Het Christelijk Geloof.

a


Het moet, schoon het niet strekt tot onze eere, erkend worden: in diepte en kracht van belijden laat de gemeente van dezen tijd zich met die van vorige eeuwen niet meten. Er staat wel tegenover, dat het christendom in zijne uitbreiding naar alle zijden beter gekend wordt dan weleer. De sociale, ik zou bijna zeggen, de kosmische macht van ons Christelijk geloof wordt beter verstaan dan in vorige eeuwen. En niemand zal ontkennen, of ook deze zijde der Christelijke waarheid moet tot haar recht komen. Met alle heiligen hebben wij er immers naar te staan, niet alleen te kennen, welke de diepte en hoogte, maar ook welke de lengte en de breedte zij der liefde van Christus. Maar het mag toch niet over het hoofd worden gezien, dat die opvatting der waarheid voor menigeen door een ernstig gevaar wordt bedreigd.

Het is niet toevallig, dat juist in deze Eeuw, op deze „breedte en lengte” des Christelijken geloofs de aandacht is gevestigd. Het hangt saam met heel het karakter van dezen tijd. Er is thans een jagen naar succes, een streven naar wat omvangrijk is, groote afmetingen heeft. Het lichte, het gemakkelijke trekt aan. Het utilisme, de kansberekening is ons geslacht in de leden gevaren en dringt door tot in merg en been.

Hoofdvraag is, niet wat mag, maar wat kan; niet wat is goed, maar wat is nuttig. Alles utiliseeren, exploiteeren, opdat de grootst mogelijke productie verkregen worde met de minst mogelijke krachtsinspanning, is zoo ongeveer aller doel en bedenken. Met voorbeelden dit op te helderen, is onnoodig. Ze zijn voor het grijpen. In de kunst, de bouwkunst bovenal, is de vraag: wat treft en maakt indruk ook op den oppervlakkigen beschouwer; licht en dicht, is het wachtwoord. Het doet er niet toe, wat er in zit, indien er maar wat op zit. In de school, hoogere zoowel als lagere, is de hoofdzaak, hoe men in den kortst mogelijken tijd de hersens vollaadt met een bont allerlei. En handel en |87| nijverheid worden gedreven onder de berekening, niet wat geleverd maar wat verdiend wordt. Speculatie is er de ziel van.

Datzelfde gebrek aan diepte is nu ook te bespeuren op het gebied des hoogeren levens. In godsdienst en zedelijkheid tracht men zoo spoedig mogelijk zich een „modus vivendi”, eene levenswijze te verschaffen, waar men het mede doen kan, zonder onbeschaafd en onfatsoenlijk te heeten. God, deugd, onsterfelijkheid, met een paar lichte regelen van moraal, en de godsdienstig-zedelijke mensch van dezen tijd, is kant en klaar, naar zijne meening voor den hemel nu al bijzonder geschikt. Dieper indringen is tijdverspilling en tijd is geld. Ernstig zelfonderzoek is onnoodig, schadelijk voor de affaire, alleen in dweepende naturen eenigermate nog te dulden. Aan de belangen der ziel moet niet te veel worden gedacht. Wat wil zij ook? Straks als de zaken goed gaan, zal men haar tevreden stellen, zeggende: ziel, zie hier, gij hebt vele goederen opgelegd voor vele jaren.

De oppervlakkige zin, dat min letten op gehalte en inhoud, dat rekenen met het massale, laat zich ook waarnemen bij de belijders van Jezus den Christus. Er is een belijden ja, maar zonder gloed, dikwerf uit opgewondenheid en partijdrift, zelden uit drang des harten en diepe innerlijke ervaring. Wij belijden, maar als in het verborgen, en haast met een gevoel van schaamte. Wij wantrouwen menigmaal de gronden van ons geloof en schromen het onderzoek. Het is, alsof gevaar ons dreigt. Ongetwijfeld noemde men weleer ons allerheiligst geloof, wie zegt dat thans vrijmoedig nog na? Er is partijdrift en partijbelang genoeg, maar geloof, bezieling, geestdrift, bewondering, heilig enthousiasme, waar vindt men het thans? Wij hebben het belijden verleerd.

