De Navolging van Christus en het moderne leven.

a


I. De wereldkrijg, die in 1914 uitbrak en eerlang misschien reeds zijn vijfde jaar intreedt, is in zijne ontwikkeling eene aaneenschakeling van verrassende gebeurtenissen geweest, en laat ons tot dusverre ook ten aanzien van zijn einde en doel volkomen in het onzekere. Elke profetie, die over zijn verloop, duur en beeindiging werd uitgesproken, kwam averechts uit; de wijsheid van alle deskundigen werd beschaamd. Meer dan eenige andere oorlog stelt hij ons voor een probleem, dat ons denken kwelt en ons diep onder den indruk brengt van onze onwetendheid en machteloosheid.

Inzonderheid is het ons godsdienstig en zedelijk bewustzijn, dat door deze reuzenworsteling geschokt en in verwarring wordt gebracht. Waarschijnlijk is er nooit een oorlog gevoerd, die zoozeer als deze de vraag heeft doen opkomen naar zijn recht, noodzakelijkheid en nuttigheid, en die zoovele verschillende antwoorden heeft uitgelokt. Vooral in het eerste jaar stond de pers geen dag met het leveren van zulke pleidooien stil; van Aug. 1914 tot Mei 1915 verschenen er in Duitschland niet minder dan 4518 publicaties over den oorlog, waarvan de meeste aan religieuze en ethische vraagstukken waren gewijd; zelfs ontwikkelde zich in de oorlogspreeken een bijzonder genre van litteratuur.

De oorlogvoerende volken gingen natuurlijk hierin voor, maar ook de neutrale landen lieten zich bij de behandeling dezer vraagstukken niet onbetuigd. Allen stelden pogingen in het werk, om de zaak, welke zij voorstonden, te rechtvaardigen en als de zaak van gerechtigheid en waarheid te verdedigen. Van de eene zijde hoorde men verzekeren, dat de oorlog opgedrongen was en dat men de wapenen alleen had opgevat tot zelfverdediging en tot handhaving van de integriteit van het Rijk; en aan den anderen kant werd de oorlog voorgesteld als een strijd voor gerechtigheid en vrijheid, voor het recht der kleine naties, |116| voor beschaving en humaniteit. Soms gaan er stemmen op, die voor een vrede door overleg, zonder annexaties en schadeloosstellingen pleiten, maar ze worden verdoofd door de klinkende redevoeringen der machthebbers, die den oorlog willen voortzetten totdat eene volledige overwinning is behaald, welke aan den verslagen vijand de voorwaarden van den vrede oplegt. En men phantaseert, dat dan eene nieuwe periode zal aanbreken. waarin economische verdragen, staten- en volkenbonden, verplichte arbitrage en politiemacht een duurzamen vrede onder de volken zullen waarborgen.

Echter is niet alleen het recht van dezen oorlog in het geding gekomen, maar het geoorloofde van elken oorlog is door den tegenwoordigen strijd weder met nadruk aan de orde gesteld. Daar zijn er ten allen tijde geweest, die inzonderheid van Christelijk standpunt den oorlog als wapen tot beslechting van geschillen hebben veroordeeld. Maar hun aantal is in dezen ontzettenden krijg belangrijk toegenomen, en vermeerderd met hen, die uit economische of humanitaire overwegingen aan den oorlog het bestaansrecht ontzeggen.

De althans schijnbare redeloosheid en doelloosheid van den huidigen krijg hebben velen tot nadenken gebracht en tal van vragen doen oprijzen in het hart. Is het recht en billijk, een geschil tusschen de volken door geweld van wapenen tot beslissing te brengen? Bestaat er eenige waarborg, dat bij zulk een geschil de macht zich scharen zal aan de zijde van het recht, of is er niet groote kans, dat de overwinning te beurt zal vallen aan hem, die over de beste legers en de deugdelijkste wapenen beschikt? Moet de oorlog op dien grond niet evenzeer veroordeeld worden als het duel, dat menigmaal ten nadeele van den onschuldige uitvalt en onlangs nog door Keizer Karel van Oostenrijk bij resolutie van 4 Nov. 1917 als in strijd met Gods geboden in zijn leger afgeschaft werd? Is het in dezen tijd nog te rechtvaardigen, dat enkele personen de macht bezitten, om zonder raadpleging van het volk den oorlog te verklaren en een stroom van ellende over hunne onderdanen uit te storten? En moeten de burgers des lands dan maar stilzwijgend gehoorzamen en naar het front gaan, ook als ze misschien van het onrecht van den oorlog in hunne conscientie overtuigd zijn?

De dienstweigeraars vormen nog een klein getal, maar onmiskenbaar neemt de weerzin tegen den oorlog onder de burgers en in de legers toe. Het zijn thans ook geene huurlingen meer, die van den wapenstrijd hun beroep maken, maar het zijn de volken zelve, die tot den krijgsdienst worden opgeroepen en goed en bloed ten offer moeten brengen voor een belang, dat zij menigmaal niet begrijpen kunnen. De onzinnigheid en wreedheid van den oorlog springt bovendien te meer in het |117| oog, naarmate de uitvindingen op het gebied van wetenschap en techniek den oorlog gruwelijker maken en zijn jammer en leed uitbreiden over alle geledingen der maatschappij. Aan de zegeningen van den oorlog gelooven weinigen meer; maar als ze er zijn, kunnen zij toch moeilijk opwegen tegen de ontzettende nadeelen, die er maatschappelijk, zedelijk en geestelijk aan verbonden zijn. Al deze overwegingen hebben met kracht de vraag naar voren geschoven, of er niet iets gedaan kan worden, om indien niet een eeuwigen, dan toch een duurzamen vrede onder de volken tot stand te brengen.

Er schuilt hierachter nog een ander, dieper probleem. Het conflict, thans door velen tusschen Christendom en oorlog gevoeld, is maar een onderdeel van die geweldige spanning, welke er voortdurend tusschen het Evangelie van Christus en de cultuur met hare verschillende elementen van staat, beroep, nijverheid, handel, wetenschap, kunst enz. bestaat.

Het Christendom stond oorspronkelijk scherp antithetisch tegenover de wereld. De verdrukking en vervolging, waaraan men bloot stond, werkte de afzondering der gemeente van de wereld in de hand. Het ascetisme zat toen bovendien in de lucht, wijl de cultuur door en door bedorven was, en werd door vele godsdienstige en wijsgeerige secten in beoefening gebracht. De gemeente van Christus leefde daarbij nog in de gedachte, dat de zonden na den doop alleen door boetedoeningen en goede werken uitgewischt konden worden en legde daarom op vasten, waken en bidden, op onthouding van spijze en drank, van huwelijk en andere aardsche genoegens nadruk. Bovenal werd het martelaarschap verheerlijkt; de martelaar gold als de ware navolger van Christus.

Toen de tijd der vervolgingen voorbij was en de kerk een compromis met de wereld sloot, bleef het ascetisch levensideaal toch velen bekoren; de kerk ruimde er zelve binnen hare grenzen eene plaats voor in, en wist het aan hare eigene belangen dienstbaar te maken; zij achtte voor den leek de onderhouding der geboden als weg tot de volmaaktheid voldoende, maar beval het opvolgen der raden aan aan wie met minder gevaar en in korter tijd dit ideaal wilden bereiken. Na den martelaar werden in den loop der eeuwen achtereenvolgens de kluizenaar, de monnik, de bedelmonnik, de zelfkweller en de geeselaar als de ware navolgers van Christus beschouwd; en deze navolging werd hoe langer hoe meer uitwendig, als eene nabootsing opgevat. In de 13e en 14e eeuw verschenen er een groot aantal Levens van Jezus, die den aandachtigen lezer in staat stelden, omhet leven van Jezus, inzonderheid in de lijdensweek, van schrede tot schrede te volgen, en er eigen leven naar in te richten. Kerstvormigheid was toen het levensideaal van den vrome, en kwam bij velen op eene nabootsing neer; sommigen trachtten het leven |118| en lijden van Jezus in contemplatie zelf te doorleven, anderen deden Jezus na, wandelden met gebogen hoofd en neergeslagen oogen, geeselden zich als Jezus gegeeseld werd enz. Uit deze kringen kwam ook het boekske van Thomas à Kempis over de navolging van Christus voort. Ofschoon het in vele opzichten voortreffelijk mag heeten, wijl het de navolging van Christus niet uitwendig, als nabootsing opvat, maar innerlijk en geestelijk, als beoefening der deugden van ootmoed, nederigheid, zachtmoedigheid, lijdzaamheid enz., lijdt het toch aan eene groote eenzijdigheid, aan wereldverachting en miskenning van des menschen aardsche levenstaak.

De Reformatie heeft dit ascetisch ideaal toen wel principiëel overwonnen, maar verwante stemmingen en neigingen kwamen toch herhaaldelijk ook in de Protestantsche kerken voor. Men denke slechts aan het Anabaptisme, het Pietisme, het Hernhuttisme, het Methodisme enz., en aan de houding, welke vele stille vromen tegenover de wereld aannemen. Daar zijn nog vele oprechte en eenvoudige Christenen, die de gemeente liefst hooren toespreken als wormpje Jakobs en volkske Israels, die de wereld een tranendal noemen en zichzelven als vreemdelingen en pelgrims beschouwen. Zij volbrengen hun plicht, zijn trouw in hun beroep, maar zij hebben geen vreugde in het leven, genieten niet van de schoonheid der natuur, en zijn onverschillig voor de ontdekkingen der wetenschap, voor de scheppingen der kunst en de wonderen der techniek. Zij klagen voortdurend over de ellende, en brengen het nooit tot de blijmoedigheid des geloofs.

Maar opmerkelijk is, dat soortgelijke stemming na het midden der vorige eeuw ook in de beschaafde kringen opkwam, toen de cultuur met reuzenschreden vooruitging en heel de natuur scheen te onderwerpen aan de heerschappij van den mensch. Want deze cultuur bevredigde niet; zij liet het hart onvoldaan. Het pessimisme van Schopenhauer en von Hartmann, aan dat van het Buddhisme verwant, vond daarom allerwege ingang; de beoordeeling der wereld onderging eene totale verandering. En in die gemoedsstemming kreeg men ook weer een anderen blik op het oorspronkelijk Christendom; men voelde zich aangetrokken door de moraal van de Bergrede; en diep ging men weer gevoelen de scherpe tegenstelling, die er bestond tusschen het leven van Jezus en den wandel der Christenen in de tegenwoordige eeuw.

Sommigen drongen er daarom op aan, dat de Christenen, indien zij wilden zijn, wat zij heetten, ook weer naar het voorbeeld van Jezus hun leven zouden inrichten. John Stuart Mill zeide, dat nauwelijks één van de duizend Christenen zich liet leiden door de voorschriften van het Nieuwe Testament; practisch schikt men zich veel meer naar de |119| zeden, die in een volk, in een stand of klasse bij een bepaalden cultuurtoestand bestaan, en brengt daar dan het Christendom, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, mede in overeenstemming. Theoretisch gelooft men, dat de armen zalig zijn, dat de rijken moeilijk ingaan in het koninkrijk der hemelen, dat men de linkerwang moet toekeeren aan wie op de rechter slaat, dat men den rok moet geven aan wie den mantel vraagt, dat men niet zorgen moet voor den dag van morgen enz.; maar men leeft en handelt er volstrekt niet naar.

