Het Geweten.

a


Indien wij ons voornemen, in het volgend opstel over het geweten te handelen, verhelen wij ons de moeielijkheid van dit onderwerp niet.

Wij allen weten bij ervaring, wat wij met het geweten bedoelen; ieder onzer kent die gedachten in ons, die ons aanklagen, of ook verontschuldigen. En toch, hoewel niemand haast in de practijk des levens in de beteekenis van het geweten zich vergist, toch is de leer van het geweten nog verre van vastgesteld, en is het wetenschappelijk moeielijk te bepalen, wat wij onder het geweten hebben te verstaan.

De vragen, wat het geweten is, of het een afzonderlijk vermogen is in den mensch, dan of het slechts eene werkzaamheid van een onzer vermogens aanduidt; of het een eigen inhoud heeft al dan niet; of en welke plaats er aan toekomt in het zedelijk leven en in de ethiek: deze en zooveel andere vragen worden telkens op verschillende wijze beantwoord.

Er is zelfs zoo weinig overeenstemming in het gebruik van den term geweten, dat de geleerde en diepzinnige Rothe, in de tweede uitgave van zijne Theologische Ethik, zich genoodzaakt meende te zien, dien term uit de wetenschap te verwijderen en door andere meer bepaalde te vervangen 1).

Er zullen er zeker niet velen zijn, die hierin met Rothe medegaan, en dezen bekenden term prijsgevende, een anderen kiezen, die aan het leven vreemd is, en dus den afstand tusschen de wetenschap en het leven nog grooter maakt. Het komt er maar op aan, om wel te onderscheiden.

Om met het woord te beginnen, de etymologische beteekenis, die wel niet beslissen mag, maar toch veel licht kan verschaffen, is duidelijk en in vele talen dezelfde. Het voorvoegsel ge beteekent evenals in |14| gedenken, geheugen enz: samen, mede. De grondbeteekenis van het Hollandsche (Duitsche), Grieksche (suneidèsis), Latijnsche (Fransche, Engelsche), is dus dezelfde en duidt aan een medeweten en wel met iemand. De vraag is, met wien? Hetzij met God, zooals men dikwerf gezegd heeft, hoewel het woord dit niet aanwijst; òf met een ander, die met ons oor- en ooggetuige was, òf met zichzelven, zoodat men iets kent en weet bij eigen ervaring. Op zichzelf heeft het woord geweten nog geene ethische beteekenis. Er wordt alleen een medeweten door aangeduid. Eerst doordat het spraakgebruik dat woord alleen begon toe te passen op het medeweten met onszelven aangaande onzen zedelijken toestand, en daardoor een oordeelen over zichzelven in dien term opnam, kreeg het woord geweten die zedelijke beteekenis, welke wij er thans aan toekennen. In het Fransch heeft „conscience” nog de ruimer beteekenis van bewustzijn, en is „conscience morale” eerst datgene wat bij ons eenvoudig geweten heet. De ethische beteekenis van het woord is dus eene gewordene en heeft eene geschiedenis. Met korte trekken willen wij die aangeven 2).

Bij de Grieken komen de beide termen suneidos en suneidèsis in de oudste litteratuur niet voor. Men vergete echter niet, dat daaruit niet mag worden opgemaakt, dat ook de zaak zelve onbekend was. Ook al ontbreekt de term, er zijn sporen genoeg van, dat het zedelijk bewustzijn ook aan de Grieken niet ontbrak. Bij Homerus reeds is er telkens sprake van een vreezen en vereeren der goden, die het gepleegde kwaad wreken en straffen. De Erinyen zijn „de personificatie van het gevoel van grievende krenking en smartelijke verontwaardiging, opgewekt door de moedwillige vertreding van heilige rechten.”

Toch is het opmerkelijk, dat de term geweten, die zeker veel langer in het spraakgebruik inheemsch was dan door ons kan worden aangetoond, in de wetenschappelijke taal en behandeling niet werd opgenomen. Zelfs bij Socrates, Plato, Aristoteles zoeken wij dien term te vergeefs. Dit feit is misschien daaruit te verklaren, dat de Grieksche Ethiek onverbrekelijk samenhangt met den staat en in die objectieve macht niet in het subjectief en individueel geweten, norma en maatstaf vindt van het zedelijk leven. Bovendien werd door de drie bovengenoemde wijsgeeren de moraal intellectualistisch opgevat en aan het verstand de maatstaf ontleend, die het kwade en goede beoordeelde. Eerst toen het staatsleven in Griekenland zijne beteekenis verloor, en het individualisme toenam, werd de term geweten steeds meer opgenomen in de |15| wetenschap van het zedelijk leven. Zoo treffen wij hem dan ook pas in de latere wijsgeerige litteratuur aan, bij Dionysius Halicarnassus (± 30 v. Chr.), Diodorus Siculus (onder Augustus), Plutarchus (50-120 n. Chr.) en vooral bij de Hellenisten.

Terwijl het geweten bij de Grieken zijn inhoud vooral ontleende aan het bewustzijn van de perken, door de goden aan de menschen gesteld (hubris), werd het bij de Romeinen vooral bepaald door het gevoel van waardigheid, deugd en eer, dat hun als aangeboren was. Het geweten droeg bij de Romeinen dan ook een geheel ander karakter, en betoonde zich eene macht, die ontzien en gevreesd werd. Het ernstig en deftig karakter van den Romein, het hem eigen gevoel voor recht en billijkheid was een aanknoopingspunt voor de hooge beteekenis en den ernst van het geweten.

