De Huishouding Gods.

a


Er is al meer dan eenmaal geklaagd over de waarlijk verontrustende wijze, waarop de kennisse Gods niet slechts buiten maar ook binnen de gemeente des Heeren afneemt en te loor gaat. Er wordt zeer zeker gesproken over Christus, zijn persoon en werk, over bekeering en wedergeboorte, over alwat op den weg des levens ervaren wordt; maar een spreken over God en zijn wezen, een bewonderen van zijne deugden en volmaaktheden, een aanbidden van zijne Goddelijke huishouding en Drievuldig bestaan, een roemen in de glorie van zijnen Naam wordt al minder bespeurd. En dat was toch altijd het hart, de kern en het middelpunt van de Gereformeerde Kerk en waarheid; dat de drijfkracht en het bezielend beginsel van haar grootste Godgeleerden; dat ook de sterkte en de temidden van druk en ellende verheffende en troostende kracht van alle gereformeerde belijders. Het ijveren voor de glorie van Godes heiligen Naam, het doordrongen zijn van de heerlijkheid zijner vlekkelooze Majesteit, het alles nederwerpen voor Hem, die alleen hoog is en alleen groot; het alles ondergeschikt maken aan dit laatste en hoogste doel — is dat niet juist altijd het grootsche, het boeiende in de Gereformeerde Kerk en de Gereformeerd leer geweest; niet altijd dat, wat haar een open oog en een ruimen blik gaf voor maatschappij en Staat, voor zedelijke en sociale belangen? Was niet die glorie van Gods naam het machtig beginsel, van waaruit alle hervorming op Geref. gebied begonnen, voortgezet en voltooid werd, dat tot het verduren van het zwaarste lijden en den felsten tegenstand in staat stelde, en niet naliet, zijne kracht en heerlijkheid aan allerlei geesten te doen gevoelen.

Niet dan tot schade van Gereformeerde leer en leven kan dan ook dit beginsel ophouden een beginsel te zijn. In de kennis van God alleen ligt het eeuwige leven. En wij willen beproeven, iets van de heerlijkheid dezer kennis te doen opmerken, als we een oogenblik gaan nadenken en in eenvoudigheid en eerbied gaan spreken over de Huishoudinge Gods. |99|

Er is eene Oeconomie, eene Huishouding Gods. God is geen koude, kille, abstracte eenheid; geen mathematische grootheid, geen metaphysische gedachte, maar een Geest van oneindige volmaaktheid, met eene onnaspeurlijke volheid van leven en liefde, van waarheid en licht. Hij is de Eeuwig levende, de Sprinkader des levens, de Fontein aller goeden, uit wiens eeuwige diepten het leven eeuwiglijk opwelt in doorzichtige klaarheid; in wien alles licht is, zonder eenige duisternis; die alleen bestaat van Zichzelven, en al het andere te zamen door hem; die alleen groot is en wiens grootheid ondoorgrondelijk is; bij wien niets is te vergelijken in hemel en op aarde.

In dat heerlijke en volzalige Wezen zijn drie personen, deelgenooten deszelfden Wezens, die samen eene huishouding vormen, waarvan die op aarde eene zwakke en onvolkomene afschaduwing is. Eenswezens, zijn zij waarlijk van elkander onderscheiden in naam en in orde, in werk en in dienst. Elk dier drie heeft in die huishouding eene eigene taak, overeenkomstig met zijn persoon.