In denzelfden geest lieten de schrijver van De ware geschiedenis van Josua Davids, Sheldon in zijn: Wat zou Jezus doen, en Tolstoi in zijn: Mein Glaube zich uit. Zelfs de waardeering van kerk- en dogmengeschiedenis werd, onder deze invloeden bij Ritschl en Harnack eene gansch andere, dan die ze bij Hegel en de Tubingsche school was geweest. Terwijl dezen haar beschouwden als eene hoogere, redelijke ontwikkeling van den godsdienst in het Nieuwe Testament, zagen Ritschl en de zijnen daarin ééne groote afdwaling van het oorspronkelijke Christendom. Wij moeten, zoo zeiden zij, weer naar het eenvoudig Evangelie terug, dat van niets weet dan van God en de ziel en waarin voor Jezus, anders dan als profeet en leeraar, geene plaats is.

Anderen waren het in zekeren zin wel met de praemissen eens, maar trokken er eene gansch andere conclusie uit. Zij erkenden den grooten afstand tusschen het oorspronkelijke Evangelie en het tegenwoordige Christendom, maar leidden daaruit af, dat het Christendom zichzelf overleefd en uitgediend had. Er is toch geene verzoening mogelijk tusschen de eischen van het Evangelie des Nieuwen Testaments, en de plichten, welke de moderne cultuur ons oplegt. Het Christendom roept ons toe: hebt de wereld niet lief noch iets, dat in de wereld is, vergadert u geene schatten op de aarde, houwt de hand af, die u ergert, wederstaat den booze niet, weest stil en geduldig onder het kruis enz.; maar de wereld van den tegenwoordigen tijd legt de taak op onze schouders, om alle krachten in te spannen in den strijd om het bestaan, om met alle geoorloofde middelen naar lotsverbetering te streven, om wetenschap en kunst te beoefenen, om landbouw, nijverheid en handel vooruit te brengen, om heel de aarde te onderwerpen en allerwege den geest te doen heerschen over de stof. Onder degenen, die zich aldus uitspraken, Strauss, von Hartmann, Paulsen, Ziegler, Nietzsche, Ellen Key enz., waren sommigen gematigd en nog op eenige hoogere synthese bedacht; maar anderen lieten zich door hun fanatisme zoover meeslepen, dat zij het Christendom als den grootsten jammer beschouwden, die aan de menschheid overkomen was.

Eindelijk zijn er ook nog, die de Christelijke moraal wel willen |120| handhaven voor het private leven van den Christen, maar ze onvoldoende achten als regel voor het openbare leven in staat en maatschappij. Hiertoe kan men Bismarck rekenen, die in zijn persoonlijk leven een geloovig Christen was, maar in zijne Realpolitik met de Christelijke ethiek geene rekening hield. Maar vooral is deze richting vertegenwoordigd door Fr. Naumann, die eerst met Stöcker meeging, maar later, evenals Göhre, Wachter, Blumhardt, hem niet radicaal genoeg vond en zich tegenover hem stelde. Naumann was n.l. van meening, dat het Christendom ten doel had, om de armoede af te schaffen, en dus in de sociale quaestie veel meer te zeggen moest hebben, dan Stöcker eraan toeschreef. Later echter, na zijne reis naar Palestina (beschreven in zijn Asia 1900) veranderde hij van standpunt en kwam tot het inzicht, dat Jezus niet de redder is uit allen aarschen nood; Hij had geen cultuur-ideaal, had armen en kranken wel lief, maar hielp hen toch op eene gansch andere wijze, dan wij thans doen. Wij moeten daarom wel vasthouden aan zijne heilige liefde, zoover wij de redding onzer ziel bij God zoeken, maar kunnen in economie en politiek niet meer bij Hem te rade gaan. Religie is louter zielentroost en opvoedingsmacht, maar politiek is naar haar aard streven naar macht en kan geene rekening houden met godsdienstige en zedelijke overwegingen.

Al deze aanvallen op de Christelijke moraal zouden minder indruk maken, indien de theologische ethiek stond op de hoogte van haar tijd en een bevredigend antwoord schonk op de zedelijke vraagstukken, die thans aan de ordeworden gesteld. Maar dat is helaas niet het geval. De oplossingen, die zij aan de hand doet, loopen niet alleen verre uiteen; maar zij geeft zich menigmaal ook niet voldoende rekenschap van den ernst der problemen, die zich heden ten dage op zedelijk terrein voordoen. Als wij haar bijv. raadplegen over de gewichtige quaesties van kapitalisme en militairisme, van private en staatsmoraal, van ethiek en politiek, van zedelijkheid en recht enz., of ook speciaal door haar ingelicht willen worden over handelsmoraal, verzekeringswezen, armenzorg, echtscheiding, vakvereeniging, werkstaking enz., dan ontvangen wij meestal een onvoldoend of in het geheel geen antwoord. Het is, alsof de macht der werkelijkheid haar boven het hoofd is gegroeid.

In het middelpunt van die vraagstukken staat dat naar de navolging van Christus en het moderne leven. Is er voor die navolging nog plaats in het cultuurleven van den tegenwoordigen tijd? Kan men met haar nog rekenen in den staat, in nijverheid en handel, op de markt, op de beurs, in de bank, het kantoor en de fabriek, in wetenschap en kunst, in den oorlog en aan het front? Het antwoord op al deze en |121| dergelijke vragen hangt af van den zin, welke aan de navolging van Christus in de Schrift wordt gehecht.


II. Het woord volgen, navolgen of nawandelen komt in den Bijbel meermalen voor, eerst in letterlijken, maar verder ook in overdrachtelijken, godsdienstigen en zedelijken zin. Er wordt dan in het Oude Testament mede te kennen gegeven, dat de kinderen Israels zich trouw hielden aan de geboden des Heeren, of tot afgoderij en beeldendienst zich lieten verleiden. Zoo is er sprake van het navolgen of nawandelen van den Heere hunnen God, en daarnaast van het navolgen of nawandelen van andere goden, van de ijdelheden, de verfoeiselen, de zonde van Jerobeam enz. In 1 Kon. 18 : 21 stelde Elia het volk voor de keuze: zoo de Heere God is, volgt Hem na; zoo het Baäl is, volgt Hem na, verg. Num. 32 : 12, Deut. 13 : 2, 4, Joz. 24 : 15. Navolgen van den Heere is een voor de hand liggend en duidelijk beeld van de trouw, waarmede het volk van Israel zich houdt aan den dienst, dien Hij door Mozes ingesteld heeft.

Ook Jezus bedient zich in het Nieuwe Testament menigmaal van deze beeldspraak. Zoodra Hij in het midden van zijn volk optrad, trok Hij door zijne woorden en werken de aandacht. Wijl Hij leerde als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden, en bovendien vele kranken op wonderdadige wijze genas, gingen vele scharen tot Hem uit, zoodra Hij ergens vertoefde, in eene stad of vlek, in eene synagoge of in eene woning, in de woestijn of aan de zee. Van alle kanten kwamen ze tot Hem, van Galilea en Judea en Idumea en van over den Jordaan; overal werd Hij door eene groote menigte gevolgd, Mark. 3 : 7. Maar dit volgen duurde slechts kort: in de verschillende dorpen en steden maakte de eene schare weer voor de andere plaats. In onderscheiding van deze wisselende menigte vergaderde Jezus, evenals de rabbi’s van zijn tijd, ook discipelen om zich heen, die Hem bestendig vergezelden en voortdurend bij Hem bleven; onder dezen vormden de twaalf apostelen nog weer eene kleinere, allernauwst aan Hem verbonden groep.

Dit volgen van Jezus kreeg voor de discipelen allengs een veel dieper zin, dan voor de menigte, die zich telkens om Hem verdrong en Hem menigmaal alleen volgde, omdat zij van de brooden gegeten had en verzadigd was. Joh. 6 : 26. Ten eerste toch liet Hij in vele gevallen de keuze, om Hem te volgen, niet vrij, maar trad Hij terstond met een gebiedenden eisch op, dat men Hem volgen moest. Met name handelde Hij zoo ten opzichte van de twaalf discipelen, die Hij verkoor en aanstelde, opdat zij met Hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken, Mark. 3 : 14. Maar ook buiten dezen |122| kring richtte Hij soms tot dezen of genen het bevel, om Hem te volgen, Matth. 8 : 22, 19 : 16v; en zelfs liet Hij in het algemeen den eisch hooren, dat wie zijn discipel wilde zijn, Hem volgen moest, Matth. 10 : 38, 16 : 24.

Deze eisch was te ernstiger, wijl spoedig bleek, dat het volgen van Jezus niets minder dan volstrekte zelfverloochening insloot. Naarmate Jezus met zijne prediking van het Evangelie des koninkrijks bij de Farizeën en hunne volgelingen ergernis wekte en door de oversten en de leidslieden des volks gehaat en tegengestaan werd, werd het hoe langer hoe duidelijker, dat aan het discipelschap van Christus de smaad der wereld verbonden was. Jezus sprak dit ook onomwonden uit. Wie zijn discipel wilde zijn, moest zichzelven verloochenen, zijn kruis opnemen en Hem volgen; wie vader of moeder, zoon of dochter boven Hem liefhad, was Zijns niet waardig; om Zijnentwil, om des Evangelies wil moest alles verlaten en prijsgegeven worden, tot zelfs het eigen leven toe, Matth. 10 : 16-42, 16 : 24-26. In den eisch, dien Jezus aan den rijken jongeling, Matth. 19 : 21 en aan de drie personen in Luk. 9 : 57-62 stelde, komt zoo duidelijk mogelijk uit, dat de mensch, die in waarheid Jezus volgen wil, alles, ook het liefste en dierbaarste, prijsgeven moet.

Het recht, om dezen eisch te stellen, ontleende Hij daaraan, dat Hij de Christus was, de Zoon des levenden Gods; zoo erkende Hij zichzelf, Matth. 11 : 27, aldus duidde Hij zich onder den naam van Menschenzoon bedektelijk aan, Matth. 8 : 20, 9 : 6 enz., als de beloofde Messias werd Hij in zijne werken openbaar, Matth. 11 : 4-6, en als zoodanig werd Hij ten slotte klaar en beslist door zijne discipelen bij monde van Petrus erkend en beleden, Matth. 16 : 16. Daarom bezat Hij de macht, om de zonden te vergeven, Matth. 9 : 6, om zalig te spreken, Matth. 5 : 3 v., om het koninkrijk te geven, Luk. 12 : 32, 22 : 29 enz.; en daarom mocht en kon Hij ook eischen, dat men om des Evangelies wil, om Zijnentwil, om Zijns naams wil alles verlaten zou, Matth. 5 : 11, 10 : 39, 16 : 25, 19 : 29, 24 : 9.

