De Predikdienst.

a


Het stemt altijd tot weemoed, te denken, hoeveel in de practijk nog aan ons Christelijk belijden ontbreekt. Er kan binnen en buiten de grenzen onzer Kerk op veel goeds worden gewezen; op toenemende belangstelling in de waarheid, die naar de godzaligheid is; op altoos bereide offervaardigheid voor de verschillende zakken der Christelijke philanthropie; op warme behartiging van de Zending en van zoo veel meer, dat tot de roeping des Christens behoort. En men laat dan ook niet na, daar telkens op te wijzen; de toon, daarover geuit, klinkt soms hoog; van roemen is men niet altijd gespeend; op dat alles wordt tegenover den vijand dikwerf met trotsch en zelfvoldoening de aandacht gevestigd. Dat behoort alzoo niet te wezen; al mag al dat goede dankbaar worden erkend, wat ons nog ontbreekt — en het is zooveel — mag niet uit het oog worden verloren. Aan de belijders van Jezus den Christus, aan de leden onzer Kerk inzonderheid moet telkens de les worden voorgehouden: zijt niet hooggevoelende maar vrees; zijt met ootmoed bekleed.

Ootmoed, zoo is er terecht gezegd, is bet kleed, dat ons altijd past, dat alleen ons dekt, dat uitsluitend ons siert. Wie het, in welke omstandigheid dan ook, aflegt werpt zijn schoonste sieraad weg. Ootmoed moet ons huis- en reis-, ons bruilofts- en ons rouwkleed zijn. Om dien Christelijken ootmoed aan te kweeken, is het goed en noodig te letten op zooveel, dat ons nog ontbreekt en voor roemen ons bewaren kan.

Denk alleen maar aan den predikdienst. De tijd, dat de kansel eene macht was, is voorbij. Het kerkgaan neemt niet alleen onder de modernen, maar ook onder de orthodoxen op de meeste plaatsen gaandeweg af. De belangstelling in de Kerk en de lust tot het hooren eener preek wordt al minder. Er zijn reeds duizenden, die van de kerk geheel zijn vervreemd, die nimmer haar drempel meer overschrijden; en |79| hun getal wordt nog dagelijks grooter. Velen ook van wie rechtzinnig worden genoemd hebben de gewoonte, om twee malen ’s Zondags ter kerke te gaan, voor goed afgeschaft; eens is hun al meer dan genoeg. Zelfs wordt het door velen tijdverlies gerekend, zoo lang, soms 2 volle uren achtereen, in de kerk te zijn. In onze bedrijvige, berekenende Eeuw acht men, dat de tijd beter, veel beter had kunnen doorgebracht worden. Waartoe dit verlies? zoo vraagt men; had die tijd niet beter aan de armen en ellendigen, aan de kinderen en jongelieden besteed kunnen worden. En op vele plaatsen is men er dan ook, bewust of onbewust, op uit, om den predikdienst door Zondagsscholen en Jongelingsvereenigingen en huisbezoek bij armen en ongelukkigen te vervangen.

Die afkeer van de kerk moet zeker voor een groot gedeelte op rekening gesteld worden van den geest, die onzen tijd beheerscht en onder welks invloed men zich een gansch verkeerd begrip van het ter kerke gaan gevormd heeft. Het is eene bij uitnemendheid bedrijvige eeuw, waarin wij leven; eene eeuw van stoom en kracht. Het jaagt en dringt en streeft alles voorwaarts. Aan rust, aan stilte, aan kalmte valt niet te denken. Wie niet mee wil, blijft eenvoudig achter of wordt onder den voet gehaald. Tijd is geld, en geld is de ziel van de negotie. Wat geeft het, wat is het nut ervan, is de vraag van den dag. Koortsachtige gejaagdheid en overspannen ijver kenmerkt alle handeling. Al te zeer wordt de stilte van het heilige, de kalmte van het eeuwige gemist. Haast u langzaam, is een verouderd spreekwoord. Het is een wedijver, een concurrentie om het hardst. Ook op de Christenen heeft deze geest zijn stempel gedrukt. Ook zij zijn, al belijden ze een eeuwenoud geloof, kinderen van hunnen tijd. ’t Komt thans op een actief, een werkdadig Christendom aan. Aan het woord, dat in stilzitten hunne sterkte zou schuilen, wordt niet meer gedacht. Indien gij Christen zijt, toon uw geloof uit uw werken, zeg wat gij doet, wat gij geeft, wat gij tot stand brengt. En het is zeker, dat wie al dien Christelijken arbeid niet onvoorwaardelijk prijst, door velen van liefdeloosheid en gebrek aan geloof wordt verdacht.

