Het Rijk Gods, het Hoogste Goed.

1) a


Het is ongetwijfeld bij al het treurige, waarin de theologische wetenschap heden ten dage verkeert, een verblijdend verschijnsel, dat die wetenschap, welke men met den naam van de Ethiek aanduidt, in vergelijking met vroegere tijden, zich in een ongekenden bloei mag verheugen. Zeker, ook hier is niet alles rooskleurig. De oorzaken, waaraan de Ethiek dezen bloei te danken heeft, zijn niet alle van verblijdenden aard; de wijze, waarop men de hechtste grondslagen dier wetenschap zoekt los te rukken, haar eeuwige beginselen zoekt te miskennen en te verloochenen, is verre van moedgevend. Maar dat men in het zedelijk leven belangstelt, zijn aard, beginsel en wezen zich tracht duidelijk te maken, geeft mijns inziens stof tot vreugde en dankerkentenis. Vroeger ging de Ethiek, behalve dat zij altij schraal werd bedeeld, in de leer der deugden en der plichten op. Maar het is niet genoeg, te weten, hoe wij zelven moeten wezen — waarop de leer der deugd het antwoord geeft — om het zedelijk goede tot stand te brengen; noch ook voldoende, de plichten te kennen, de wetten, overeenkomstig welke wij dat zedelijk-goede hebben na te jagen, wij dienen ook die zedelijke goederen zelve in hun aard en wezen, in hun eenheid en onderling verband te kennen, om ze in ons en om ons te kunnen realiseeren. Nu was het Schleiermacher, de beurtelings diep miskende en te hoog verhevene, 2) in ieder geval de invloedrijkste theoloog onzer eeuw, die, door op dat gebrek der oudere Ethiek te wijzen en de „Güterlehre” eene vaste plaats in deze wetenschap te verzekeren, aan de Ethiek eene |29| geheele hervorming en eene blijvende winst verschafte. Er kwam bij, dat men vroeger de tijdelijke en de eeuwige, de aardsche en de hemelsche goederen dikwerf los naast elkander plaatste, op hun onderling verband — dat een van de moeielijkste problemen is, die er bestaan — niet diep genoeg inging, menigmaal aarzelde, gene (de aardsche goederen) tot het gebied van het zedelijke te brengen en daardoor gevaar liep, om het zedelijk-goede eenzijdig spiritualistisch op te vatten.

Met die richting vormt onze Eeuw wel eene zoo scherp mogelijke tegenstelling. De schade, geleden door de lang gekoesterde hoop op eene voorgespiegelde en gretig geloofde toekomst, welke al het leed compenseeren zou, zoekt men te vergoeden door zich te baden in de genietingen van het heden. De onzichtbare, eeuwige goederen — men heeft er zoo lang te vergeefs naar gewacht, dat de tijdelijke en de zienlijke dan geven, wat ze kunnen! De wissel, zoolang reeds op den hemel getrokken, is onbetaald gebleven en van onwaarde gebleken. Men heeft zoolang al geloofd, men wil thans aanschouwen, zélf leven, zélf genieten en wijl de toekomst toch niets geeft, hoe eer hoe beter, en hoe meer hoe liever. Het zeer moeielijk verband tusschen dit en het volgend leven, tusschen aarde en hemel, het tijdelijke en het eeuwige, het zichtbare en het onzichtbare — men heeft het allereenvoudigst opgelost door te zeggen, dat de eene term er van niet bestaat. Tegenover die materialistische richting onzer Eeuw, maar met erkenning van de waarheid, welke ook die ontzachlijke dwaling staande houdt, ga ik, of ik u nog eens een blik gunnen mocht in de heerlijkheid onzes algemeenen, Christelijken geloofs, tot u spreken over het Rijk Gods, als het hoogste goed.

De keuze van dit mijn onderwerp verschaft mij al terstond dit niet geringe voordeel, dat ik daarmee sta in het hart eener echt Bijbelsche en bepaald Christelijke gedachte. Op Heidenschen bodem kon deze niet ontstaan. Alle elementen, waaruit zij samengesteld is, ontbraken daar. De waarde en de beteekenis der persoonlijkheid bleef onbekend en onbegrepen, het individuëel-persoonlijke had geen eigen doel, maar scheen enkel middel en doorgangspunt voor het geheel. Zoo ontbrak dus ook het begrip der menschheid als één verbonden organisme en kon het tot de gedachte van een rijk, waarin én de enkele én de gemeenschap hun volle wezen ontwikkelden, niet komen. Het godsdienstig zedelijk leven was bovendien ten nauwste met het politiek leven verbonden en kwam tot geen zelfstandigheid; het ethische blijft in het physische verward en als ’t ware vastgebonden, komt tot geen zelfstandige heerschappij en schijnt slechts een bijzondere modus van het ééne, groote, alles omvattende natuurproces. Gelijk op den Olympus |30| het fatum heerscht over de goden, zoo werd op aarde de vrijheid der persoonlijkheid gebonden door den dwang der onpersoonlijke natuur. Zoo werd dus het hoogste goed op de verschillendste wijze òf individualistisch òf communistisch, òf uitsluitend zinnelijk òf abstract geestelijk opgevat; en b.v. met Aristoteles in het geluk (eudaimonia) van den enkele, of met de mannen der Stoa in het leven overeenkomstig de natuur, of met Epicurus in het geluk, en wel in den lust gesteld. En zelfs voor den „goddelijken” Plato, die zoo diepen blik sloeg in het wezen van het goede, bestond het hoogste goed in het los worden van het zinnelijke en in het zich verheffen tot het ware, zuivere, ideale zijn, door de heerschappij der philosophie te bereiken en verwerkelijkt in den Staat, waarin alles gemeen is en de individu volstrekt is onderworpen aan de macht van het geheel. In den grond kwam geen der ouden de moraal der utiliteit en der kansrekening te boven. De gedachte aan een Rijk Gods, dat èn den enkele èn de gemeenschap ten volle tot hun recht laat komen, dat inhoud en doel der wereldgeschiedenis is, en heel de aarde en alle volken omvat, zulk eene gedachte kwam in het hoofd en het hart zelfs van den uitnemendsten Heiden niet op. 3)

Anders was het in Israel. Door de openbaring was tusschen dat volk en de Heidenen rondom een „middelmuur des afscheidsels” opgetrokken op schier elk gebied. Israel was het volk van den sabbat, de Heidenen die van de week. In kunst, wetenschap, staatsvorming, in al wat behoort tot het gebied der cultuur, stond Israel bij menig Heidensch volk verre ten achter. Maar hun waren de woorden Gods toevertrouwd. Zij kenden de waarde en de beteekenis der persoonlijkheid, allereerst van God, dies ook van zijn beeld, den mensch. Daarom vatten zij ook eerst en allermeest die zijde des menschen in het oog, waarnaar hij rust in en afhangt van God; terwijl de Heidenen bovenal die zijde van ’s menschen persoonlijkheid ontwikkelden, waarnaar hij staat boven en tegenover de wereld. Maar wijl in het „God dienen” alleen de „ware vrijheid” ligt, moesten de laatsten eindigen met een bankroet. Israels bestemming daarentegen lag opgesloten in den eisch, heilig te zijn als zijn God; het had de roeping, een Rijk Gods te wezen, eene theocratie te vormen, waarin Gods wil het alles regelende en besturende was. Het Rijk Gods was bij Israel ingesloten in de enge grenzen van den nationalen staat; het was geen eigen sfeer naast den Staat en de cultuur, maar er in, er een mede, al het andere beheerschend. Het was |31| dus particularistisch, en moest dat wezen, om historisch bestand te krijgen, om niet te worden vervluchtigd of bloot als idee boven de geschiedenis te zweven, om werkelijk in te gaan in de geschiedenis van het menschelijk geslacht 4). Eerst door dat particularistisch karakter kon het — als ik het zoo eens noemen mag — waarlijk worden eene „universal-geschichtliche Potenz.”

Van den aanvang af had het Rijk Gods in Israel dan ook eene universalistische strekking.

Israels God was de God áller volkeren; de beteekenis der persoonlijkheid was bekend, de idee der eene menschheid lag daarin besloten. Van die zeer bijzondere roeping, om een Rijk Gods te vormen, was Israel zelf zich ook ten volle bewust; zoozeer, dat in het laatst van den koenen Riddertijd der Richteren de zeer ernstige vraag oprees, of het aardsche koningschap zich wel met de theocratie verdroeg. Samuel loste ze op, door het koningschap in te lijven in en tot orgaan te maken van de Godsregeering. Maar spoedig vielen beiden uiteen. Het koningschap werd dikwerf instrument tot bestrijding der theocratie. En naarmate nu de nationale Staat en het Godsrijk minder in elkaar opgingen, scherper tegenover elkander kwamen te staan, maakte het Rijk Gods zich reeds in Israel meer los van al het nationale, en werd het steeds meer algemeen-menschelijk, zuiver ethisch. Toen deed zich het opmerkelijk en hartverheffend verschijnsel voor, dat eenig is in de geschiedenis van het menschelijk geslacht, dat in het kleine, van alle kanten door Heidenen eng ingesloten land van Palestina, het oog van Israels vromen zich richtte naar de toekomst, het einde der tijden, heel de aarde en alle volkeren omvatte; en de profeten, ver boven den nationalen gezichts kring verheven, tegen alle empirie in, in strijd met alle uitwendige gegevens, in de sterkte hunner verwachting en den heldenmoed huns geloofs spraken van de einden der aarde, die eenmaal vol zouden worden van de kennis des Heeren.

En toen na de Ballingschap weder eene poging beproefd werd, om het Rijk Gods in Israels Staat eene zichtbare gestalte en historisch aanzijn te geven, en ook die poging mislukte, toen hield de profetie wel op, maar het Joodsche volk vergat zijne roeping niet, klemde zich angstvallig vast aan het eenmaal gesproken woord der profetie, en spon zijne verwachting nog verder uit. In de apocalyptische, apocryphe literatuur van het Oude Testament ontwikkelde zich eene geheele Messiaansche Dogmatiek, maar der profeten bezieling was weg, hun grootsch en heerlijk |32| ideaal werd, onbegrepen, ingevoegd in nationale perken, in zinnelijke vormen vastgegoten, verontreinigd, gematerialiseerd 5).