De term geweten was bij hen dan ook dagelijks en gewoon. Cicero spreekt van de „magna vis conscientiae” en van haar „grave pondus”; hij houdt het voor allen menschen aangeboren en van nature eigen, en gelooft dat met het wegvallen van het geweten alles ineenstorten zou (de nat. deor. 3 : 35, de legib. 14).

Het bekende spreekwoord: conscientia mille testes bewijst hoe het geweten bij het Romeinsche volk als eene zedelijke macht in het leven werd beschouwd. Het zedelijke had bij hen een zelfstandig karakter en gebied, en ging bij hen niet als bij de Grieken in het esthetische onder. Bekend is het Horatiaansche hic murus aheneus esto, nil conscire sibi, nulla pallescere culpa (Epist I, 1. 60). Nog grooter beteekenis heeft het geweten bij Seneca (Epist 41. 43. 97.), terwijl de aangrijpende schilderingen van het booze geweten bij Juvenalis (Sat. 13 : 1) en Persius (Sat. 3 : 35) van algemeene bekendheid zijn.


Tot het Oude Testament overgaande, treft het ons al terstond dat de Israëliet geen afzonderlijk woord bezit ter aanduiding van wat wij geweten noemen. In Prediker 10 : 20 is het Hebreeuwsch madda’ blijkens het parallelisme in de Septuaginta ten onrechte door geweten vertaald. De term moge echter in het Oude Testament ontbreken, de zaak ontbreekt er niet. Reeds op een der eerste bladzijden der Heilige Schrift, in de geschiedenis van den val (Genesis 3) komt het geweten voor en wordt het ontstaan er van verklaard. Vóór den val had de mensch geen geweten, althans niet in dien zin, waarin wij thans van geweten spreken. Zelfbewustzijn en Godsbewustzijn vielen toen samen. Er was toen geene stem in den mensch, die als ’t ware tegenover hem stond en hem aanklagen kon. De mogelijkheid van het geweten is dus identisch met de mogelijkheid der zonde. De zonde is grond van het |16| bestaan en de werkzaamheid des gewetens. Want het geweten is niet bewustzijn van goed, maar van verkeerd gehandeld te hebben, is dus allereerst negatief, onderstelt de zonde. Terstond na de overtreding van Gods gebod openbaart zich het geweten dan ook daarin, dat Adam en Eva de oogen geopend worden, en dat zij uit schaamte en vrees zich trachten te verbergen voor God. Het geweten is dus een „Symptom der Erkrankung”, het uiteenvallen van ons Godsbewustzijn en ons zelfbewustzijn; het is de kennis van onzen gevallen zedelijken toestand 3).

In dien zin komt het geweten nu ook verder in het Oude Testament voor. De zedelijke beoordeeling van onzen toestand en van onze daden, welke wij door het geweten aanduiden, wordt door den Hebreër toegeschreven aan het hart. Hij verstaat daaronder dat gebied in den mensch, waar het zelfbewustzijn plaats grijpt, waar de mensch tot zichzelven inkeert. Het hart is dus bij den Israëliet de kern en het wezen onzer persoonlijkheid, het centraalleven, de zetel van geheel het geestelijk leven des menschen en omvat dus meer dan wat wij onder geweten verstaan. De zedelijke beoordeeling van onze daden is ééne der werkzaamheden van het hart. Ruimer zin heeft het woord hart b.v. in Jozua 14 : 7, waar Luther het wel door „Gewissen” vertaalt, maar waar het toch zooveel beteekent: naar mijn beste weten. Dat hart echter dikwerf niets anders is dan geweten, zien wij duidelijk in 1 Kon. 2 : 44 waar [Salomo] tot Simei zegt: gij kent het kwaad, dat uw hart weet, dat gij aan David gedaan hebt; in 1 Sam. 24 : 6; 2 Sam. 24 : 10 vergelijk 1 Sam. 25 : 31, waar Davids hart hem sloeg over het bedreven kwaad. Zoo is het hart dus de kenner en de beoordeelaar van het kwaad, dat wij gepleegd hebben 1 Kon. 8 : 38, 47; Pred. 7 : 22 vergelijk Genesis 42 : 21. In de tafelen des harten wordt de wet des Heeren geschreven Jerem. 17 : 1; 31 : 33 vergelijk 20 : 9. Belangrijk vooral is Job 27 : 4-6; waar Job zijne onschuld betuigt en vers 6b uitspreekt: mijn hart verwijt mij niets een mijner dagen (mijn leven lang). En verder komen hierbij in aanmerking al die plaatsen, waar Israëls vromen hunne onschuld betuigen of de diepte van hun schuldbewustzijn blootleggen (Psalm 17 : 1, 3; 18 : 21 verv. Psalm 6. 38. 32 : 4, 5. 51. Job 15 : 20. verv. Spreuk. 28 : 1. Deut. 28, 29).