En als de Christus, gaat Hij zelf zijn discipelen op den lijdensweg voor. Volgens Matth. 16 : 21, 17 : 22, 20 : 19 begon Jezus eerst tegen het einde zijner werkzaamheid in Galilea, op de laatste reis naar Jeruzalem meer in bijzonderheden over zijn aanstaand lijden en over de wijze van zijn sterven te spreken; Hij zou niet alleen overgeleverd en gedood, maar bepaald ook gegeeseld en gekruisigd worden, Matth. 20 : 17. Het kruis, dat Hij tegemoet ging, en straks zelf gewillig op zich nam, werd daardoor een symbool van het lijden, dat ook den discipel van Jezus in dit leven te wachten stond. In de eerste plaats |123| een symbool van het martelaarschap, dat ook velen van zijne discipelen, met name zijne apostelen, zouden hebben te ondergaan, Matth. 10 : 28, Joh, 13 : 36, 16 : 2, 21 : 18, 19, maar voorts meer algemeen van het lijden, dat den discipel van Jezus door de belijdenis van Zijn naam in dit leven overkomen zou; immers zegt Jezus in Luk. 9 : 23, dat wie achter Hem wil komen, zijn kruis dagelijks opnemen en Hem volgen moet.

In heel zijn leven, maar bepaaldelijk ook in zijn lijden en sterven, waartoe volgens het Evangelie van Johannes, 13 : 15, ook de voetwassching behoort, stelde Jezus zichzelven tot een voorbeeld, dat Zijne discipelen hadden na te volgen. De discipel is immers ook niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijnen heer; het zij den discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer, Matth. 10 : 24, 25, Luk. 6 : 40, Joh. 13 : 16, 15 : 20. De navolging van Christus bestaat dus niet in een Hem uitwendig volgen op al Zijne wegen, noch ook alleen in een luisteren naar Zijne woorden of in een zeggen van Heere, Heere; maar in een doen van den wil des hemelschen Vaders, gelijk Hij zelf dien volmaakt heeft volbracht, in een zichzelf gelijkvormig maken aan het evenbeeld van Christus. Hij is niet alleen het voorbeeld, maar het Urbild, de archetype van Zijne discipelen, Matth. 5 : 45, 7 : 21, Mark. 3 : 35, Joh. 4 : 34, Joh. 15 : 14 enz.

De aard dezer navolging wordt in de Bergrede met concrete voorbeelden toegelicht. Om deze wel te verstaan, is het noodig, het volgende op te merken:

1º. De moraal van het Oude Testament kent geene autonomie van den zedelijken mensch, zelfs niet van zijn geweten en rede, maar is door en door theonoom. De zedewet rust in Gods wil; zij wordt zelfs aan eene bijzondere openbaring toegeschreven, Ex. 20 : 1; heel de moraal is in de religie gegrond; de Heere heeft aan Israel bekend gemaakt, wat goed is, en wat eischt de Heere van den mensch, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met zijnen God? Mich. 6 : 8. Maar deze wet Gods is er volstrekt niet mede tevreden, dat zij buiten en boven den mensch staat, maar wil, dat zij in het hart worde opgenomen en in de liefde volbracht worde; de Heere moet het hart tot zich neigen, om in al zijne wegen te wandelen en zijne geboden te houden, 1 Kon. 8 : 58, Hij moet zelf de wet in de harten schrijven, Jer. 31 : 33, opdat de mensch haar liefhebbe en vermaak scheppe in hare betrachting, Ps. 19 : 8 v., 119 : 1 v.

Deze wet Gods sloot in de dagen des O. Test. allerlei burgerlijke en ceremonieele bestanddeelen in, en droeg, naar de eene zijde een sterk negatief karakter. Israel moest een heilig volk zijn, zich afgezonderd houden van alle volken der aarde en al het religieus, cultisch en ethisch |124| onreine vermijden. Maar ze was naar de andere zijde wel terdege positief. De godsdienst van Israel was volstrekt niet ascetisch; de tegenstelling van geest en vleesch was er onbekend aan; God was de Schepper van hemel en aarde, van de ziel en het lichaam. In overeenstemming met de bijzondere roeping, aan Israel toebetrouwd, zag het zich de gave niet toebetrouwd tot de beoefening van wijsbegeerte, wetenschap en kunst. Op deze gebieden staat het volk van Israel bij vele volken ten achter. Maar het overtreft ze verre in de positieve verhouding, waarin het naar de wet Gods zich stelt tot het huwelijk en het gezinsleven, tot het dagelijksch beroep en de bestemming des volks in de geschiedenis der menschheid, tot heel de natuur en tot de gansche wereld. Er is, om maar één ding te noemen, geene natuurpoezie schooner, rijker, verhevener, breeder, dan die in de Oudtest. Psalmen en Profetieën aangetroffen wordt.

2º. Op de Oudtestamentischen grondslag rust heel het Nieuwe Testament, met name ook het ethisch onderwijs van Christus. Telkens beroept Hij zich met een: er is geschreven, op de Schrift des Ouden Verbonds, Matth. 4 : 4, 7, 10, 11 : 10, 21 : 13 enz.; zonder voorbehoud erkent Hij haar gezag, inzonderheid in haar getuigenis aangaande Zijn persoon en werk, Luk. 16 : 31, 24 : 44, Joh. 5 : 39, 46, 10 : 35, 19 : 28 enz.; nergens stelt Hij zich buiten of boven hare autoriteit. Gelijk Hij geen anderen God predikte, dan den God van Abraham, Izak en Jakob, zoo erkende Hij ook geene andere zedewet, dan die in het Oude Testament was vervat en begrepen was in de twee geboden van liefde tot God en den naaste, aan welke de gansche wet en de profeten hangen, als de deur in hare hengsels, Matth. 22 : 37-40, 19 : 18, 19, Mark. 12 : 29-31. In de Bergrede verklaart Jezus dan ook uitdrukkelijk, dat Hij niet gekomen is, om de wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen, d.i. om aan de woorden van wet en profetie dien inhoud in de werkelijkheid te geven, dien zij zelven eischen of voorspellen.

Er kan dus geene sprake van zijn, dat Jezus in de Bergrede, zooals Marcion en na hem vele anderen beweerden, als een nieuwe wetgever optreedt en de zedewet des Ouden Testaments met nieuwe en volmaaktere geboden aanvult. Heel de strekking der rede verzet zich daartegen. Immers, Jezus begint eerst in het algemeen zalig te spreken degenen, die in waarheid zijne discipelen zijn, de geestelijk armen, de treurenden, de zachtmoedigen enz. Nadat hij dit blijde en vertroostende Evangelie in acht makarismen, Matth 5 : 5-10, verkondigd en ontvouwd heeft, spreekt Hij in vers 11 zijn jongeren rechtstreeks aan, past de zaligspreking op hen toe, vs. 11, 12, maar roept Hij hen ook |125| tot de gewichtige en verhevene taak, om het zout der aarde en het licht der wereld te zijn, en hun licht alzoo voor de menschen te laten schijnen, dat zij de goede werken der discipelen mochten zien, en den Vader, die in de hemelen is, verheerlijken, vs. 13-17. Van die goede werken zijn de wet en de profeten, welke Jezus niet kwam ontbinden maar vervullen, de maatstaf.

Maar dan moeten 3º de discipelen die wet en profeten goed verstaan, anders dan zij vroeger, voordat Jezus hun meester was, van de Schriftgeleerden en de Farizeën geleerd hadden. Dezen hadden hen n.l. onderwezen, dat tot de ouden, d.i. tot de vaderen, gezegd was geworden: gij zult niet dooden, maar zoo wie doodt, die zal strafbaar zijn voor het gericht, vers 21 enz. De Schriftgeleerden en de Farizeën haalden in hun onderwijs niet alleen de letterlijke woorden der wet aan, maar ze verbonden er ook eene opvatting en uitlegging mede, die de beteekenis der wet verzwakte, die met eene mindere en onvolkomener gerechtigheid zich tevreden stelde, dan God in het Oude Testament eischte, vers 20, en alzoo Gods gebod krachteloos maakte door menschelijke inzettingen, Matth. 15 : 1-9, Mark. 7 : 13. Nu worden wel is waar die verkeerde uitleggingen, welke de Schriftgeleerden aan de woorden der wet gaven, er niet altijd, zooals in vs. 21, bijgevoegd, n.l. niet in vs. 27, 31, 33, 38, en volstaat Jezus met het aangeven in woorden der wet van het zedelijk thema, dat Hij bespreken wil; maar er is toch geen twijfel aan, dat Hij dan toch niet de woorden der wet, maar de verkeerde uitlegging der Schriftgeleerden bestrijdt. Immers, Hij zegt nooit, dat in de wet geschreven staat zooals Hij elders geregeld doet, maar steeds, dat de discipelen van de Schriftgeleerden gehoord hebben, dat tot de vaderen gezegd werd. En tegenover dat onderwijs der Schriftgeleerden stelt Jezus telkenmale zijn: voorwaar, Ik zeg u. Hij leerde, zooals de schare gevoelde, Matth. 7 : 29, als machthebbende, en keerde van de geboden der menschen tot het woord Gods terug.

Ten slotte moet men tot recht verstand der Bergrede ook in het oog houden, tot wie en in welke omstandigheden Jezus deze rede houdt. Uit Matth. 4 : 25 in verband met 7 : 28 blijkt, dat ze door eene groote schare aangehoord werd, maar ze was toch speciaal tot zijne discipelen gericht; zij waren het, die volgens Matth. 5 : 1 en 2 tot Hem kwamen en door Hem geleerd werden. De inhoud der rede komt hiermede geheel overeen. Jezus houdt niet eene rede voor het volk van Israel, voor de grooten en de aanzienlijken, maar voor de betrekkelijk kleine schare van zijne discipelen. En dezen werden niet aangetroffen onder de hoogere standen der maatschappij, maar behoorden tot de geringen en |126| onaanzienlijken in den lande. Ze worden door Jezus niet voorgesteld als armen, die gebrek lijden, evenmin als Hij zichzelf daartoe rekent, als Hij zegt, dat de Zoon des menschen niet heeft, waar Hij het hoofd nederlegge, Matth. 8 : 20; maar zijne discipelen zijn toch meest afkomstig uit den kring van mannen en vrouwen, die in het Oude Testament als de zachtmoedigen, de verdrukten, de eenzamen, de ellendigen worden aangeduid, Ps. 10 : 2, 9, 12, 17, 22 : 25, 27, 25 : 9, 16 enz. Tot de vermoeiden en beladenen, die zuchtten onder het harde juk der wet, dat de Schriftgeleerden en de Farizeën van het gebod Gods hadden gemaakt, Matth. 23 : 4, Luk. 11 : 46, Hand. 15 : 10, richtte Jezus de uitnoodiging, om tot Hem te komen en bij Hem rust te vinden, Matth. 11 : 28. En als zij aan deze uitnoodiging gehoor gaven en zich bij Jezus’ discipelen voegden, dan nam de smaad, de laster en de vervolging, waaraan zij om Zijnentwil blootstonden, nog toe. Matth. 5 : 11. In de wereld zouden zij verdrukking hebben, Joh. 16 : 33; bij de rechters was voor hen geen recht te verkrijgen; de oversten en de grooten doen hunne heerschappij over de volken rusten op onderdrukking en geweld, Matth. 20 : 25.