De reden hiervan is niet verre te zoeken. De wereld heeft met haar denkbeelden en voorstellingen ons overheerscht, en is binnengedrongen op de erve der gemeente. Wij verbeelden ons veel te veel, dat de maatschappij, waarin wij leven, zich nog als in het drietal eeuwen achter ons, door de belijdenis der gemeente laat vormen en regeeren. Dit is niet zoo. Ik wil niet ontkennen, dat er hier en daar nog sporen en nawerkingen van zijn. Maar de bron, waaruit de volken thans hun zedelijke, burgerlijke, staatkundige beginselen en denkbeelden afleiden, is een gansch andere geworden. De maatschappij is veranderd. Zij heeft zich van het Christendom, van de Reformatie geëmancipeerd. Argeloos en geen kwaad vermoedend heeft de gemeente meer dan zij zelve weet door die revolutie zich laten influenceeren. Begrippen, gedachten, voorstellingen heeft zij overgenomen zonder critiek. Beginsel en methode van onderzoek, resultaten zelfs en een groot stuk van het woordenboek der revolutie zijn gedachteloos door haar aanvaard. Dat |88| maakt ons machteloos. Dat doet ons het eigen geloof en zijn gronden wantrouwen. Daartegenover moeten wij het weer gaan beseffen, dat de gemeente van Christus een gansch ander leven heeft dan de wereld. Er moet ernst gemaakt met de waarheid, dat wie in Jezus Christus gelooft waarlijk een ander, een nieuw mensch is. Alleen in het geloof moeten wij onze kracht en sterkte zoeken, en daarom ook afzien van alle pogingen om een vergelijk te treffen tusschen gemeente en wereld. Beide staan lijnrecht tegenover elkaar. Het is een strijd op leven en dood. Het moet ons dus volstrekt niet verwonderen, als de wereld ons geloof dwaasheid acht en als eene ongerijmdheid verwerpt. Dat is niet meer dan natuurlijk. Dit is veeleer te bevreemden, dat ze van ons geloof nog zooveel overhoudt. Dat geschiedt alleen bij gratie, bij ontrouw aan haar eigen beginsel; als zwakke maar steeds verzwakkende nawerking van een heerlijk verleden.

Laat mij deze beweringen duidelijk maken, door kort te wijzen op karakter, grond en inhoud onzes geloofs.

