Kennis en Leven

Opstellen en artikelen uit vroegere jaren

door Dr. H. Bavinck
[verzameld door Ds C.B. Bavinck]

Uitgave van J.H. Kok te Kampen [1922]




Voorwoord.

Na het overlijden van mijn hooggeschatten Broeder werd hier en daar de wensch geuit, om eenige opstellen en artikelen, vroeger van zijne hand verschenen in „Vrije Kerk” en „Bazuin” maar thans moeilijk meer te verkrijgen, nog eens te herdrukken.

De Heer J.H. Kok verzocht mij, bedoelde artikelen eens na te gaan.

Uit dien arbeid is deze uitgave voortgekomen.

Niet alles nam ik op. Veel zelfs liet ik weg, opdat het boek niet al te groot zou worden, maar ook omdat het mij niet gewenscht voorkwam, artikelen te doen herdrukken van min of meer persoonlijke kritiek.

Alles wat opgenomen werd is uit vroegere jaren, met uitzondering alleen van het artikel „De Navolging van Christus,” dat niet gegeven wordt, zooals het oorspronkelijk verscheen in de Vrije Kerk 1885 bl. 101-114, 203-214 en 1886 bl. 321-334, maar zooals het later door hemzelf uitgegeven werd in „Schild en Pijl.”

Maar overigens is alles uit de eerste periode, toen zijn studie zich vooral richtte op de Gereformeerde Theologie.

Op mijn broeder al deze artikelen, zoo ongewijzigd, een herdruk waardig zou hebben gekeurd, weet ik niet. In latere tijden is zijn blik zooveel verruimd en zijn wetenschappelijk oordeel zooveel rijper en bezonkener geworden.

Maar dit gemis, zoo men het gemis noemen wil, wordt dan vergoed door de tinteling van jeugdigen gloed en bezieling, die hem in die dagen zoo eigen was en ook in deze artikelen nog doorstraalt. ’t Was |IV| toen de tijd, dat zijn oog bewonderend openging voor den rijkdom en de heerlijkheid der Gereformeerde Religie en Theologie, de tijd als het ware van een nieuwe ontdekking, en dat is steeds een gelukkige tijd.

Mochten daarom deze artikelen, in dat licht beschouwd, nog dienen niet alleen om de gedachtenis te verlevendigen van zijn eersten arbeid, maar ook en bovenal, om de kennis te vermeerderen en het leven te bestieren in dien zin, als hij het hier voorstelt: tot de Eere Gods!


C.B. Bavinck.

Rotterdam, November 1922. |V|




Inhoud.

Hoofdst.Pag.
I.Geloofswetenschap, De Vrije Kerk VI (1880)1
II.Het Geweten, De Vrije Kerk VII (1881)13
III.Het Rijk Gods, het Hoogste Goed, De Vrije Kerk VII (1881)28
IV.Het voor en tegen van een Dogmatisch Systeem, De Vrije Kerk VII (1881)57
V.Synodale Kerkinrichting, De Vrije Kerk VIII (1882)68
VI.De Predikdienst, De Vrije Kerk IX (1883)78
VII.Het Christelijk Geloof, De Vrije Kerk IX (1883)86
VIII.De Huishouding Gods, De Vrije Kerk IX (1883)98
IX.De Eere Gods, De Vrije Kerk IX (1883)106
X.De Navolging van Christus en het moderne leven, Schild en Pijl I, no. 3 (1918)115
XI.Het Dualisme in de Theologie, De Vrije Kerk XIII (1887)145
XII.Calvijns leer over het Avondmaal, De Vrije Kerk XIII (1887)165
XIII.Christendom en Natuurwetenschap, De Vrije Kerk XIII (1887)184
XIV.Kennis en Leven, De Bazuin (1900)203

|VI|




Geloofswetenschap.

a


Het is een overoude strijd, de strijd tusschen gelooven en weten. In een wetenschappelijk systeem te beredeneeren, dat hij niet bestaat en niet behoeft te bestaan, baat niet, die strijd wordt er niet minder om gestreden en laat zijn schokken gevoelen in ieder menschenhart.

