De Eere Gods.

a


Alle Theologie, welke dien naam waarlijk verdient, heeft een onbedriegelijk kenmerk hierin, dat zij in alles onvoorwaardelijk en zonder redeneeren de zijde Gods kiest en voor alle dingen Zijne eer te handhaven zoekt. Een waar Godgeleerde is hij, die, desnoods alles tegen hebbende, wetenschap en publieke opinie, Staat en Kerk, en alle dingen op aarde, aan God en Zijn woord vasthoudt en onder alles Zijne eere bedoelt. Die eere is richtsnoer en doel aller dingen. Zij is Gods onvervreemdbaar recht en onverbiddelijke eisch; ze Hem te brengen is onze schuldige plicht en ons hoogste voorrecht.

I. Eere is een teeder, heilig goed. Ze kan niet voor schatten gelds gekocht worden, en is niet veil voor vleierij of dwang; zedelijk van aard, is zij slechts op zedelijke wijze verkrijgbaar; zij is eene gave en wil als gave zich beschouwd zien. Zij laat zich niet als een roof met geweld grijpen, door elk, die naar haar jaagt; zij wil zich alleen geven aan wie het pad der deugd bewandelt. Eere is bewijs van achting, hulde, toegebracht aan iemands waarde en deugd, ambt of verdienste. Eer onderstelt dus altijd waarde, verdienste zonder dat is er van geen eer sprake.

Wie alle deugd en waarde mist, is eerloos. Maar bij hem, die deugd en waarde heeft, is de eere dan ook een nimmer uitblijvend gevolg. Evenals de schaduw degenen volgt, die wandelen in het licht, zoo volgt de eere hen, die wandelen in het pad des rechts. En te grooter zal de eere zijn, die wij deelachtig worden, naarmate de innerlijke waarde grooter is, die wij toonen te bezitten en dus rijker het licht, dat wij rondom ons verspreiden. Want dit ligt mede in het begrip der eer opgesloten: alleen die deugd en waarde verwerft eere, die zich openbaart. Wat verborgen is, kan geen licht en geen warmte verspreiden. Het leven moet licht worden. Niet onder de korenmaat maar op den kandelaar is de plaats van het licht. Maar dan is de eere ook |107| onafscheidelijk, want eere is niets anders dan de reflex van de deugd, de afstraling en weerkaatsing van het licht, dat wij door onze waarde, door ons leven, rondom ons verspreiden. Op eere mogen wij dan ook gesteld wezen; niet, als mocht zij ooit op zich zelve het doel zijn van ons jagen en streven, maar wel mag ze als de weerkaatsing van wat we zijn op hoogen prijs, worden geschat. De Schrift gebiedt ons dan ook, eere te geven aan wie wij eere schuldig zijn, aan ouders en overheid, aan heeren en vrouwen, aan allen die door ambt of door gave boven ons gesteld zijn. En dat de eere een duur en edel en teeder goed is, blijkt immers ook uit het dagelijksch leven, als wij iemand ons eerewoord geven, in begrafenis hem de laatste eere bewijzen en spreken van: eer verloren, alles verloren.

Datzelfde geldt nu ook maar in veel sterker mate van de eere onzes Gods. Eer, zeiden wij, onderstelt deugd; en hoe grooter waarde, hoe meerder de eere. Hoe groot zal dan de eere niet zijn van Hem, die alle deugden op de volmaaktste wijze bezit. Hij is het inbegrip aller volmaaktheden, Fontein aller goeden, Sprinkader alles Heils. Hij heeft maar niet, Hij is alle goed. Hij is de Liefde, de Genade, de Barmhartigheid; de Rechtvaardigheid en de Heiligheid; het Verstand en de Wijsheid. En dat alles is Hij op geheel eenige, op oorspronkelijke wijze.