Nog ruimer en belangrijker dan in het Oude, is de plaats, welke het geweten inneemt in de Boeken des Nieuwen Testaments. Toch is het een opmerkelijk en voor hen, die in Jezus niets meer dan een |17| zedeleeraar zien, bijna onverklaarbaar verschijnsel, dat in de vier Evangeliën het woord geweten niet voorkomt en Jezus zich nergens op het geweten beroept, of daarover spreekt. De eenige plaats, waar in de Evangeliën van het geweten sprake is, is Joh. 8 : 9 — eene plaats, die kritisch verdacht is, weinig belangrijks en slechts eene opmerking van den schrijver bevat. Toch volgt daaruit niet, dat Jezus het geweten in zijne beteekenis en waarde ontkent: immers handhaaft en onderstelt Hij altijd de zedelijke bewustheid des menschen en de vatbaarheid der bekeering. Maar wel blijkt er uit, dat Jezus, die zelf altijd den wil zijns Vaders volbracht, en zelf nimmer de veroordeelende en beschuldigende stem des gewetens in zijn binnenste vernam, niet die plaats aan het geweten aanwijst, welke er thans door velen in ’t gebied des zedelijken levens aan toegekend wordt.

Voor de Nieuw Testamentische leer van het geweten komt voor allen Paulus in aanmerking. Evenals in het Oude Testament is ook bij Paulus het hart de zetel van de oorspronkelijke Godskennis, Rom. 1 : 21. Belangrijk vooral is Rom. 2 : 15, waar Paulus van de Heidenen zegt, dat zij door hunne daden toonen, dat het werk der wet in hunne harten geschreven is. Immers door van nature de dingen te doen, die der wet zijn, bewijzen zij, dat het door de positieve wet geboden werk als een van God geboden werk, als zedelijke verplichting, ook in hun hart geschreven staat. Met die daden nu, die het bestaan van eene wet in hun hart bewijzen, met die daden stemt ook hun zedelijk bewustzijn, hun geweten, overeen, zoowel hun eigen persoonlijk geweten, als de publieke conscientie, die in de onder malkander beschuldigende of ontschuldigende gedachten zich uitspreekt. Volgens Paulus is het geweten dus niet de wet zelve; ook bevat het deze wet niet in zich, want de wet is immers geschreven in het hart. Maar het geweten legt met de daden aangaande het bestaan dier wet, in ’t hart getuigenis af, eene getuigenis, die tegelijk in de gedachten een oordeel uitspreekt, of de wet geschonden is of niet 4).

Het woord suneidèsis heeft echter bij Paulus en bij de overige N. Testamentische schrijvers niet alleen dien engen zin, waarin wij van geweten spreken, maar ook de ruimere beteekenis van bewustheid, |18| kennis. Zoo in 2 Cor. 4 : 2; 5 : 11; 1 Cor. 8 : 7; Hebr. 10 : 2; 1 Petr. 2 : 19; in de laatste drie plaatsen komt het zelfs voor met een object, waaraan en waardoor het gebonden is. Zoo misschien ook Rom. 13 : 5; In Rom. 2 : 15; 9 : 1; 2 Cor. 1 : 12; Hebr. 13: 18; Hand. 23 : 1; 24 : 16; 2 Tim. 1 : 3 is het niet slechts eene zekere bewustheid, maar legt het tegelijk eene getuigenis af, aangaande onze daden.

Hoe groote waarde er nu blijkens deze plaatsen aan de getuigenis van het geweten wordt toegekend, toch is het geweten niet onfeilbaar en onveranderlijk. Wel blijft de wil van God altijd dezelfde, maar het geweten, waardoor het subject aan dien wil gebonden is, verandert in getuigenis en oordeel, naarmate de kennis en ontwikkeling is van een individu of van een volk. Zoo spreekt Paulus 1 Cor. 8 : 7 van een geweten des afgods, dat is „met een geweten, hetwelk gevoelt dat de afgod wat is en macht heeft, om de spijs te bezoedelen” (kantteekening). Zoo voelden sommige Joodsche Christenen zich nog door hun geweten verplicht, om de Mozaïsche wet te onderhouden. Het geweten kan zelfs slecht, bevlekt, ergerlijk wezen, en moet dus ook gereinigd worden door het bloed van Christus (Hebr. 9 : 14; 10 : 2, 22). En zelfs bij hen, die reeds Christenen zijn, blijft het geweten nog dikwerf gebonden aan iets, dat op zichzelf niet verboden is, en verkeert het soms nog lang in onontwikkelden, zwakken toestand 5). Leerrijk hiervoor zijn de hoofdstukken 1 Cor. 8 en 10 en Rom. 14, waar Paulus leert, dat elks geweten wel voor hemzelf bindend is, maar niet voor anderen. De Apostel erkent daarmede de individualiteit van het geweten, hoewel hij het den sterkeren broeder als eisch voorhoudt, om geen ergernis te geven aan den zwakkeren, voor wien toch Christus ook gestorven is. Voor elk, sterk of zwak, geldt, dat al wat uit het geloof (uit de vaste verzekerheid, dat hetgeen wij doen, goed is) niet is, zonde is. De waarheid van het omgekeerde volgt hier natuurlijk volstrekt nog niet uit.