Want beiden, gelooven en weten, zijn de onafwijsbare behoeften, in onze natuur gelegd. Er buiten leven kunnen wij op den duur niet. Even oppervlakkig handelen zij, die alle geloof willen uitschudden, als zij, die den drang naar kennis, die in onzen boezem woont, als zondig trachten te verstikken. Gelooven moeten wij; en dat wij gelooven kunnen, getuigt dat wij menschen zijn. Wie elk geloof uitschudden kon, zou ophouden mensch te wezen. Reeds het kind leeft in een wereld des geloofs. En geheel de maatschappij, het verkeer en alle verhoudingen der menschen onderling, rusten en worden gedragen door het geloof. Al het persoonlijke leven en wat daarvan uiting is, wordt slechts door geloof gekend. De wereld van het onzichtbare en eeuwige ontsluit zich alleen voor het oog des geloofs.

Maar evenzeer voelen wij nu den drang in ons, om te weten. Er woont een dorst naar kennis in ons, die onophoudelijk naar lessching streeft. En omdat nu gelooven en weten zoo diep in onze natuur zijn gegrond en zoo onmiskenbare rechten hebben, is strijd tusschen beiden ook zoo licht mogelijk en haast onvermijdelijk. Elk van beiden is er op uit, om zijn rechten te handhaven en in het gebied des anderen over te grijpen. Aan de rechten van gelooven en weten vergrijpt zich niemand straffeloos. Toch is verzoening tusschen beiden eisch. Velen trachten daaraan zoo te voldoen, dat zij weten en gelooven niet alleen onderscheiden, maar ook volkomen scheiden, beider gebied zuiver uit elkander trachten te houden en dus in een scherp geteekend dualisme heil zoeken en troost.

Bij zulk een dualisme te leven is echter op den duur onmogelijk. De |2| gedachte, beiden vreedzaam te hebben gescheiden, kan misschien voor een poos eenige kalmte verschaffen, maar is en blijft eene illusie. In het werkelijk leven zijn zij niet te scheiden, maar grijpen in elkaêr, en gaan zij steeds gepaard. Langs den weg van ’t dualisme, ook al is dit maar als voorloopige maatregel bedoeld, komt het tot eene verzoening van gelooven en weten niet.

Toch willen velen dien weg op. Zelfs de Christelijke theologen van onzen tijd zijn nog ver van eenstemmig over de wijze, waarop beider aard en verhouding bepaald moet worden. Tusschen de Hoogleeraren van Oosterzee en Doedes, wier vele en gewichtige diensten, aan de theologische wetenschap bewezen, op dankbare erkenning aanspraak hebben, bestaat daarover een zeer ernstig en diepgaand verschil. Wij willen dat kortelijk uiteenzetten en naar aanleiding daarvan onze meening zeggen.

Volgens Professor Doedes moeten gelooven en weten streng van elkaêr worden gescheiden en onderscheiden. 1) Weten is eene objectief zekere kennis hebben, hetzij dit weten nu is een middellijk (door zinnelijke of geestelijke, uitwendige of inwendige waarneming) of een onmiddellijk weten (bewustzijn). Gelooven daarentegen is een erkennen van iets als waarheid, maar bepaald in het vertrouwen, dat dit terecht geschiedt. Geen gelooven zonder dit vertrouwen. Gelooven vindt daar plaats, waar geen objectief zekere kennis verkregen is en toch grond aanwezig wordt geacht voor de erkenning van iets als waarheid. Het gelooven heeft geen objectieve zekerheid, wel subjectieve verzekerdheid. Bij het weten is geen plaats voor den invloed der subjectiviteit; bij het gelooven wel, daar is men zelf handelend. Bij de bepaling van het onderscheid tusschen weten en gelooven hangt alles in de eerste plaats af van het antwoord op de vraag, of er al dan niet objectief zekere kennis aanwezig is. Laatste bron van het weten is al het zinnelijk of geestelijk waargenomene. Maar de laatste grond van het gelooven moet altijd ons weten of onze kennis van het werkelijk bestaande zijn. Hetgeen iemand weet, dient hem tot grond voor hetgeen hij gelooft. Met bewijzen werkt men op het gebied van het weten, met gronden op het gebied van het gelooven. Zoo zijn beiden dus streng gescheiden. Gelooven kan niet veranderen in weten, noch omgekeerd. Gelooven laat zich evenmin tot weten verheffen, als weten tot gelooven kan verlaagd worden. Iets, dat men gelooft, kan niet de bron van kennis zijn. Een strijd tusschen gelooven en weten als zoodanig behoeft dus nimmer |3| te bestaan, daar de grond van alle gelooven steeds op het gebied van het weten moet te vinden zijn, en het gelooven zich derhalve naar den inhoud van het weten heeft te schikken. Elk moet zich in zijn gelooven door de wetenschap laten besturen. Er is dus geen wetenschap van God. De leer van God zet uiteen, niet wat wij aangaande God weten, maar wat wij aangaande Hem moeten gelooven. Gelooven en weten sluiten elkander, als zij op dezelfde zaak betrekking hebben, geheel uit. Het is een dilemma: óf gelooven óf weten. Die gelooft dat God bestaat, weet niet dat God bestaat. Het geloof aan God kan geen wetenschap aangaande God voortbrengen. De naam „wetenschap des geloofs” is dus onjuist. Een beroep op het spraakgebruik der Heilige Schrift in betrekking tot de woorden: kennen, weten en gelooven, mag niets beslissen, wijl die woorden daar in populairen, niet in streng-wetenschappelijken zin gebezigd worden.