Toen werd door den Elias des Nieuwen Testaments de nadering verkondigd van het Koninkrijk der Hemelen. En Hij verscheen, in wien het Godsrijk ten volle aanwezig was, die er de Stichter van was, en van wien alleen het zich verder uitbreiden en ontwikkelen kon. Zich aansluitende aan de profeten, ontdeed Jezus het weer van het nationaal-bekrompene, waarin het Judaisme die heerlijke gedachte had gekleed, zelfs verborgen, maar — vergeten wij het niet — ook had bewaard. Het Godsrijk was bij Jezus doel van al zijne werkzaamheid, hoofdinhoud en centraalgedachte van zijn onderwijs; oorsprong en wezen, uitbreiding, ontwikkeling en voltooiing werden door Hem op de menigvuldigste wijze, in en zonder gelijkenissen voorgesteld. En van zichzelven uit stichtte Hij het in het hart zijner jongeren. Aanvankelijk werd het Rijk Gods in de gemeente gerealiseerd. Maar naarmate deze ingaat in de wereld, vallen beiden uiteen. De tegenstelling van gemeente en wereld verliest van haar scherpte. In de wereld dringt het Godsrijk, in de gemeente de wereld door. Het katholiseerend streven echter geeft geen der termen prijs, verzoent de tegenstellingen door te geven en te nemen, en, waar het moet, het ideaal pasklaar te maken voor de werkelijkheid. De Kerk, zich huwend met den Staat, doet van geene enkele harer vroegere aanspraken afstand en identifieert zich met het Rijk van God. Volgens de katholieke beschouwing valt het „regnum Christi” volkomen met het „regnum pontificium” samen, en gaat het aardsche Godsrijk in de historische organisatie der gevestigde Roomsche Kerk volkomen op. De Joodsche, theocratie wordt dus in de Kerk nagebootst. Het Christendom wordt gejudaiseerd en geëthniseerd.

Tegen die organisatie teekent de Reformatie haar scherp en welberaden protest. Het Christendom van joodsche en heidensche bestanddeelen zuiverend, vatten de Hervormers het Godsrijk weer op in zijn ideaal, geestelijk, eeuwig karakter, en spraken zij het in hunne onderscheiding (niet: scheiding) van de zichtbare en onzichtbare Kerk uit, dat het Godsrijk hier op aarde nooit in eene zichtbare, historisch-georganiseerde gemeenschap volkomen kan worden gerealiseerd. Toch mag het opmerkelijk heeten, dat, in weerwil van de groote plaats, die de naam: Rijk Gods in de H. Schrift, vooral in de profetische boeken en in Jezus’ onderwijs inneemt, deze term toch uit de Protestantsche Theologie bijna |33| geheel is verdwenen, en door dien van „onzichtbare Kerk” is vervangen. Zonder iets te verliezen van den rijken inhoud, die er in deze gedachte ligt opgesloten, kan echter deze term niet worden verwaarloosd; en ik ga daarom trachten, u het Rijk Gods voor te stellen als het hoogste goed, zijn inhoud, — wegens den rijkdom er van echter slechts in hoofdtrekken — te ontvouwen, daarbij als leiddraad deze vier gedachten u aan de hand gevend:

I. Het wezen van het Rijk Gods.

II. Het Rijk Gods en de individu (de enkele).

III. Het Rijk Gods en de gemeenschap (Kerk, Staat, Cultuur), en ten slotte

IV. De voltooiing van het Godsrijk.


I. Het wezen van het Rijk Gods.

Gij allen kent, Mijne Hoorders, de treffende gedachte van Pascal: „l’homme n’est qu’un roseau, le plus faible de la nature, mais c’est un roseau pensant.” Zelfs — zoo gaat hij voort — wanneer het universum den mensch doodde, ware deze toch edeler dan het gansch heelal, wijl hij weet, dat hij sterft. Het heelal is er dus, om door den mensch gekend, gedacht en beheerscht te worden. Denkt u eene wereld, die altijd voortliep in hare baan, zonder dat ze haar beeld werpen kon in het menschelijk bewustzijn, haar bestaan ware een niet-zijn een eeuwige nacht gelijk, door geen enkelen lichtstraal verhelderd. Maar boven den donkeren drang der natuur gaat de persoonlijkheid uit en begeeft zich in het rijk des lichts, des geestes en der vrijheid. Gelijk naar de schoone mythe Aphrodite zich loswikkelt uit het schuim der golven en aan de stille en doodsche schepping vruchtbaarheid geeft en leven, zoo ook verheft zich boven de wereld de menschelijke persoonlijkheid en schenkt haar het licht der verklaring. En toch, schoon verre boven haar uitgaande, is de mensch niet van de wereld, hij staat niet als een vreemde tegenover, maar hoort bij haar, is aan haar verwant en door de sterkste banden, door zijn eigen organisme aan haar ten nauwste verbonden. Gelijk nu des menschen persoonlijkheid, geestelijk, onzichtbaar en eeuwig in haar wezen, toch het stoffelijk lichaam noodig heeft als orgaan van haar werking en openbaring naar buiten, zoo ook is het Rijk Gods als het hoogste goed voor den mensch, wel een rijk, dat in zijn wezen boven al het tijdelijke en aardsche uitgaat, maar daarom niet vijandig er tegenover |34| staat, veeleer het noodig heeft als zijn orgaan, en zich wezen bereidt tot een instrument. In zijn kern, in het diepst van zijn wezen is het Rijk Gods geestelijk, eeuwig, onzichtbaar. Het komt niet met uiterlijk gelaat (Lucas 17 : 20), bestaat niet in spijs en drank (Romeinen 14 : 17), onzienlijk is het en ontastelijk. Het is immers een Rijk der Hemelen; hemelsch is het van oorsprong, door hemelsche, boven-natuurlijke krachten werd het op aarde gesticht, wordt het nog ontwikkeld en zijne toekomst tegengevoerd. Maar het is abstract-geestelijk, zoo maar niet eene afgetrokken gedachte; zonder realiteit; de ons zoo gewone tegenstelling van het zinnelijke en het geestelijke is de Schrift ten eenenmale vreemd. Maar het Rijk Gods als het hoogste goed is de eenheid, het inbegrip, de totaliteit aller zedelijke goederen, van aardsche en hemelsche, geestelijke en lichamelijke, eeuwige en tijdelijke goederen.

Het goede kan een eenheid vormen en vormt die vanzelf. De zonde daarentegen vermag dat niet. Zonde is ontbinding, „uit de versmade eenheid overgaan in de veelheid,” doorgezet atomisme en ten top gevoerd individualisme. Zij is eene desorganiseerende macht, die geene reden van bestaan en dus ook geen doel in zichzelve heeft. Zij kan dus ook nooit begeerenswaard wezen, noch tot navolging verplichten. Werkelijk is zij niet noodwendig; zij is de absolute onzedelijkheid, bestaande zonder recht van bestaan. Een eenheid, een rijk kan ze daarom uit zichzelve niet stichten. Zij vormt er een slechts bij wijze van een „contrat social,” omdat zij niet anders dan als georganiseerde macht haar doel, dat buiten haar ligt, n.l. de vernietiging van het goede bereiken kan, en zoo alleen het Rijk Gods afbreuk kan doen. Wanneer het Rijk Gods dan ook voltooid wezen zal, en niet meer aan de aanvallen van Satan zal blootstaan, dan spat het rijk der zonde uiteen, wordt het in al zijne bestanddeelen ontbonden en keert het zich tegen zichzelf.

Maar het goede vormt wel eene eenheid. Slechts van de ontbindende macht der zonde bevrijd, organiseert het zich van zelf. Het goede is tevens het schoone, de volkomen harmonie. Het Rijk Gods nu is in zijne voltooiing de eenheid aller zedelijke goederen. Hier op aarde echter zijn al die goederen nog niet een; heiligheid en zaligheid, deugd en geluk, geestelijk en lichamelijk goed vallen hier nog niet samen. Veeleer is de gerechtigheid van het Rijk Gods hier op aarde met het kruis verbonden, en moeten wij door vele verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk der Hemelen (Handelingen 14 : 22). De aardsche goederen, als rijkdom, eer, voorspoed, kunnen, gelijk bij den rijken jongeling (Markus 10: 23) zelfs hinderpaal wezen. Want door de zonde van den band der eenheid beroofd, konden al deze goederen, elk op |35| zichzelve gesteld, juist daardoor te lichter instrumenten der zonde worden.

Maar op zichzelf staat het Rijk Gods niet vijandig tegen al die goederen over, maar is van al dat uiterlijke onaf hankelijk, staat er boven, maakt ze tot zijn orgaan en geeft ze daarin al hunne oorspronkelijke bestemming terug. Daarom trad Jezus op met den eisch: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en al het andere — is dan niet ijdel, onnut, zondig, maar — zal u toegeworpen worden. Toegeworpen, want wie de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods bezit, zal zekerlijk de aarde beërven. Datgene nu, wat den band, de eenheid van al die goederen vormt, is geestelijk van aard. n.l. de gerechtigheid; de gerechtigheid, welke juist daarin bestaat, dat elk ding zichzelf is, zijn rechte plaats ontvangt en in zijn aard en wezen volkomen is. Aan die gerechtigheid is alles ondergeschikt, maar dankt ook alles de handhaving en de voltooiing van zijn wezen. Gelijk nu in den mensch de persoonlijkheid het hoogste is, en het lichaam haar in strument moet wezen, zoo ook is in het Rijk Gods al het aardsche, tijdelijke en zichtbare onderworpen aan het geestelijke en eeuwige. En wijl het geestelijke en eeuwige, om werkelijk en niet alleen in de gedachte, in de verbeelding te bestaan, altijd persoonlijk moet wezen, zoo is het Rijk Gods een Rijk van vrije persoonlijkheden 6). Elks persoonlijkheid is daar ten volle ontplooid en beantwoordt aan hare bestemming. De gerechtigheid van het Rijk Gods bestaat immers voor den mensch daarin, dat hij ten volle persoon zij, dat alles in hem onderworpen zij aan zijn geestelijk, eeuwig wezen. Nu is in den mensch alles door de zonde dooreengeslagen; uiteen viel wat bijeen behoorde. Verstand en hart, bewustzijn en wil, neiging en kracht, gevoel en verbeelding, vleesch en geest staan thans tegenover elkander, en betwisten elkander den voorrang. Maar in ’t Rijk van God zijn die alle weer zuivere organen der persoonlijkheid, en groepeeren zich om haar als het middelpunt in volmaakte orde omheen. Er is daar geen donker natuurleven meer; geen onbewuste drang; het gaat alles van het centrum der persoonlijkheid uit en daarheen terug. Alle krachten des menschen staan daar in het volle licht van het bewustzijn en zijn volkomen opgenomen in den wil. Alle drang is er buitengesloten, het is een rijk des geestes en dus der vrijheid. Het natuurlijke, het zichtbare is daar volkomen onder het gezichtspunt van het geestelijke en eeuwige gesteld; het physische is zuiver instrument van het ethische. Gelijk alles, zoo zal allereerst ons eigen lichaam, datgene wat aan ons Ik niet ons |36| Ik zelf is, volkomen in den dienst onzer persoonlijkheid staan en verheerlijkt worden juist als instrument van de heerschappij des geestes.