Bij ons zijn al die eigenschappen, indien wij er iets van bezitten, afgeleid; maar Hij is van dat alles de gansche overvloeiende fontein. Hij is in dat alles eeuwig en onveranderlijk en onafhankelijk en altegenwoordig, in niets en door niets beperkt, maar aller goeden Bron en aller lichten glans. Die deugden zijn de lichtkern, waarvan de eere den stralenkrans vormt. Zij zijn het leven, het heilige zalige leven, dat zich weerkaatst in een zee van licht. Gods eer en heerlijkheid, is de afspiegeling, de ons toegekeerde zijde zijner heiligheid, het vlekkeloos kleed Zijner oneindige Majesteit, het ontoegankelijk licht, waarin de Eeuwige en Zalige woont; de openbaring van den Ongeziene en Onsterfelijke — zoo heerlijk, dat Mozes’ aangezicht schitterde van een voor ’t oog der Israelieten onverdragelijken glans.

Maar eere onderstelt nog iets anders, zij onderstelt schepselen in wier bewusten geest de deugden Gods schitteren en weerkaatst worden. Zonder schepselen zou er van eere Gods geen sprake wezen. O zeker, ook dan ware Hij heerlijk, wonend in een ontoegankelijk licht; maar dan had die openbaring der heerlijkheid Gods slechts plaats naar binnen in het Goddelijk wezen, wederkeerig aan Vader en Zoon en H. Geest. Maar eere als afstraling van Gods volmaaktheden in den spiegel der schepping ware dan onmogelijk geweest. Maar God heeft zich geopenbaard. Hij heeft schepselen geformeerd, en op die schepselen Zijn eer |108| en heerlijkheid gelegd. Die gansche schepping is een spiegel gelijk, waarin Hij zijn deugden en volmaaktheden schijnen en weerkaatsen laat, die den glans zijner vlekkelooze heerlijkheid opvangt en terugstraalt. Heel de schepping, alle creaturen te zamen prediken Gods eere, beide zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid. Inzonderheid in de met zelfbewustzijn en wil begaafde schepselen wordt die heerlijkheid Gods zichtbaar. Ze zijn Zijn beeld en Zijne gelijkenis, afdruk van wat Hij zelf op ondoorgrondelijke en geheel eenige wijze is. Want de eere, die van Hem uitstralend en door de schepselen opgevangen, tot Hem zou terugkeeren, moest, zoo wilde Hij het, met bewustzijn en vrijheid, zonder dwang, Hem toegebracht worden. Niet krachtens eene natuurwet, volgens welke de spiegel niet anders kan dan het beeld weerkaatsen van het voorwerp, dat ervoor geplaatst wordt, maar krachtens de hoogere wet des vrijen persoonlijken levens. Eere onderstelt ook waarlijk den bewusten, God kennenden, God aanschouwenden geest. Dan eerst is er sprake van eere, die Gode gebracht wordt, als het schepsel, dat naar Zijn beeld is gemaakt, God aanschouwt en in sprakelooze bewondering Zijner schitterende deugden nederzinkt of in aanbidding uitroept: Uw Naam, uw grooten Naam zij de eer!

Die eere is doel van alle Gods werken. De Heere heeft alles gemaakt om Zijns zelfs wil. Daartoe schiep Hij alles, opdat het Hem zou eeren. Wie een ander doel als einddoel der gansche schepping noemt, doet de eere, de Algenoegzaamheid Gods te kort, laat den Schepper in het schepsel, God in de wereld eindigen en opgaan. Zelfs Zijne voorzienigheid, in het kleine zoowel als in het groote, laat door die eere van Zijn Naam zich leiden. De blinde, heeft Jezus ons gezegd, werd blind geboren, opdat de werken Gods in Hem zouden geopenbaard worden. Of wij het gelooven al dan niet en begrijpen of niet — alle gebeurtenissen in het leven der volken en der menschheid, alwat er plaats heeft in het, leven der enkelen — het ligt alles te zamen op ééne rechte lijn, die uitloopt op de verheerlijking van Zijn vreeselijken Naam. Hij is de Eerste, ook is Hij de laatste. Uit Hem, daarom ook tot Hem zijn alle dingen. Hij is inbegrip aller deugden, de volmaaktheid en de heerlijkheid zelve. Het eenige, onvervreemdbare recht op aller schepselen eer kan Hem, aller schepselen Heer, zeker niet worden betwist.

