenzijdigheid over. En als deze er eenmaal is en zich tot eene tegenstelling verscherpt, is er bijna geen middel meer, om beide richtingen weder tot elkander te brengen en onderling in vrede te doen leven.

Elke poging, om door bemiddeling en vergelijk de leer weer bij het leven te doen passen, wordt met onvruchtbaarheid geslagen. De |238| negentiende eeuw is rijk aan zulke pogingen geweest, maar zij zijn alle ijdel en onnut gebleken. Men heeft het oude dogma zoo lang in den smeltkroes der critiek geworpen, dat er niets van overbleef. Eer men het wist, had men de historie in idee, de realiteit in begrip opgelost, en den ganschen inhoud van het Christelijk geloof verloren. Het was een afloop van snelle wateren. Het Christendom liet zich niet pasklaar maken voor het moderne leven. En in haar geheel genomen, staat de wereld van den tegenwoordigen tijd in haar denken en streven vijandig tegen de Schrift en tegen elke kerkelijke belijdenis over.

En omgekeerd is ook alle poging vruchteloos, om het leven weer te doen aansluiten bij de leer, als eenmaal de eenheid verbroken en de natuurlijke band losgemaakt is. Geen gezelschappen, geen meetings, geen kerkjes binnen de kerk kunnen ooit de geleden schade herstellen. Zij werken alleen het sectarisme in de hand en doen aan de katholiciteit van kerk en Christendom te kort.

Daarom worden wij altijd opnieuw, beide in ons hoofd en in ons hart, aangetrokken en geboeid door die oorspronkelijke, scheppende perioden, welke op ieder gebied en zoo ook op dat van den godsdienst en van het Christendom de eenheid grijpen van kennis en leven en krachtens die eenheid tot groote daden in staat zijn.

De profeten des Ouden Verbonds, de apostelen des Nieuwen Testaments, de hervormers der zestiende eeuw, zij zijn allen in velerlei opzicht van elkander onderscheiden. Maar men kan hen toch niet indeelen bij de intellectualisten of bij de mystieken; zij zijn geen partijmannen en geen hoofden van scholen. Het zijn, schoon ieder zijn onderscheiden karakter en aanleg draagt en leeft in een verschillenden tijd en plaats, het zijn allen menschen Gods, tot alle goed werk toegerust, eenvoudig, natuurlijk, kerngezond, niets menschelijks zich vreemd achtend en toch alles in dienst stellende van den wille Gods.

De harmonie van hoofd en hart, die bij zulke personen aangetroffen wordt, oefent dan invloed en werkt geruimen tijd ook bij anderen na. Bij de kerkvaders bijvoorbeeld komt men telkens de uitspraak tegen, dat Christus op aarde gekomen is, om aan de menschen kennis en leven te schenken. Dat zijn de twee groote zegeningen, die zij aan Christus te danken hadden en die zij veel beter wisten te waardeeren dan wij, die aan het Christendom gewoon zijn geworden en er van jongs af in opgevoed zijn. Men moet zich in het Heidensch denken en leven verplaatsen, om eenigermate te kunnen beseffen, wat rijke en heerlijke weldaden wij ook voor het tegenwoordige aan de bijzondere openbaring Gods te danken hebben.

In het evangelie ging voor de Heidenen eene gansch nieuwe wereld |239| open, eene nieuwe wereld van voorstellingen en aandoeningen van gedachten en daden.

Bijgeloof, dwaling, leugen waren het, waarin het Heidensch bewustzijn gebonden lag; Paulus zegt niet te veel van de geloovigen uit de Heidenen, als hij verklaart, dat zij eertijds duisternis waren, onvruchtbare werken der duisternis deden en uit de macht der duisternis getrokken zijn. En evenzoo waren zij met vreeze des doods heel hun leven lang der dienstbaarheid onderworpen; zij waren kinderen des toorns, dood in zonden en misdaden.

Maar daar kwam het evangelie en dat leerde hen God kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Hij gezonden had. En deze kennis verspreidde licht over heel hun zijn en leven, over menschheid en wereld, over oorsprong en bestemming aller dingen. In het licht Gods zagen zij alles licht. Voor dat licht vlood de duisternis weg, waarin zij wandelden. De booze geesten, van welke men zich heel de wereld omringd waande, gingen op de vlucht voor de verschijning van den Zone Gods. Afhankelijk werd men van God, als een kind van zijn vader. Maar onafhankelijk en vrij werd de blik op heel de natuur. Zij was zijn werk en stond onder zijn bestuur. Er was geen onberekenbaar toeval en geen ijzeren noodlot meer, maar alleen het wakend oog en de beschermende hand van een almachtig God en een barmhartig Vader. Het evangelie van Christus was eene vrijmaking des verstands, eene slaking van de banden der duisternis, eene overwinning van de macht van dwaling en leugen. Het bracht kennis aan, rijke, heerlijke kennis van God en van al zijne schepselen. En de waarheid gaf aan ieder ding weer zijne rechte plaats in het wereldgeheel.