Geheel afwijkend van deze beschouwing van zijn ambtgenoot, meent de Hoogleeraar van Oosterzee, 2) dat weten en gelooven ja wel onderscheiden zijn, maar toch niet zoo streng van elkander mogen gescheiden worden, als dit door Professor Doedes geschiedt. In zeer goeden zin kan er van eene wetenschap aangaande God en goddelijke dingen gesproken worden, echter altijd van eene wetenschap des geloofs, dat wil zeggen zulk eene wetenschap, die niet slechts den geloofsinhoud tot object heeft, maar die uit het geloof wordt geboren, waarvan het geloof (en van Oosterzee bedoelt daarmede zeer bepaald het Christelijk geloof, waarvan de levende Christus het persoonlijk middenpunt is) de bron en de wortel, of wil men liever het beginsel en het uitgangspunt is. Echter moet het woord wetenschap dan in wat ruimer zin dan dien van „science exacte” worden gebezigd, en er onder verstaan worden eene juiste, welgegronde en welgeordende kennis, om het even langs wat weg ook verkregen. Zulk eene wetenschap nu brengt ook het Christelijk geloof voort; het geeft eene juiste en heldere kennis, en eene zekerheid, die even gewis is als welke de wetenschap der natuur verschaft, maar van geheel anderen aard. Wilde men wetenschap noemen, alleen wat „science exacte” is, dan werd haar gebied al zeer eng. Gelooven en weten staan niet tegenover elkaêr, maar gaan met elkander gepaard en in elkander over. Het Christelijk geloof leidt tot en wordt weten, want het brengt ons in gemeenschap met God en met Christus, verheft ons tot de innerlijke aanschouwing der geestelijke wereld en wordt de bron eener persoonlijke levenservaring. Alle weten van het |4| bovenzinnelijke is een weten door het geloof, maar toch een weten. Het geloof is grond, eisch en grens van de wetenschap des geloofs.

Het hier kortelijk aangewezen verschil tusschen de beide Hoogleeraren gaat diep, is een verschil in methode en dus van invloed op geheel de beschouwing van het wezen en karakter der Christelijke theologie. Wijl deze altijd met het bovenzinnelijke te doen heeft, is het voor de beschouwing, welke men aangaande haar heeft, van overwegend belang of men al dan niet meent, dat en hoe men tot kennis van het bovenzinnelijke kan komen. Het dualisme van gelooven en weten heeft ten gevolge, dat de theologie den naam van wetenschap en haar zelfstandig karakter moet prijs geven, en òf nog onder den naam van godsdienstwetenschap zich een eigen plaats moet zoeken te verwerven òf bij de andere wetenschappen zich moet laten indeelen. Wie de zelfstandigheid van de theologie als wetenschap wil handhaven, kan de volstrekte scheiding van gelooven en weten niet aannemen.

Christelijk en Schriftuurlijk is die scheiding dan ook niet. Het Christendom verzoent den mensch niet alleen met God, maar ook met zichzelven, en heft in beginsel ook die tweespalt in zijn wezen op, welke er bestaat tusschen zijn verstand en zijn hart. Het Christendom, de eigenlijke godsdienst des geloofs, heeft de wetenschap in haar ware beteekenis eerst mogelijk gemaakt. „Die christliche Religion” zegt een beroemd natuuronderzoeker, „ist von allen die einzige, welche durch ihren culturfördernden Einflusz überhaupt die Entwicklung auch der Wissenschaften begünstigt hat, die einzige, welche insbesondre in neuerer Zeit eine naturwissenschaftliche Entwicklung von wirklich ernster Bedeutung aus sich hervorgehen sah.” 3)