I. Het leven der gemeente is een leven des geloofs. Zij leeft uit, door, in het geloof. Met al haar doen en laten, denken en spreken, kennen en handelen beweegt zij zich op dat terrein. Wat wil dat nu zeggen? Eenvoudig dat de gemeente, uit het onzienlijke levend, vlak het tegendeel belijdt van wat de schrijver der dingen leert. Het uiterlijk aanzien der dingen, de schijn, is tegen haar. Dat toont zich tot in het kleinste en geringste toe. De Schepping predikt geen liefderijk God, zoo zegt men; maar de gemeente belijdt en houdt trots alle tegenwerpingen staande: God is liefde. Er is geene andere wereld dan deze, deze is de beste, eene betere is er niet, zoo roept men, en de gemeente antwoordt: er is nog eene andere en betere; een rijk van onzienlijke en eeuwige goederen, dat gewisselijk komt; deze wereld is eene gevallene en leidt tot gene henen. Die Bijbel is zoo vreemd en biedt zooveel ergernis, gaat men voort, en de gemeente belijdt: die bijbel is Gods Woord. De gekruisigde is ons eene ergernis en eene dwaasheid, zegt men, maar ons, belijdt de gemeente, is Hij de kracht Gods en de wijsheid Gods; die gekruisigde is mijn Heer en mijn God, mijn eenige roem en mijns levens kracht. Mijne conscientie klaagt mij aan, zoo spreekt de gemeente zelve, dat ik tegen alle geboden Gods zwaarlijk gezondigd heb en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, en nochtans, zoo gaat zij voort, ben ik rechtvaardig voor God. Van dien dag af, dat de vaderen ontslapen zijn blijven alle dingen gelijk van het begin der schepping, en nochtans verwachten wij een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde. Dat is het nochtans des geloofs. Arm en nochtans rijk, niets hebbende en toch alles bezittende, dood- en doemschuldig en toch |89| erfgenaam des eeuwigen levens, hellewicht en nochtans hemelburger. Het geloof plaatst dat nochtans tusschen twee reeksen van ontzaglijke tegenstellingen in. De eene reeks leert: zoo schijnt het; waartegenover de andere uitspreekt: maar zoo is het. Zoo schijnt het, naar den maatstaf dezer gevallene en voorbijgaande wereld; zoo is het, naar den regel dier andere en betere wereld, die de eigenlijke wereld is en waartoe deze heenleiden en eenmaal in overgaan moet. Naar den schijn, naar wat deze zienlijke dingen u leeren, hebt ge gelijk, o wereld, dan is er geen God, geen hemel, geen heiligheid en geen heerlijkheid. Wat den kinderen der menschen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten, en eenerlei wedervaart hun beiden. Wie merkt, dat de adem van de menschen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde. Maar tegenover die leer van het zienlijke stelt het geloof, aanmerkend de dingen, die men niet ziet, zijn heerlijk, zoo machtig nochtans en plaatst tegenover de wetenschap van den schijn de wetenschap des geloofs. Ons geloof is één groote, ontzaglijke paradox, wonderspreuk van ’t begin tot het einde. Gelooven, het is niets anders, dan God in het gelijk, al het andere, mensch en wereld te zamen, in het ongelijk stellen. ’t Is verscheuren van den blinddoek van den waan, ontwaken uit een langen benauwenden droom; tot bezinning, tot zichzelven komen uit een bedwelmenden roes. ’t Is erkennen; de dingen, ook ik zelf zijn niet zooals ik ze zie met mijn benevelden blik en met mijn kortzichtig oog, maar zijn, zooals God ze ziet van den hemel zijner heerlijkheid uit. Verloochening is het dus eenerzijds, van ons zelven, van verstand en wil, van gevoel en verbeelding, van alle dingen, van de gansche wereld; maar ter anderer zijde een steunen op God, een ootmoedig belijden: Gij, o mijn God, hebt gelijk, uw woord is de waarheid. Om nu dat nochtans des geloofs met blij gemoed na te spreken, is noodig eene zedelijke kracht als slechts weinigen wordt gegeven. Dat kan zoo iedereen maar niet. Zoover kunnen wij het ook door geen studie of onderzoek ooit brengen. Om tegen den schijn aller dingen in, tegen alle uitspraken der wetenschap aan eene gansch andere orde van zaken te poneeren, om vlak andersom in de wijsheid der wereld dwaasheid te zien en in de dwaasheid des kruises de hoogste wijsheid te eeren, om tegen ons zelven in te gaan, en juist het tegendeel aan te nemen, van wat wij gewild, gevoeld, gedacht, gemeend hadden, dat is een zedelijk, geestelijk krachtsbetoon, als voor ieder mensch na den val in zonde onmogelijk is, en mogelijk slechts wordt door de krachtige werking des H. Geestes. Gelooven aan de waarachtigheid van den Onzienlijke is slechts bestaanbaar door de kracht van den Onzienlijke zelven. Om het koninkrijk der hemelen te zien, |90| moet men er in staan en, door wedergeboorte, er burgers van wezen.

Gelooven kan daarom de wereld niet. Tot die heldendaad ontbreekt haar alle zedelijke kracht; zij is er te zwak, te ongeestelijk toe; kon zij het, zij zou ophouden wereld te zijn. Stond ze dan ook een tijdlang onder den invloed van het machtige geloof en het heroieke belijden der gemeente van Christus, werd ze daardoor in bedwang en in openbaring van haar eigenlijk wezen tegengehouden, het was ondanks haar zelve en tot tijd en wijle zij kans zag, het juk af te schudden en zich te emancipeeren. Buiten de gemeente is er geen eigenlijk geloof, geen vaste, in de ziel gebonden overtuiging van de realiteit van het onzichtbare. Dan is er alleen opinie, zienswijze, inzicht, meening, gissing. Buiten het geloof is er geen vastheid van overtuiging en moet dus altijd gezegd worden: mij dunkt, naar het mij toeschijnt, naar het mij voorkomt, mijns erachtens, woorden, waaraan we dan waarlijk in onze eeuw ook geen gebrek hebben. Dus altijd: naar het mij toeschijnt, is er een God, is er deugd, is er onsterfelijkheid, is er een hemel of hel, is Jezus de Christus. Een bestaan van al het onzienlijke dus bij de gratie van het goeddunken des menschen. Een proclameeren van het bestaan der Godheid bij senatoriaal edict, door de meerderheid, door de helft plus een.