Het Rijk Gods is dus een rijk van vrije persoonlijkheden, waarin elke persoonlijkheid tot haar volle ontwikkeling is gekomen. Maar het is een rijk van vrije persoonlijkheden, waarin deze niet los naast elkander staan, als individuen, maar saam een rijk vormen en tot de volkomenste en zuiverste gemeenschap aan elkander zijn verbonden. Het Rijk Gods is geen aggregaat van heterogene bestanddeelen, zelfs niet een geheel, dat toevallig door een gemeenschappelijk belang is verbonden. Het is zoo maar niet eene „société”, een gezelschap, eene vereeniging, zooals wij er thans zoo vele zien oprichten. Want al die vereenigingen van onzen tijd, van mannen en vrouwen, van jongelingen en jongedochters, van knapen en meisjes op allerlei gebied en tot allerlei doel, danken veeleer, althans ten halve, aan het thans heerschend Individualisme haar oorsprong. Maar het Rijk Gods is een rijk, het sociale rijk bij uitnemendheid, waarin het gemeenschapsleven zijn hoogste ontwikkeling en zijne zuiverste openbaring verkrijgt. Het is het meest oorspronkelijke rijk, dat er is, en de aardsche rijken, ook die der natuur, zijn daarvan slechts een flauw beeld en eene zwakke gelijkenis. Het is een geheel, waarin de enkele deelen op elkaar zijn aangelegd en bij elkander passen, en door de innigste gemeenschap verbonden, samen staan onder eene hoogere macht, welke de wet is van het geheel; een organisme dus, waarin het geheel aan de deelen voorafgaat, er boven staat, maar tegelijk de grond, de voorwaarde en de vormende kracht is der deelen. Want het is wederom geen Platonische Staat, waarin de rechten van den individu opgeofferd worden aan die der gemeenschap. Veeleer het tegendeel. Het Rijk Gods handhaaft juist ieders persoonlijkheid en waarborgt haar heur alzijdige ontwikkeling. Zelfs de individualiteit gaat daar niet te loor 7). Want deze is geen onvolkomenheid, maar datgene, wat ieder mensch juist zich zelf doet wezen en van elk ander onderscheidt. Zonder dat individueele zou een organisme zelfs onbestaanbaar wezen. Het Rijk Gods, als het volkomenst, als het zuiverst organisme hield op dat te zijn, wanneer de hand niet meer de hand, het oog niet meer het oog en ieder lid van dat organisme niet meer zichzelf ware. „Waren zij allen maar één lid, vraagt Paulus daarom (Romeinen 12 : 4 volg. 1 Corinthen 12 : 14 volg.), waar zou dan het lichaam wezen”? Het individueele in een organisme wordt juist door het ééne, zelfde leven van dat organisme in zijne onderscheidenheid en eigenaardigheid gehandhaafd en bewaard. Zoo is het Rijk Gods dus geen levenlooze, |37| starre eenerleiheid, geen koude eenvormigheid, maar een eenheid, die juist een oneindige veelheid insluit en harmonisch samenvat. Daarom juist is het Rijk Gods de hoogste, de volkomenste gemeenschap, wijl het aan ieders persoonlijkheid de alzijdigste en rijkste ontplooiing van haar inhoud waarborgt. Want de eenheid van een organisme wordt te harmonischer, te rijker en te heerlijker, naarmate de veelheid der deelen toeneemt. In een steen b.v. is zeer weinig eenheid bij zeer weinig verscheidenheid; elke steen gelijkt op den anderen en elk stuk steen is weer een steen. Meer eenheid bij meer verscheidenheid treffen wij reeds aan bij de plant. Grooter nog bij het dier. Het rijkst en het heerlijkst bij den mensch. In hem zien we een onoverzienbare verscheidenheid, een onuitputtelijken rijkdom van verschijnselen, een onuitsprekelijke volheid van vermogens en gaven en krachten; heel de wereld recapituleert zich in hem, hij is een mikrokosmus. En toch is al die rijkdom van verschijnselen harmonisch verbonden en organisch gesystematiseerd in de persoonlijkheid, die zelve eeuwig en boven al dien rijkdom nog verre uitgaande, hoe dat wondervol organisme, door haar bewustzijn kent en beheerscht door haar wil 8).

Welnu, wat de mensch is voor de wereld, is het Rijk Gods voor den mensch. Er heerscht daar de rijkste harmonie, de volkomenheid der schoonheid, de heerlijkste en zuiverste eenheid bij den onnaspeurlijksten rijkdom en de onoverzienbaarste verscheidenheid. Denkt u die in, zoo gij kunt: elk lid in dat organisme van het Rijk Gods is zelf eene persoonlijkheid, met een volheid van leven, ten volle naar alle zijden ontwikkeld. En zelf is dat Rijk in zijn geheel weer eene persoonlijkheid, naar deze gevormd; want de persoonlijkheid is het oorspronkelijkste aller systemen, „das Ursystem,” gelijk Stahl haar noemt 9). Het is zelf weer eene organische persoonlijkheid, waarvan Christus het hoofd en de onderdanen het lichaam vormen. Gelijk elke persoonlijkheid een organisme heeft en hebben moet in het lichaam, zoo is de gemeente het lichaam, het zuiver organisme van Christus’ Godmenschelijke persoonlijkheid, het pleroma, naar Paulus’ diepzinnige uitdrukking (Efeze 1 : 23) van Hem, die alles in allen vervult. Zoo is het Rijk Gods dus de verzoening van het Individualisme en van het Socialisme, de vervulling van beider waarheid; en kan evenzeer gezegd worden, dat de enkele daar bestaat om het geheel, als het geheel om den enkele 10). |38|

In de gemeenschap van het Rijk Gods vormt, als we zeiden, Christus het hoofd. Het Rijk Gods is verder een Rijk van Christus. Zonder de zonde zou het Godsrijk er van den aanvang af in de menschen geweest zijn en volkomen normaal zich hebben ontwikkeld. Door de zonde werd het Rijk Gods verstoord, de verschillende goederen, die het bevatte, uiteengeslagen, de trias van het ware, het goede en het schoone verbroken. God wilde zijn Rijk herstellen, gaf daartoe de schaduw en voorbereiding er van reeds in Israels theocratie, en zond in de volheid der tijden zijn Zoon, om het op aarde te stichten. Zoo werd dus, om de zonde, het Rijk Gods een Rijk van Christus. Hij is daarin tot Koning gezalfd, en draagt die Souvereiniteit, totdat Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij en alle macht en kracht, en alle vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben (1 Corinthen 15 : 24, 25). Zoolang moet Hij als Koning heerschen. Het Rijk Gods is dus een Rijk, niet dat is, maar dat wordt, en dat niet anders zich uitbreiden en ontwikkelen kan, dan door heftigen strijd. Want de eenige, maar dan ook volstrekt-geldende eisch is die der gerechtigheid, der absolute volkomenheid. Van dien eisch kan het geen afstand doen, zonder zichzelf te vernietigen, zoodat dan ook in dat Rijk niets intreden zal, dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt (Openbaring 21 : 27). Het is dus een strijdend rijk, dat niets zóó, als het is, in zich kan opnemen, maar al wat het omvatten wil, moet heroveren en aan de heerschappij der zonde ontrukken. Wijl het echter geestelijk is van aard, bezigt het geen andere dan geestelijke wapenen; om zich uit te breiden kent het geen andere macht dan de almacht der goddelijke genade.

Het Rijk Gods draagt zoo een verlossend en heiligend karakter. Gelijk Christus er de Stichter van is, is Hij ook de bewegende kracht er van, en bepaalt Hij den aard en de wijze zijner ontwikkeling. De vleeschwording des Woords, het albeheerschende feit, grondbeginsel aller wetenschap, is ook aanvang en blijvend principe van het Rijk van God. Het duidt aan, dat het Goddelijke, het eeuwige, het onzichtbare niet in een onbereikbare hoogte boven ons zweeft (Rom. 10 : 6-8), maar in het menschelijke, het tijdelijke, het zichtbare is ingegaan en nu niet anders dan lichamelijk, in menschelijke gestalte en op menschelijke wijze ons voor oogen treedt. Dat is nu ook het leidend beginsel, dat den aard van de uitbreiding van het Godsrijk bepaalt. Nooit of nergens mag wat waarlijk menschelijk is, worden gedood of onderdrukt; altijd en overal moet het tot orgaan en instrument, tot den bestaansvorm van het goddelijke worden gemaakt. Die eenheid, welke wij in Christus op geheel eenige wijze aanschouwen, wacht het Rijk van God op elk gebied des menschelijken levens en strevens, in ieder ding naar zijn |39| aard te verwerkelijken. Zóó echter, dat niet als bij de Grieken het goddelijke in het menschelijke ondergaat, noch als bij de volgelingen van den Buddha het menschelijke in het goddelijke opgaat, maar derwijze, dat bij beider gehandhaafde wezenheid en zelfstandigheid, het menschelijke zuiver en onbesmet orgaan van het goddelijke zij en het goddelijke op volkomen menschelijke wijze lichamelijk (Col. 2 : 9) zich openbare.

De vleeschwording zelve leert, dat dit mogelijk is. Het menschelijke is de zonde zelve niet, maar haar orgaan geworden. De aarde is een middentoestand tusschen hel en hemel in. Het is hier het land der relatieviteit. Evenmin als het hoogste kwaad, d.i. de hel, is het hoogste goed, het Godsrijk, hier volkomen gerealiseerd. Noch het kwade, noch het goede is hier ergens absoluut te vinden. Beide beginselen gaan hier saam en naast elkaar, strengelen zich ineen, al worstelend en strijdend, maar gaan nooit — gelijk men thans ons diets maken wil — in elkander over. Gelijk Petrus eens de buit was in den strijd tusschen den biddenden Jezus en Satan, die hem begeerde te ziften als de tarwe (Luk. 22 : 31), zoo wordt om heel de aarde en de menschheid geworsteld tusschen Satan en Christus. De worsteling tusschen die twee persoonlijke machten, niet maar abstracte ideën of vage principes, maar tusschen die beide Rijkshoofden en Kroondragers maakt het ontzettend tragische der geschiedenis uit. Dit is toch de vraag, of al het menschelijke deelen zal in Satans versmading of in Christus glorie, of deze aarde behooren zal aan den hemel of aan de hel, of de mensch daemon worden zal of engel.