Goed en rein is het geweten, dat gewasschen is in het bloed van Christus, geheiligd is door het geloof en in hetwelk de Heilige Geest zelf getuigenis aflegt (1 Tim. 1 : 19; 3 : 9; 1 Petr. 2 : 19; Rom. 9 : 1). Goed is dus alleen het Christelijk geweten, dat zich alleen, maar dan ook geheel en ten nauwste verbonden gevoelt aan den Goddelijken wil, die uit de Openbaring ons kenbaar is. Er is dus onderscheid tusschen het geweten van den bekeerde en den onbekeerde. Ook dat van den eerste kan nog zwak zijn en bevlekt en onrein. Maar het is toch |19| aanvankelijk gereinigd en bij hem geloofsbewustzijn geworden. De werkzaamheid van het geweten blijft altijd dezelfde. Het is altijd veroordeelend van aard, het is de bewustheid verkeerd gehandeld te hebben. Johannes de Apostel leert ons (1 Joh. 3 : 19-24) dat het hart (in Oud-Testamentischen zin = geweten) niets anders kan dan veroordeelen; het kent geen vergeving uit zichzelf; maar nu bestaat het Christelijk geweten hierin, dat het ons niet slechts veroordeelt, maar ook ons heenwijst naar de vergeving der zonden in Christus. Broeders, zoo ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen.

Zoo bevat dus het Oude zoowel als het Nieuwe Testament verscheidene uitspraken, die voor eene leer van het Geweten van het uiterste belang zijn, en eene constructie van die leer kunnen uitlokken. Toch duurde het lang, eer in de Christelijke kerk het geweten afzonderlijk behandeld werd. Slechts enkele uitspraken komen hier en daar bij de Kerkvaders, bij Clemens Alexandrinus, Origenes, vooral echter bij Chrysostomus in zijne Homilieen 6) voor. In de Middeleeuwen kwam in de Casuistiek en de Scholastiek het geweten wel dikwerf ter sprake, maar zonder dat men het rechte begrip en de ware beteekenis van het geweten inzag. Met de Hervorming kwam ook hierin eene gunstige verandering.

Zelve eene zedelijke, eene geloofsdaad, had de Hervorming een machtigen invloed op het zedelijk leven, Alle Hervormers handhaafden de zedelijke bewustheid der menschen. Vooral door de Gereformeerden werd op het geweten nadruk gelegd. Het kwam bij hen ter sprake in hunne natuurlijke Godgeleerdheid, bij de bespreking van de „kleine overblijfselen” van het Beeld Gods; in de Casuistiek (casus conscientiae), die ook op Protestantschen bodem zich ontwikkelde en in de Ethiek, welke het eerst door den Gereformeerden Theoloog Danaeus (1577) afzonderlijk behandeld werd.

In den nieuweren tijd is het geweten vooral ter sprake gekomen door Kant, die zoo streng mogelijk de autonomie uitsprak van den zedelijken mensch, aan het geweten eene formeele onfeilbaarheid toekende, en er eene uitspraak Gods inzag, die volstrekt verbindend was. De veelvuldige behandeling, die sedert aan het geweten is te beurt gevallen, hangt samen met den machtigen omkeer, die er sedert de vorige eeuw in het leven en het bewustzijn der volken heeft plaats gegrepen. Wars van alle philosophische, metaphysische en theologische vragen, heeft men thans bijna uitsluitend op de anthropologische kwesties het oog gericht. |20| De leer van het geweten nu behoort te huis in de anthropologie. Welke de licht-, maar ook welke de schaduwzijde dezer nieuwere beschouwing is, zullen wij misschien later nog wel eens gelegenheid hebben, nader aan te toonen.

Het probleem van het geweten wordt thans vooral moeielijk gemaakt door de aanhangers der Evolutieleer. Terwijl dezen het geweten beschouwen als iets, dat volstrekt niet oorspronkelijk is in den mensch, maar langs volkomen natuurlijken weg zich ontwikkeld heeft, zien anderen daarin het godsdienstig-zedelijk orgaan des menschen bij uitnemendheid, den oorsprong en het beginsel van alle zedelijk en godsdienstig leven. De meeningen loopen dus verre uiteen en de litteratuur over het geweten is tot eene bijna onnoembare aangegroeid 7).

Thans hopen wij nategaan, wat het geweten is welke plaats er aan toekomt in het zedelijk leven, naar leer der Schrift en die der ervaring.


*

Wij zeiden, dat de leer van het geweten thans vooral te rekenen had met de beschouwingen, die door de aanhangers van het stelsel van Darwin over den mensch in het algemeen, en zeer bepaald over diens zedelijke bewustheid in het midden gebracht worden. Immers, het Darwinisme, de afstamming des menschen van de dieren leerend, kan niet tevreden zijn, voordat het ook op het geestelijk wezen van den mensch van toepassing blijkt, en aangetoond heeft, dat ook dat geestelijk wezen moet en kan worden verklaard uit de wisseling van de stof. Tegenover hen, die dus juist in het geestelijk wezen, met name in het geweten het specifiek menschelijke zien, datgene wat den mensch van alle andere wezens onderscheidt, komt het dus voor de Darwinisten hierop aan, om de idee der ontwikkeling, der Evolutie, ook op het geestelijk leven des menschen toe te passen, en deze toepassing wetenschappelijk te rechtvaardigen. Dit is dan ook reeds door verschillende verdedigers van het stelsel van Darwin, vooral door de beide Engelsche wijsgeeren Alexander Bain en Herbert Spencer, beproefd. Volgens hen kan het geweten niet iets specifiek menschelijks, niet een bijzonder vermogen, noch een enkelvoudig verschijnsel wezen; |21| dan immers bleef het geweten onverklaard en de evolutie zou hier niet gelden. Het moet volgens het Darwinisme een verschijnsel wezen, dat aanwezig in den mensch, toch hem alleen niet toekomt, maar uit verschillende bestanddeelen saamgesteld, in zijne factoren kan worden opgelost, terwijl van die verschillende factoren analogieën in de dieren moeten kunnen aangewezen worden.