II. Hoe onbetwistbaar dat recht Gods echter op de eere van zijne schepselen ook moge zijn, betwist wordt het Hem toch wel waarlijk door ons allen, wie wij ook zijn. Toch doet God van dat recht nooit afstand. Hij blijft den eisch ervan handhaven. En Hij kan en mag ook niet anders.

Wij menschen zijn al op onze eer gesteld. Op dat punt zijn wij allen |109| zeer teergevoelig en lichtgeraakt. Wij dulden niet, dat men ons te na kome of kwetse in die zaken, welke wij, dikwerf zeer willekeurig en ongegrond, gemaakt hebben tot „punten van eer”. Het duel, vroeger zoo geliefd ter herstelling van de gekwetste eer, moge algemeen veroordeeld en gebannen worden, twistingen en krakeelen over aanranding van wat men zijn eer pleegt te noemen, zijn nog aan de orde van den dag. Ridderlijke zin moge velen ontbreken, ridderlijke prikkelbaarheid en lichtgeraaktheid niet. Het schrikkelijkst in dat alles is, dat velen, die op eigene eer zoo bijzonder gesteld zijn, en haar zoeken het koste wat het wil, de eere Gods straffeloos laten aanranden en zelven gedachteloos met voeten treden. Geen ongewoon verschijnsel toch is het, dat men, behoudens die enkele zaken, waarin en waarmede men dan zijne eer tracht op te houden voor het overige niet de minste schaamte gevoelt, om aan de schandelijkste zonden zich over te geven en in wellust en zingenot, in weelde en overdaad de eer van het geschapen zijn naar Gods beeld te bezoedelen en weg te werpen in het slijk. Dat kwetst, dat onteert hen niet. Maar dat onteert wel de majesteit en de heerlijkheid Gods, die den mensch naar Zijne gelijkenis schiep en, in de kinderen van Zijn naam en geslacht onteerd, nu door Satan spottend op den mensch gewezen wordt, niet als Zijn beeld, maar als Zijne droeve caricatuur.

Toch ligt in die prijsstelling op onze eere op zichzelve iets goeds. Dat wij op dat punt onverschillig moeten zijn, wordt ons nergens bevolen. De eere is daartoe een te heerlijk en te kostelijk goed. Wel verbiedt ons de H. Schrift, onze eigene eer te zoeken, en de eer der menschen te stellen boven die van God. Maar zij gebiedt ons nog veel minder, om ze weg te werpen en er geene waarde aan te hechten. Een Paulus is ons ten voorbeeld, die eenmaal zijne eer als Romeinsch burger krachtig gelden deed. Op Christelijke wijze op zijne eer en goeden naam gesteld te wezen, is prijzenswaardig en goed. Een goede naam toch is beter dan goede olie. Ons laten vertreden en door het slijk laten sleuren, is onteering in ons zelven van Hem, naar wiens beeld wij gemaakt zijn.

Welnu, als wij dan al voor onze eer mogen en moeten optreden, zou God dan niet datzelfde mogen en moeten doen. Hij kan en mag Zijn recht, Zijn eer niet prijsgeven. En Hij doet het ook niet; Hij is integendeel naijverig op zijne eer en zal ze aan geenen anderen geven. Zooals de man jaloersch is op de achting en de liefde zijner vrouw, zoo is God gesteld op de hulde zijner schepselen. Afgoderij droeg bij Israel dan ook het karakter van verbreking der huwelijkstrouw. Iemand in zijne eer aantasten, is het grootste nadeel, dat wij hem kunnen |110| toebrengen. Lasteren is eene schrikkelijke zonde. Want boven het leven staat de eere. Geld en goed kunnen weergegeven en spoedig weer verworven worden. Maar eer verloren is veel verloren, is, op het verlies der ziele na, het grootste en minst herstelbare verlies. Eerloos te zijn en als eerlooze gebrandmerkt te staan, is een toestand, voor hem, die nog niet alle zedelijk bewustzijn verloren heeft, schrikkelijker dan de dood.