Zoo niets menschelijks zich vreemd achtend en geestelijk van aard, is het Godsrijk universeel, aan geen plaats of tijd gebonden, heel de aarde, al het menschelijke omvattend, onafhankelijk van volk en land, van nationaliteit en kleur, van taal en ontwikkeling. In Christus Jezus geldt alleen, maar dan ook niets uitgezonderd, wat nieuw geschapen is. Het Evangelie des Koninkrijks moet daarom ook gebracht worden aan alle volken, aan alle creaturen, aan menschen niet alleen, maar aan al het geschapene. Het Rijk Gods strekt zich dan ook zoo ver uit, als het Christendom zelf. Overal is het, waar Christus heerscht, waar Hij woont met zijn Geest. Al het aardsche, voor zoover het door Christus is gereinigd en gewijd, vormt samen het Rijk van God 11). In de geschiedenis ingegaan, door Christus tot eene wereldhistorische macht, ja tot de drijfkracht aller geschiedenis gemaakt, breidt het zich uit en ontwikkelt het zich, „vel nobis dormientibus.” Stil werkt het voort en |40| onmerkbaar, spoediger dan wij denken misschien, als een zuurdeesem, welken eene vrouw nam en verborg dien in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was (Matth. 13 : 33), of als een mosterdzaad, hetwelk wel het minste is onder alle de zaden, maar het wordt een boom, alzoo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijne takken (Mattheus 13 : 31).

Als Rijk van Christus draagt het dus een wordend karakter en wacht het zijne voltooiing. Dan, als het voltooid is, als alle tegenstand gebroken en het zelf volkomen geheiligd is, dan zal Christus de Hem verleende Souvereiniteit doen terugkeeren tot Hem, die ze schonk en het Koninkrijk zonder smet en zonder rimpel Gode en den Vader overgeven.

Zoo is dus het Godsrijk ten slotte een Rijk van God. Wel blijft Christus het Hoofd des lichaams, door wien uit God al het goddelijk leven op menschelijke wijze ons wordt toegevoerd, en omgekeerd al het onze, al het menschelijke, vergoddelijkt Gode als eene welbehagelijke offerande wordt gewijd. Maar de absolute souvereiniteit wordt dan weer gedragen door God zelven, die de Bron is en de Oorsprong aller Souvereiniteit, de Heer der heeren, de Koning der koningen. Het Rijk Gods is een Koninkrijk, wat het edelste en heerlijkste is, dat zich denken laat. Geen keizerrijk, want dat doet denken aan eene wereldmacht en aan een despotische heerschappij, maar een Koninkrijk, waarin de Souvereiniteit berust op de machtsvolkomenheid van Hem, die ze draagt. In het Rijk Gods is God zelf de Koning-Souverein; Hij regeert daar over een vrij volk, dat gewillig Hem dient en in die onderworpenheid juist oorsprong en waarborg van al zijne vrijheden vindt.


II. Het Rijk Gods en de enkele.

Dat Rijk nu, welks wezen wij trachtten u te doen kennen, is als de eenheid aller zedelijke goederen, het hoogste goed voor ieder mensch, voor elken individu, wie en wat en waar hij ook zij. Het komt tot allen zonder onderscheid met den hoog ernstigen eisch, om al het andere, zelfs vader en moeder, zuster en broeder er voor te verlaten. Het is immers de parel van groote waarde, welke een koopman gevonden hebbende, ging henen en verkocht alwat hij had en kocht dezelve (Matth. 13 : 44).

De mensch is ook geen snel voorbijgaand ontwikkelingsmoment in |41| het groote natuurproces, hij bestaat niet enkel om en voor iets anders, zijn bestaan heeft in zichzelf waarde; de mensch is „Selbstzweck” en heeft een doel in zichzelven. Dat doel is voor elk, om altijd ten volle zichzelf, d.i. persoonlijkheid te wezen, om alleen te gehoorzamen aan die wet, welke door God ons gegeven tegelijk de wet onzer eigen persoonlijkheid is en in het geweten nog zwak zich hooren laat. Zooals wij nu zijn, worden wij door allerlei ons vreemde banden en van alle zijden gebonden. Schoon boven de natuur uitgaande, worden we door haar toch menigmalen, meer dan wij denken, beheerscht. Het natuurleven neemt in ons bestaan nog eene zeer ruime plaats in. Zóó zeer zelfs, dat in den slaap dat natuurleven een derde deel van ons geheele aardsche leven in beslag neemt, en onze persoonlijkheid, ons bewustzijn en onzen wil tot werkeloosheid doemt. Bovendien — en dat is de eigenlijke slavernij van ons persoonlijk geestelijk leven — worden wij ook in ons bewuste leven gebonden door die wet in onze leden, welke strijd voert tegen de wet onzes gemoeds. De zonde is de vijandin der persoonlijkheid, aan welke zij toch de mogelijkheid dankt van haar bestaan. Zij wil geen zelfbewustheid en geen vrijheid; beiden haat zij met een volkomen haat. Op den donkeren achtergrond des levens beweegt zij zich; de dwang der natuur is het ideaal der macht, waarmee zij wil heerschen. Daarom verbergt zij ons voor ons zelven en huichelt en veinst met ons; zichzelven kennen is immers ook de eerste stap op den weg der bekeering.

Daartegenover nu komt tot ons allen de eisch, om altijd ten volle ons zelven bewust en waarlijk vrij te wezen, om dat geestelijk eeuwig leven weer te leiden, dat we door de zonde verloren, om door niets beheerscht dan door de wet van ons eigen geestelijk wezen al het andere te maken tot orgaan onzer persoonlijkheid. Onze roeping is het, om dien donkeren natuurgrond, dien wij nu in ons dragen, volkomen op te nemen in het licht van ons bewustzijn, om ons zelven volkomen te doorzien, niets duisters in ons over te laten, ons gansche zijn en wezen zich te laten reflecteeren in den spiegel van ons bewustzijn en alzoo gelijk te worden aan Hem, die enkel licht is en in wien gansch geen duisternis is (1 Joh. 1 : 5). Hierop komt het aan, om onze persoonlijkheid zelve te, maken tot eenige causaliteit van al ons denken en handelen, om in elke daad, in iedere gedachte onze gansche, volle persoonlijkheid te leggen, om niets onbewust en willekeurig, maar alles met volle bewustheid en wil, vrij en zedelijk te doen.

Deze eisch nu stemt ten volle overeen met dien van het Rijk Gods en kan alleen aan den arbeid van dat Rijk worden vervuld. Terwijl elk ander goed, schoon onbewust en onopzettelijk door ons nagejaagd, |42| toch nog ten deele ons eigendom worden en voordeel voor ons afwerpen kan, is iedere arbeid aan het Rijk van God zonder bewustzijn en wil, zonder onze gansche persoonlijkheid, onmogelijk, althans voor onszelven ijdel en onnut, erger nog, onszelven ten eeuwigen verderve. In zekeren zin ja arbeidt elk zonder onderscheid aan het Rijk van God, bewust of onbewust, met of tegen zijn wil, zoo niet als zelfstandig medearbeider, dan toch als blind en willoos werktuig. Want, indien wij zelf niet, vrij en ongedwongen, aan het Godsrijk willen arbeiden, ziet, dan zal God Almachtig ons nog bezigen als een onwillig instrument, om te doen, al wat zijn hand en raad te voren bepaald had, dat geschieden zou. In dien zin, ja dan werkt Satan zelfs mede aan het Rijk van God. Want, gelijk het de vloek is van het kwade, zegt Tholuck ergens, 12) zelfs aan het goede gelegenheid tot zonde te zoeken, zoo is het het privilege van het goede, zelfs het kwade nog ten goede te wenden. Maar dan zal God ook, als Hij ons gebruikt heeft, ons niet als menschen maar als blinde werktuigen behandelen, en ons wegwerpen van voor zijn aangezicht. Gelijk het Godsrijk een rijk van vrije persoonlijkheden is, zoo kan het in ons ook slechts door onze volle persoonlijkheid met bewustheid en wil, of gelijk de Schrift het noemt, met geheel ons verstand en met geheel onze ziel en met al onze krachten worden tot stand gebracht. Maar dan ook wederkeerig, aan dat Rijk te arbeiden, met bewustheid en wil, vrij en zelfstandig, dat te bevorderen binnen en buiten ons, ons gansche leven daaraan te wijden, en alles bij dien arbeid schade te rekenen, dat staalt onzen wil, dat sterkt ons bewustzijn, dat verdubbelt onze kracht, dat doet ons geest, volle persoonlijkheid zijn, dat legt een schat op, dien mot noch roest kan verderven.

En gelijk het Rijk ons geheel, onze gansche persoonlijkheid en al onze krachten vordert, zoo eischt het ons ook ten allen tijde. Wel zijn we hier op aarde nog gebonden; wij beheerschen den tijd niet, maar worden dikwerf door hem beheerscht. Maar het ideaal, dat wij trachten moeten te grijpen, is om ook vrij te worden van den tijd en slechts zooveel van die vrijheid afstand te doen, als juist tot instandhouding onzer persoonlijkheid noodig is. God geeft ons nooit verlof, eens niet te zijn, wat wij moeten wezen. Zelf altijd werkende tot nu toe, eischt Hij, dat we ook daarin Hem gelijk zullen zijn en, als Christus, werken zullen zoolang het dag is. De tijd op zich zelf is een ledige vorm, zonder inhoud en dus „vervelend.” Maar hij is gegeven, om hem te vullen met een eeuwigen inhoud, zoo altijd in de eeuwigheid te doen overgaan, en om dus zelf „eeuwig te zijn in ieder oogenblik.” Want |43| de eeuwigheid is geen afgetrokken gedachte, geen dor schema, geen ledig niets, maar juist integendeel een tijd met een oneindig-vollen, eeuwigen inhoud in ieder oogenblik. God werkt altijd, vult ieder oogenblik met een eeuwigen inhoud en doet dus alles op zijn tijd, gelijk Hij immers zijn Zoon ook zond in de volheid der tijden. En nu wordt onze tijd dan eerst waarlijk vol, gevuld, wanneer wij dien doorbrengen, niet met dingen, die juist dienen om den tijd te verdrijven, maar wanneer we dien vullen met te arbeiden aan een eeuwig, blijvend werk, dus ook niet met te werken om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven (Joh. 6 : 27), met den arbeid in één woord aan het onvergankelijk en onbewegelijk Koninkrijk van Jezus Christus, onzen Heer.