Volstrekt niet alleen door haar Christelijk leven, hoewel ook dit van den grootsten invloed was, maar evenzeer door haar Christelijke belijdenis heeft toen de gemeente over het Heidendom de overwinning behaald. Ook denkende, door klaar, helder belijden, door scherpe formuleering der waarheid heeft de kerk van Christus in de eerste eeuwen de dwaling verwonnen, de leugen bezworen en de menschheid uit de banden der duisternis verlost.

Theologie is daarom voor de kerk van Christus onmisbaar. Want het is werkelijke, waarachtige kennis, welke God in zijn Woord heeft geopenbaard, kennis van zichzelven, kennis van den mensch, kennis van de wereld, kennis van alle dingen in hemel en op aarde. Men zou eens zien, tot wat schrikkelijke dwalingen de menschheid weder terstond vervallen zou, als de kennis, welke God in Christus schonk, eens plotseling van de aarde verdween. En men ziet het in onze dagen reeds in de kringen dergenen, die Gods Woord verwerpen. Bijgeloof in allerlei |240| vormen doet er zijn intrede; daemonische geesten heroveren hun macht; Buddhisme en Mohammedanisme worden als hoogste wijsheid begroet. De mensch, die niet afhankelijk wil zijn van den waarachtigen God, wordt de prooi van booze geesten, die hij oproepen maar niet bezweren kan.

Maar deze Christelijke Theologie, hoe schoon hare roeping en hoe heilrijk hare vrucht ook zij, verbeurt den zegen, dien zij schenken kan, als zij vergeet, dat zij van het begin tot het einde, in al hare deelen, kennisse Gods is in het aangezicht van Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft. Dan ontaardt zij in dorre scholastiek, en ijdele schoolwetenschap, in valsche gnosis, die zich bezig houdt met dwaze vragen en eindelooze geslachtsrekeningen en het leven niet bevordert maar schaadt en sterven doet.

Want leven, nieuw, heilig, hemelsch leven is het, wat God in Christus met de kennis ons geschonken heeft. Leven, dat naar zijn aard het licht der kennis zoekt, maar van dat licht der kennis ook leiding en verrijking verlangt.

Echte Theologie is daarom altijd kennisse Gods; toeëigening met hoofd en hart van zijne openbaring; wegruiming van de hindernissen, die ons van zijne gemeenschap verwijderd houden; opneming in onzen geest van de gedachten Gods — zoo, dat wij, zijne heerlijkheid in den spiegel van zijn Woord aanschouwende, naar zijn beeld veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.

Zoo hebben de groote Christendenkers steeds haar wezen en haar roeping verstaan. Theologie is een spreken over God, door God en tot God. Zij staat niet tegenover het leven der gemeente maar is eraan gebonden, is er afhankelijk van, en kwijnt en sterft weg, als zij dezen band met het leven verscheurt. Zij leidt het alleen en verrijkt het, door het in het volle licht te stellen van Gods getuigenis. Zij geeft zich aan geen dwaze vragen en ijdele bespiegelingen over, die voor het leven waardeloos zijn, maar blijft zich steeds van hare gebondenheid aan des Heeren Woord, en van de beperktheid en eindigheid van het menschelijk denken en kennen bewust.

Beide, kerk en school, staan daarom onder de tucht van Gods getuigenis. Tucht was volgens vele Gereformeerden een kenmerk der kerk, zij is het ook van de Theologie; tucht, die niet de vrijheid bindt maar bij de vrijheid bewaart en tot de vrijheid leidt. Want terwijl eenerzijds geen wijsheid gevonden wordt bij hen, die Gods Woord verwerpen, blijft ter andere zijde het woord waarachtig, dat waarlijk vrij alleen is, die vrijgemaakt is door den Zoon.




a. Eerder gepubliceerd als: ‘Kennis en Leven’ I-XV, De Bazuin 48 (1900) 3-20.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004