Zoo ook met de eere Gods. Hem Zijne eer ontnemen, Hem lasteren is de gruwelijkste zonde. Dan ontnemen wij Hem — indien wij zoo eens spreken mogen — het edelste, dat Hij heeft: Zijn goeden, heerlijken naam. Dat kan, dat mag, dat wil Hij niet dulden. God wil niet als een, die beroofd is van zijne eer, voor Satan en zijner engelen oog tentoongesteld worden. Daarom zoekt Hij zijne eer en eischt ze en blijft ze eischen en zal ze, door de majesteit zijner ontzachlijke en heerlijke daden, afdwingen, waar zij niet vrijwillig Hem gebracht wordt. Ons is het verboden, onze eigene eer te zoeken, wijl wij het nooit doen kunnen dan ten koste der eere Gods en, tevreden met de eer, die wij bij Hem hebben, Hem ook het waken over onze eer moeten toevertrouwen. Maar God moet waken voor Zijne eigene eer, wie toch zou het anders doen? En daarom, vergeven kan Hij en genade bewijzen ook aan den snoodsten lasteraar van Zijn naam, want onze God is groot van goedertierenheid en Zijner ontferming is geen einde; maar Hij doet het nooit, en kan het nooit doen, dan zoo, dat Zijne geschondene eer hersteld en Hij zelf in het gelijk worde gesteld. Het kruis is daarom de verzoening onzer zonden ja, maar ook de eereherstelling Gods; recht en genade geven daarin aan elkander de hand.

Dat zoeken van Zijne eer en handhaven van Zijn recht, is in God geen egoisme, geen zelfzucht maar liefde; geen stof tot beklag, maar tot dank en aanbidding: Aan haar toch danken wij ons bestaan, alwat wij hebben en zijn; aan die eere dankte Israel, dankt ook de gemeente haar leven. Want immers, die eere van Gods Naam was voor Mozes de hechte pleitgrond van zijne smeeking voor Israels behoud. Die eere duldde niet, dat het volk, hetwelk door zijne zonde den dood had verdiend, omkwam in de woestijn. Dan toch zouden de Heidenen spreken: omdat de Heere dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij hun gezworen had, heeft Hij hen geslacht in de woestijn (Num. 14 : 15, 16). En de Heere zegt zelf: Ik zou hunne gedachtenis van onder de menschen doen ophouden, ten ware, dat . . . de vijanden mochten zeggen: onze hand is hoog geweest, de Heere heeft dit alles niet gewrocht (Deut. 32 : 26, 27). Het is de eere Gods, waaraan de gemeente haar blijvend bestaan dankt, haar wasdom en opbouw, haar eindelijke |111| voltooiing; die de volheid der Heidenen doet ingaan en gansch Israel zal doen zalig worden. Indien God Zijne eer niet handhaafde, wat zekerheid was er dan voor ons, om op Zijne beloften te bouwen; wat vastigheid lag er dan in Zijn woord; wat restte er dan van Zijne trouw?

Op het woord van een, die zijne eer heeft verloren, kan niet gebouwd worden. Maar nu, God zoekt en waakt voor Zijne eer. Hij beschouwt ze zelf als iets, dat Hij niet prijsgeven mag of kan. Nu is op Zijne beloften staat te maken, nu op Zijn Woord te vertrouwen, nu Zijne trouw onwankelbaar en onveranderlijk. Hij is de God der eere, al ons vertrouwen, al onze liefde en aanbidding waardig. En dank moet Hem worden toegebracht, ook daarvoor, dat Hij naijverig is op Zijne eer.