Onafhankelijk van aller menschen oordeel, standvastig en kloekmoedig belijden: daar is een God, door zijne gratie (genade) ben ik wat ik ben — kan de gemeente alleen, maar vermag de wereld niet. Toch, het is waar, soms spreekt die wereld ook haar ontkenningen stout en driestweg uit. Als zij het individualisme begint moede te worden, dan ziet ze geen heil of ontkoming dan in de systematiseering van haar ongeloof. Dan wordt zij doctrinair fanatiek en richt brandstapels op voor wie gelooft met het hart en belijdt met den mond. Tusschen deze beide nu blijft immer zich de wereld bewegen: of onverschilligheid, nominalisme, anarchie, prijsgeven van alle objectieve waarheid aan de zienswijze van den enkele, ontkenning van al het absolute ter eener; of absolutisme, staatsalvermogen, despotisme, vaststellen der waarheid door den sterkste ter anderer zijde. Zij zweeft altijd in tusschen een realisme zonder ideaal, dat in stofvergoding en vleeschesdienst opgaat, en een idealisme zonder realiteit, dat daarom om te bestaan den sterken arm van den despoot behoeft.

Daartegenover nu spreekt de gemeente haar belijdenis uit, zonder eenige twijfel of aarzeling, vast en krachtig; met de standvastigheid van den martelaar en met den ootmoed van den bidder. Zij kan dat beide, omdat voor haar idee en feit een zijn; de onzienlijke, de geestelijke, de eeuwige dingen zijn voor haar de hoogste realiteit, veel reëeler |91| dan die wij hier aanschouwen met ons lichamelijk oog. Dat er een God is, dat Jezus is de Christus, dat er een koninkrijk der hemelen is, staat voor haar nog veel vaster, dan een mathematisch axioom. Indien de tegenstelling mogelijk ware, zij zou eerder twijfelen aan ’t zonlicht, dat valt in haar oog, dan aan de realiteit dier hoogere wereld, die heur stralen vallen laat in haar ziel. Omdat zij doordrongen is van de waarheid van het dichterwoord, dat het vergankelijke slechts eene gelijkenis is van het eeuwige, en Gods bestaan hoeksteen is en grondzuil aller waarheden. Zij weet het: de gedaante dezer wereld, de schijn der dingen, die ons zoo bekoort, gaat voorbij; en eeuwig en onvergankelijk is het onzienlijke, dat zich slechts ontsluit en kennen doet aan wie gelooft. Sceptisch, wantrouwend is de gemeente daarom jegens alwie die vastigheid losmaken, of ook maar de orde omkeeren wil. God moet God blijven, dan kan de mensch ook mensch wezen. Het geloof der gemeente sluit dus allen twijfel uit en is het volstrekte tegendeel van individueele zienswijze. En toch, hoe vreemd het schijne, door datzelfde geloof wordt zij voor het oefenen van ook maar den minsten gewetensdwang behoed. Immers, in de ziel overtuigd van de realiteit der hoogere wereld, weet en erkent zij, dat niet zij deze, maar deze haar draagt en handhaaft; dat zij dus slechts uit en door haar leeft en tot haar reëel bestaan niets toe- of afdoen kan. Geloovende, haast zij niet. De heilige wereld handhaaft zich zelve; de gemeente heeft, uit haar levend, daarvan slechts te getuigen, en nooit iets anders te doen, dan luide, krachtig, zelfbewust, vol des H. Geestes uit te roepen voor heel de wereld: ik geloof.