I. Daar is allereerst de Vader, alzoo geheeten, wijl Hij is de Vader des huizes, de Vader van den Zoon. Van zichzelven zijnde, is Hij de Fontein der Godheid, die den Zoon genereert en den H. Geest van zich en den Zoon doet uitgaan. Hij is, evenals de Zoon en de H. Geest, de eenige waarachtige God, de Koning, der Eeuwen, de onverderfelijke, onzienlijke, alleen wijze God (1 Tim. 1 : 17), de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der Koningen en de Heer der Heeren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, denwelken geen mensch gezien heeft (Joh. 1 : 18) noch zien kan (1 Tim. 6 : 15, 16). De onzienlijke en onuitsprekelijke, de onvergankelijke en onverderfelijke, de zalige, die ondoorgrondelijk rijk is en diepten des rijkdoms Rom. 11 : 33, der liefde Ef. 2 : 4, 1 Joh. 4 : 8, der macht en kracht, Ef. 1 : 19 bezit. Als Vader heeft Hij bestel over het huisgezin, dat Hij eeuwig constitueert en onderhoudt. Want verborgen, openbaart Hij zich ook. Hij is immers leven, liefde. Hij denkt, Hij kent, Hij mint altijd. Of naar de schoone uitdrukking van een Kerkvader, Hij spreekt altijd, en zijn spreken is genereeren. Die Zoon, dien Hij alzoo sprekende, eeuwig genereert, is Zijn Eengeborene, zijn geliefde, Eerstgeborene; de Zoon zijns welbehagens, wien Hij gegeven heeft, het leven te hebben in zichzelven, (Joh. 5 : 26). Een ander dan de Vader, was Hij eeuwig bij God (Joh. 1 : 1), in den schoot des Vaders (Joh. 1 : 18), dagelijks zijne vermakingen (Spr. 8 : 30), met den Vader één (Joh. 17 : 22) deszelfden wezens, derzelfde heerlijkheid deelachtig en dies de waarachtige God (1 Joh. 5 : 20), boven allen te prijzen in |100| der eeuwigheid (Rom. 9 : 5). Beeld des onzichtbaren Gods (Col. 1 : 15), afschijnsel zijner heerlijkheid en uitgedrukt beeld zijner zelfstandigheid (Hebr. 1 : 3), is Hij het, die God openbaart (Matth. 11 : 27) en doet zien (Joh. 14 : 9), zijn Naam ons Verklaart (Joh. 1 : 18) en uitspreken leert. In het Goddelijk huisgezin heeft Hij de taak van Huisverzorger, die getrouw is Dengene, die hem gesteld heeft, in geheel zijn huis (Hebr. 3 : 2). Want gehoorzaam is Hij, als een Zoon, aan den Vader (Phil. 2 : 8), tot den dood des kruises toe; altijd Hem kennend, eerend, rechtvaardigend, minnend; altijd slechts doende, wat Hij den Vader ziet doen, nooit handelend van zichzelven uit, op eigen initiatief, maar altijd op aandrang van den Vader (Joh. 5 : 19).

Maar twee vormen nog geen volledig gezin. Eerst in de derde sluit elke huishouding zich af. Alzoo gaat dan ook in de oeconomie Gods van den Vader en den Zoon uit de Heilige Geest (Joh. 15 : 26), als de Geest Zijns monds (Ps. 33 : 6), als de Adem des Almachtigen (Job 33 : 4), als Geest des Vaders (Rom. 8 : 9, 1 Cor. 6 : 11) en Geest des Zoons (Gal. 4 : 6). Met Vader en Zoon op ééne lijn staande (Matth. 28 : 19, 1 Cor. 12 : 4-6, 2 Cor. 13 : 13 en Openb. 1 : 4), is Hij de derde hypostase in het Goddelijk wezen, die spreekt (Hand. 13 : 2), oordeelt (Hand. 15 : 28), wil (1 Cor. 12 : 11) en zelfs de ondoorgrondelijke diepten Gods onderzoekt (1 Cor. 2 : 10, 11). Alzoo is Hij in de huishouding Gods de Gezant, die uitgaat en gezonden wordt van Vader en Zoon (Joh. 16 : 7, Luk. 11 : 13 en Hand. 15 : 8), die dezelfde Goddelijke natuur op eene bijzondere, onderscheidene wijze, juist als Heilige Geest deelachtig is. Hij is dus het entelechische principe: de gemeenschap van Vader en Zoon sluit in Hem in hare volkomenheid zich af; handhaver, bewaarder en voltooier van de onderscheidingen in de Godheid, is Hij tevens degene, in wien de eenheid en de volkomenheid der huishouding Gods is verzekerd.