Zoo trachten sommigen het geweten te verklaren uit het gevoel van lust en onlust, aangenaam en onaangenaam, waarbij het ethische dus uit het aesthetische, het goede uit het schoone wordt afgeleid. Anderen meenen, dat het geweten samengesteld is en zich allengs gevormd heeft uit het leven onder eene autoriteit in eene maatschappij, welke tot zekere daden dwong en die als norma aan den individu oplegde; uit de vrees voor straf en verschillende andere gemoedsaandoeningen, als ijdelheid, medelijden enz., welke tot het doen van deze of gene daden aanspoorden en allengs door de gewoonte zulke daden als goed en andere, die er meê in strijd waren, als kwaad deden beschouwen. Volgens Darwin zelf is het zedelijk bewustzijn te verklaren uit den invloed, dien de sociale instincten, door het leven in eene maatschappij in ons ontstaande, langzamerhand verkregen over de egoistische neigingen, welke alleen naar bevrediging van den individu ten koste des noods van het algemeen streefden.

Maar hoe ook voorgesteld, in al deze verklaringen blijft het geweten toch een product van de omstandigheden. Waren deze anders geweest, dan had het geweten zelf een anderen inhoud verkregen. Alle plichten zijn toevallig. Dat dit goed en dat kwaad is, is niet redelijk en noodwendig zoo, maar een gevolg van toestanden en omstandigheden, die op zichzelf ook wederom toevallig waren, of, wil men, noodwendig zoo moesten wezen, wijl de wetten der natuur het geboden, want toeval en noodlot liggen hier vlak naast elkaâr, en maken weinig verschil. Heel de moraal is en blijft in één woord conventioneel.

Nu is het waar en moet terstond worden toegegeven, dat er in het empirisch geweten, zooals wij het uit de dagelijksche ervaring en waarneming kennen, veel toevalligs is, dat er vele elementen in zijn, die volstrekt niet vanzelf er toe behooren, maar door verschillende omstandigheden, opvoeding, stand, beroep enz. er in gekomen zijn, en nu met het geweten als het ware zijn saamgegroeid. De inhoud van ons geweten is grootendeels van buiten af ontleend en verschilt dus bij de verschillende volken hemelsbreed. Ieder kent daar voorbeelden van. Wat bij het eene volk als ten hoogste zedelijk en prijzenswaard geldt, wordt door het andere als diep onzedelijk afgekeurd, zoodat Pascal reeds zeide: „vérité en deçà des Pyrenées, erreur au delà.” In Babylon |22| werd de prostitutie, niet in het dagelijksch leven, maar bij gelegenheid van sommige godsdienstige feesten, en dus door den godsdienst gewijd, als eene hoogst lofwaardige daad beschouwd. De Joden achten het aansteken van vuur op den Sabbatdag ongeoorloofd en door hun geweten verboden. Zelfs onder hen, die eenzelfden godsdienst zijn toegedaan en in de moraal overeenstemmen, is er nog veel verschil op te merken. De een wandelt des Zondags zonder er eenig verwijt over te gevoelen; de ander zou dit niet zonder zelfbeschuldiging kunnen doen. Altemaal voorbeelden, die door elk, zelfs uit de naaste omgeving, kunnen vermeerderd worder. Het geweten des eenen is eng en is dikwerf nog aan een „afgod” gebonden; dat van den anderen is ruim, bij hem kan — zooals men zegt — schier alles er door.

Zoo valt het dus niet te ontkennen, dat er in het geweten vele toevallige elementen zijn opgenomen, en dat zijn inhoud grootendeels van buiten af is gevormd. Grootendeels, maar ook geheel? Heeft het geweten geheel geen inhoud, zelfs geen vagen, algemeenen? Is het geheel ledig, enkel eene „tabula rasa,” waarop geschreven kan worden, wat geboorte, opvoeding, omgeving maar wil? Velen geven daarop nog een ontkennend antwoord en zeggen, dat het geweten wel eenigen algemeenen inhoud, b.v. het „Suum cuique” heeft. Bij groot verschil is er immers ook onder de verschillendste volken eenige overeenstemming op te merken. Paulus zegt, dat de Heidenen, de wet niet hebbende, van nature de dingen doen, die der wet zijn, en dus zichzelven eene wet zijn. En duidelijk is, dat wij van het geweten niet maken kunnen, wat wij willen, maar dat het dikwijls zich tegen iets, dat wij er in zouden willen opnemen, verzet. Als ethisch orgaan des menschen heeft het met het ethische verwantschap, gelijk ons oog het orgaan is, om het licht te aanschouwen. Toch is het zeer moeielijk aan te wijzen, welke plichten nu bepaald noodwendige uitspraken van het geweten zijn, apriori meegebracht en niet van buiten ontvangen. Het komt mij zelfs voor, dat daartoe terug te willen gaan, en na afrekening aller verschillen een geweten te willen onderhouden met een zekeren hoofdregel, of een paar plichten tot inhoud, al zeer onhistorisch is, ter kwader ure aan het „retournons à la nature” van Rousseau herinnert, en ten slotte blijken zou, eene onmogelijkheid te wezen. Wij kennen het geweten altijd slechts in concreto, zooals het in huisgezin, staat, maatschappij, door godsdienst, kunst, wetenschap, door al de zedelijke machten van een volk historisch is gevormd.