Indien men dit alles in het oog houdt, is het gemakkelijk te begrijpen, dat Jezus in de Bergrede die deugden aanprijst, welke zijne discipelen in zulke omstandigheden vóór alle dingen te beoefenen hadden. Het ware ongepast geweest, aan deze menschen eene zoogenaamde cultuurtaak. op te dragen, hen op te roepen tot beoefening van wetenschap en kunst, tot verzameling van aardsche schatten, tot het drijven van nijverheid en handel. Daartoe was Jezus zelf niet in de wereld gekomen; Hij kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen, en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen; en in deze dienende liefde moesten zijne discipelen Hem volgen, Matth. 20 : 26-28. Daarom vermaant Hij hen in de Bergrede, om niet op de wijze der Schriftgeleerden den eisch der gerechtigheid te verzwakken, maar dien ten volle te erkennen en te handhaven, het koninkrijk Gods en de gerechtigheid Gods vóór alles te zoeken, volmaakt te zijn als hun Vader in de hemelen; en dienovereenkomstig vergevensgezind te zijn, Matth. 5 : 21-26, rein van hart en wandel buiten en in het huwelijk, 5 : 27-32, oprecht en trouw in het woord, 5 : 33-37, toegefelijk en liefderijk jegens den vijand, 5 : 39-44 enz. In één woord, de discipelen van Jezus kunnen door hun macht en aanzien geen invloed oefenen op de wereld, maar zij moeten in hunne goede werken hun licht laten schijnen voor de menschen, enzullen dezen daardoor bewegen, om hunnen Vader in de hemelen te verheerlijken, Matth. 5 : 16, Joh. 15 : 8.

Op deze wijze behoeft aan de woorden van Jezus noch naar de eene noch naar de andere zijde geweld te worden aangedaan. Want het |127| gaat eenerzijds niet aan, om deze woorden zoo te vergeestelijken, dat zij het tegendeel bedoelen van wat er eigenlijk staat; het is niet waar, dat Jezus in de Bergrede alleen op de gezindheid let en het andere van mindere beteekenis acht. Hij spreekt zelfs met geen woord van de gezindheid des harten, al ligt die in Zijne geboden opgesloten; maar Hij handelt van het begin tot het einde over concrete daden en houdt die aan Zijne discipelen ten voorbeeld voor oogen. Maar aan den anderen kant mag men toch de woorden niet pressen, want Jezus stelt die concrete daden, die Hij door Zijne jongeren nagevolgd wil zien, toch voor in den vorm van beelden, welke niemand letterlijk opvatten en toepassen kan. Dat geldt niet alleen van het uittrekken van het oog en het afhouwen van de hand, vs. 29, 30, maar ook van het wederstaan van den booze, van het toekeeren der linkerwang aan wie op de rechter slaat, enz. vs. 39-42, evenals ook van de voetwassching, Joh. 13 : 14. Maar ofschoon niet letterlijk, al deze voorbeelden zijn toch wel concreet en practisch te verstaan. Jezus verbiedt in de Bergrede aan Zijne discipelen wel terdege, om met den wederpartijder naar het gerecht te gaan, om kwaad met kwaad te vergelden, om weerwraak te oefenen, om den vijand te haten, om te zweren, om eene vrouw met begeerlijkheid aan te zien, enz. In dit alles meent Jezus, wat Hij zegt; Hij drukt zich niet anders uit, dan Hij bedoelt. Hij eischt, dat Zijne discipelen niet alleen zoo gezind zullen zijn, als Hij zegt, maar dat zij zich zoo ook zullen gedragen en zoo zullen doen. De Bergrede eindigt dan ook met de waarschuwing, dat niet ieder, die Jezus als Heere, Heere aanspreekt, en niet ieder, die in Zijn naam profeteert en duivelen uitwerpt, in het koninkrijk der hemelen zal ingaan, maar die daar doet den wil des Vaders, die in de hemelen is. Een iegelijk, die Jezus’ woorden hoort en doet, vergelijkt Hij bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft, Matth. 7 : 21 v. 25 : 34 v.


III. Deze uitlegging wordt bevestigd door geheel het Nieuwe Testament. De gemeente bestond in de eerste eeuw hoofdzakelijk uit geringen en eenvoudigen naar de wereld. Wat Paulus van de gemeente te Corinthe schrijft, 1 Cor. 1 : 26-28, gold zonder twijfel van alle of de meeste gemeenten in den apostolischen tijd. Er waren zeker ook enkele aanzienlijken bij, Joh. 3 : 1, 19 : 38, Hand. 4 : 37, 5 : 1, 10 : 1, Phil. 4 : 22, voorname vrouwen, Hand. 16 : 14, 17 : 4, 12, rijke heeren en kooplieden, Jak. 1 : 10, 2 : 1 v., 4 : 13, 1 Tim. 2 : 9, 6 : 17, Openb. 3 : 17; maar het meerendeel kon niet gerekend worden tot de wijzen naar het vleesch, tot de machtigen en de edelen; veeleer had God het dwaze en zwakke, het onedele en verachte der wereld uitverkoren, om |128| de wijzen en sterken te beschamen en, die iets waren, te niet te maken. Smaad en laster, verdrukking en vervolging waren in ruime mate hun deel, eerst van den kant der Joden, Hand. 6 : 9, 4 : 1 v., 6 : 9 v., 8 : 1 v., 9 : 1, 2, 12 : 1 v., 2 Cor. 11 : 24, Openb. 2 : 9, 3 : 9, vervolgens ook, hetzij al dan niet op hun aanstoken, van den kant der Heidenen, Hand. 13 : 50, 14 : 2, 19, 17 : 5, 13, 19 : 23 v., 2 Tim. 3 : 12, Tit. 2 : 8, 1 Petr. 2 : 12, 3 : 16, 4 : 14, 1 Joh. 3 : 13 enz., en ten slotte onder Nero en Domitianus vanwege den staat. De gemeente van Christus werd in de kringen van Joden en Heidenen als eene secte der Nazarenen beschouwd en werd overal tegengesproken, Hand. 24 : 5, 28 : 22; de publieke opinie was tegen haar; er was groote moed noodig, om zich openlijk bij haar te voegen. De Christenen gingen door voor haters van het menschelijk geslacht en voor vijanden van de maatschappelijke en staatkundige orde; wijl zij geen deel namen aan den officieelen cultus en in eigen vergaderingen samenkwamen, werden zij van ongeloof en bijgeloof, van tooverij, kindermoord en allerlei schandelijke practijken beschuldigd. Zij golden voor het uitvaagsel (vuilnis, afval) der wereld en als aller voetwisch, 1 Cor. 4 : 13.

Het spreekt vanzelf, dat de Christenen zich in zulk eene wereld niet thuis konden gevoelen. Zij beschouwden zichzelven als vreemdelingen en bijwoners, hadden hun burgerrecht in den hemel, en zagen verlangend uit naar de toekomst van Christus, Phil. 3 : 20, 21, Hebr. 13 : 14, Jak. 1 : 1, 1 Petr. 1 : 1, 2 : 11 enz. Ze konden aan het openbare leven, dat van afgoderij doortrokken en met allerlei ongerechtigheid besmet was, geen deel nemen en trokken zich in de eenzaamheid, in hun eigen kleinen kring terug. De wereld lag in het booze, was het terrein van satan en de daemonen, en moest met al hare begeerlijkheden gevloden worden, indien men een kind van God en een erfgenaam des eeuwigen levens wilde zijn, Jak. 4 : 4, 1 Joh. 2 : 15, 5 : 19. Wat konden de apostelen aan de geloovigen, in zulke omstandigheden levende, anders aanbevelen dan de beoefening dier deugden, welke Christus betracht en aan zijne discipelen ter navolging had gesteld. Evenmin als Jezus, konden zij aan de leden der gemeente eene cultuurtaak opdragen en hen aansporen tot onderwerping der aarde en verovering der wereld. Want behalve dat Jezus daarvoor niet in de wereld gekomen was en zijne gemeente vergaderd had; indien de gemeente aanstonds deze taak ter hand had genomen, zou zij met haar klein getal en haar zwakke kracht weldra in den maalstroom der wereld verslonden zijn. Het kwam er in den eersten tijd voor de gemeente op aan, om hare zelfstandigheid te bewaren en eene eigene positie in de wereld te veroveren. En daarom rieden de apostelen eenparig de betrachting dier deugden aan, |129| waardoor de geloovigen in dien tijd alleen invloed op die wereld konden uitoefenen, de deugden van waarheid, rechtvaardigheid, heiligheid, Ef. 4 : 24, van reinheid, ingetogenheid, matigheid, Ef. 5 : 3-5, van bidden, waken en vasten, Hand. 14 : 23, Rom. 12 : 12, 1 Cor. 7 : 5, 1 Petr. 4 : 7, 8. van geloof, liefde, lijdzaamheid, 1 Tim. 6 : 11, van broederliefde, mededeelzaamheid, herbergzaamheid, Rom. 12 : 13, van ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid, Col. 3 : 12, van al die deugden, welke Paulus roemt als vruchten des Geestes en tegen de werken des vleesches overstelt, Gal. 5 : 19-22.

Sterker nog; niet alleen staan in de ethiek des Nieuwen Testaments deze zoogenaamde passieve deugden op den voorgrond, maar de geloovigen worden steeds vermaand tot het volbrengen hunner plichten, en zoo goed als nimmer aangespoord, om op te komen voor hunne rechten. Het Nieuwe Testament zegt nergens, dat het instituut der slavernij ongeoorloofd is; Jezus gaat van de onderstelling uit, dat, al zijn er ook vrije daglooners en huurlingen, Matth. 20 : 1, Mark. 1 : 20, Luk. 15 : 17, de slavernij toch wettig bestaat, Matth. 13 : 34, 18 : 23 v., 25 : 14 v., Luk. 12 : 42, 17 : 7, en spreekt met geen enkel woord over hare onrechtmatigheid. En Paulus zegt wel, dat de slaaf door zijne bekeering een vrijgelatene des Heeren wordt, evenals een vrije daardoor in een dienstknecht van Christus verandert; maar de slaaf blijft slaaf, en blijve dat zelfs liever, ook als hij vrij kan worden (aldus de meer waarschijnlijke opvatting van 1 Cor. 7 : 21b). De apostel stelt zich met de geestelijke vrijheid der Christenslaven tevreden, en trekt deze vrijheid hoegenaamd niet in het sociale leven door; den bekeerden slaaf Onesimus zendt hij naar zijn heer terug, zij het ook als meer dan een slaaf, n.l. een geliefden broeder, Phil. 16. En wel worden de heeren opgewekt om hunne slaven recht en gelijk te doen, en de dreiging na te laten, Col. 4 : 1, Ef. 6 : 9; maar veel ernstiger worden de slaven vermaand, om hun heeren in alles gehoorzaam te zijn, met vreeze en beven, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden, Ef. 6 : 5, Col. 3 : 22, 1 Petr. 2 : 8.