De eere, die Hem toekomt, zal Hem ook worden gebracht. Wat God zoekt, verkrijgt Hij. Wat Hij verlangt, ontvangt Hij. Toen wij die eere niet vrijwillig Hem brachten, heeft Hij zelf in den Zoon zich eene gemeente verkoren en geformeerd, opdat ze onberispelijk zou zijn voor Hem, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig zou wezen en Hem dag en nacht eeren in Zijnen tempel. En zelfs zij, die de eere Hem blijven weigeren, zal God, die den goddelooze gemaakt heeft tot den dag des kwaads, zoo niet vrijwillig dan onwillig brengen tot de erkentenis zijner vlekkelooze heerlijkheid. Want Hij gaat voort, totdat de aarde vervuld zij met Zijne kennis, opdat zij Zijne heerlijkheid bekenne; totdat alle knie zich buige en alle tong belijde, dat Christus de Heer is, tot heerlijkheid Gods des Vaders, (Phil. 2 : 11), en Gods eer ongekrenkt en ongekreukt schittere voor het oog van alle creatuur.

III. Elk recht van Gods zijde is onzerzijds een plicht. God te eeren, is onze hoogste, onze eenige plicht. Alle andere laten daaruit zich afleiden, daartoe zich terugbrengen. Ook onze plichten tegenover den naaste zijn toch wezenlijk plichten tegenover God. Daarom toch is de doodslag des menschen door den Heere verboden, wijl God den mensch naar Zijn beeld heeft gemaakt. (Gen. 9 : 6). De eere Gods is derhalve maatstaf en toetsteen van al onze daden; de eenige vraag bij al onze handelingen is, wat door die eere Gods van ons wordt geeischt.

Zij toch, zoo zagen we, is reden en doel van ons aanzijn. Wij zijn er niet om ons zelven, maar om Gods wil. Wij noch eenig ander schepsel kunnen einddoel, „Selbstzweck” wezen. God is het beginsel, Hij is ook het einde der dingen. Hij alleen is er om en door en uit zichzelven. Hij is de Hoogste in elk opzicht, in liefde en macht, in wijsheid en heiligheid. Uit het onbetwistbare recht, dat Hij krachtens Zijn natuur en wezen op onze eere heeft, vloeit de schuldigheid, om ze Hem te brengen, van zelve voort.

Bovendien, God zelf eert ons en geeft ons eere. Hij heeft ons met |112| eere en heerlijkheid gekroond. Hij siert de menschenkinderen met gaven der ziel en krachten des lichaams, met schoonheid en zielenadel, met liefde en trouw, met ootmoed en wijsheid, met rijkdom en macht. Hij eert in ons altijd Zijn beeld en gelijkenis; ook na den val nog wordt de mensch in de Heilige Schriften met dien naam genoemd. Nooit dwingt, of doet Hij ons geweld aan. Terwijl Hij alles in allen werkt, werkt Hij toch in menschen overeenkomstig hun natuur en karakter. Zelfs treedt Hij in een verbond met hen, buigt zich tot hen neder, stelt zich om zoo te zeggen op gelijke lijn met hen en geeft hun, die tegenover Hem, den Souverein, niets anders hadden dan plichten, ook rechten, vrijheid en zelfstandigheid. En als Hij ’t geloof in de harten der Zijnen gewerkt heeft, dan siert Hij hen verder met hope en liefde, met de gerechtigheid Zijns Zoons en de inwoning Zijns Geestes. Dan maakt Hij hen zelfs den beelde Zijns Zoons gelijkvormig, geeft hun genade en eere, wijsheid en kennis en profetie. Dan eert Hij hen zoozeer, dat Hij zelf met Zijnen Zoon woning bij hen komt maken. Menschen mogen ons de eere onthouden, die rechtmatig ons toekomt; maar wie kan klagen, dat hij niet genoeg geeerd wordt door God?