Maar, hoe dit ook zij, dit is onwedersprekelijk en toont zich altijd en overal, dat het geweten bestaat. Zoo diep zonk niemand in de zonde weg, of het geweten laat zijne stem nog hooren. Absoluut gewetenloos |23| is geen mensch, is Satan en zijne Engelen alleen. Wat goed en wat kwaad is, daarover heerscht het grootst mogelijk verschil. Dat er goed en kwaad is, dat beiden niet hetzelfde zijn, zooals de Materialisten ons thans willen doen gelooven is eene kennis, die ieder mensch is aangeboren. Het bewustzijn van plicht, van iets, dat onvoorwaardelijk gehoorzaamheid eischt, is elk menschenkind ingeplant. De ervaring leert ons alleen, dat iets is; maar waarom iets is, of het goed of kwaad, schoon of leelijk, waar of onwaar is, dat leert ons de ervaring niet. En toch zijn we daarmede niet tevreden, wij constateeren niet alleen, wij critiseeren ook en spreken ons oordeel telkens uit. Dat kunnen wij niet laten, wij moeten altijd waardeeren, goed of afkeuren, hoog of laag schatten. Niets is er, waarbij de mensch met het constateeren alleen zich voldaan acht, en ook niet naar het redelijke en noodwendige er van vraagt. Nu leert het Positivisme van A. Comte wel, dat de wetenschap al die waardeeringsoordeelen moet laten varen en met het constateeren der feiten zich moet tevreden stellen. Maar dat is eene illusie en heft de wetenschap zelve op. De mensch brengt zijne rede en zijn geweten ook in de wetenschap mede en vraagt naar het waarom en het hoe.

De categorieën van goed en kwaad, en zoo ook van waar en onwaar, schoon en leelijk, recht en onrecht, krijgt de mensch dus niet van buiten, maar heeft hij a priori, brengt hij van te voren mede. Het is er even mee gesteld als met de logische categorieën. In het denken zelf openbaren zich allengs de wetten van het denken. Hoe meer wij denken, des te beter leeren wij, hoe en waarom we juist zóó en niet anders moeten denken. Zoo ook komt het bewustzijn van goed en kwaad allengs in het doen van goed en kwaad te voorschijn. Wanneer de mensch nu niet gevallen ware, dan had hij het verkeerd denken en het verkeerd handelen niet bij ervaring, maar hoogstens als verbod, als grens van het goed denken en het goed handelen, leeren kennen. Dan was hij, door altijd naar den innerlijken drang zijner natuur goed te handelen, ook altijd dieper in de kennis van het wezen van dat goede, d.i. van God zelven, ingedrongen. Maar nu leert hij het kwade kennen bij eigen smartelijke ervaring. Het kwade kwam den mensch tot bewustzijn, toen hij kwaad gedaan had. En wijl hij nu noch goed noch kwaad alleen deed, maar beide altijd in al zijn daden en woorden verbonden en als ’t ware dooreengestrengeld was, zoo leerde hij noch het een noch het ander zuiver kennen, en paste hij de categorie van goed en kwaad hoogst onzuiver en altijd overeenkomstig den door de maatschappij hem gegeven maatstaf toe.

Het geweten openbaart zich dus na de daad. Elk bewustzijn onderstelt |24| een zijn, en dus onderstelt ook het zedelijk bewustzijn een zijn, een zedelijken toestand. Is die toestand nu normaal, d.w.z. zooals hij naar de gegeven zedelijke begrippen moest wezen, dan zwijgt het geweten, en verschaft het ons kalmte, een bewustzijn van wel gehandeld te hebben en dus, als gevolg, een aangenaam, bevredigend gevoel. Indien die toestand echter met den maatstaf des gewetens niet overeenkomt, dan wreekt het zich, beschuldigt ons, straft ons met wroeging en schuldbewustzijn.

Zoo openbaart zich het geweten en spreekt zijn oordeel uit, onafhankelijk van onzen wil, buiten ons toedoen, dikwijls zelfs in weerwil van al onze pogingen, om zijne stem tot zwijgen te brengen. Al gelukt dat soms, toch verheft het zijne stem telkens weer; zóó sterk, en heftig dikwerf, dat het den misdadiger tot bekentenis zijner verborgen misdaad drijft en hem in zelfmoord, als Judas, heil doet zoeken en troost. Vooral Shakespeare, de dichter des gewetens, teekent ons b.v. in Macbeth en Richard III de macht der conscientie met aangrijpende waarheid.