Evenzoo wordt bij de verhouding der kinderen, vrouwen en onderdanen tot hunne ouders, mannen en overheden steeds op de onderdanigheid van eerstgenoemden de sterkste nadruk gelegd. Wel behooren de vaders hunne kinderen niet te tergen, opdat zij niet moedeloos worden, Ef. 6 : 4, Col. 3 : 21, de mannen hunne vrouwen lief te hebben en, niet verbitterd tegen haar te worden, maar haar als het zwakkere werktuig Gods eere te geven Ef. 5 : 25, Col. 3 : 19, 1 Petr. 3 : 7, en behooren de overheden niet eene vreeze te zijn voor de goeden, maar voor de kwaden, Rom. 13 : 3; doch kinderen, vrouwen en onderdanen |130| worden toch steeds vermaand, om in alles, niet alleen om der straffe, maar ook om der conscientie wil, onderworpen en gehoorzaam te zijn, Rom. 13 : 5, Ef. 6 : 1-3, Col. 3 : 18, 20, Tit. 3 : 1, 1 Petr, 2 : 13-17, 3 : 1-6. De geloovigen moeten voor koningen en voor allen, die in hoogheid zijn, hunne smeekingen en gebeden doen, opdat zij een gerust en stil leven mogen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid, 1 Tim. 2 : 2. Een ander en hooger ideaal wordt hun niet voor oogen gesteld; nergens treffen wij eene positieve opwekking aan, om op hun recht te staan, om voor hunne vrijheid op te komen, om hunne positie in de maatschappij te verbeteren, om te dingen naar een ambt in of naar invloed op den staat. Zelfs als onder hen de een tegen den ander eene zaak heeft, moeten ze niet voor de onrechtvaardigen terecht gaan, maar liever ongelijk en schade lijden, 1 Cor. 6 : 1-7.

Op dezelfde wijze worden de Christenen gewaarschuwd tegen het zweren, Jak. 5 : 12; tegen de wijsheid der wereld en de ijdele philosophie, 1 Cor. 2 : 19 v., Col. 2 : 8, tegen den rijkdom, 1 Tim. 6 : 9, 10, Jak. 5 : 1-6, want als we voedsel en deksel hebben, zullen we daarmede vergenoegd zijn, 1 Tim. 6 : 8. Zelfs valt niet te ontkennen, dat Paulus aan den ongehuwden staat de voorkeur geeft, Hij denkt er niet aan, om met de asceten zijner dagen het huwelijk zelf af te keuren, 1 Tim. 4 : 3; veeleer erkent hij daarin eene volle levensgemeenschap van man en vrouw, 1 Cor. 7 : 3, 4, 11 : 21, een beeld van de vereeniging van Christus en zijne gemeente, Ef. 5 : 31, 32. Maar toch zijn er twee redenen, waarom hij het ongehuwd zijn een voorrecht acht; ten eerste om den aanstaanden nood, want wie trouwen, zullen verdrukking hebben in het vleesch, 1 Cor. 7 : 26-28, en ten andere, omdat de gehuwde zich bekommert met de dingen dezer wereld, hoe hij de vrouw zal behagen, maar de ongehuwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen, 1 Cor. 7 : 32-34. Een gebod wil de apostel hiermede in het minst niet geven, want een iegelijk heeft zijne eigene gave van God, de een aldus en de ander alzoo. Maar als de ongehuwden konden blijven, zooals hij, dan zou hij dit wenschelijk achten, 1 Cor. 7 : 7, 8, verg. Matth. 19 : 12, Hand. 21 : 4, Openb. 14 : 4.

Uit heel de houding, welke de discipelen van Jezus in de eerste eeuw aannamen en aannemen moesten tegenover de wereld, blijkt ten duidelijkste, dat de moraal van het Nieuwe Testament geschreven werd van het standpunt van de onderdrukte en vervolgde gemeente van Christus. Ook hierin komt het Nieuwe Testament met het Oude overeen. De wet van Mozes onderstelt de eeuwenlange dienstbaarheid van het volk van Israel in Egypte en brengt deze telkens weer in herinnering. Ze |131| dient als motief, om barmhartigheid te bewijzen aan de ellendigen. De kinderen Israels zijn vreemdelingen en dienstknechten geweest in Egypte; zij kennen het gemoed des vreemdelings, daarom zullen zij den vreemdeling, die in hunne poorten is, evenals ook de weduwe en den wees, den dienstknecht en de dienstmaagd, niet onderdrukken, maar liefhebben en weldoen, Ex. 22 : 21 v., 23 : 9, Lev. 19 : 33, 34, Deut. 10 : 18, 19, 16 : 11, 12, 24 : 19-22 enz. Op dezelfde wijze neemt het Nieuwe Testament het op voor de sociaal en politiek verongelijkten, voor de verdrukten en vervolgden, voor de hulpeloozen en nooddruftigen. De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld, Jak. 1 : 27, verg. Matth. 5 : 3 v., 25 : 34 v. Christus heeft ons bezocht met de innerlijke bewegingen der barmhartigheid Gods, en daarom heeft ook zijne gemeente barmhartigheid te bewijzen aan alle lijdenden in deze wereld, Luk. 1 : 78, Matth. 5 : 7, 9 : 13, 12 : 7, Luk. 6 : 36 enz.

Dit standpunt kon de gemeente te lichter innemen, wijl zij leefde in de verwachting, dat de wederkomst van Christus aanstaande was; het tegenwoordig geslacht zou haar misschien nog beleven, 1 Thess. 4 : 15, 1 Cor. 15 : 51; de tijd was dus kort, het was de laatste ure, 1 Cor. 7 : 29, 1 Joh. 2 : 8, Openb. 1 : 3; men moest alles bezitten als niet bezittende, 1 Cor. 7 : 29-31, zich oefenen tot godzaligheid, 1 Tim. 4 : 7, met het oog op de nabije toekomst des Heeren nuchter en waakzaam zijn, volharden in bidden en vasten, 1 Thess. 5 : 6, 1 Petr. 4 : 7, Col, 4 : 2, en voorts bij de godzaligheid voegen broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen, 1 Petr. 1 : 7. En door deze deugden heeft de gemeente van Christus inderdaad in de eerste en tweede eeuw een machtigen invloed op de wereld geoefend, en haar in waarheid overwonnen door het kruis, gelijk God door dat kruis alleen over de overheden en machten heeft getriumfeerd, Col. 2 : 15.


IV. Maar toen de gemeente zoover gekomen was, moest zij tegenover die wereld ook eene andere houding aannemen; zij kon met de beoefening der negatieve en passieve deugden niet meer volstaan, maar kreeg thans tot taak, om de wereld naar de beginselen des Christendoms te hervormen en te vernieuwen. Ook hiervoor waren de lijnen voor haar aangewezen in het onderwijs van Jezus en de apostelen. Want al staan, wegens den nood der tijden, de vermaningen tot liefde en lijdzaamheid in dat onderwijs op den voorgrond; de positieve gegevens ontbreken toch niet, ze liggen reeds opgesloten in de centrale feiten van het Christendom. |132|

Ten eerste komt hiervoor in aanmerking de vleeschwording des Woords, want deze was een bewijs van de genade des Zoons en van de liefde des Vaders. En die liefde strekte zich tot de geheele wereld, tot de gansche schepping uit, die immers in haar oorsprong goed was, geheel en al een werk Gods, niet alleen in haar geestelijk, maar ook in haar stoffelijk bestaan, Gen. 1 : 1, Joh. 1 : 3, 3: 16. Christus kwam dan ook niet, om de wereld te veroordeelen, maar om ze te behouden, juist door in haar de werken des duivels te verbreken, Joh. 3 : 17, 9 : 39, 12 : 47, 1 Joh. 3 : 8. Ten tweede staat deze liefde in de Christelijke religie niet, als in het Buddhisme, tegenover het recht, maar zij neemt dit als het ware in zich op; in den weg der genade handhaaft God zijne gerechtigheid; het kruis is beide, openbaring van de hoogste liefde en van het strengste recht, vervulling van wet en evangelie tegelijk, Rom. 3 : 25, 26. Ten derde is daarom de dood van Christus door zijne opstanding, zijne vernedering door de verhooging gevolgd; wijl Hij der zonde stierf, kon Hij door den dood niet gehouden worden, maar leeft Hij Gode eeuwiglijk, Rom. 6 : 10, Phil. 2 : 9. Doch hierin ligt voor al de zijnen ook de profetie en de waarborg, dat zij, indien ze met Christus gestorven zijn, ook met Hem leven zullen, hier reeds in beginsel, en straks bij de opstanding naar ziel en lichaam beide in volmaakte heerlijkheid, Rom. 5 : 17, 6 : 8, 2 Tim. 2 : 11. Als de geloovigen dus hier op aarde tijdelijk van hun recht afstand duen en stil en lijdzaam dragen het onrecht, dat hun aangedaan wordt, dan geschiedt dit niet uit minachting van het recht, maar omdat zij hunne zaak aan God toevertrouwen, voor wien het recht is, om verdrukking te vergelden aan degenen, die hen nu verdrukken, daarentegen verkwikking en vergelding der erfenis aan hen, die thans verdrukt worden, Col. 3 : 24, 2 Thess. 1 : 6, 7, 2 Tim. 2 : 12 enz.

Met deze gegevens voor oogen, brachten de apostelen in de navolging van Christus eene belangrijke wijziging aan. Zoolang Jezus op aarde was, konden de discipelen slechts het voorbeeld volgen, dat Hij van dag tot dag in zijn persoon, in zijne woorden en daden hun voor oogen stelde. Het navolgen droeg toen ten deele nog een uitwendig karakter, het was een volgen ook in letterlijken zin. Maar daaraan kwam door dood, opstanding en hemelvaart een einde; de lichamelijke tegenwoordigheid en omgang hield op, Joh. 20 : 17; Jezus ging heen, en zond in zijne plaats dien anderen Trooster, die zijne discipelen in alle waarheid leiden zou, Joh. 16 : 7. Door dien Geest werden zij ingeleid in de waarheid van Jezus’ persoon en werk. Zij zagen thans in Hem den Vorst des Levens, die eerst in de gestalte Gods had bestaan, zich daarna tot den dood des kruises vernederd had, en uit de |133| vernedering door God was verhoogd, en gezet was aan de rechterhand zijner kracht, Hand. 2 : 31, Phil. 2 : 6-11, Hebr. 1 : 2, 3, De navolging van Christus kreeg daarom een veel dieper zin en eene veel rijkere beteekenis; ze beperkte zich nu niet meer tot het exempel, dat Hij tijdens zijne aardsche omwandeling gegeven had, maar zij had thans den ganschen Christus voor oogen, den prae- en den postexistenten Christus, den gekruisten en den verheerlijkten Christus, den Gezalfde tot profeet en leeraar niet alleen, maar ook tot priester en koning.