II. Deze drie, Vader, Zoon en H. Geest zijn de eenige waarachtige God, te prijzen in der eeuwigheid. Indien deze Triniteit niet maar oeconomisch, maar wezenlijk — gelijk wij belijden — ontologisch is, dan zullen de sporen ervan ook in de schepselen merkbaar en hier en daar meer of minder duidelijk aan te wijzen zijn. Het was dan ook geen spitsvondig, splinterig en willekeurig onderzoek, maar een bewijs van den ernst der overtuiging, waarmede men de Drieëenheid Gods beleed, als de Godgeleerden, vooral sedert Augustinus, analogieën dier Triniteit trachtten aan te wijzen op elk gebied der Schepping. Op logisch en physisch, op ethisch en philosophisch terrein trachtte men in alle ding drie factoren aan te wijzen, drie causaliteiten aan te geven, die het volkomen tot stand |101| brachten. Al was daarbij veel willekeurigs, al is in menig opzicht het vruchtelooze en ijdele dier speculaties gebleken, het recht er toe kan niet worden bestreden, waar de H. Schrift zelve ons de Schepping aller dingen doet kennen als het werk van Vader, Zoon en H. Geest. De orde der huishouding Gods wordt nimmer, noch naar binnen, noch naar buiten verloochend, maar altijd ten strengste gehandhaafd. Eén en ongedeeld zijn alle de werken Gods naar buiten, maar in die eenheid wordt de onderscheidenheid der drie Personen en van hun taak en werk bewaard. Eerst door die drie absolute causaliteiten en door hun ééne, ongedeelde en toch in die eenheid weer onderscheiden arbeid is alle creatuur in hemel en op aarde geworden, wat zij geworden is.

Ook hier weer is, de Vader de eerste, van wien de gedachte der schepping uitgaat, die, gelijk in alles, het initiatief neemt en het plan heeft ontworpen. Uit Hem zijn daarom alle dingen (1 Cor. 8 : 6); Hij werkt alles in allen (1 Cor. 12 : 6) naar den raad van zijnen wil (Ef. 1: 11), Hij is de Bouwer van ’t wereldhuis (Hebr. 3 : 3), uit wien al het geslacht in hemel en op aarde genoemd wordt (Eph. 3 : 15); de Eigenaar ook, wiens welbehagen in dat huis alles bestelt (Matth. 11 : 26). Alzoo is Hij de Schepper aller dingen (Gen. 1 : 1; Ps. 33 : 6), de Onderhouder en Regeerder (Ps. 97 : l), de Wetgever en Rechter (Gen. 18 : 25), de Verdediger, Handhaver en Wreker der wetten, die Hij als souverein voor elk ding naar zijn aard heeft bepaald (Nah. 1 : 2). Daarom wordt Hij dan ook genoemd de alleen machtige Heer (1 Tim. 6 : 15), die alleen wijs is (1 Tim. 1 : 17) en draagt Hij dikwerf in de H. Schriften den naam van God, in onderscheiding van Zoon en Geest, niet alleen krachtens Zijn Wezen, dat immers Zoon en Geest evengoed deelachtig zijn, maar ook krachtens zijn ambt en werk, krachtens de orde en plaats, die Hij inneemt in de Goddelijke Huishouding.

Maar de Vader doet niets buiten den Zoon om. Hij toont Hem alles, wat Hij doet (Joh. 5 : 20). Ook in het werk der Schepping is den Zoon eene eigene taak opgedragen. De Vader is de Ontwerper, de Maker van het bestek, maar Bij brengt dit niet tot uitvoering dan door den Zoon. Deze is ook hier de Middelaar. Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt (Ps. 33 : 6.) De Vader spreekt (Gen. 1 : 3) en gebiedt (Ps. 33 : 9), maar het woord, dat Hij sprekende voortbrengt, is geen klank, die vervliegt op den adem des winds, maar Goddelijk leven en Goddelijke kracht, bezield en bezielend, het Woord dat in den beginne bij God en zelf God was (Joh. 1 : 1). Door dat Woord is alles gemaakt, wat gemaakt is (Joh. 1 : 3). Alle dingen hebben in Hem, die de eerstgeborene aller creatuur (Col. 1 : 15) en het begin der schepping Gods is (Openb. 3 : 14), hun eerste zijn, hun bestand, |102| hun wortel en wezen (Col. 1 : 16, 17); de gansche volheid des levens, die in de schepping ontvouwd en blootgelegd wordt, is in Hem aanwezig, en bestaat in Hem. Vandaar, dat de Vader ook alle dingen draagt door het Woord zijner kracht (Hebr. 1 : 3) en het Woord het leven heet en het licht der menschen (Joh. 1 : 4). In den Zoon alleen zijn alle dingen door den Vader gewild, opdat zij, door Hem ontstaande, in Hem bestaande, ook tot Hem en alzoo tot den Vader geschapen zouden zijn (Col. 1 : 16).