II. Maar toegestemd dat het geloof allen twijfel buitensluit, wat is de grond, waarop het rust, wat is het bewijs, dat ook dat geloof geen droom en geen inbeelding is? Het is het eigenaardige van het christelijk geloof, dat het uit geen der krachten, in natuur en mensch aanwezig, af te leiden is of te verklaren. Het is geen vrucht des verstands, geen resultaat van verstandelijke redeneering of wetenschappelijk onderzoek; het heeft met een syllogistisch besluit niets van doen. Het is evenmin een krachtsbetoon van den wil, als ware deze vanzelf daartoe bij machte; want ’t feit staat vast, dat zoo eens te willen gelooven onmogelijk is. Het is al evenmin eene vrucht des gevoels, eene product der verbeelding, want het is wezenlijk van beide onderscheiden in aard en karakter en gaat aan beide vooraf. Het is uit den mensch en uit de krachten dezer gevallene wereld niet te verklaren. Wij zagen toch duidelijk, dat het juist bestond in volstrekte verloochening van al wat tot deze zienlijke wereld behoort, van onszelven allereerst, van al onze gedachten en voorstellingen en neigingen. Der Heidenen geloof is daarvan |92| het volstrekte tegendeel. Het is, naar des Apostels woord, een veranderen der waarheid Gods in de leugen, een eeren van het schepsel boven den Schepper, een niet aanmerken van het onzienlijke, om juist steun te zoeken in het zichtbare. In wat verschillenden vorm nu dat geloof zich ook openbare, het rust altijd op iets, dat tot deze wereld behoort, het is gegrond op eene kracht in den mensch, op zijn verstandelijk overleg of zijn rijke verbeelding. Het blijft zich bewegen in een cirkel en komt dien tooverkring nooit uit. Het is altijd afgoderij, nooit godsdienst; wijl het niet rust in een woord van God maar in eene opvatting van den mensch. Het ware, echte, het christelijk geloof echter is een volkomen prijsgeven van alle dingen, een zichzelven kruisigen en begraven, eene geestelijke ervaring, waarbij alles ons ontvalt, waarop wij vroeger vertrouwden. Indien het dan niet rust in iets van den mensch, integendeel dat alles prijsgeeft en varen laat en dan toch weer uit dien dood der zelfkruisiging opkomt, ja een ander, nieuw heilig leven ons toevoert, dat wij vroeger niet kenden, dan immers kan het niets anders dan rusten in den levenden God. Het geloofsleven, dat uit algeheele zelfverloochening, uit den dood wordt geboren, kan zijn oorsprong niet hebben dan in Hem, die uit den dood het leven in onverderfelijkheid aan het licht gebracht heeft. Het geloof, dat ons de onzienlijke dingen in ’t oog vatten doet en, woordelijk, ons tegelijk daaruit doet leven, is eene krachtsopenbaring der hoogere wereld zelve, uit deze wereld niet te verklaren. Gelooven in Christus, is daarom eene gave, eene krachtsopenbaring des Geestes. Zelf bovennatuurlijk in oorsprong, brengt het geloof dus niet alleen zijn eigen gewisheid, maar ook de realiteit van zijn voorwerp, van de onzienlijke dingen, mede. Zonder deze zou het zelf niet kunnen bestaan. Het geloof is derhalve een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet. Wat de dichter den ontdekker der Nieuwe Wereld toezong, dat, indien deze er niet ware, zij uit de zee moest verrijzen, dat geldt in der waarheid van het christelijk geloof. De gave des Geestes is voor hem die haar bezit het afdoend bewijs voor het bestaan des Geestes en voor al wat Hij meedeelt.

Hoe dat geloof nu in onze harten gewerkt wordt, kan niet ten volle worden beschreven. De werking des Geestes is zoo wonderbaar, zoo onnaspeurlijk, zoo haast onder geen woorden te brengen. Wij hebben het hier met een wonder te doen en staan voor eene verborgenheid. Dit weet ik, het wordt niet verkregen door historisch-kritische onderzoekingen en uitlegkundige studien. Niet ook door een gunstigen aanleg of een degelijk karakter. Het wordt in ons gewerkt door een machtigen, onmiddellijken indruk, op het oogenblik dat de realiteit der |93| geestelijke dingen krachtig en onweerstaanbaar aan onze ziele zich opdringt en als waarheid zich betuigt. In eens, plotseling gaat er dan een licht in ons op, dat de ellendigheid van het „beneden” en de heiligheid en heerlijkheid van het „boven” ons toont.

Zwakke analogie van dezen onbeschrijflijken indruk hebben wij in de wijze, waarop de zedewet zich in het geweten van iederen mensch krachtig aankondigt als eene reeele macht. Analogie ook in het vreemde verschijnsel, dat de heerlijkste gedachten eensklaps in ons brein voor ons bewustzijn vallen, en als eene gave zich willen beschouwd zien. Zoo was bij Athanasius de vaste overtuiging van de Godheid des Zoons, zoo bij Augustinus de zekere gewisheid van de verkiezing door een onmiddellijken indruk gewekt; en stond bij een Luther de rechtvaardiging alleen door het geloof onwankelbaar vast. Geen enkel artikel onzer belijdenis rust op verstandelijke reflexie of wetenschappelijk onderzoek; deze kwamen altijd achterna; wat aan een dogme subjectieve verzekerdheid en aan zijn belijders kracht en moed van overtuiging schonk, was altijd die onmiddellijke, onbeschrijflijke indruk van zijn waarheid in ’t hart door den Geest. Dan eerst is ons geloof het ware, wanneer het ons onmogelijk wordt, anders te gelooven. Dat „ik kan niet anders, ik mag niet anders”, dat schenkt ons geloof de kracht tot overwinning der wereld, dat maakt elk artikel onzes geloofs tot product van eene diepe geestelijke ervaring, tot eene geestelijke winste, door ons eerbiedig te aanvaarden, of wij zelven ook alzoo krachtig de waarheid ervan betuigd mochten vinden aan ons hart.