Gevolg daarvan is, dat alwat tot het stilleven des geloofs behoort op den achtergrond treedt en kwijnen gaat. Aan het aandachtig nagaan van de „trappen” des geestelijken levens, aan het fijn en nauwkeurig onderscheiden van het ware en het valsche geloof en leven, aan de breede opsomming van de kenmerken en kenteekenen van den waren Christen, kan men zich thans niet meer wijden. Er is wel wat anders te doen. Niet in de diepte, maar in de lengte en breedte moet het Christendom zijn kracht ontvouwen. En, zoo heeft men ook geen tijd en geen |80| lust meer, tweemaal op den rustdag ter kerke te gaan, soms een uur lang naar eene predikatie te luisteren, komende uit den mond van een leeraar, dien men reeds zoo dikwerf heeft gehoord. Wat zou daar boeiends en nuttigs in wezen. Men is, zoo wordt gedacht, veel te passief, kan veel te weinig doen, wordt bijna onmondig en tot alles onbekwaam geacht, en heeft in den eeredienst een veel te gering aandeel. Luisteren, zeker, men wil het nog wel naar eene lezing, eene volksvoordracht, eene rede over School of Zending van een gevierd spreker, van wien men iets nieuws leeren kan en iets treffends kan hooren; maar luisteren naar eene preek, die altijd over hetzelfde onderwerp gaat, en alle aantrekkelijkheid van het nieuwe mist, — dat kan van ons ongeduldig en ontwikkeld geslacht niet meer worden gevergd. Atheensche nieuwsgierigheid en een hoog gevoel van geestes-ontwikkeling zijn eigenschappen ook van vele orthodoxe kerkgangers geworden.

Waarom men ter kerke gaat en wat men daar te doen heeft, zie, het is bijna geheel vergeten. Het rechte begrip aangaande den openbaren eeredienst wordt gemist. Het wordt niet begrepen, dat men wel degelijk daar in de openbare samenkomst iets te doen heeft, dat men niet passief is, maar zeer werkdadig en actief, dat men daar komt, om priesterlijk werk te verrichten, om bezig te zijn in de dingen des Vaders, om te offeren in den tempel des Heeren, om Gode te offeren, onszelven en het onze, om niet maar zich te laten stichten en gesticht te worden, maar om waarlijk zich zelf en anderen te stichten, op te bouwen in het allerheiligst geloof. Dat is de ware beteekenis van het opgaan naar het huis des gebeds. Alle geloovigen zijn priesters — daarin ligt de sleutel van deze verklaring. En nu bestaat het werk der priesters — aldus schreef Van Andel onlangs zoo heerlijk en waar in N° 19 van Maran-atha — niet meer in bemiddelend tusschentreden gelijk tijdens het Oude Verbond; zoo iets hoort bij het bijzonder priesterschap, maar valt bij de algemeenwording van het priesterschap weg. Er blijft echter over: de waarneming van den dienst des heiligdoms, namelijk het offer, nader gezegd, het hemelsche geestelijke offer, het met het standpunt des Nieuwen Verbonds overeenkomend offer. Dit offer bestaat in de belijdenis van Christus’ naam, in de aanbidding Gods, in de gemeenschap aan Christus’ voorbidding, en in de aanbieding van gaven ten dienste van het werk Gods en van de arme broederen Christi. Nu is het de wille Gods, dat hij openlijk en gemeenschappelijk aangeroepen worde. Openlijk, omdat zulks met zijne waardigheid overeenkomt, en het betaamt, dat de wereld het hoore, als God van zijn volk als God erkend wordt. Gemeenschappelijk, omdat God de geloovigen slechts wil en erkent als lichaam van Christus, als |81| in Christus georganiseerd geheel, en met den enkele, buiten dat lichaam, dat is, buiten Christus om, evenmin gemeenschap wil hebben, als oudtijds met een van Israel zich afzonderend Israeliet. Hiertoe nu dient de samenkomst der geloovigen op den Rustdag. Elke plaatselijke gemeente vertegenwoordigt het lichaam Christi. Hare leden zijn tot priesterlijke diensten geroepen in de gemeente, dat is, in het heiligdom Gods. Als priesters komen zij samen, brengen zij God de offers van lof en dank, bede en smeeking, met hunne gaven, voor het heiligdom en de broederen. Dat is het wezen, de heerlijke strekking, het welbehagelijke onzer samenkomsten op Zondag, of wanneer ook. Alzoo stellen wij ons in gemeenschap met de gemeente in de hemelen, en doen één werk met haar, weshalve ook de engelen, ten teeken dezer eenheid, zoowel in onze vergaderingen als in de hemelsche samenkomsten tegenwoordig zijn.