En die plicht, welke op ons rust, wordt aangedrongen door het voorbeeld van den Zoon, die nooit Zijne eigene eere zocht, maar altijd de eer van den Vader, en aan het eind van Zijn leven betuigen kon: Vader, ik heb U verheerlijkt op aarde. Door het voorbeeld der Engelen, die dag en nacht roepen: Heilig, heilig, heilig is de Heer der heirscharen, en in Bethlehem zongen: Eere zij God in de hoogste hemelen. Door het voorbeeld der hemelen zelf en der redelooze schepselen, die de eere Gods verkondigen en het werk Zijner handen. In dat groote, machtige koor mag de stem des menschen niet ontbreken. De opwekking: looft den Heere, gij Zijne Engelen, dienaren, heirscharen en werken, moet beginnen en eindigen met het: loof den Heere, mijne ziel.

Het is waar, eere toebrengen kunnen wij, die alles moeten ontvangen, Hem niet die zalig is en algenoegzaam. Maar wij kunnen als spiegels den glans der deugden weerkaatsen, die Hij zelf in ons afstraalt; wij kunnen het beeld Hem toonen van den Zoon, waarnaar Hij ons heeft herschapen; wij kunnen Hem in ons Zichzelven doen zien, opdat Hij, waar Hij ook zie, Zichzelven aanschouwe en Zich door zichzelven. verheerlijke.

En die plicht rust op ons ten allen tijde en in alle omstandigheden. Hetzij wij eten of drinken of iets anders doen, hetzij wij verkeeren in huis of kerk, op de markt of in de binnenkamer, wij behooren alles te doen ter eere Gods. Al onze gedachten, woorden, daden moeten liggen |113| op die lijn, welke, verlengd, uitloopt in het koninkrijk der Hemelen, op de eere en de heerlijkheid Gods.

Dat is een beginsel, aangrijpend schoon en onverwinlijk sterk. Dat maakt ons in armoede rijk en moedig in het bangst gevaar. Dat geeft een ruimen, wijden blik en een hart dat van geestdrift en heldenmoed tintelt. Aan dat beginsel dankte de Gereformeerde Kerk, die meer dan andere Kerken daardoor haar leven, denken en streven liet beheerschen, haar kracht en grootheid. Voor die eere heeft zij opgeeischt niet slechts de Kerk, maar ook het huisgezin, den staat en de maatschappij; de kunst en de wetenschap, het rijke, volle leven in zijne gansche diepte en breedte. Daardoor heeft zij het beter dan andere begrepen, dat godsdienst niet maar is een stuk van het leven, dat alleen op den Sabbat in het huis des gebeds op zijn plaats was, maar dat godsdienst hèt leven was, dat heel het leven moest wezen één dienen, één prijzen, één verheerlijken Gods; dat die eere nergens moest uitgesloten en nergens mocht ingesloten worden, maar dat ze vrij en breed zich uitbreiden en alle ding aan zich dienstbaar maken moest. Opdat alwat adem had den Heer zou loven!

IV. Maar het wordt reeds gevoeld — dat is geen plicht meer. Om die zaligheid. welke in de verheerlijking Gods gelegen is, aan te duiden, is dat woord te streng en te hard. Dat is een onwaardeerbaar voorrecht, het grootste en zaligste, dat den mensch is geschonken.

Hier is van „moeten” geen sprake meer. Wij kunnen, wij mogen God eeren. Hij heeft zijne eer ons toebetrouwd, ons opgedragen, in onze handen gelegd, tot wakers van zijne eer ons aangesteld, ons verwaardigd, voor die eer te leven, te strijden, in Hem al ons heil en al onze eer te stellen.