Dat wil echter niet zeggen, dat wij aan dat Rijk Gods hebben te arbeiden buiten elk aardsch beroep. Zeker, het Rijk Gods is niet van, maar het is toch in de wereld. Het is niet binnen de enge muren van binnenkamer, kerk en klooster besloten. Het is niet volstrekt „jenseitig;” maar door Christus op aarde gesticht, staat het met dit aardsche leven in een allernauwst, schoon voor ons in velerlei opzicht onverklaarbaar, verband en wordt het door dit leven voorbereid. Toch is het evenzeer waar, het gaat in dit leven niet op, het is niet enkel „diesseitig;” het is er en toch het wordt. De eeuwige Sabbat is er nog niet, toch hebben wij er den voorsmaak reeds van. Maar Zondag en werkdagen staan nu nog naast elkaar. Het hemelsch beroep gaat in het aardsche niet op. Voor beide dwalingen moet gewaakt. Noch mag met alle ascetische, pietistische en methodistische richtingen het aardsche beroep worden miskend, en nog veel minder mag met het theoretisch of practisch Materialisme het hemelsche beroep worden ontkend. Ideaal blijft, om de andere dagen op te heffen tot de hoogte van den Sabbat, en het hemelsche beroep altijd meer uit te oefenen in en onder het aardsche. 13) Dit laatste is toch de tijdelijke vorm van het hemelsche; en er is iets van aan, dat „um ein Engel zu werden, man vorher ein tüchtiger Mensch sein muss. 14) Het aardsche beroep is ons gegeven, zegt Calvijn 15), opdat wij een vast punt zouden hebben en niet heel ons leven heen en weer geslingerd zouden worden; om dus daarvoor ons zelven te vormen, onze persoonlijkheid te ontwikkelen en haar in ons lichaam en in al het |44| aardsche een zuiver orgaan van haar werking te bereiden. Kenmerkend is het juist voor het Christendom, dat het geen enkel aardsch beroep op zich zelf afkeurt of met het hemelsche in volstrekten strijd acht. De Griek vond in handenarbeid iets onteerends, en liet dien aan zijne slaven over. Maar het Christendom kent geen dualisme van geest en stof en acht niets onrein in zich zelve. Een mensch, die niet werkt, geen beroep heeft, heeft ook geen roeping, is een ballast voor de maatschappij en ontadelt zijne menschelijke natuur. Want alleen in een beroep kunnen wij toonen en ontwikkelen wat er in ons is, kunnen wij ons zelven openbaren, niet slechts aan anderen maar ook aan ons zelven; zoo alleen leeren wij ons zelven, onze krachten, onze vermogens kennen, komen wij tot bewustheid van onzen inhoud. Zoo eerst kunnen wij dus persoonlijkheid, mensch worden. Anders verstikken in ons en verroesten door de rust niet slechts onze lichamelijke, maar ook onze geestelijke, onze zedelijke krachten. Daarop echter moet al ons streven zich richten, dat aardsch beroep te kiezen, waarin voor ons, voor onze individualiteit, voor onze krachten de uitoefening van het hemelsche niet wordt belemmerd. Want dit blijft eisch, om dit leven, zijne roeping, en zijn arbeid in verband te brengen met het eeuwige, om al het tijdelijke en aardsche te beschouwen „sub specie aeternitatis.” Anders zal altijd, om nog eens met Calvijn te spreken, in de deelen van ons leven de symmetrie ontbreken. Al het aardsche moet dus ondergeschikt blijven aan het Koninkrijk der Hemelen. Wij moeten alles bezitten als niet bezittende, (1 Corinthen 7 : 30), zoo, dat wij willig zijn het prijs te geven, als het in strijd komt met den eisch van het Rijk van God. Of met andere woorden, alles moet òns eigendom zijn, zoodat wij het bezitten en wij het beheeren, zoodat het orgaan is van onze persoonlijkheid. Alle jagen naar meer dan wij beheeren kunnen, dan we waarlijk tot ons eigendom kunnen maken, is onzedelijk en met het Rijk Gods en zijne gerechtigheid in strijd. Zoodra het aardsche, goed of bloed, kunst of wetenschap, zoodra het ons bezit en ons beheerscht, moet de eisch herhaald, dien Jezus aan den rijken jongeling stelde: ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel (Mattheus 19 : 21). Want al het aardsche is ons gegeven, om daaraan onze persoonlijkheid „aus zu bilden,” om het te maken tot instrument van het Godsrijk. Ja, het komt nog niet allereerst daarop aan, wat wij door onzen aardschen arbeid tot stand brengen, want dikwerf wordt het werk, pas door ons voltooid, door God voor onze oogen in stukken geslagen; maar dit is het wezenlijke van al onzen arbeid, dien wij arbeiden onder de zon, wat wij zelven er door worden, wat onze persoonlijkheid er door wint aan bewustzijn, aan geest, aan kracht, aan rijkdom en volheid van leven. |45| En dàt blijft, dat gaat niet te loor, dat verdwijnt niet als zoovele werken onzer handen, dat dragen we uit deze wereld in de toekomende mede, dat zijn de werken, die ons navolgen. Wij zijn de totaliteit ten slotte van wat we gewild, gedacht, gevoeld, verricht hebben. De winste, die we zoo afwerpen voor ons zelven, is winste voor het Rijk van God. Zelfs een beker koud waters aan den discipel van Jezus blijft niet onbeloond. Zoo te arbeiden, onder al wat wij doen te denken aan het eeuwige werk, dat God door menschen tot stand brengen wil, wetende, dat wij heer en meester van ons zelven en van de aarde niet kunnen wezen, dan in de onderwerping aan Hem; en in die bewustheid werkende met al onze krachten, zoolang het dag is, al het zienlijke en tijdelijke ons zelven te onderwerpen, om het dan alles met ons zelven als eene volkomene offerande Gode te wijden, dat is — zij onze werkkring nog zoo eng en ons beroep nog zoo gering — dat is waarlijk en wezenlijk arbeiden aan het Rijk van God.


III. Het Rijk Gods en de gemeenschap (Huisgezin, Staat, Kerk, Cultuur).

Het Rijk Gods is het hoogste goed voor den enkele, maar ook voor heel de menschheid; het is een gemeenschappelijk werk, dat slechts door vereenigde krachten tot stand komen kan. Het is het universeelste goed, dat zich denken laat, daarom bestemming en doel ook van alle die levenskringen, welke in eene gemeenschap bestaan. Deze zijn voornamelijk drieërlei: Staat, Kerk en Cultuur. Elk deze drie ontwikkelt de menschelijke persoonlijkheid naar eene bijzondere zijde. De Staat regelt de verhouding der menschen onderling; de Kerk normeert hunne verhouding tot God; de Cultuur die tot den kosmos, de wereld.

Niet vierde er naast, maar grondslag en type dezer drie levenskringen is het huisgezin, de familie. Deze heeft een godsdienstig-zedelijk element in de pieteit, een rechtselement in der ouderen autoriteit en in de broederliefde, en een element van cultuur in de opvoeding. Alle drie levenskringen liggen ingewikkeld in haar besloten en sluiten aan haar zich aan. En wijl nu het Rijk Gods de totaliteit aller goederen is, zoo heeft het hier op aarde zijn zuiverst beeld en zijne trouwste gelijkenis in het huisgezin.

Het Godsrijk is het Vaderhuis. De familieverhoudingen zijn ook daar van toepassing. God stelt ons in de betrekking van kinderen tot Hem. |46| Wij worden uit Hem geboren en zijn dus Hem gelijk; alleen het kind aardt naar den vader. God is Koning, maar Hij is Vader tevens van zijn volk. De onderdanen heeten bij Jezus de kinderen des Koninkrijks (Matth. 8 : 12 en 13 : 38). Christus is de oudste, de eerstgeborene onder vele broederen, en wie den wil des Vaders doet, is Jezus’ broeder en zuster en moeder (Rom. 8 : 29; Matth. 12 : 50). Daarom zal het huisgezin ook naar die mate aan zijne bestemming beantwoorden, als het een Rijk Gods vormt in het klein. Want het Godsrijk is er niet om het huisgezin, maar, gelijk al wat is, is er ook het huisgezin om het Rijk van God. De man is het beeld en de heerlijkheid Gods, hoofd en priester des gezins, gelijk Christus het hoofd der gemeente (1 Cor. 11 : 7; Ef. 5 : 23). God geeft ons kinderen, opdat wij ze vormen zouden tot kinderen van Hem. De verhoudingen van het huiselijk leven hebben haar wederga en maatstaf in dat gemeenschapsleven van veel hoogere orde, hetwelk het Rijk Gods is. Komt hier dan ook de eisch van het Godsrijk soms met de plichten des gezins in strijd, zoodat deze moeten wijken (Matth. 10 : 37), wie verlaten heeft huis, of ouders, of broeders, of vrouw, of kinderen om het Koninkrijk Gods, die zal veelvoudig weder ontvangen in dezen tijd en in de toekomende eeuw het eeuwige leven (Luk. 18 : 29).