Maar — waar wordt het zoo begrepen en zoo beoefend? Zeker niet daar, waar men naar de Kerk gaat, slechts om een prediker te hooren; waar men niet eens bedenkt, dat men er voor alles wat te doen heeft, nl. priesterdienst, en waant, dat men daar lijdelijk is en niets te doen heeft dan zich te laten stichten; waar men thuis blijft als de prediker thuis blijft, alsof er in het heiligdom niets te verrichten overbleef, zoo de prediker er niet predikt; waar men in de kollekte God iets geeft, dat ons niets kost en dat dus geen offer is, maar eene gave even groot als waarmede men een bedelaar aan zijne deur afscheept, waar men, in stede van in het gezang een offer der aanbidding te zien, niet eens medezingt of anders medeschreeuwt, harteloos en gedachteloos.”

Dat zijn woorden, die niet vergeten mogen worden, die bewaard moeten blijven in het hart. Het is de roeping der voorgangers in de gemeente, om vooral thans — nu deze ware opvatting al meer verloren gaat — den volke deze beteekenis van den eeredienst te doen verstaan. Zij moeten de aandacht der hoorders, der gemeenteleden, gelijk altijd, ook hierin van zichzelven afleiden, en doen beseffen, dat men niet om de predikers ter kerke gaat, dat ook de prediking niet de hoofdzaak en het eenige is, maar dat men daar als geloovigen samenkomt, om samen als priesters werkzaam te wezen en Gode te offeren lof en aanbidding, liefde en gave. Als dat meer verstaan wordt, zal het kerkgaan in eere komen en ’t jeugdig geslacht niet van de kerk worden vervreemd.

Maar hoeveel schuld er ook van dit toenemend euvel ligge op de gemeente, die onder den invloed van de geestesrichting des tijds haar heerlijke roeping miskent, een aanzienlijk deel der schuld komt toch ook op het hoofd van de predikers zelven. De predikatie is wel niet het eenige, zelfs niet het hoofdwerk in onzen eeredienst — dat is de priesterlijke |82| werkzaamheid der geloovigen samen, — maar zij is dan toch in die priesterlijke samenkomst en dienstverrichting het voornaamste stuk. Van de prediking hangt ontzaglijk veel af; zij is het grootste en voornaamste deel van onze godsdienstoefening. Terwijl men de Roomsche kerken noemen kan de kerken van de mis, zijn de Protestantsche, de kerken van het woord. Het is eene schoone en heerlijke gedachte, dat Jezus alleen wil heerschen door het Woord en den Geest. Hij versmaadt zwaarden en stokken, boei en gevangenis, geweld en list; de heerschappij wil hij zich verwerven enkel en alleen door de zedelijke, geestelijke, wapenen van Woord en Geest. En bepaaldelijk nog door middel van het gepredikte woord, niet het gelezene, gezongene maar gesprokene woord. Het geloof is uit het gehoor. Daarom is het ook niet enkel kieskeurigheid en eigenzin, als het volk wil, dat de prediker tot hen spreken en niet de preek hun voorlezen zal.

Aan de prediking van zijn woord heeft de Heer zijnen zegen verbonden. Het is door die prediking, dat de gemeente in stand gehouden wordt en historisch zich voortzet. Door haar is het in verbinding met de teekenen en. zegelen des verbonds, dat zij versterkt wordt en opgebouwd in het allerheiligst geloof en ’t lichaam Christi wordt ingelijfd. Door haar, dat ze in haar zuiverheid wordt bewaard, in haar strijd bemoedigd, in haar lijden geheiligd, in haar belijden bevestigd. Door haar ook, dat de schare bij de kerk blijft en de kerk bij de schare, in gezag en achting en eerbied toeneemt.

De beteekenis der prediking kan niet licht worden overschat; en de waarde van het predikambt niet licht te hoog worden aangeslagen. „Verbi divini minister”, bedienaar des Goddelijken Woords te zijn, uitdeeler van de verborgenheden Gods, verkondiger van woorden van eeuwig leven — met welke aardsche betrekking zou deze ook van verre maar te vergelijken zijn? De verantwoordelijkheid en de roeping zijn daarom voor den drager van dat ambt ook te grooter. En zijn er ook in dezen tijd billijke klachten over de minachting, waarin kerk en kerkgaan deelen; een voornaam gedeelte komt daarvan te staan op rekening van de dienaren des woords.