Wat staat de mensch dan hoog in het oog van God; slechts een weinig minder is bij gemaakt dan de engelen; heerschende over de werken van Gods handen, is hij de tolk der Schepping, die aan haar sprake woorden geeft, in en door wien alles Gode de hulde brengt en roept: o Heere, onze Heere, hoe heerlijk is uw Naam op de gansche aarde!

En bedenk, wat daarin ligt opgesloten, dat wij Hem mogen en kunnen eeren. Een dier, hoe het zich ook gedrage en wat het ook doe, kan ons niet onteeren. Want de dieren zijn ons niet verwant; tusschen ons en hen spreekt geen stemme des bloeds. Maar een, die ons verwant is, die door banden des bloeds aan ons is verbonden, die onzen naam en onze gelijkenis draagt, zulk een kan ons onteeren, smadelijk en diep.

En hoe inniger die band is, hoe dieper die onteering kan wezen. Een zoon kan zijne moeder onteeren, en een zwaard door hare ziele doen |114| gaan, en zijn vader met grauwe haren in het graf doen nederdalen. Maar omgekeerd kan hij ook de wellust harer oogen zijn, op wien ze met moederlijken trots zich verheft, haar eer en haar roem, de kroon harer grijsheid.

Zoo ook is onze verhouding tot God. Wij kunnen Hem onteeren, want wij zijn zijn geslacht, naar zijn beeld geschapen, naar Zijn naam genoemd. En de zieldoorvlijmende smart, welke eene moeder gevoelt over den zoon die haar onteert, is beeld en zwakke gelijkenis van wat omgaat in het hart van Hem, uit wien al het geslacht op aarde en in den hemel genoemd wordt, die teederder dan eene moeder mint en inniger dan een vader liefheeft. Maar omgekeerd ook, zooals de Moeder trotsch is op den zoon die haar eert, zoo ook ziet God in gunste en liefde neder op allen, die gereinigd zijn en herschapen naar zijn beeld en door Hem tot eene eere gesteld zijn van zijnen naam. De gemeente des Zoons is zijn roem en zijn wellust, die Hij als zijn oogappel mint, zijn welbehagen en het snoer zijner erve. In menschen een welbehagen! Groot moge dan ook het gevaar zijn, dat ons van alle zijden omringt, om God en dies onszelven te onteeren, de weg tot het waarachtige kindschap, waarin wij eene eere van den vader kunnen zijn, loopt slechts langs dien afgrond henen.

Eene eere van den Vader! Zoo toch heeft de Zoon tot ons gesproken: die mij dient, de Vader zal hem eeren (Joh. 12 : 26). Wie berekent, wat schat van heil en zegen in die belofte vervat is, voor dit en voor het toekomende leven beide. Zeker, dikwerf moet een Paulus, die de eere Gods tot doel zijns levens koos, heengaan door kwaad en goed gerucht. Maar toch mag veilig beweerd, dat het hem, die het waagt met de eere Gods, ook aan eere onder de menschen niet zal ontbreken. Maar moge dat al ontbreken, boven dat alles en dat alles vergoedend staat het, als God onzen naam met welgevallen noemt, met vreugde aan ons denkt, met ootmoed en nederigheid en wijsheid en liefde en kinderzin ons siert. Als hij ons aandoet het beeld van Zijn Zoon, ons van heerlijkheid tot heerlijkheid verandert als van den Heer des Geestes en straks onze verderfelijke lichamen den heerlijken lichame Zijns Zoons gelijkvormig maakt en eeuwig in Zijne heerlijkheid doet deelen.

En dat zal Hij doen, allen die Hem eeren.

Want, zoo zekerlijk als Hij den Zoon, die Hem verheerlijkte, een naam gaf boven allen naam, zoo waarlijk zal Hij Zijn naam op hunne voorhoofden leggen en Zijn heerlijk aangezicht doen zien.




a. Eerder gepubliceerd als: ‘De eere Gods’, De Vrije Kerk 9 (1883) 9,418-431 (september 1883).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004