Maar indien dan het geweten in het bewustzijn van goed en kwaad en in het be- of ontschuldigen onzer daden zich openbaart, wat is dat geweten dan zelf, in zijn aard en wezen, waar zetelt het in den mensch, wat is die geheimzinnige macht toch, die de categorie van goed en kwaad op al onze daden en woorden, op heel onzen toestand toepast? Is het een afzonderlijk vermogen in ons, of moet het tot een der drie zielsvermogens, denken, gevoelen en willen, gebracht worden? Ons dunkt van neen. Het geweten staat niet naast onze gedachte, gevoel of wil, en nog veel minder gaat het in een dezer drie op. Het staat boven die vermogens, heeft er autoriteit over, en legt aan elk hunner zijn maatstaf aan.

Gedachte, wil en gevoel staan ten deele in onze macht, in de macht onzer persoonlijkheid. Maar het geweten laat zich niet beheerschen en, soms tot sluimeren gebracht, ontwaakt het met des te meer kracht. Dat komt, omdat het geweten de wet onzer eigen persoonlijkheid is. Elk ding heeft zijn eigen wet; alle leven is aan wetten gebonden, die zich allengs in het leven openbaren. Het geweten is de wet van het persoonlijk leven, voor zoover dit met zijn eigen wezen en idée in strijd is. En dat dit leven van zijn eigen wet afwijken kan, is juist kenmerk, dat het een persoonlijk, een vrij leven is. Het geweten is dus de tweespalt tusschen den idealen en den empirischen mensch, tusschen wat hij zijn moet en wat hij is, tusschen ideaal en werkelijkheid. Zoo is het geweten dus geen stem, die van buiten af in ons komt, en aan ons, eigen wezen vreemd is, dan ware de macht van het geweten |25| onverklaarbaar. Neen, het is de wet onzer eigen persoonlijkheid, die ons aanklaagt, en dat maar niet sommige daden of woorden of voorstellingen, maar dikwerf heel ons zijn zelf, onze gansche persoonlijkheid, het geheele empirische Ik. Het is het eigen wezen des menschen, dat tegen den mensch, zooals hij werkelijk is, reageert en protesteert. Wonderlijk wezen is de mensch! Met bewustzijn, moedwillig, met voorbedachten rade zondigend en meenende, daarin juist zijne grootste vrijheid te openbaren, leert hij daardoor zijne diepe afhankelijkheid het meest kennen. Zonde is willekeur, onredelijkheid, en leidt daardoor juist niet tot wilsvrijheid, maar tot slaafsche gebondenheid. De mensch, die zondigt, misbruikt zijn wil en komt tot de ontdekking dat hij niet doen kan wat hij wil, dat hij gebonden is aan de wet van zijn eigen persoonlijk, zedelijk wezen, en dat hij die ja wel, als persoonlijkheid, overtreden kan, maar nooit straffeloos, nooit zonder wroeging en verwijtingen.

Er blijkt dus, dat het geweten boven ons en tegenover ons staat, en eene orde handhaaft, die onvoorwaardelijk geldend, nooit straffeloos door ons kan verkracht worden. In het geweten leeren wij, dat wij niet „nostris juris”, maar afhankelijk zijn van een hoogere macht. Zoo is het dus niet slechts een zedelijk, maar ook een godsdienstig bewustzijn. Het geweten is het mijne, mijn eigendom, het is het meest individueele, ja de mensch zelf in den mensch. En toch is het mijn maaksel niet, het is in mij onafhankelijk van mijn wil, het is geen product, maar veeleer factor van mijn bewustzijn. Het is de wet van mijn eigen wezen, die in het geweten mij aanklaagt, en toch staat het ver boven mij en gaat het boven mijne persoonlijkheid uit. Het is dus niet uit mijzelven te verklaren, maar wijst op eene macht boven mij, die het mij als wet mijner persoonlijkheid gegeven heeft. Het is iets absoluuts, iets onvoorwaardelijks en boven alles geldends, iets goddelijks, dat zich daarin aan mij openbaart. God zelf is de laatste factor van het geweten. Op Hem als den Wetgever wijst ook deze wet der persoonlijkheid terug. Zoo is het dus inderdaad eene stemme Gods, die in het geweten tot ons komt. Naar die goddelijke zijde, naar zijn innerlijk wezen, op zich zelf, niet zooals het empirisch in ons zich openbaart, is het geweten onfeilbaar en kan het niet dwalen. In zijn diepsten kern is het geweten niet alleen een medeweten met ons zelven, maar ook met God; een bewustzijn, dat wij buiten Hem leven, dat wij, door de wet onzer eigen persoonlijkheid te overtreden, tegelijk daarmede Zijn heilige wet hebben geschonden.

En wijl nu het geweten, de autoriteit, die het over ons heeft, van God heeft ontvangen, zijne wet daarin tot ons spreekt, die onafhankelijk is van aller menschen wil en macht, zelfs van onze eigene macht en |26| wil, daarom is de vrijheid des gewetens een onafwijsbare eisch. God alleen, geen mensch, wie ook, is rechter der conscientie. Haar aan het oordeel van den Staat, van de Kerk, van de wetenschap te onderwerpen, is dwingelandij, aanmatiging van een recht, dat enkel en alleen Gode toekomt, en verkrachting van wat in ’s menschen persoonlijkheid het edelste, teederste en heiligste is.