Ook de Heilige Schrift weet van zulk eene scheiding en tegenstelling, als door Professor Doedes tusschen gelooven en weten aangenomen wordt, niets. Ook al wordt toegegeven, dat in den Bijbel de woorden kennen, weten en gelooven in populairen, niet in streng wetenschappelijken zin worden gebezigd, zooveel blijkt dan toch uit dat spraakgebruik genoeg, dat zij in die practische beteekenis elkaêr niet uitsluiten, maar hoewel onderscheiden, dikwerf met elkaêr gepaard gaan en in elkander overgaan. (Joh. 6 : 69. 1 Joh. 5 : 11.)

Inderdaad zijn gelooven en weten ook niet absoluut te scheiden. Zij onderstellen en eischen elkaêr; geen van beiden kan tot stand komen zonder het andere.

Er is geen weten zonder gelooven. Elk weten heeft gelooven tot grondslag en rust er op. Terwijl Professor Doedes beweert, dat de |5| laatste grond van het gelooven ligt en moet liggen op het gebied van het weten (Inleiding tot de Leer van God, bladzijde 12, 15, 16), is het omgekeerde evenzeer waar, dat de laatste grond van het weten ligt op het gebied van gelooven. Het is daarom onjuist en met de ervaring in strijd, als Doedes (Inleiding bl. 22) zegt, dat er van geen wetenschap sprake is, als aan het onderzoek geloof ten grondslag ligt. Het geloof, dat de nieuwe wereld bestond, deed Columbus tot de wetenschap er van komen; zonder dat geloof had hij die kennis nimmer verkregen. Het weten is resultaat van onderzoek. En om te onderzoeken, is noodig het geloof, dat het object van onderzoek bestaat, dat onze zintuigen ons niet bedriegen, dat wij door onderzoek tot weten zullen kunnen komen. Zonder dat geloof is er geen onderzoek en geen wetenschap. „Bij de zichtbare, zoowel als de onzichtbare dingen is het geloof de levensbodem, waaruit de plante der kennis en des wetens haar levenssappen trekt.” 4) Men onderzoekt nooit zuiver empirisch, zonder eenig interesse. Altijd heeft men op grond van eenige gegevens eene hypothese gebouwd, die ons bij het onderzoek leidt en bestuurt, en juist den drang ons in ’t hart geeft om altijd verder te onderzoeken en zoo tot weten te komen. Het grootste in de wetenschap waren altijd zij, die uit enkele gegevens tot het geheel besluitend, in eens met genialen blik die hypothese uitspraken, welke het verder onderzoek leidend, zelve later door dat onderzoek als waar en zuiver bewezen werd. Zoo gaat de wetenschap door hypothesen, welke in zekeren zin geloofsstellingen zijn, steeds meer voorwaarts. Ik geloof en daarom zoek ik te weten, en als ik dan weet, dan geloof ik dat ik weet. Een absoluut weten, dat weten tot begin en einde heeft, in het weten rust en in het weten zich afsluit, is er voor den mensch niet. De basis van alle weten is geloof. Professor Doedes erkent dat zelf, als hij (Inleiding bl. 4, 5) zegt, dat ieder, die zelf waarneemt, in zekeren zin de betrouwbaarheid van zijne zintuigen moet onderstellen en alzoo aan de juistheid van de indrukken, die hij ontvangt, moet gelooven. De laatste gronden, waarop ons weten rust, zijn nooit bewijzen — uit den aard der zaak kan dit ook niet — maar onbewezen en algemeen aangenomen onderstellingen, „Glaubenssätze.” Voor hem, die weigert die grondstellingen onbewezen aan te nemen, is geen wetenschap mogelijk, en is geen enkel bewijs van kracht; de onderstelling is het onderstel van iedere wetenschap. Wat wij axioma’s noemen, zijn zulke waarheden, die niet bewezen kunnen worden, maar die, aangenomen en geloofd, tot basis der wetenschap verstrekken, deze eerst mogelijk maken en haar |6| bewijs vinden in de wetenschap zelve, die op haar gebouwd wordt.