Evenals de Zoon, die dus metterdaad de Schepper aller dingen mag heeten, heeft ook de H. Geest een eigen werk bij de Schepping te verrichten. Door den Geest van Gods mond is al het heir der hemelen gemaakt (Ps. 33 : 6). In Hem volbrengt de Zoon en door den Zoon de Vader alle scheppende werkzaamheid. Hij is het, die het leven, dat in den Zoon is (Joh. 1 : 4), uitwerkt, die levend maakt (Joh. 6 : 63) en aan de schepselen leven geeft (Job 33 : 4). Door Hem ontvangt de schepping dus een eigen zijn en bestaan, een eigen leven in onderscheiding van God. Het werk der schepping wordt door Hem afgesloten, uitgewerkt, voltooid, bezegeld. Zwevend op de wateren (Gen. 1 : 2), maakt Hij den chaos tot Kosmos, schept Hij den menigvuldigen rijkdom des creatuurlijken levens, en is alzoo het principe der individualiteit, de Geest der orde en harmonie, der eenheid en veelheid, der overeenstemming, en verscheidenheid. Door en in Hem schenkt God aan alle schepselen het leven, den adem en alle dingen (Hand. 17 : 25. Ps. 104 : 30. Jes. 32 : 15). In zevenvoudige stralen gaat die Geest uit in alle landen (Openb. 5 : 6), zoodat alles vol Geest en, leven is (Ps. 139 : 7-10) en wij door Hem in God leven, ons bewegen en zijn (Hand. 17 : 28). En zoo is Hij de oorzaak en het beginsel, niet slechts van het physische maar ook van het intellectueele leven, (Job 32 : 8; 35 : 11; Exod. 31 : 3) die ook op dit terrein allerlei gaven uitdeelt en in één woord is: de Geest der wijsheid en des verstands, des raads en der sterkte (Jes. 11 : 2).

III. En wanneer wij ten slotte aan het werk der Herschepping eenige oogenblikken onze aandacht wijden, dan treffen wij ook hier heel de Schrift door dat trinitarisch karakter aan, waardoor het één werk is, Goddelijk van het begin tot het einde, maar tegelijk zoo onderscheiden, dat de orde en de taak der drie Personen altijd nauwkeurig geregeld en uit elkander gehouden wordt.

Ook hier is des Vaders werk en ambt een ander, dan dat van den Zoon en den Geest. Van Hem gaat het voornemen uit, om menschen in zijne Goddelijke huishouding, in zijn hemelsch gezin op te nemen. |103| Uit de diepten van zijn ondoorgrondelijk welbehagen heeft Hij, door niets buiten zich daartoe bewogen, het plan der verlossing ontworpen. Zijne barmhartigheid is de grondslag onzer zaligheid (Tit. 3 : 5). Tot uitvoering van dat plan heeft Hij den Middelaar verkoren, gezalfd (Ps. 2 : 6) en der wereld ter redding gegeven (Joh. 3 : 16). In dien Zoon heeft Bij voor de grondlegging der wereld allen verkoren (Ef. 1 : 11), die Hij, straks door het woord der prediking en de kracht des Geestes roept, door het geloof in den Zoon rechtvaardigt en daarna verheerlijkt (Rom. 8 : 29), om ze eeuwig op te nemen in zijne huishouding, en hun tot een Vader te zijn. Gelijk alles van Hem uitgaat, keert alles tot Hem terug. In het huisgezin, nu door een tal van aangenomen kinderen vermeerderd en uitgebreid, blijft Hij de Vader, die alles in allen is (1 Cor. 15 : 28). Om al deze werken mag ook de Vader genoemd worden onze Zaligmaker (1 Tim. 1 : 1; 2 : 3; Tit. 1 : 3; 2 : 10) wiens goedertierenheid en liefde tot de menschen in Christus verschenen is (Tit. 3 : 4).