Toch kan de vraag geopperd worden, of die vrijheid tot in het onbegrensde gelden moet. Is het niet mogelijk en leert de ervaring het niet, dat van het beroep op de conscientie misbruik wordt gemaakt en iets voor een gewetensbezwaar wordt uitgegeven, dat er bijna naar aller oordeel niets mede te maken heeft? Moeielijk is deze vraag voorzeker en niet met een algemeenen regel te beantwoorden. Exceptioneele gevallen eischen ook exceptioneele regels. Altijd echter moet in het oog worden gehouden, dat het beter is, tien voorgewende gewetensbezwaren te ontzien, dan één werkelijk gewetensbezwaar te bespotten. Ingrijpen in de rechten der conscientie is zich vergrijpen aan de majesteit der goddelijke wet. Gewetensdwang is vooral op Gereformeerd terrein eene dwaasheid, omdat het van ons niet afhangt te gelooven, wat we maar willen, en het de grootste wreedheid is, — om met Pictet te spreken — iemand te verplichten, om zichzelven te verdoemen, wijl niemand zalig wordt door een godsdienst, dien hij acht valsch te zijn.

Maar wel is het voor ieder plicht, om zijne conscientie te vormen, haar inhoud te zuiveren en van onware elementen te ontdoen. Het geweten is van onberekenbaar gewicht, het is een onverwinnelijke kracht in den enkele en in een geheel volk. Maar het hoogste is het niet. Het kent geene verlossing, maar schuld en verwijting en wroeging alleen. Zoo wijst het dus zelf indirect heen naar iets an ders, dat het bevredigen, vormen en leiden kan. Hoogste norma voor ons leven is de Goddelijke wet, die in het geweten ons slechts dof en onhelder en als uit de verte tegenklinkt. Iets kan zonde zijn voor God, wat toch niet tegen onze conscientie is. Zoo moet dus de subjectieve regel van ons leven altoos meer in overeenstemming gebracht worden met den objectieven, in Gods openbaring ons bekend gemaakt. Christus moet altijd meer de inhoud worden van ons geweten. Hij maakt ons geweten eerst waarlijk vrij, onafhankelijk van alle uitwendige autoriteit en doet de wet onzer eigen persoonlijkheid overeenstemmen met Gods heiligen wil. Om goed te zijn, moet eene daad niet alleen in overeenstemming zijn met ons geweten, maar ook met de wet Gods; en het omgekeerde is evenzeer waar. Tusschen de conscientie en de wet Gods is een nauw verband. De zedelijke, d.i. algemeen-menschelijke wet der |27| tien geboden is immers niets anders dan de natuurwet, welke Adam was ingeplant. En hoewel het geweten nu dikwijls door de zonde misvormd is geworden, toch bleef het de norma van goed en kwaad en van de onvoorwaardelijke geldigheid van het goede in zich dragen, en kan het dus, door Christus allengs gelouterd, de wet Gods in zich opnemen, zich assimileeren. Daarin bewijst die wet Gods zich aan ons hart altijd meer als waarlijk Godddelijk, dat zij met ’t diepst van ons wezen overeenstemt; daarin ligt het voortdurend bewijs voor de waarheid van het Christendom, dat het de diepste behoeften en uitspraken onzer conscientie bevredigt, en Christus in ons de wet onzer eigen persoonlijkheid ten volle vervult. Omdat zij dat begrepen, lieten onze Gereformeerden aan de Theologia Revelata de Theologia Naturalis voorafgaan. Natuur en Schriftuur staan niet vijandig tegenover, maar hooren bij elkaar, en zijn de eene zonder de andere, onvoltooid en incompleet.




1. Theol. Ethik, II, § 177.

2. Verg. Kähler, Das Gewissen. Die Entwicklung seiner Namen und seines Begriffs. 1 Hälfte, Alterthum und neues Testament, Halle 1878.

3. Zie het art. Gewissen van Schenkel in Herzog, Real Encyclopaedie en Vilmar, Theologische Moral, S. 65-115.

4. Vergelijk op deze plaats de Commentaren van Meyer, Philippi, Lange e.a. Verder Weiss, Biblische Theologie des N. Testaments 3e Auflage, Berlin 1880, S. 253, 254. Vilmar, Theologische Moral, S. 55, 77-79, 95. Ook vestig ik de aandacht op de eigenaardige verklaring van Harless, Christliche Ethik 7te Auflage, 1875 S. 69, 70, die onder „het werk der wet” verstaat niet „das Thun, durch welches Gottes Gesetz vollzogen wird,” maar de oordeelende en richtende eigenschap der wet.

5. Vergelijk Ernesti, Die Ethik des Apostels Paulus, 3te Auflage, Göttingen, 1880, S. 23.

6. Zie de plaatsen bij Suicerus, Thesaurus Ecclesiasticus, sub voce suneidos.

7. Voor de litteratuur zie men het art. Gewissen in Herzog, Real Enc.; Doedes, De Leer van God p. 85-96, en vooral de rijke opgave in de onlangs verschenen dritte Auflage van Ernesti, Die Ethik des Apostels Paulus. S. 22. 23.




a. Eerder gepubliceerd als: ‘Het Geweten’ I-II, De Vrije Kerk 7 (1881) 1,27-37; 2,49-58 (januari-februari 1881).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004