In het huisgezin ligt alles nog ongedeeld bijeen. Er heerscht daar nog een natuurleven, dat nog niet geheel in het vrije, ethische, persoonlijke leven is overgegaan, maar toch bestemd is, om uit dat onbewuste en onwillekeurige tot volkomen zelfstandigheid en vrijheid zich te ontwikkelen. Staat, Kerk en Cultuur zijn de tot zelfstandigheid gekomen levenskringen van elementen, welke reeds in meer of mindere mate in het huisgezin aanwezig zijn. Over de verhouding van elk dezer drie tot het Godsrijk een enkel woord. Allereerst over die van de Kerk en het Godsrijk 16). Eerst in het Christendom is het godsdienstig leven tot zijn ware wezen en tot volle zelfstandigheid gekomen, onafhankelijk van het burgerlijk en staatkundig leven, waarmede het bij Grieken en Romeinen altijd ten nauwste samenhing. Christus maakte het godsdienstig leven, het geloof in Hem, onafhankelijk van de wisselende aardsche toestanden. Het Christendom heeft dus alleen eene Kerk gesticht, als eene eigene sfeer naast Staat en Cultuur; wijl het geloof in Christus volkomen zelfstandig is en een eigen leven ontwikkelt, dat van alle soorten van leven specifiek verschilt. |47|

Nu is het Christendom echter wel in de eerste plaats, maar toch niet enkel godsdienst; het is een gansch nieuw leven, dat alle levenskringen en levensvormen doordringen en bezielen kan. Het Christendom gaat daarom ook in de Kerk niet op; het is veel te rijk, om zich binnen haar muren te laten saampersen, ja, het zou de ware godsdienst niet wezen, als het geen invloed had op heel het rijke, volle menschenleven. Het kan dus in de Kerk, als historische organisatie, als zichtbare gemeenschap gedacht, niet opgaan. Wij spreken daarom ook van eene Christelijke maatschappij, van eene Christelijke school; niets menschelijks is er, wat niet Christelijk heeten kan. Al wat in en buiten de Kerk door Christus, die de souvereiniteit draagt over alle dingen, wordt bezield en beheerscht, vormt mee en behoort tot het Rijk van God. Voor Rome is Kerk en Godsrijk één. Rome’s Kerk beschouwt dus alles als onheilig en profaan, wat niet van haar uitgaat en door haar is gewijd. Maar de Hervorming heeft de levenskringen buiten de Kerk in hun zelfstandigheid erkend. Geen Protestantsche kerk mag het buiten haar liggend terrein des menschelijken levens onrein achten of profaan; zij moet de onderscheiding van Kerk en Godsrijk aanvaarden. De Kerk is er; het Godsrijk wordt. De Kerk is eene historische, zichtbare organisatie; het Godsrijk is onzichtbaar en geestelijk. De Kerk als eene eigene sfeer voor het Christelijk-godsdienstig leven is eerst door Christus gesticht, het Godsrijk is er van den aanvang der wereld, was reeds in Israël aanwezig, werkt verborgen als een zuurdeeg voort en vormt niet als de Kerk een afgesloten gemeenschap tegenover Staat en Cultuur. En wel verre van door het aanvaarden dezer onderscheiding iets van haar beteekenis te verliezen, stijgt de Kerk er veeleer door in waarde en vervult zij haar roeping te beter, als zij begrijpt dat zij zelve het Godsrijk niet is en niet kan wezen, maar middel om het voor te bereiden en te doen komen. Want zonder de historische organisatie, de macht en de werkzaamheid der Kerk, zou het Christendom zich niet kunnen handhaven, zich geen ingang kunnen verschaffen, geen macht in de geschiedenis kunnen wezen, zou het vervluchtigd en in ijle denkbeelden opgelost worden.

Dat is de beteekenis der Kerk, maar haar doel ligt ten deele ook buiten haar, in het Godsrijk. Zij is het Godsrijk zelf niet in zijn geheel, maar de onmisbare grondslag er van, het voornaamste en beste instrument, het aardsche instituut, het hart, de kern, het levend middenpunt van het Godsrijk. Dat begrijpend, is de Kerk er op uit, om den mensch niet slechts in zijn godsdienstig, maar van daar uit, ook in zijn natuurlijk, zedelijk, burgerlijk en staatkundig leven zich, Gode te laten wijden. De Zondag mag niet los naast de andere dagen staan, maar moet deze |48| alle heiligen en trachten op te heffen tot zijne hoogte. Dan is de Kerk wat ze wezen moet, als zij over zich zelve heen werkt en niet tevreden is, wanneer een mensch alleen des Zondags in de kerk vroom is. Maar dan zal ze, als bewaarster en draagster van het edelste goed der menschen, de waarheid die naar de godzaligheid is, er naar streven, om dat edelste goed in contact te brengen met, alle andere zedelijke goederen, en zoo de komst van dat Rijk Gods bevorderen, dat, als de eenheid aller goederen, ook het goed der Kerk niet vernietigt, maar gereinigd in zich opneemt.

Opmerkenswaard is ten tweede ook het verband, dat er bestaat tusschen den Staat en het Godsrijk. Hoe dikwerf de Staat dat verband ook miskent of zelfs geheel ontkent, dat mag ons de betuiging niet doen terughouden, dat de Staat, door God ingesteld, niet is een noodzakelijk kwaad, maar een zeer wezenlijk goed, na de Kerk wel het grootste en rijkste op aarde. Door hem wordt dat gemeenschapsleven eerst mogelijk, dat eisch is van den mensch en waarin hij eerst zijne volle persoonlijkheid ontwikkelen kan. Huisgezin, Kerk, Cultuur, al de verschillende kringen des rijken levens, danken aan hem wel niet hun oorsprong en bestaan — zij hebben een „souvereiniteit in eigen kring” — maar toch de mogelijkheid hunner ontwikkeling; hij waarborgt de volle ontplooiing der menschelijke persoonlijkheid. Maar de Staat is niet het hoogste goed, vindt zijn doel en bestemming in het Koninkrijk der hemelen. Wie dat miskent, komt er toe, om, der Kerk heur edelste roeping ontnemend, in den Staat zelf, als schepper der Cultuur en handhaver der vrijheid en gelijkheid, het aanvankelijk gerealiseerde Godsrijk te zien; en, ieder verband van den Staat met het eeuwige loochenend, in hem het hoogste goed en het hoogste doel van den mensch te aanschouwen, waarvoor alleen het der moeite waard is te leven.

Zulk eene apotheose van den Staat vernietigt de vrijheid en de zelfstandigheid der persoonlijkheid. De Staat is niet het hoogste goed en kan dat niet wezen. Hij is de ontwikkeling van slechts ééne zijde der persoonlijkheid, namelijk het recht. Hij is niet, gelijk Rothe meent 17), de zedelijke gemeenschap, maar slechts één bijzondere vorm er van. Hij is de zedelijkheid slechts in den vorm van het recht. Het zuiver ethische ligt buiten zijn gebied. Hij heeft daarom de verschillende levenskringen, Huisgezin, Kerk, Cultuur enz., in hunne zelfstandigheid te erkennen en te handhaven.

Bovendien is de Staat altijd nationaal, particularistisch, een „Einzelstaat”, kan dus niet wezen het hoogste, dat is ook universeele goed. |49| Maar het Rijk Gods is één over heel de aarde, kent geen grenzen van land of nationaliteit. Elke Staat en ieder volk heeft in dat Rijk zijn doel en reden van bestaan. En daarmee geeft de Staat zijne bijzondere, nationale roeping, niet prijs. Integendeel. Evenals de enkele het Rijk Gods niet moet zoeken buiten, maar in zijn aardsche beroep, zoo ook eischt het Godsrijk niet van den Staat, dat hij zijn aardsche roeping, zijn eigene nationaliteit prijs geve, maar juist dat hij het Rijk Gods in zijn volk en nationaliteit late inwerken en doordringen. Zoo alleen kan het Rijk Gods tot stand komen. Want dit Rijk is niet een werk van dezen of genen, zelfs niet van één volk en van één Staat, maar van alle volken en alle Staten, het is de „Gesammtaufgabe” van het menschelijk geslacht.

En ieder volk en elke Staat levert daartoe zijn contingent, draagt daartoe, evenals de enkele, willig of onwillig, bewust of onbewust, het zijne bij. Het Rijk Gods heft dus den „Einzelstaat”, de nationaliteit en de bijzondere roeping van een volk niet op, maar reinigt ze en lijft iederen bijzonderen Staat en volk juist als een bijzonder orgaan ook in in de samenwerking van het geheel.

Zoo zijn doel begrijpend, handhaaft de Staat zich zelf en arbeidt hij aan eigen volmaking. Zeker, het Godsrijk stichten kan hij niet; verlossing kent hij niet; een vrij, zedelijk, geestelijk leven kweeken vermag hij niet. De Staat staat op het standpunt der wet. Maar door die wet hoog te houden, eerbied en ontzag voor haar te kweeken, haar majesteit te handhaven, de zedelijke wereldorde als de onvoorwaardelijk geldende te doen eerbiedigen, kan hij een tuchtmeester worden tot Christus, In dien zin kan bij en heeft hij ook de roeping, aan het Rijk van God te arbeiden. En terwijl hij aan de verschillende kringen des rijken levens een terrein biedt voor hun werking, en aan elk zijner onderdanen de ontplooiing waarborgt van het volle, rijke leven der persoonlijkheid, voltooit ook de Staat zichzelven, en werkt hij aan dat Rijk, dat ook zelf een Staat is, waarin God de Heer zelf is de volstrekte Koning-Souverein.

Ten derde hebben wij nog te letten op het verband tusschen de Cultuur en het Godsrijk. Evenals de Staat, stond ook de Cultuur vóór de Hervorming in den dienst der Kerk. De Reformatie gaf haar heur vrijheid en zelfstandigheid terug. Het recht der Cultuur is uitgesproken in het woord: „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en vervult de aarde en onderwerpt haar en hebt heerschappij over de visschen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.” Cultuur is er, omdat God ons de macht schonk, om de aarde te beheerschen. Zij is de gemeenschappelijke roeping der |50| menschheid, om de wereld zich toe te eigenen, te vormen tot eigendom en orgaan der persoonlijkheid, heel den rijkdom des geschapenen levens, zoo geestelijk, zedelijk, als natuurlijk, in een zuiver organisme om te zetten en te beheerschen. Zij heeft daartoe een tweetal vormen: wetenschap en kunst. Om de natuur, in den uitgebreidsten zin, te beheerschen, moeten eerst haar wezen, werking, gangen en wetten gekend worden. Ook hier geldt, dat de waarheid eerst vrij maakt. Ook in het beheerschen der natuur is alle willekeur onzedelijk en onredelijk. Naturae non imperatur, nisi parendo.

De wetenschap nu neemt de natuur op in het verstand, werpt haar beeld in onze ziel en reproduceert haar door ons in de gedachte, in het woord.

Maar kennis is macht. kennen is kunnen. De kunst, in den algemeensten zin, maakt de natuur tot instrument van onzen wil, dienstbaar aan hooger doel, en hervormt ze door ons tot een kunstwerk, tot een volkomen kunstorganisme.