Nu wordt echter die indruk niet zoo onmiddellijk in ons gewekt, dat de H.G. daarbij ieder middel buiten zou sluiten. Als op natuurlijk, wordt ook op geestelijk terrein deze overtuiging „vermittelt” door het Woord. Alleen kan dat Woord die overtuiging in ons niet wekken. Door den H.G. voortgebracht, moet het in ons hart ook door dien H.G. worden gesproken, op dien toon, met dien nadruk, als Hij alleen, die ’t Woord voortbracht, dit vermag; en dan laat het een onuitwischbaren indruk in onze zielen achter. Dan is de waarheid ervan ontwijfelbaar in ons harte verzegeld. Dat geloof is dus zoo iets teeders en heiligs, dat het alleen in God kan rusten, in niemand of niets anders, in geen boek of geschrift, alleen en enkel in God. Maar dan toch in God, die in Zijn beschreven Woord tot mij spreekt, en de waarheid ervan aan mijn harte bevestigt door zijnen H. Geest. God, zijn woord, zijne beloften, zijne daden zijn de zuilen, waarop mijn gelooven rust. Feiten, daden, geschiedenis is het, die er den grond van vormen, en wier onverbreekbare samenhang met de in ons bezegelde waarheid de historie ervan waarborgt. Zoo gij wilt, op gezag gelooven |94| we dus, maar op gezag van God zelven, die het blijmoedig gelooven aan, Hem en zijn Woord door Zijn Geest in ons werkt. En zoo weinig is dat gezag een dwang of geweld, dat het geloof zelf geene hoogere vreugde kent, dan in die autoriteit Gods te rusten. Ja, het zou sterven en verleppen, indien het in iets anders rustte dan in God. Want vast is het en zeker, niet wijl het geloof is, maar wijl het geloof is in God; sterk is het en de overwinning der wereld, wijl het geloof is in Christus den wereldverwinnaar; heilig is het en heerlijk, wijl het geloof is in den H.G.


III. In dat geloof nu staande, daaruit levend, spreekt de gemeente ook uit, wat zij gelooft. Zij verbergt zich niet noch schaamt zich harer belijdenis. Welverzekerd en vol vertrouwen, spreekt zij het blijmoedig uit, al rooken de brandstapels. Ja, bij den gloed der martelvuren was haar belijden dikwerf het krachtigst; drong zich het in de ziel ervarene vanzelf naar de lippen. Zij belijdt, en kan niet anders dan belijden. Dat is de drang van haar hart; zwijgen kan ze niet, zij gelooft, daarom spreekt zij. Zij moet getuigen van Gods wonderen, gewagen van zijne doorluchtige daden. Of ze dan aan de H.S. niet genoeg heeft? O, zeer zeker, deze is haar eenige bron, uit haar vloeit alles haar toe, in haar diepten duikt ze telkens weer neder. Die Schrift is de prachtvolle schilderij, die in eene reeks van boeiende tafereelen de daden Gods in de heilshistorie voor de oogen ons opvoert. Welnu, dien machtigen indruk, welke de Schrift op haar maakt, moet zij weergeven. Wat zij door dat wondere boek gezien, getast heeft van het Woord des levens, dat moet zij verkondigen. Zij moet trachten, dat onder woorden te brengen en er zich rekenschap van te geven. Zij heeft wat die Schriftuur verhaalt in zich opgenomen, doorleefd als ’t ware, en reproduceert het nu in hare belijdenis. Uit de indringing in de H. Schrift weer bovenkomend, ziet zij rondom zich, voelt in deze wereld zich vreemd en spreekt tegenover tegenstanders en dwalenden in heilige geestdrift uit, wat zij ervoer en genoot. Scheppen doet ze niet; geene enkele waarheid ontdekt ze, zij vindt slechts wat in die Schrift neergelegd is; zij denkt slechts na, den H.Geest na, die het alles voorgedacht heeft, maar geeft dan het gevondene en alzoo nagedachte ook weer in haar taal, in haar wijze, ten volle bewust en voor ieder verstaanbaar. De belijdenis, die zij uitspreekt, staat dus niet boven of naast of buiten de Schrift, maar geheel en al in de Schrift. Uit deze is ze geweld, door het kanaal der gemeentelijke ervaring heen.