Wie eenigermate met kanselvruchten en kanselprodukten zich heeft bekendgemaakt, vindt tot klagen overvloedige stof. Zeker, men moet billijk zijn. Men kan aan leeraars en leerredenen den maatstaf niet aanleggen, dien men aan een redenaar en eene lezing aanlegt. Men moet bedenken, dat er vele gemeenten zijn, en dus vele leeraren. Eischen dat ze allen redenaars zouden zijn, ware eenvoudig Gods wil bedillen, die aan slechts enkelen de heerlijke gave der welsprekendheid verleent. Men moet verder in het oog houden, dat een dienaar des woords |83| elken rustdag twee malen en nog dikwijls tusschentijds optreden moet en dus, wanneer hij zijne andere bezighe den ernstig verricht, niet altijd versch en frisch en nieuw wezen kan.

Maar ook dat alles in aanmerking genomen, wat blijft er ook dan nog niet te klagen over vorm en inhoud der prediking beide! Niet dat iemand niet meer gaven heeft, maar dat bij ze niet beter gebruikt is reden van beschuldiging. En dat geschiedt toch zeer dikwijls. Hoevelen woekeren met hunne gaven niet, maar verkwisten of misbruiken ze! Er is menigmaal in den vorm aangewende en aangeleerde term en toon, valsche smaak en platte uitdrukking, onnatuurlijkheid van houding en gebaren. Er is in den inhoud dikwerf te ontdekken gemis aan ernstige voorbereiding, aan eenvoud en waarheid, aan gang en gedachte; aan geloof en bezieling, aan wijding en zalving bovenal.

Alles samen genomen kan gerust verzekerd worden, dat de prediking tegenwoordig niet staat op de hoogte van den tijd en niet beantwoordt aan zijne behoefte. Als de kansel weer eene macht worden zal, dan, moet dat verholpen worden. En dat kan en zal geschieden, wanneer men zich weer zet tot onderzoek der heilige schriften.

Dat is het voornaamste gebrek van de hedendaagsche prediking, dat ze niet is geput uit de Schrift, niet met haar geest is gedoopt. Er is wel Schriftonderzoek tegenwoordig; aan de Academiën nemen de Inleidingswetenschappen de grootste plaats in. Maar dat is het ware onderzoek niet. Daardoor leert men wel veel over en aangaande de Schrift; leert men misschien wel het „milieu” kennen, waarin ze ontstaan is, den grondslag waarop zij verrezen is. Maar ook al brengt die studie ons dat voordeel aan en al voert ze ons niet, gelijk zoo menigeen, tot twijfel en wantrouwen; de Schrift zelve in haar rijkdom en diepte, in haar eenheid en verscheidenheid leert men er niet door kennen. En dan is ons prediken ijdel. Dan ontbreekt aan onze prediking de macht en het gezag, dat zij noodig heeft en dat zij alleen ontleenen kan aan het Woord Gods, waarop zij steunt. Dan moge onze prediking een kunststuk wezen, prijken met eene keurige verdeeling en gegoten wezen in een netten vorm zij zal niet te min arm zijn, wijl haar de eeuwige inhoud der woorden Gods ontbreekt. Schriftstudie is daarom voor den prediker eerste en voornaamste eisch. Geregelde, voortgezette, aanhoudende studie der H. Schrift, desnoods zonder commentaren, maar met een helderen blik, met een biddend hart, dat zich open stelt voor de leden en leeringen des H. Geestes, met een vrome, ontvankelijke ziel, met een geheiligd en gereinigd geweten.

Och, wij weten nog zoo weinig van de H. Schrift. Nog maar een klein stukske verstaan wij er van. Er liggen nog schatten in verborgen, |84| die nimmer door de gemeente genoten zijn. Een greep hier en daar hebben we nog slechts gedaan. En achttien eeuwen zijn reeds voorbij gegaan en de tijden wentelen zich heen naar het einde! Wij moeten ons haasten, opdat we straks, als de Zone des menschen komt, de teekenen der tijden verstaan en verklaren kunnen bij het licht der profetie, en Hem zeggen kunnen, dat wij zijn woord hebben bewaard en zijnen naam niet hebben verloochend en Hem kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap zijns levens. Ieder onzer, vooral de leeraren, hebben daaraan het onze toe bij te dragen. Gods woord te doen kennen, daaraan worde onze prediking meer en meer dienstbaar.