Voor de derde maal in de geschiedenis der wereld is de cultuur eene macht geworden. Eerst de Chamitische van Assyrië, Babylon, Phenicië. Daarna de Japhetische van Griekenland en Rome, wier cultuur nog grondslag is der onze en in wijsbegeerte, kunst en recht nog aan de onze den maatstaf van het klassieke stelt. Thans de moderne cultuur, die al meer van het Christendom zich emancipeert, de Kerk tot dienstmaagd en slavinne verlaagt, maar naar die mate ook het oordeel tegengaat, dat èn de Chamitische èn de Japhetische trof: ondergang in wellust en zingenot, in aanbidding van het genie en vergoding van het stof, waarvan in de Schrift Babylon en Rome de blijvende symbolen zijn.

Reeds daaruit blijkt dat de cultuur haar doel en bestaansreden slechts vinden kan in het Godsrijk. Heer der aarde is slechts het kind van God. In stofvergoding en vleeschesdienst moet eindigen, wie geen meester erkent boven zich. Want dan is de natuur ons te machtig en doet zij ons bukken voor hare geweldige krachten. Maar aan Gods hand ons opheffend boven het stof, dan zijn wij machtiger dan zij, dan plooien wij haar naar onze hand en vormen haar tot orgaan der persoonlijkheid. Dan is de cultuur een zeer wezenlijk goed, niet onze versmading maar onze bewondering waard. Cultus en cultuur behooren dus zusters te wezen, wel zelfstandig maar toch zusters, door liefde aan elkander verbonden. En al is het dan, dat van beide Martha, dat is de cultuur zich om vele dingen bekommert, en Maria, dat is de cultus, het beste deel heeft gekozen, toch blijft het waar, Jezus had ze beide lief.

En nu is dit het ideaal, dat de tegenstellingen, die thans overal voorkomen, bij den enkele, in huisgezin, staat, kerk, cultuur enz., en |51| waardoor deze allen telkens in elkander grijpen, dat al die tegenstellingen allengs meer verdwijnen en opgelost worden in de eenheid van het Rijk van God. Naarmate elk dezer verschillende levenskringen meer aan zijn eigen idee beantwoordt, verliezen zij hun scherpte en afgeslotenheid tegenover elkaar en bereiden zij de komst van het Godsrijk te meer voor. Want dat rijk is als het hoogste goed van niets de vernietiging, van alles de wijding; het is de saamvatting aller goederen, een rijk, waarin al het zedelijk goede, dat nu in verschillende kringen des levens verspreid en door elk naar zijn aard en op zijne wijze wordt tot stand gebracht, gereinigd opgenomen is en voltooid; waarin de menschelijke persoonlijkheid tot haar rijkste en alzijdige openbaring is gekomen, een gemeenschapsleven van de hoogste orde, waarin alle tegenstellingen zijn verzoend, enkele en gemeenschap, staat en kerk, cultus en cultuur in volkomen harmonie zijn opgelost; een rijk, waarin het ware, het goede en het schoone volkomen gerealiseerd en één geworden zijn; en waarin de souvereiniteit nu op den Messias overgedragen en van Hem in de verschillende levenskringen afdalend, weer volkomen teruggekeerd is tot God, die dan zal wezen alles in allen.

Zoo laat ik mij dan ook — ondanks nog zooveel dat er tegen pleit — de gedachte niet ontnemen, dat dat Rijk van God de wezenlijke inhoud, de kern en het doel der gansche wereldgeschiedenis is; en laat ik mij het geloof en de hoop niet ontzinken, dat de geschiedbeschrijving zooals die door Israëls profeten aanvankelijk is opgevat en door Paulus in zijn brief aan de Romeinen zoo diepzinnig en heerlijk is voortgezet, ten slotte zal blijken, de ware te wezen, namelijk, dat de geschiedenis der volken en der staten haar leidende gedachte en verklaring vindt in het Koninkrijk der Hemelen.


IV. De voltooiing van het Godsrijk.

Het kon schijnen, dat ik tot dusverre de ontzaglijke tegenstelling tusschen het Rijks Gods en dat der wereld uit het oog verloor. Als koesterde ik de naive gedachte, dat door zending en evangelisatie, door Christelijke philantropie en antirevolutionaire politiek die tegenstelling allengs verdwijnen zou en de wereld langzamerhand voor het Godsrijk gewonnen zou worden. Toch is die gedachte verre van mij. Zoo niet het profetisch woord der Schrift, dan zou een bilk om ons heen reeds al dergelijke illusiën mij kunnen ontnemen. Al wil God zijn Rijk op aarde door |52| menschen uitbreiden, al blijft arbeid aan dat rijk onze dure roeping en plicht, al bestaat er tusschen ons handelen en de komst van het Godsrijk zeer zeker een nauw verband, zuiver product van ons zedelijk handelen is het Godsrijk niet. Gelijk het van buiten af in de wereld werd gevestigd en ook door bovennatuurlijke krachten zich verder ontwikkelt en uitbreidt, zoo zal ook de voltooiing van het Rijk Gods eene bovennatuurlijke daad wezen, en plaats hebben door eene catastrophe. 18)

De aardsche geschiedenis wordt door de komst van het Godsrijk niet afgesloten, maar afgebroken. Wanneer de geschiedenis ook niet is een natuurproces, maar waarlijk geschiedenis, daad, eene samenhangende reeks van daden, dan moet de worsteling, welke zij ons vertoont, ook een hoogtepunt bereiken, waarin het rijk van Christus en dat van Satan scherp tegenover elkaâr zich afteekenen en Christus en Antichrist om de laatste, beslissende overwinning kampen. De goeden worden steeds beter, maar ook de boozen steeds boozer. De voltooiing van het Godsrijk kan niet plaats hebben dan na absolute openbaring van het booze, d.i. den Antichrist. Toch komt die catastrophe niet zonder voorbereiding en „Vermittelung”; gelijk al wat God doet, heeft ook deze eerst plaats, als de tijd „vol” is. Het Rijk Gods kan ook niet voltooid worden, voordat al het materiaal aanwezig is, waaruit het Godsrijk gebouwd wordt; eerst moeten alle zedelijke goederen tot stand gekomen, alle verkorenen verzameld wezen. 19)

Ten deele heeft de voltooiing van het Godsrijk of van dat van Satan voor ieder individu reeds terstond plaats na den dood. Dit leven is krachtens een onverbreekbaar verband voor het volgende beslissend. Toch is de toestand, die met den dood voor elk mensch intreedt, schoon dan ook onveranderlijk, toch maar voorloopig beslist. Het lot van den enkele wordt definitief eerst bepaald in verband met het lot van het geheel, dus eerst aan het, einde der geschiedenis, in het algemeene gericht. Zoolang wordt hier op aarde en ook buiten dit gebied tusschen ’t Rijk Gods en dat van Satan, tusschen leven en dood, licht en duisternis, geest en vleesch, Christus en Antichrist de worsteling voortgezet.

Die kamp gaat heel de geschiedenis door, van het oogenblik af, dat er tusschen beide vijandschap is gezet. Het Godsrijk en het wereldrijk ontwikkelen zich naast en tegenover elkaâr, het laatste echter, om telkens weer te worden vernietigd, maar ook telkens weer zich te herstellen. De geschiedenis is eene aaneenschakeling van mislukte wereldrijken, van |53| rijken opgericht buiten en tegen God, steunend en bouwend op menschelijke kracht. Babels torenbouw reeds is van de oprichting van zulk een wereldrijk de eerste en mislukte poging. Maar telkens weer wordt het beproefd, in de rijken der Farao’s en van Nebucadnezar, van Xerxes en Alexander, van de Romeinsche Caesaren, tot zelfs dat van Napoleon toe. Babel en Rome, die zulk een wereldrijk tot de hoogste ontwikkeling, daarom ook tot den diepsten val brachten, zijn in de Christelijke kerk daarvan de vaste symbolen en typen gebleven. 20)

De Israëlietische Profeten, Zieners en Wachters op Sions muren, zagen die teekenen der tijden en verklaarden ze in het licht van het Godsrijk. Klein was hun land, eng hun nationale gezichtskring, maar het licht van dat rijk gaf hun een wereld- en eeuwen omvattenden blik, die verder reikte dan welken ooit de grootste wijzen verkregen. In datzelfde licht van het Koninkrijk der hemelen, d.i. in het licht hunner profetie moet nog de geschiedenis beschouwd; haar raadselen opgelost, haar teekenen verstaan en doorzien, worden.

De Schrift is het Boek van het Rijk Gods, niet een boek voor dezen of genen, voor den enkele slechts, maar voor alle volken, voor heel de menschheid; niet voor één tijd, maar voor alle tijden. Het is een Rijksboek. En gelijk nu het Rijk Gods niet naast en boven, maar in en door de wereldgeschiedenis zich ontwikkelt, zoo moet ook de Schrift niet afgetrokken, op zich zelf beschouwd en van alles geisoleerd worden, maar zij moet juist met heel ons leven, met het leven der menschheid in verbinding gebracht en tot verklaring er van gebezigd worden.

De teekening en de verklaring nu dier wereldrijken in ’t licht van het Godsrijk, bereikt onder het Oude Testament haar hoogtepunt in Daniëls profetie. Het wereldrijk wordt daar voorgesteld onder het beeld van een metalen kolossus, die op leemen voeten, door een afgehouwen steen, beeld van het Godsrijk, dat in eeuwigheid zal bestaan, tot stof wordt vermaald (Dan. 2). En elders in het zevende hoofdstuk wordt dat wereldrijk ons geschetst als een dier uit den afgrond, dat gedood en verdaan en aan het vuur werd overgegeven, terwijl macht en heerschappij en eer en het koninkrijk tot in alle eeuwigheid gegeven werd aan eens menschen zoon, die daar kwam met de wolken des hemels. Deze profetie gaat in het Nieuwe Testament over en staat met de schildering in Johannes’ Apocalypse in het nauwste verband.

Algemeen is in het Nieuwe Testament de verwachting, dat de vorsten en de volken der aarde nog eens zich stellen zullen tegen den Heere |54| en tegen zijn Gezalfde. Bange tijden gaan de komst van het Godsrijk vooraf. Al het menschelijke, staat, kerk, cultuur zullen nog eens zich stellen tot organen van Satan. Daaruit zal deze vorst der wereld zich als het ware een surrogaat vormen van de drie ambten van Christus. Hij schept zich een orgaan in den staat, het wereldrijk, door Johannes voorgesteld onder het beeld van een beest, dat opkomt uit de zee, de bruisende volkerenwereld — dat is Satans koninklijk ambt (Openb. 13: 1-10). Hij vormt zich een orgaan in de kerk, de afvallige, geteekend als Babylon, do groote hoer, zittende op een scharlakenrood beest, dat opkomt uit den afgrond (Openb. 17) — dat is Satans priesterlijk ambt. En eindelijk maakt hij tot een instrument van zijne werking de valsche cultuur, het beest, dat opkomt uit de aarde en de macht van het wereldrijk bevestigt door valsche redenen en groote teekenen (Openb. 13: 11 volg.) en de geesten verleidt — dat is Satans profetisch ambt. Het wereldrijk vat zich samen en vindt zijn hoogste openbaring in den Antichrist, den mensch der zonde, in wien het menschelijke diabolisch is geworden, die tot bestialiteit wegzinkt en, gesteund door de valsche kerk en de valsche cultuur, zich in den tempel Gods stelt, zichzelven vertoonende dat hij God is (2 Thess. 2).