De verhouding werd daardoor als het ware geheel omgekeerd. Het waren thans niet in de eerste plaats de discipelen, die aan Jezus’ noodiging gehoor gaven en Hem navolgden; maar het was in de eerste plaats Christus zelf, die door zijn Geest de zijnen hervormt naar zijn beeld, naar datzelfde beeld hen verandert van heerlijkheid tot heerlijkheid, en ze eens naar ziel en lichaam zichzelven gelijkvormig maken zal, als ze Hem zien zullen, gelijk Hij is, Rom, 8 : 29, 2 Cor. 3 : 18, Phil. 3 : 21, 1 Joh. 3 : 2. En nu blijft Jezus’ aardsche leven voor de geloovigen wel een voorbeeld, maar de apostelen denken er niet aan, om tot de Bergrede in letterlijken zin terug te gaan; zij dalen nergens af tot de bijzonderheden, welke daarin worden aangegeven; zij beschouwen Jezus’ voorbeeld volstrekt niet als een model, dat wij slaafsch te copiëeren hebben. Maar zij leggen nadruk op die deugden, welke Jezus in gehoorzaamheid aan des Vaders wil in zijn leven tentoongespreid heeft. De geloovigen, die een vermaak hebben in de wet Gods naar den inwendigen mensch, en die zelven hebben te beproeven, welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij, Rom. 12 : 2, kunnen daarbij ook leeren uit het voorbeeld van Christus. Zij moeten Hem navolgen in de deugden van nederigheid, ootmoed, lijdzaamheid, 2 Cor. 8 : 9, Phil. 2 : 5, 1 Petr. 2 : 21, in reinheid en heiligheid, 1 Petr. 1 : 15, 1 Joh. 3 : 3, 4 : 17, Ef. 4 : 10; in vergevensgezindheid en liefde, Ef. 4 : 32, 5 : 2, 2 Cor. 10 : 1, Col. 3 : 13; zij moeten in één woord wandelen in het licht, gelijk Hij in het licht is, 1 Joh. 1 : 7, 2 : 3, Ef. 5 : 8.

Met dit apostolisch onderwijs zijn we ver verheven boven die opvatting. welke in de Bergrede eene nieuwe, volmaaktere wet ziet en Jezus’ leven als een model beschouwt, dat wij hebben na te bootsen. Voor de apostelen is het voorbeeld van Christus eene leerzame illustratie van de voornaamste deugden, welker beoefening de wet Gods van ons eischt, inzonderheid van de liefde, Rom. 12 : 9, Gal. 5 : 14. Daarom nemen zij over het algemeen tegenover de dingen der wereld een vrij en ruim standpunt in, en staan zij principiëel tegen het ascetisme over. Zooals Jezus bad, dat Zijne discipelen niet uit de wereld zouden |134| weggenomen, maar in de wereld zouden bewaard worden van den booze, Joh. 17 : 15; zoo keerden de apostelen zich niet tegen de wereld als schepping Gods, maar tegen alwat in die wereld zondig was en tot zonde verleiden kon, 1 Joh. 2 : 16. Men moet hierbij in aanmerking nemen, dat de toenmalige wereld in een staat van diep godsdienstig en zedelijk verval verkeerde en dus van Christelijk standpunt tot een streng oordeel aanleiding gaf. Maar des te meer treft het ons, dat de apostelen eenparig de Joodsche en Heidensche ascese van dien tijd bestrijden en steeds de grens in het oog houden tusschen wat goed door God geschapen en wat daarin door de zonde bedorven werd. Schepping en val zijn in het Christendom onderscheiden; verlossing is niet vernietiging, maar herstel der natuur. Paulus moge daarom de gave der onthouding en den ongehuwden staat op hoogen prijs stellen; het huwelijk is toch goed en eerbaar, een beeld zelfs van de vereeniging van Christus met Zijne gemeente, 1 Cor. 7 : 28, Ef. 5 : 32, Hebr. 13 : 4. De overheid heeft van God hare macht ontvangen en is Zijne dienares, Rom. 13 : 1 v., Tit. 3 : 1, 1 Petr. 2 : 13 v. Alle goede gaven en volmaakte giften dalen neder van den Vader der lichten, die ook de harten Zijner menschenkinderen vervult met spijze en vroolijkheid, Jak. 1 : 17, Hand. 14 : 17. Geen ding is onrein in zichzelf, maar alle schepsel Gods is goed, met dankzegging genomen zijnde, Rom. 14 : 14, 1 Tim. 4 : 4. En de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens, 1 Tim. 4 : 8.


V. Bij deze apostolische beginselen sloot de kerk zich aan, toen zij door louter zedelijke en geestelijke middelen de overwinning over de wereld behaalde en met eene negatieve houding tegenover de toenmalige cultuur zich niet meer tevreden kon stellen. Bij het inslaan van deze, in zekeren zin, nieuwe richting stuitte zij op veel tegenspraak en tegenstand; niet alleen kettersche en sectarische groepen stonden tegen haar over, maar binnen haar eigen muren waren de meeningen over de houding, welke de Christenen tegenover de Grieksch-Romeinsche beschaving hadden aan te nemen, ten zeerste verdeeld. Ook kon de kerk haar weg niet vervolgen, zonder aan het ascetisch ideaal groote concessies te doen en er binnen hare grenzen een eigen terrein voor af te bakenen. Maar vooral onder leiding der bisschoppen van Rome wandelde zij voort in het pad, dat zij door de apostelen zich aangewezen zag, en nam zij tegenover staat, wetenschap, kunst, bedrijfsleven, krijgsdienst enz. allengs eene meer positieve houding aan. Zelfs sloeg zij daarbij in verloop van tijd tot een ander uiterste over; de kerk had invloed op de wereld, maar de wereld drong ook de kerk binnen en |135| wekte in haar de begeerte naar de grootschheid des levens en naar aardsche macht. Wereldverachting en wereldbeheersching waren de kenmerken van de kerk in de Middeleeuwen.

Tegen beide kwam de Reformatie in verzet. Zij vond haar uitgangspunt in de rechtvaardiging door het geloof alleen, en ondermijnde daarmede het ascetisme, dat steeds op pelagiaansche werkheiligheid rust; maar zij maakte daarmede tevens een einde aan de heerschappij der kerk over de natuurlijke levensterreinen en wilde van geene andere synthese tusschen Christendom en cultuur weten, dan die langs zedelijken weg tot stand kwam. Aan deze beginselen zijn de kerken der Hervorming lang niet altijd getrouw geweest; menigmaal hebben zij van de macht, die zij verwierven, weder misbruik gemaakt; mede door haar schuld is daarom de geschiedenis na de zestiende eeuw in Europa de geschiedenis geweest van de gestadige emancipatie van heel het natuurlijke leven aan de heerschappij van belijdenis en Schrift, zoodat de cultuur thans als eene zelfstandige en imposante macht tegen de kerk van Christus overstaat. Maar indien er van eene synthese tusschen Christendom en cultuur sprake zal kunnen zijn, dan zal ze toch nooit anders tot stand kunnen komen dan in den ethischen weg, dien de gemeente in de eerste eeuwen bewandelde en dien de Reformatie weer principieel als den eenig-juisten aanwees.

Daartoe is het in de eerste plaats noodig, erop te wijzen, dat de cultuur, in den ruimsten zin genomen, zoodat ze huwelijk, gezin, bedrijf, beroep, landbouw, nijverheid, handel, wetenschap, kunst, staat en maatschappij omvat, dat deze gansche cultuur nooit te beschouwen is als een product van het Christendom. Zij komt immers, in armer of rijker vorm, bij alle volken voor; ze had in de Grieksch-Romeinsche wereld reeds eene aanzienlijke hoogte bereikt, voordat het Christendom daarin zijne intrede deed; zij ontving in de Middeleeuwen haar eigenaardig cachet door het compromis, dat toen tusschen Christendom en Antike, tusschen kerk en wereld tot stand kwam; en zij werd in den nieuweren tijd tot eene macht, inzonderheid ten gevolge van de nieuwe methoden, die in natuur, en geschiedwetenschap werden toegepast en tot allerlei verrassende ontdekkingen leidden. Het Christendom treedt trouwens ook nooit met de pretentie op, dat het de cultuur heeft voortgebracht of voortbrengen moet. Integendeel, het Nieuwe Testament onderstelt het Oude Testament; de herschepping is op de schepping gebouwd, het werk des Zoons sluit zich aan bij het werk des Vaders, de genade volgt na de natuur, de wedergeboorte kan niet plaats hebben dan na de geboorte. Al de goederen der cultuur, huwelijk, gezin, staat enz. zijn goede gaven en volmaakte giften, die nederdalen van den Vader |136| der lichten; zij zijn te danken aan de algemeene goedheid Gods, die zijne zon laat opgaan over boozen en goeden, regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, en de harten der menschen vervult met spijze en vroolijkheid.

Ten tweede is hiermede onmiddellijk gegeven, dat de cultuur in al hare vertakkingen haar eigen leven leidt en hare eigene wetten meebrengt. Het Christendom heeft volstrekt de roeping niet, om dit leven der cultuur te vernietigen en de wetten van dat leven te weerstaan, maar integendeel om dit leven met zijne eigene regelen ten volle te eerbiedigen, de genade onderdrukt immers de natuur niet, maar herstelt ze. Ook is het Evangelie geene nieuwe wet; niet alleen is het dat niet tegenover de wet van Mozes, maar het is dat ook niet tegenover de wetten, welke God in de natuur en voor de natuurlijke levensterreinen vastgesteld heeft. Staat, maatschappij, kunst, wetenschap, landbouw, nijverheid, handel enz. zijn gebonden aan de ordinantiën, die overeenkomstig Gods openbaring in de natuur voor elk hunner gelden, en die ons allengs in den weg van ervaring en onderzoek bekend worden. Wie dus de natuur wil leeren kennen, moet de natuur bestudeeren; wie landman wil worden, moet den landbouw beoefenen; wie koopmanschap wil drijven, moet in den handel gaan enz. Geen Schriftstudie brengt den mensch van dit alles op de hoogte, maar naarstig onderzoek van wat God hem door zijne schepping en voorzienigheid leert.