Een andere is echter in ditzelfde werk der herschepping de taak van den Zoon. Het plan der verlossing heeft Hij, ten koste van Zichzelven, uitgevoerd, wijl Hij geen hooger eer en lust kende, dan den Vader gehoorzaam te zijn (Ps. 40 : 8, 9) Middelaar der schepping, is Hij nu ook geworden de Middelaar onzer zaligheid (1 Tim 2 : 15), die de zaligmakende genade en de liefde des Vaders ons openbaart. En alzoo is Hij vleesch geworden, en heeft Zichzelven vernietigd (Joh. 1 : 14. Phil. 2 : 7) en heeft als Borg des Beteren Verbonds, (Hebr. 7 : 22) door zijn lijden en sterven, de wereld met God verzoend (2 Cor. 5 : 19) en eene eeuwige gerechtigheid voor allen, die in Hem gelooven, teweeg gebracht. Profeet, die ons God verklaart (Joh. 1 : 18), Priester, die door zijns zelfs offerande ons met God heeft verzoend en eeuwig volmaakt, degenen, die geheiligd worden (Hebr. 10 : 14), moet Hij thans als Koning heerschen, totdat alle de vijanden onder zijne voeten gelegd zijn (1 Cor. 15 : 25) en alles onder Hem, als het Hoofd der Gemeente, bijeen vergaderd zij, beide dat in den hemel en dat op de aarde is (Eph. 1 : 10), en Hijzelf zij de Eerstgeborene ouder vele broederen (Rom. 8 : 29).

Dat werk, door den Vader ontworpen, door den Zoon tot stand gebracht, wordt eindelijk in den mensch voltooid en voleindigd door den H. Geest. Als Trooster (Joh. 14 : 16) neemt Hij de zaak Gods bij de menschen waar. Nadat Hij voor de komst des Zoons bet verlossingswerk voorbereid had (2 Petr. 1 : 21. 1 Petr. 1 : 11), heeft Hij dien Zoon zelven een lichaam toebereid in Maria’s schoot (Matth. 1 : 18), en Hem met zichzelven vervuld (Matth. 3 : 16; Luk. 4 : 1; Joh. 3 : 34), zoodat Jezus zelfs de duivelen uitwierp door den Geest |104| Gods. (Matth. 12 : 28). En nadat de Zoon alles volbracht had, is Hij zelf, als zijn plaatsvervanger bij de geloovigen, op aarde gekomen, om het werk des Zoons te voltooien. En dat voltooit hij, door het woord der prediking krachtig te maken (1 Thess. 1 : 5), het geloof in de harten te werken (2 Cor. 4 : 13; 1 Cor. 12 : 3), te wederbaren (Joh. 3 : 5) en te vernieuwen (Tit. 3 : 5). Door verder als de Geest der waarheid (Joh. 14 : 17) te leeren (Joh. 14 : 26. Hand. 13 : 2; 2 : 14), en in alle waarheid te, leiden. Door te troosten (Joh. 15 : 26), de liefde Gods in onze harten uit te storten. (Rom. 5 : 5), vrede en blijdschap ons te schenken. (Rom. 14 : 17), in ons te bidden, ons te helpen, met onzen geest te getuigen en in ons te roepen: Abba, Vader (Rom. 8), ons te heiligen (1 Cor. 6 : 11) en ons te verzegelen (2 Cor. 1 : 21, 22). En eindelijk door alle geloovigen tot één geheel, ééne gemeente, één lichaam te verbinden (Eph. 4 : 4), daarin uit te storten verscheidenheid der gaven (1 Cor. 12), en alzoo dat lichaam volmakende, te stellen tot een tempel Gods in den Geest. (1 Cor. 3 : 16. 6 : 19. 2 Cor. 6 : 16).

Zoo hebben wij met enkele trekken aangewezen, waarin naar de H. Schriftuur de Huishouding Gods bestaat. Misschien heeft men al iets van de schoonheid en waarde gevoeld, die in deze heerlijke belijdenis der Goddelijke Oeconomie ligt opgesloten. Want waarlijk, deze huishouding Gods is geen speculatief dogma, alleen voor den studeerende van eenige beteekenis, maar van hoog belang en van uitgestrekte nuttigheid voor iederen mensch, voor het leven en de practijk. Trouwens, er is niets in al hetgeen God ons geopenbaard heeft, of het is voor het leven bestemd. En het was eene uitnemende methode van vele Godgeleerden, b.v. van Maestricht, om op het „leerstukkig” deel, een praktikaal te laten volgen, waarin dan de waarde van het dogma voor het leven der gemeente werd aangewezen.