Natuurlijk, dat geschiede niet in eens; wat in dien Bijbel vervat is, is zoo rijk en zoo wijd van begrip, dat het niet door één mensch, niet |95| door één geslacht van menschen in zich opgenomen en weergegeven kan worden. Daar zijn eeuwen voor noodig. De kennis van de lengte en breedte en diepte en hoogte der liefde van Christus is alleen in gemeenschap met alle heiligen te bereiken. Eerst is daarom de belijdenis klein. Niets anders dan: ik geloof in Jezus, den Christus. Straks breeder al uitgelegd in de woorden, ik geloof in den Vader, den Zoon en den H. Geest. Dat is de wortel, die straks opwast tot den stam der 12 geloofsartikelen. En telkens wanneer de gemeente in de volgende tijden dieper in de openbaring Gods ingeleid wordt, groeit die stam op en wassen er verschillende takken aan, waarvan sommige zijwaarts zich afbuigen en in verkeerde richting uitgroeien. Maar zoo wordt in den loop der eeuwen de liefde van Christus al breeder en voller uitgelegd, en steeds verder afgewerkt dat heerlijk beeld, hetwelk de gemeente uit de H. Schrift concipieert en naar buiten doet afstralen.

Wat zij alzoo geloovende al belijdt, is moeilijk ook te zeggen, wijl het zoo rijk is en zoo diep. In God gelooft zij. Aan Hem denkt zij, over Hem peinst zij, van Hem getuigt ze. Van God altijd, van God alleen. Van de daden, die Hij gewrocht heeft van oudsher, die Hij voortgaat te werken tot aan het einde der eeuwen. Uit God leeft zij, op Hem steunt zij, van Hem spreekt zij, van zijn wezen en eigenschappen, van zijn werken en wonderen, van Hem in den ganschen rijkdom zijner zelfopenbaring, in de onnaspeurlijke volheid zijns wezens, in de drievuldigheid van zijn bestaan. In zijne werken aanschouwt ze drieërlei kringen, in zijn bestaan drieërlei wijze, nooit ge-, altijd onderscheiden, zich reflecteerend ook in haar eigen geestelijke ervaring. De onuitputtelijke rijkdom des Goddelijken levens en wezens, in zijne zelfopenbaring zich toonend, wordt door de Gemeente in hare belijdenis van God Drieëenig uitgedrukt en weergegeven. Eerst toch voelt de Gemeente, schoon van de wereld onderscheiden, met deze zich volstrekt afhankelijk van eene Absolute Macht, die haar en alle dingen te voorschijn riep en nog instandhoudt en regeert. Voor haar is die Macht echter geen onpersoonlijk Noodlot, geen afgetrokken gedachte, maar eene Goddelijke zelfstandigheid, die weet en wil, regeert en bestuurt, dien ze aanspreekt als „Gij” en voor wien zij vrijwillig en onvoorwaardelijk zich buigt. Zij belijdt Hem als den Schepper van Hemel en Aarde, die in het Goddelijk Wezen de van zichzelf Bestaande is, aan wien alle dingen hun oorsprong ontleenen, de Souverein, de Wetgever, de Rechter aller dingen. Maar zij belijdt Hem ook als den Vader, Vader van den Zoon, door Hem Vader ook Zijner kinderen op aarde, die Hij verzorgt en bewaakt en als zijn oogappel mint. Dat alles uit de H. Schrift opdelvend en zelve ervarend in de ziel, heft de gemeente het oog dankend ten hemel en belijdt: ik geloof in God, |96| den, Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

Maar zij belijdt nog meer. Ja, indien zij niet meer had te belijder, dan zou zij zelfs dit weinige niet met grond hebben kunnen uitspreken. De wereld eert in Hem noch den Schepper, noch den Vader, dan bij name alleen. Maar de gemeente gelooft in den Vader, wijl zij ook gelooft in den Zoon. En hier is de gemeente nu in het hart van haar belijdenis. Jezus Christus is centrum van al haar kennen en gelooven. Zij wil van niets, weten dan van Hem, den Gekruiste. Hem bepeinst zij, Hem beschouwt ze, Hem beschrijft ze, van Zijne eeuwige generatie uit den Vader tot op zijne ontvangenis en geboorte uit Maria; en vandaar door heel zijn leven volgt ze Hem tot in zijn dood en begrafenis; en als Hij straks opgestaan is en ten hemel gevaren, dan ziet ze Hem na, houdt het oog naar Boven gericht, waar Christus is, geloovig verbeidende den tijd, als Hij wederkomen zal op de wolken des hemels.