Ten derde komt dus aan het Christendom ten opzichte van natuur en cultuur eene beperkte taak toe. Het bindt nooit tegen deze beide op zichzelf den strijd aan, maar alleen tegen het bederf, dat er ingedrongen is. Gelijk Christus alleen in de wereld kwam, om de werken des duivels te verbreken, maar om daardoor juist de werken des Vaders te herstellen; zoo staat het Evangelie enkel en alleen, maar ook volstrekt en algemeen tegen de zonde over. Dus tegen de zonde in al haar vormen en werkingen, tegen de zonde als dwaling en leugen, als schuld en smet, als ellende en dood; tegen de zonde in het openbare en in het private leven, in recht en zede, in maatschappij en staat enz. Maar bij dien strijd, dien het Evangelie van Christus ten allen tijde en alom tegen de zonde aanbindt, bedient het zich en kan en mag het zich naar zijn aard niet anders bedienen dan van geestelijke wapenen. Dus niet van geweld of dwang, rijkdom of macht, vleierij of huichelarij, maar alleen van het woord en het geloof, de waarheid en de gerechtigheid. Deze wapenen gelden als krachtig voor God, en zijn in staat, om alle sterkten neder te werpen, die zich verheffen tegen de kennis van God, en om alle gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. |137|

Zoo trad de gemeente in de eerste eeuwen tegen de wereld op, en op geene andere wijze heeft zij in beginsel thans den strijd te voeren. Tusschen de eeuw, waarin het Christendom optrad, en die, waarin wij leven, bestaat groote overeenkomst; menige trek van ongeloof en bijgeloof laat zich aanwijzen, die toen en nu aan de cultuur eigen was. Maar om de overeenkomst mag men toch het groote verschil niet voorbijzien. In de Grieksch-Romeinsche wereld, waarin het Christendom allengs binnendrong, was het gansche openbare en private leven doortrokken van het polytheisme; alles hing samen met de afgoderij. Daartegen was het in de eerste plaats, dat de kerk hare aanvallen richtte, en in dien strijd stond ze sterk. Als zij de afgoderij, het bijgeloof, de sterrenwichlarij en de tooverij bestreed; als zij opkwam tegen hoererij, echtbreuk, onnatuurlijke zonden, vruchtafdrijving, het te vondeling leggen van kinderen; als zij te velde trok tegen hebzucht, gierigheid, oneerlijkheid, dubbelhartigheid, leugen, bedrog in handel en wandel; en tegenover al deze ondeugden in woord en daad de deugden van waarheid, gerechtigheid, barnhartigheid, menschenliefde predikt, dan was zij machtig, en vond steun in de conscientie harer tegenstanders. Want het polytheïsme was, evenals het Judaisme, een juk, dat zwaar viel om te dragen; het was een last, die drukte op heel het leven, Als de Heidenen tot het Christendom overgingen, dan voelden zij dit als eene bevrijding naar lichaam en naar ziel; bekeering was werkelijk eene verlossing van verstand en hart uit den dienst der stomme afgoden, uit de ijdele wandeling van ontucht, gierigheid, dwaling, leugen en allerlei ongerechtigheid, 1 Cor. 6 : 11, 12 : 2, 1 Petr. 1 : 18, 2 : 25. In het Evangelie ging voor de Heidenen een nieuwe wereld op; zij kregen een anderen blik op natuur en geschiedenis; het Christendom kwam hun voor als de „redelijke” godsdienst, als de ware philosophie, hoog verheven boven alwat zij tot dusver van hunne wijzen hadden gehoord; en met vreugde aanvaardden zij de vrijheid, waarmede hen Christus vrijgemaakt had.

Men kan moeilijk beweren, dat wij tegenover de cultuur van dezen tijd in denzelfden toestand verkeeren. Zeker, er mag niets worden afgedaan van de waarheid van Paulus’ woord, dat het kruis voor de Joden eene ergernis en voor de Grieken eene dwaasheid is, want dit woord behoudt alle eeuwen door zijne kracht en wordt bevestigd door de ervaring van iederen dag. Maar toch is de cultuur in den tegenwoordigen tijd niet op die wijze en in die mate van het Heidendom doortrokken, als ze dat was in de apostolische eeuw. Velerlei pantheïstische en materialistische stroomingen hebben zich met haar trachten te verbinden en haar aan zichzelve trachten dienstbaar te maken; doch |138| de cultuur zelve dankt daaraan haar oorsprong niet. Veeleer wortelt zij in beginsel en wezen in die vrije, onbevangen natuur- en wereldbeschouwing, welke eerst door het Christendom, met name door het Protestantisme, mogelijk is gemaakt. Onder den invloed, ik zeg niet uitsluitend, maar toch zeer zeker in sterke mate óók onder den invloed van de Schriftuurlijke visie op natuur en geschiedenis is de menschelijke geest allengs zoo gevormd, dat hij tot de ontdekking kwam van die wetenschappelijke methoden, wier toepassing op beide terreinen tot zulke verrassende, onze gansche maatschappij hervormende resultaten heeft geleid. Daarom is de strijd tegen de moderne cultuur, bij verschillende punten van overeenkomst, toch eene gansch andere, dan die in de eerste eeuwen door de kerk tegen de Grieksch-Romeinsche beschaving gestreden werd. Hij mist de eenheid, de geslotenheid, die toen zijne kenmerken waren. Er is in de tegenwoordige cultuur te veel, dat wij allen dankbaar aanvaarden en waarvan wij dagelijks in het leven genieten. De ontdekkingen der natuurwetenschap, de vergezichten, welke de geschiedwetenschap heeft geopend, de wonderen, welke de techniek heeft tot stand gebracht, zijn van dien aard, dat ze niet anders kunnen beschouwd worden dan als goede gaven en volmaakte giften, nederdalende van den Vader der lichten. Over heel de linie van den strijd heen hebben de Christenen in de cultuur tusschen het goede en het kwade te schiften; niemand, die ze geheel aanvaardt, en niemand ook, die ze ten eenenmale verwerpt; over de grens tusschen beide loopen de meeningen ver uiteen. Zoo ontbreekt aan den strijd de eenheid zoowel in den aanval zelf, als in het punt, waarop hij zich richt. En het ergste is, dat de bekeering, welke het Christendom predikt, door den mensch van dezen tijd niet meer gevoeld wordt als eene bevrijding, maar als eene knechting des verstands.

Ook zedelijk kan de strijd tusschen Christendom en cultuur in dezen tijd niet met dien in de eerste eeuwen gelijk worden gesteld. De overgang van het Heidendom tot het Christendom, bracht ook in het leven een algeheelen omkeer teweeg, 1 Cor. 6 : 20, Ef. 2 : 1, 2, Col. 3 : 5-14, Tit. 3 : 3; maar, welke beschuldigingen er terecht van zedelijk standpunt tegen de moderne samenleving in te brengen zijn, zij kan toch niet zonder meer eene Heidensche maatschappij worden genoemd. Hoe zij zich verder ontwikkelen zal, weten wij niet; er zijn vele verschijnselen, die ons hart met zorg en vrees vervullen kunnen; indien de beginselen, door sommigen aan eene moraal der toekomst ten grondslag gelegd, in de maatschappij en in de wetgeving des lands mochten doorwerken, zouden we ergerlijke toestanden tegemoet gaan. Maar zoover is het nog niet; regeering, wetgeving, rechtspraak, heel |139| het officiëele leven staat tot op den huidigen dag nog onder invloed van die zedelijke normen, welke aan het Christendom zijn ontleend; ook de moderne staat en maatschappij rusten grootendeels nog op Christelijke grondslagen. En in het algemeen mag men zeggen, dat zij niet, als in de dagen der eerste Christenen, de navolging van Christus onmogelijk maken. De gemeente geniet eene vrijheid, waarvoor zij niet anders dan dankbaar kan zijn; aan verdrukking en vervolging staat zij thans niet ten prooi.

Toch neme men hierbij wel in aanmerking, dat recht en zedelijkheid onderscheiden zijn en in deze bedeeling nooit kunnen samenvallen. De wet Gods, dat is het volmaakte zedelijkheidsideaal van het Christendom, komt in geen enkel mensch op aarde tot hare volkomene vervulling; zelfs de allerheiligsten hebben nog maar een klein beginsel der volmaakte gehoorzaamheid. Veel minder is dan te verwachten, dat de wetgeving des lands, die het recht te regelen heeft, aan dit ideaal ooit beantwoorden zal. Trouwens, het recht heeft eene andere taak en beheerscht een beperkter gebied dan de moraal; het mag er niet mede strijden, maar het komt er nooit volkomen mede overeen. Ten eerste reeds daarom niet, wijl het alleen uitwendige verhoudingen regelt; en ten andere, omdat het recht in zijne ontwikkeling steeds onder den invloed staat, niet alleen van algemeene zedelijke beginselen, maar ook van toestanden en verhoudingen, die in een gegeven tijd bij een volk bestaan. En deze zijn altijd nog ver van de volmaaktheid verwijderd. Eene door en door gezonde cultuur is daarom ook feitelijk onmogelijk; zij bestond nooit en zal ook in de toekomst onder geen volk bestaan; de volmaaktheid van enkele en gemeenschap behoort tot eene andere bedeeling.

Naar het schijnt, komen sommige Christenen juist tegen dit door hen zoo gevoelde dualisme in verzet. Zij stellen den eisch, dat de Christelijke beginselen consequent en radicaal in de maatschappij en den staat zullen worden toegepast. Met name stellen zij thans in betrekking tot den oorlog dien eisch; de dienstweigeraars achten op grond van het zesde gebod of van de Bergrede van Christus, of ook wel om Buddhistische en humanitaire overwegingen elken oorlog uit den booze. Met zulk eene gewetensovertuiging behoort de Overheid zooveel mogelijk rekening te houden; de tegenwoordige Minister van Oorlog kwam haar, gelukkig, reeds een eind weegs te gemoet. Maar ofschoon zulk eene eerbiediging der conscientie, mits gepaard gaande met maatregelen tegen simulatie, aan te bevelen en te prijzen valt, die conscientie is van Christelijk standpunt toch als een dwalende aan te merken, en de dwaling, waaraan zij lijdt, is goed beschouwd, niet van onschuldigen aard, maar ernstig en gevaarlijk. |140|

Ten eerste blijkt dit hieruit, dat het veroordeelen van allen en elken oorlog niet op zichzelf staat, maar steeds bij elk, die doordenkt, samenhangt met overtuigingen, die tegen heel de rechtsorde ingaan. Tolstoi heeft dit terecht alzoo ingezien. Als de staat elken oorlog weigeren moet uit liefde tot den naaste, en liever zijn grondgebied, zijne zelfstandigheid en zijne vrijheid moet prijsgeven, dan dat hij tot het weerstaan van den vijand zich aangordt, dan heft hij daarmede zichzelven en heel de rechtsorde op. Indien de militie moet afgeschaft worden, is het handhaven van justitie en politie onmogelijk, want beide dienen, om desnoods door dwang de rechtsorde in stand te houden, hetzij naar binnen hetzij naar buiten. De eisch nu, om heel de rechtsorde te laten vallen en alleen aan het gebod van het koninkrijk Gods te gehoorzamen, is misschien de consequentie van eene anarchistische en quietistische moraal, maar heeft met de Christelijke ethiek niet het minste van doen. Immers is de liefde in Oud en Nieuw Testament niet eene weeke gevoelsstemming, die alle actie buitensluit, maar een gebod, dat in het recht Gods is gegrond met het gevoel ook het verstand en den wil in beslag neemt, en niet tegenover het recht staat, maar aan de handhaving daarvan dienstbaar is. Het kruis van Christus is daarvan het krachtigste bewijs; de barmhartigheid is daarin met de gerechtigheid verzoend.

Ten andere is daarom de vraag, of Christendom en oorlog te vereenigen zijn, minder duidelijk gesteld. Het Evangelie staat als zoodanig geheel buiten en boven den oorlog; het wil niets liever, dan dat menschen en volken met elkander in liefde en vrede samenwonen; Christus verbood aan Zijne discipelen, om voor de verdediging van Zijne zaak tot het zwaard de toevlucht te nemen, want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan; Zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Op de belijders van den Christus, met name op een Christelijke overheid, rust daarom de dure plicht, om zooveel mogelijk den vrede te bevorderen. De pogingen, om tot ontwapening te komen, om alle geschillen tusschen de volken door arbitrage tot beslissing te brengen, om oorlogen te voorkomen en een duurzamen vrede te bewerken, verdienen van Christelijk standpunt aanmoediging en steun. De onvruchtbaarheid, waarmede die pogingen geslagen zijn en voortdurend geslagen worden, behoort ons van hunne aanwending niet af te schrikken. Bij de bestrijding van zonde, ziekte, ellende en dood weten wij van te voren, dat wij er niet in slagen zullen, om ze geheel te overwinnen, maar de ervaring leert, dat wij toch iets, en soms veel bereiken kunnen. Zoo hebben wij ook alle krachten in te spannen, om den oorlog met al zijne stoffelijke en geestelijke ellenden zoo lang |141| mogelijk tegen te gaan. De onverwinbaarheid van het kwaad is geene verontschuldiging, om het stil te laten bestaan en zonder tegenstand te laten voortwoekeren. Indien het meerdere niet te verkrijgen is, mag daarom het mindere niet worden versmaad.