Deze belijdenis nu van eene „Huishouding Gods” behoedt ons voor het Pantheisme, dat God en wereld vereenzelvigt, en voor het Deisme, dat God en wereld scheidt. Beide komen de eere, de majesteit, de zaligheid, de souvereiniteit Gods te na. Daar neemt men, om toch een God van nabij te hebben, waarnaar het menschelijk harte verlangt, de wereld, eenvoudig in de Huishouding Gods op; maar wijl God en wereld nooit eene huishouding constitueeren kunnen, worden beide vereenzelvigd en verliest men God. Hier scheidt men God en wereld zoo streng mogelijk, om Hem te handhaven in zijne Majesteit en Heerlijkheid, maar verliest men Hem evenzeer, wijl Hij wordt een God van verre, zonder verband met de wereld, en zelf alle leven en beweging mist. Maar in de Huishouding Gods, gelijk de Schrift ons die leert, belijden wij een Vader, Zoon en H. Geest, die, volzalig en algenoegzaam |105| in zichzelven, geen wereld behoeven, om zich te volmaken, maar in elkanders verkeer en genieting zich eeuwig verlustigen, en tegelijk als Vader door den Zoon en den Geest in het innigst verband met de wereld staan, zonder der Goddelijke Majesteit eenige afbreuk te doen.

Is verder de schepping, gelijk wij zagen, niet maar een werk van den Vader, maar een werk der Triniteit, dan mag niet ontkend worden, dat ook dat trinitarisch karakter in het creatuurlijk leven is op te merken, dat alle schepselen den stempel der Triniteit eenigermate in zich dragen. Het is zeker, dat wij, naarmate wij dieper alle dingen onderzoeken en in hun wezen trachten in te dringen, ook naar die mate meer rechtstreeks en als van aangezicht tot aangezicht zullen komen te staan tegenover Hem, die al de volheid van het creatuurlijke leven schiep en nog onderhoudt. Maar dan staan we in ons onderzoek ook tegenover Hem, die als Vader en Zoon en Geest het werk der schepping tot stand heeft gebracht, en worden we dus door elk diepgaand onderzoek tot de kennis van God, van dien God, gelijk de H. Schriften Hem ons kennen doen, geleid. Wij kunnen dan overtuigd zijn, dat ons onderzoek nooit tot op den bodem der dingen is gegaan, en ten einde toe afgeloopen is, wanneer wij er niet mede in de belijdenis van God Drieeenig kwamen te rusten.

Duidelijker aanwijsbaar is echter de waarde, die deze belijdenis der Huishouding Gods heeft voor de gemeente des Heeren. Niet slechts, dat het leerstuk der Triniteit de grondgedachte is der H. Schrift en het middelpunt aller kerkelijke dogmata, maar de gemeente is gansch en al eene schepping van God Drieeenig en zou zonder Hem niet bestaan. Drie zijn er, die elk in eigene orde, arbeiden aan hare volmaking. Zij moet roemen kunnen in de liefde des Vaders, in de genade des Zoons, in de gemeenschap des Geestes, eer zij van haar zaligheid ontwijfelbaar zeker kan zijn. En tot haar dagelijkschen wasdom, tot haar voortgang in de kennisse Gods, tot haar geworteld worden in het eeuwige leven, tot haar opname in deze Huishouding Gods, is de belijdenis ervan van blijvende en onschatbare waarde. Wanneer deze waarde van de belijdenis der Huishouding Gods beter beseft wordt, zal de onverschilligheid ophouden, waarmede men dikwerf over haar denkt en spreekt, en de Godheid des Zoons en des Geestes met dieper en warmer overtuiging worden beleden. Dan zal ook een einde komen aan de oneerbiedige verwarring, nu dikwerf zelf in de gebeden opgemerkt, waarbij men tusschen de werken des Vaders, des Zoons en des Geestes geen onderscheid maakt maar alles dooreenwart, en zal weer in eere komen die heilige eenvoud, en eerbiedige schuchterheid, die onze liturgische gebeden kenmerkt en van onvergankelijke schoonheid doet zijn, en die ons, schepselen, altijd past tegenover den heiligen God.




a. Eerder gepubliceerd als: ‘De huishouding Gods’ I-II, in: De Vrije Kerk 9 (1883) 5,239-242; 6,274-282 (mei-juni 1883).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004