Door hem, zoo jubelt zij, is een gansche omkeer tot stand gebracht. De Verhouding aller dingen tot God, door de zonde verstoord, Hij heeft ze hersteld. Verzoend heeft hij alle dingen tot God, dus ook onderling. Hemel en aarde, God en mensch, Jood en Heiden, Griek en Barbaar — alle zijn met elkander verzoend. En dien machtigen omkeer heeft hij teweeggebracht, niet door geweld van wapenen maar alleen door te lijden. Zijn gansche leven wordt door de gemeente samengevat in het woord: die geleden heeft. Door het kruis alleen heeft Hij over de overheden en machten getriumfeerd. Dat was Zijn eenig wapen. Alleen en nooit anders dan in het teeken des kruises heeft bij de overwinning behaald. Dat is aller dingen verzoenings- en hereenigingspunt. Gelijk door den boom der kennisse alles van God zich afkeerde, zoo keert door het kruis alles tot God weder. En nadat hij de verzoening tot stand gebracht heeft, gaat Hij nu voort, in de bedeeling van de volheid der tijden alles onder zich als ’t Hoofd bijeen te vergaderen, beide dat in den hemel en dat op de aarde is. Als koning zal Hij heerschen, totdat al de vijanden onder zijne voeten gelegd zijn. Dat alles nu bepeinzend, heft andermaal de gemeente geestdriftvol het oog ten hemel en zegt: En ik geloof in Jezus Christus Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer.

Maar nog meer omvat het belijden des geloofs. De verzoening is er. Maar, zoo rijst dan de vraag, hoe kom ik daarin te staan, hoe krijg ik daar deel aan, waar de onheilige machten der zonde in en buiten mij steeds verder van Christus mij afvoeren? Welke is de Goddelijke kracht, die mij onheilige aan mijzelven ontweldigt en met Christus in gemeenschap, in verband brengt? Welke macht drijft ons naar Christus |97| henen en naar Zijn kruis? En de gemeente heeft het antwoord gereed. Daar is een ander nog, een Leidsman in de Waarheid, een Trooster, die van God uitgaande weer naar Christus en alzoo tot den Vader terugvoert, die niet van de wereld toch in haar werkzaam is en ons wederbaart en vernieuwt. En de gemeente, ten derden male opziend naar omhoog, belijdt: ik geloof in den H. Geest.

Drievuldig is Hij, de waarachtige levende God, dien de gemeente aanbidt. Drievuldig in Zijn bestaan, één toch in wezen. Want wist zij niet, dat de Vader God ware, zij zou zich op Hem niet kunnen verlaten. Wist zij niet, dat de Zoon God ware, zij zou op zijne voldoening niet voor tijd en eeuwigheid kunnen rusten. Wist zij niet, dat de H.G. God ware, zij zou op zijne getuigenis niet bouwen, aan zijne leiding zich niet kunnen toevertrouwen. Neem een dezer drie weg en der zielen zaligheid wankelt, en de verzekerdheid des geloofs is onmogelijk. Maar nu God boven, God voor, God in ons; door God van, alle zijden omgeven, verzorgd, bewaard; nu is er ruste, nu vrede, nu de zaligheid zeker; zoo God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid!

Maar wie zal die eere Hem toebrengen? Nog eenmaal heft de gemeente hare stemme op en zegt: ik geloof eene heilige algemeene Christelijke Kerk. Deze is er en zij zal worden voltooid trots de aanvallen en de poorten der hel. Door de vergeving der zonden en de wederopstanding des vleesches komt zij gewisselijk tot het eeuwige leven. Er is geen twijfel aan. Daarheen zijn al de werken der drie, Goddelijke Personen gericht. Een in wezen, zijn ze een ook in doel. Dat is de tempel, dien zij samen bouwen, en tot woning begeeren. En als straks dan de elementen brandende zullen versmelten en de aarde en hare werken zullen vergaan, dan zal deze tempel, waaraan eeuwen lang is gearbeid, luisterrijk op de ruïnen der zonde verrijzen en tot in eeuwigheid blijven bestaan.




a. Eerder gepubliceerd als: ‘Het Christelijk Geloof’ I-III, De Vrije Kerk 9 (1883) 1,44-47; 2,90-95; 4,184-193 (januari-april 1883).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004