De vraag echter, waar het bij de verhouding tusschen Christendom en oorlog op aankomt, is deze, of de rechtsorde in deze booze wereld zonder dwang en straf te handhaven is, en of het Christendom, indien dit niet mogelijk mocht zijn, zich daartegen verzet. Op deze vraag kan het antwoord, naar het schijnt, geen oogenblik twijfelachtig zijn. Immers, is niet alleen het Evangelie, maar ook de wet, niet alleen de zedelijke, maar ook de rechtsorde van goddelijken oorsprong. Alle macht, die er is, is van God geordineerd; zij is Gods dienares en draagt het zwaard niet tevergeefs. Zonder gezag en macht is geene menschelijke samenleving mogelijk. En Christus is niet gekomen, om deze ordening Gods te weer, staan of op zijde te zetten, maar integendeel, om ze te bevestigen en te heiligen; de genade onderstelt en herstelt de natuur; het Evangelie doet de wet niet te niet, maar vervult haar. Zulk eene houding neemt het Evangelie aan tegenover de gansche natuur en tegenover alle bestanddeelen der cultuur; tegenover huwelijk, gezin, beroep, nijverheid, handel enz., ook tegenover den staat en de rechtsorde, welke hij te handhaven heeft.

Deze rechtsorde sluit in eene booze wereld, als waarin wij leven, in den uitersten nood ook het recht tot den oorlog in. Er is geen twijfel aan, dat dit recht door de overheden en machten in den loop der eeuwen op schrikkelijke wijze is misbruikt en in plaats van aan de handhaving van het recht, veeleer aan heerschzucht, machtsvermeerdering, gebiedsuitbreiding enz. is dienstbaar gemaakt. Het klein getal der rechtvaardige oorlogen tegenover de vele, die aan onheilige beweegredenen en doeleinden zijn toe te schrijven, moet ons nopen, om met inspanning van alle krachten voor een duurzamen vrede te werken. Maar toch neemt ten slotte het schromelijke misbruik het rechte gebruik van dit gevaarlijke wapen niet weg. Er kunnen voor een volk tijden aanbreken, waarin geen andere uitweg dan de oorlog overblijft. Als het in zijn bestaan bedreigd of in zijne vrijheid van godsdienst en geweten aangerand wordt, dan is het bieden van wederstand, tot op het slagveld toe, een goddelijk recht en een heilige plicht. De Regeering, die in zulk een geval hare onderdanen niet tot den strijd opriep, zou het bewijs leveren, dat zij onbekwaam was voor de taak, welke van Godswege haar toebetrouwd was. Want er zijn goederen, zedelijke en geestelijke goederen, welke meer waard zijn dan voorspoed, welvaart en vrede, en waarvoor men goed en bloed veil moet hebben. Al wordt |142| de strijd zelfs niet met overwinning gekroond — want het rechtvaardige eener zaak is nog geen waarborg voor haar triomf — de opoffering en de zelfverloochening, welke een volk zich in zulk een strijd getroost, zijn schatten, welke in de geschiedenis niet verloren gaan.

Daarom hebben Christenen, die naar de wet Gods wenschen te leven en het voorbeeld van Jezus wenschen na te volgen, zich niet tegen de rechtsorde te verzetten noch elken oorlog in beginsel te veroordeelen. Er kunnen zeker gevallen voorkomen. waarin die rechtsorde zelve bedorven is en allerlei ongerechtige elementen in zich heeft opgenomen, zooals bijv. in den Romeinschen staat, die aan het polytheisme gehuwd was en goddelijke vereering van den keizer ten plicht stelde. En dan is het bieden van lijdelijk verzet der Christenen plicht. Maar daarbij moet dan toch weer nauwkeurig onderscheiden worden tusschen het onrecht, dat de staat pleegt, en het recht, dat hij desniettemin als staat behoudt. Zeggen Christus en de apostelen niet, dat men den keizer geven moet wat des keizers is, en hebben zij niet het instituut der slavernij geëerbiedigd? Niet revolutionair, maar hervormend en vernieuwend heeft het Christendom in deze wereld op te treden; het moet overwinnen door zijne geestelijke en zedelijke kracht. En Christenen behooren niet elken oorlog in beginsel te veroordeelen, maar hebben veeleer de roeping, om in den oorlog, indien hij overhoopt over een volk komt, zich zoo te gedragen, als navolgers van Christus betaamt. Ook hier is de bede van toepassing, dat de discipelen van Jezus niet uit de wereld worden weggenomen, maar in de wereld bewaard worden van den booze.

Volgens velen is dit echter juist eene onmogelijke taak, wijl de oorlog altijd een kwaad is en het weerstand bieden aan den vijand nimmer is geoorloofd. Onder degenen, die de woorden van Jezus alzoo verstaan, kunnen wij afzien van hen, die ze met opzet zoo uitleggen, om de onvereenigbaarheid van Christendom en hedendaagsche cultuur in het licht te stellen en daarmede te gemakkelijker van de eischen van het Evangelie zich te kunnen ontslaan. Maar ook zij, die zulk eene bedoeling allerminst koesteren en veeleer de geheele cultuur zouden willen prijsgeven, als de navolging van Christus dit eischt, maken zich aan eene groote eenzijdigheid schuldig. Zij miskennen, gelijk ons bleek, de strekking van Jezus’ woorden, die hoegenaamd geen gewag maken van den plicht van den staatsburger of van de overheid, maar uitsluitend handelen van die deugden, welke zijne discipelen, naar zijn voorbeeld, in den omgang met anderen en te midden van eene vijandige maatschappij in practijk hebben te brengen; en zij vergeten het groote beginsel van het Evangelie, dat het de rechtsorde met zijn noodzakelijken |143| dwang en straf onaangetast laat en daarop alleen langs geestelijken en zedelijken weg hervormend inwerken wil.

Die deugden nu, welke de discipelen van Jezus in den omgang met anderen te beoefenen hebben, zijn in de Bergrede naar beginsel en wezen dezelfde, als die de apostelen in de navolging van Christus opnemen. Het zijn de deugden, van waarheid, gerechtigheid, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid enz., die eeuwig van kracht blijven en in elke omstandigheid des levens hare geldigheid behouden. Natuurlijk kan en moet hare toepassing verschillen; want, schoon allen aan dezelfde zedewet onderworpen zijn, vloeien daaruit toch andere plichten voor de overheid en voor de onderdanen, voor de ouders en voor de kinderen, voor de rijken en voor de armen, in voor- en tegenspoed, in gezonde en in kranke dagen voort. En zoo zijn de deugden dezelfde, waartoe de navolging van Christus ons roept, al is het ook, dat de omstandigheden in hare toepassing wijziging kunnen brengen. In den oorlog bijv. is het weerstand bieden aan den vijand plicht, al mag er van persoonlijke wraak of haat geen oogenblik sprake zijn. De strijd gaat immers niet tegen den vijand als mensch, maar enkel en alleen tegen den vijand, omdat hij en inzoover hij met de wapenen tegen het recht ingaat. De Regeering, die in dezen zulk eene groote verantwoordelijkheid draagt, heeft daarom wel toe te zien, dat zij niet dan in den uitersten nood en om volkomen rechtvaardige redenen den oorlog verklaart; want anders dwingt zij hare onderdanen, om zich noodeloos op te offeren of voor den triumf van het onrecht hun bloed te vergieten. En zeker is het voor haar van het hoogste belang, dat zij bij de oorlogsverklaring met het volk voeling houdt, want in den strijd kan zij den steun der conscientie in de natie niet missen.

Indien een oorlog klaar en duidelijk ter handhaving van het recht wordt aangebonden, kunnen de burgers met vrije conscientie ten strijde trekken, en ook op het slagveld die deugden beoefenen, waartoe de navolging van Christus hen verplicht. Ongetwijfeld leggen de omstandigheden hier groote zwarigheden in den weg; van geestelijke zegeningen wordt in den tegenwoordigen oorlog weinig vernomen, maar veel wordt gehoord van godsdienstige onverschilligheid en zedelijke verwildering. Doch in het wezen der zaak zijn de moeilijkheden, waarmede de navolging van Christus in het leger en aan het front te worstelen heeft, geene andere, dan die daaraan ook in het gewone leven verbonden zijn. Ook hier is het moeilijk, om tusschen de zonde, welke wij bestrijden moeten, en den zondaar, dien wij behooren lief te hebben, onderscheid te maken. Ook hier kost het voortdurende zelfverloochening en strijd, om in het kleine en in het groote getrouw te |144| zijn en zichzelven onbesmet te bewaren van de wereld. Denkt alleen maar — om een enkel voorbeeld te noemen — aan het moderne kapitalisme, hetwelk zich volgens Sombart daardoor kenmerkt, dat het den mensch dienstbaar maakt aan de onderneming, en deze daarmede van elken maatstaf, van alle grens en perk berooft.

Immers blijft het woord der Schrift waarachtig, dat wie rijk willen worden in verzoeking vallen en in den strik en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang. Indien ooit, dan drukt deze materialistische eeuw haar zegel op dit woord. En toch, aan den anderen kant, de zonde zit niet in het goud en het zilver, in den eigendom en in het kapitaal, evenmin als in de wetenschap of de kunst, in de rechtsorde of den krijg op zichzelve. De zonde heeft haar zetel in het hart van den mensch; en daarom is de strijd tegen de zonde steeds en in de eerste plaats een strijd tegen onszelven. Wat meent men dan, dat de Christenen in den strijd tegen de wereld bereiken zullen, indien zij niet vóór alle dingen van hare geestelijke heerschappij zich hebben vrijgemaakt? Veel gemakkelijker is het, het kapitaal te vervloeken, op den oorlog te schelden, alle cultuur in den ban te doen, dan om op al deze terreinen als een kind Gods te wandelen en Christus na te volgen. En toch, dat is noodig, indien wij als de gemeente in de eerste eeuwen sterk willen staan in den strijd en over de tegenstanders de overwinning willen behalen. De strengste orthodoxie maakt de zonden van smokkelarij en woekerwinst, van oneerlijkheid en bedrog in den handel, van sociale en politieke ongerechtigheden niet goed. Wie den naam van Christus noemt, moet afstand doen van alle ongerechtigheid. Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.




a. Eerder gepubliceerd als: De navolging van Christus en het moderne leven, Kampen (J.H. Kok) [1918] (Schild en pijl, jaargang 1, aflevering 3). Zie ook: ‘De Navolging van Christus’ I-III, De Vrije Kerk 11 (1885) 3,101-113; 5,203-213; 12 (1886) 7,321-333 (maart 1885 — juli 1886).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004