De Schrift moet door de gemeente beter worden verstaan, helderder gevoeld, meer in samenhang en organisch verband worden begrepen. Dat zal tevens dit voordeel hebben, dat de gemeente vaster wordt gesteld tegenover de twijfelingen en ongeloofstheorien van onzen tijd en het jeugdig geslacht niet vervreemd wordt van de waarheid die naar de godzaligheid is.

Als die eisch door de dienaren des Woords wordt betracht, dan zullen allengs ook die andere gebreken verdwijnen, die thans de prediking zoo dikwerf ontsieren. Dan komt al het andere van zelf. Dan zal dat ongelukkige motto-preeken ophouden, dat onder den schijn van Gods woord toch dikwerf maar eigen meeningen den volke verkondigt. Dan zal, met terzijdestelling van alle eigen gedachten en inbeeldingen weer niets dan de gezonde, frissche, sterkende kost van het woord Gods aan het volk worden gereikt. De leeraar zal dan geene vreeze behoeven te koesteren voor uitputting, noch uren en dagen moeten doorbrengen om een tekst en om stof te vinden; en het gehoor zal niet meer klagen over gebrek aan frischheid en over armoede en eentonigheid. Het volk heeft er recht op, om Zondags geestelijk gevoed en gelaafd te worden. Geeft gij hun te eten, luidt de les aan predikers, maar niet de buikvulling der wisselende meeningen en der nieuwtjes van den dag, maar de vaste spijze en het sterkend voedsel van Gods woord. Dan zal allengs de inhoud gezond en levendig en frisch worden, wijl geput uit den Bijbel. Maar ook de vorm zal er bij winnen. Het kan niet anders; wie de H. Schrift ernstig bestudeert, moet alle gezwollenheid, alle hoogdravendheid, alle ijdele philosophie afleggen. De Bijbel is het eenvoudigste, natuurlijkste, bevattelijkste boek ter wereld; volmaakt populair; een volksboek bij uitnemendheid. Bestudeering ervan zal ons populair maken in den besten, edelsten zin; populair, zoo, dat we ter eener zijde voor alle platheid en ruwheid en onkieschheid ons wachten, maar ook ter anderer zijde dien toon aanslaan, die het harte des volks treft en de snaren zijner ziel trillen doet. Dan zal onze taal |85| gevormd worden door, ja één worden met de taal der H.S., welke de taal is van den besten Prediker, van den eenigen Leeraar, van den „Doctor et Consolator Ecclesiae”, van den Heiligen Geest. Dan spreken we tot het volk, niet om door hen bewonderd maar begrepen te worden. Dan spreken we niet om onzent,- maar om hunnentwil. Dan preeken we niet meer langdradig en eentonig en vervelend. Maar dan spreken we, vol des H. Geestes, in betooning van kracht; dan spreken we geen woorden van menschelijke wijsheid, maar het eeuwig blijvend woord onzes Gods. En de vrucht van zulk eene prediking kan niet uitblijven. Zijn woord keert nimmer ledig weer.

Bovendien, de gemeente is het waard, dat we haar Gods woord openen en verklaren. Zij heeft er recht op. Ze bestaat gemeenlijk uit menschen, die daags druk arbeiden moeten en voor onderzoek der H.S. bijna geen tijd overhouden. Zij verlangt des Zondags van hare dienaren opening der Schriften, ontvouwing der geheimenissen. Zij verlangt ze duidelijk, bevattelijk, verstaanbaar, niet in ellenlange redeneeringen, maar in eenvoud en kracht, in haar taal en voor haar bevatting berekend. En zij vergoedt en verzoet die moeite en inspanning in meer dan dubbele mate; niet misschien in goud en zilver, maar in meer dan dat, in hare achting en liefde en dankbaarheid, welke kostelijker zijn dan de schatten der aarde.

Maar ook, in het uitwendige zal het ons dan welgaan. Een goede preek blijft nimmer onbeloond. Als de gemeente ziet, dat wij ons geven aan haar, dan zal zij zich geven aan ons. Als wij arbeiden aan haar geestelijk heil, zal zij het aan lichamelijken onderstand ons niet laten ontbreken. Ondankbaar is de gemeente niet, indien wij, hare voorgangers, haar voorgaan in het zoeken der eere Gods en het heil harer zielen. De prediking van Gods woord, zuiver, onvervalscht, in eenvoud en waarheid, in geloof en bezieling, is het behoud en de waarborg van het bestaan en den bloei ook der Vrije Kerk.




a. Eerder gepubliceerd als: ‘De Predikdienst’, De Vrije Kerk 9 (1883) 1,32-43 (januari 1883).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004