Maar op het toppunt zijner macht heeft het wereldrijk ook het eindpunt zijner ontwikkeling bereikt. Eerst valt Babylon, de groote stad (Openb. 14 : 8, 17 : 18). Van den steun der valsche kerk beroofd, kunnen ook het wereldrijk en de valsche profeet zich niet meer staande houden. Beiden worden gegrepen en levend geworpen in den poel des vuurs (Openb. 19 : 20). Van zijne menschelijke organen beroofd en niet meer door menschen op menschen kunnende werken, wordt Satan zelf ook gegrepen en gebonden duizend jaren. Daarmeê is de tijd aangebroken van het zoogenaamd Duizendjarig Rijk. In den oudsten, Christelijken tijd was het Chiliastisch geloof algemeen, althans ver verbreid. Maar, meer nog dan door de bestrijding van Origenes in het Oosten, van Augustinus in het Westen, viel het Chiliasme door de verandering van de plaats, welke de kerk allengs in de wereld innam. Insteê van verdrukte werd zij heerschende; en tamelijk met zich zelve en het heden tevreden, achtte zij het Godsrijk alvast in haar gerealiseerd. Het Chiliastisch geloof bleef bij de sekte terug, die verdrukt en vervolgd haar hoop bleef vestigen op de toekomst. De Hervormers en ook de latere Gereformeerden waren dien „error Chiliastarum” al bijzonder weinig genegen. Maar het kan verkeeren. Het geloof aan een duizendjarig Rijk wordt thans door niet weinigen gehouden voor een bewijs van onverdachte orthodoxie. In elk geval, de Eschatologie is een der minst doordachte en afgewerkte „Loci” in de Christelijke Dogmatiek. Menigmaal |55| moet hier voorzichtigheidshalve een „non liquet” de plaats van een beslist antwoord vervangen.

Maar hoe men over den aard, den duur en het wanneer van zulk een rijk ook denke, toch, ligt er in het Chiliasme eene zeer ware gedachte. 21) Immers, in het Chiliasme spreekt het Christelijk geloof de zekerheid uit en de ontwijfelbare gewisheid van zijne waarheid en van zijn eindelijken triumf. Daarin viert het zijne apotheose en ontwerpt het zich eene philosophie der geschiedenis. Het Chiliasme was in de eerste eeuw en is nog de eerste concessie, dat het Rijk Gods niet abrupt, niet enkel bij catastrophe, maar ook ten deele door en na eene aardsche voorbereiding zou komen. Het vormt een overgang tusschen het „Diesseits” en het „Jenseits.” Zoo is het eene treffende gedachte van Irenaeus, dat in het duizendjarig Rijk de geloovigen door den persoonlijken omgang met Christus worden voorbereid tot het aanschouwen van God. In het Chiliasme spreekt de gezonde verwachting zich uit, dat het Christendom nog eens zijn vollen zegen, den rijkdom zijns levens zal openbaren op geestelijk, zedelijk en natuurlijk gebied. De sociale macht en beteekenis van het Christendom moet nog eens voor het oog aller volkeren blijken. Na de voorloopige overwinning der anti-christelijke machten in kerk, staat, cultuur, komt een tijd van gerechtigheid en vrede. De natuur is dan aanvankelijk verheerlijkt, gekend en beheerscht, Zelfs in de dierenwereld zal vrede wonen (Jes. 11 : 6-9). Het zal een paradijs-toestand wezen op aarde, de laatste voorbereiding, de rijkste oogst voor het Rijk van God, de groote nalezing uit Joden en Heidenen. Dan zal het Christendom zijne wereldmissie verstaan, en zijne roeping vervullen, om den staat te reinigen van alle on- en tegengoddelijke macht, om de kerk te zuiveren van alle hoererij met de wereld, om de cultuur te louteren van alle ijdelheid en valsch profetisme. Maar nog is het einde niet. Nog eene laatste crisis moet doorworsteld. De anti-christelijke machten zijn wel gebreideld, maar niet verwonnen. Satan wordt ontbonden. En dan zal de vraag zuiver gesteld kunnen worden: zal deze aarde behooren aan God of aan Satan? Voor of tegen het rijk van God zal dan de met bewustheid en wil door allen aanvaarde en aangeheven strijdleus wezen. Terwijl nu het Godsrijk en dat van Satan nog naast elkander gaan, beider grens door ons oog niet nauwkeurig onderscheiden kan worden; zullen dan beide zich in hun ware gedaante voor elks oog openbaren. Elk voorwendsel valt dan weg, alle verontschuldiging is dan ijdel. En als het rijk Gods dan in zijne volle heerlijkheid, in zijn waarachtig wezen als het hoogste |56| goed zich zal doen kennen, dan zal ook het Rijk van Satan in zijne, ware, naakte gestalte zich vertoonen als het hoogste kwaad, en zal het in bewusten opstand, in openbare vijandschap der laatsten kamp aanbinden tegen het Rijk van God. Heftig maar kort, ontzaglijk ernstig en voor eeuwig beslissend zal die laatste worsteling wezen.

Nu — ik zag, zegt Johannes, een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde. En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende: Zie, de tabernakel Gods is bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen en zij zullen zijn volk zijn en Hij zal hun God wezen. Dan is het Godsrijk voltooid, de eindpaal der geschiedenis bereikt. Alle dingen zijn vernieuwd, alle tegenstellingen verzoend. Eene nieuwe ontwikkeling vangt aan, na niet meer door de zonde gestremd, maar voortgaande van deugd tot deugd en van kracht tot kracht. Een nieuw, een eeuwig werk wacht ons daar, om daarmede de eeuwigheid te vullen, maar dan zonder stoornis en zonder verpoozing door ons volbracht, want elks organisme zal dan volkomen in den dienst der persoonlijkheid staan. Nacht zal er niet wezen, geen tijd zal er meer zijn; zelfs afstanden verdwijnen daar voor de heerschappij des geestes. Boven de beperkingen van tijd en ruimte is het Godsrijk verheven, dat beide volkomen vervult. Het Godsrijk omvat alle dingen, die dan in den hemel en op de aarde zijn. Christus heeft ze door het bloed des kruises tot zich zelven en dus ook onderling verzoend (Col. 1 : 20). Het is alles onder Hem als het Hoofd vergaderd tot één, in Hem gerecapituleerd (Ef. 1 : 10). God zelf zal zich verlustigen in het werk, dat zijne handen gemaakt hebben, en ons zal bij het aanschouwen de taal van de lippen vloeien: Een ieder huis wordt van iemand gebouwd, maar die dit alles gebouwd heeft, is God. Hij zelf is er de Kunstenaar en de Bouwmeester van (Hebr. 3 : 4; 11 : 10).




1. Dit en de volgende artikelen over het „Rijk Gods” vormen saam eene lezing, den 3den Februari 1881 uitgesproken voor het Studentencorps „Fides Quaerit Intellectum” te Kampen.

2. Hoe wij van ons standpunt over Schleiermacher hebben te oordeelen, kan men aangewezen zien in een artikel over dezen theoloog door Nesselmann in Der Beweis des Glaubens, 1869, S. 103-115.

3. Verg. Ueberweg, Geschichte der Philosophie. Erster Theil. das Alterthum, 5te Auflage von Max Heinze, Berlin 1876.

4. Verg. een opstel van Prof. Riehm in de Allgemeine Missions-Zeitschrift, Oct. 1880 over: der Missionsgedanke im Alten Testament.

5. Verg. Wittichen, Die Idee des Reiches Gottes. Göttingen, 1872 S. 90-162. Schürer, Lehrbuch der Neutestamentlichen Zeitgeschichte, Leipzig, 1874. S. 511-599.

6. Vergelijk Mr. M. des Amorie van der Hoeven, Over het wezen der godsdienst en hare betrekking tot het Staatsregt, bl. 12.

7. Vergelijk Vinet, Sur l’individualité et l’individualisme, te vinden in de Mélanges, Paris, 1869.

8. Vergelijk bij Janet, la Morale, het hoofdstuk: le principe de l’excellence, pag. 55-85.

9. Stahl, Die Philosophie des Rechts, Erster Band, vierte Auflage S. 500.

10. Martensen, Die Christliche Ethik, Allgemeiner Theil, 3te Auflage. 1878, S. 259-303.

11. Vergelijk het art. Christenthum in Herzog’s Real. Encyclopaedie.

12. Die Lehre von der Sünde, 8te Aufl. S. 19.

13. Martensen, Christl. Ethik, II, S. 352-364. Verg. ook Luther’s denkwijze over het aardsche beroep, Luthardt, Die Ethik Luthers, 2te Auflage, S. 71 f.

14. Baumann, Handbuch der Moral, nebst Abriss der Rechtsphilosophie, Leipzig 1879, S. 238.

15. Instit. Rel. Christ. III, 10, 6.

16. Verg. Ebrard, Dogmatik, II, S. 388. Herzog, Real Enc., VII, S. 561. Nitzsch, System, S. 380. Lipsius, Dogmatik, 2te Aufl. S. 763 f. Ritschl, Rechtfertigung und Versöhnung, III, S. 244.

17. Theol. Ethik, II, § 422-448.

18. Verg. de artikelen: Eschatologie, Chiliasme, Offenbarung Joh., Wiederkunft Christi etc. in Herzog, Real-Encyclopaedie.

19. Rothe, Theol. Ethik, II, § 449-458, 559-601.

20. Chantepie de la Saussaye, De Toekomst. Vier eschatologische voorlezingen. Rotterdam 1868.

21. Dorner, Geschichte der Lehre von der Person Christi. I S. 232-246.




a. Eerder gepubliceerd als: ‘Het Rijk Gods, het hoogste goed’ I-V, De Vrije Kerk 7 (1881) 4,185-192; 5,224-234; 6,271-277; 7,305-314; 8,353-360 (april-augustus 1881).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004