Gelijk er nu geen weten is zonder gelooven, zoo is er ook geen gelooven zonder weten. Een geloof zonder eenig weten is geen geloof, maar een bloot vermoeden. Datgene, wat den naam van geloof verdient, ontstaat zoo maar niet uit niets, maar op grond van gekende en erkende motieven, die onzen wil bepalen en ons dringen de waarheid van iets te erkennen. In elk geloof zit dus een intellectueel en een ethisch element, is dus kennis en vertrouwen begrepen. Gelooven is de eenheid van kunnen en willen.

Hieruit mag echter niet afgeleid worden, dat gelooven en weten hetzelfde zijn en er tusschen beiden geen onderscheid is. Professor Doedes is volkomen in zijn recht, als hij beweert, dat gelooven geen weten en weten geen gelooven is. Het komt er maar op aan, zuiver te bepalen, waarin tusschen beiden het onderscheid gelegen is. Doedes geeft ten antwoord (Inleiding, bl. 9): bij de bepaling van het onderscheid tusschen gelooven en weten hangt alles in de eerste plaats af van het antwoord op de vraag, of er al dan niet objectief zekere kennis aanwezig is. In het objectief zekere der kennis, en wel zoo, dat die kennis voor elk en een iegelijk, onverschillig wat standpunt hij inneme, vaststaat, daarin ligt volgens Doedes het criterium. Volgens denzelfden Hoogleeraar is echter het onmiddellijk weten, het bewustzijn, ook weten. Nu is het volkomen waar, dat ik, indien ik bijvoorbeeld pijn heb, dat voor eene objectief zekere kennis houd, maar objectief zeker voor elk en een iegelijk is die kennis niet. Een ander moet het gelooven, indien ik hem verzeker pijn te hebben, bewijzen kan ik het hem niet. Die kennis is dus wel objectief zeker, maar alleen voor het subject. Volgens het door Professor Doedes aangegeven criterium moet het onmiddellijk weten veeleer tot het gebied van het gelooven, dan tot dat van het weten gebracht worden.

Bovendien beweert Professor Doedes nog, dat het weten zoowel product kan zijn van geestelijke (inwendige), als van zinnelijke (uitwendige) waarneming (Inleiding bl. 4, 12, 16, 17). Aan het boven aangegeven criterium getoetst, mag dit niet worden toegegeven. Wetenschap in den strengen zin, waarin Doedes dat woord wil gebruikt hebben, zoo dat het eene voor allen objectief zekere kennis aanduidt, als „science exacte”, is er niet buiten het gebied der vijf zinnen. Exact resultaat der wetenschap is alleen, wat door een der vijf zinnen is waargenomen. „Dies ist die einzig mögliche Grenzlinie zwischen exact und nicht exact; wird sie überschritten, so drängt sich unwiderstehlich eine ganze Fluth von Hypothesen in das Gebiet des Exacten ein.” 5) |7|

Wil men nu den naam van wetenschap beperken tot wat voor allen zonder onderscheid vaststaat en objectief zeker is, dan wordt het gebied der wetenschap zoo eng, dat het ons maar weinig meer interesseert, en wijkt men ook van het gewone spraakgebruik geheel en al af. Want nog worden ondanks de stemmen van enkele materialisten, de ethiek, de psychologie, de rechtsgeleerdheid enz. ook natuurlijk door Professor Doedes, schoon in strijd met zijne opvatting van het woord wetenschap, met den naam van wetenschappen bestempeld.

Het onderscheid tusschen gelooven en weten ligt dus niet in het objectief zekere der kennis, in het exacte der resultaten. Maar hierin: subjectief, dat het gelooven is een werkzaaniheid van verstand en hart beiden, het weten alleen van het verstand; en objectief, dat het voorwerp van gelooven onzichtbaar, zedelijk, geestelijk is van aard en het voorwerp van het weten zichtbaar, zinnelijk, physisch.

Wanneer wij van de zinnelijke wereld iets waarnemen, zeggen wij daarvan dat wij weten. Maar zelfs van weten in absoluten zin mag hier niet gesproken worden. Niet slechts de vertrouwbaarheid onzer zintuigen, de juistheid der indrukken, de grondstellingen, axioma’s, waarvan wij bij elk onderzoek uitgaan, ook de realiteit zelve der zinnelijke wereld moet aangenomen, ondersteld, geloofd worden. Betwijfelen laat zich alles, ook ons eigen bestaan. Den scepticus door bewijzen van het bestaan der zinnelijke wereld te overtuigen, is niet mogelijk. De werkelijkheid, dat wij, dat de wereld om ons heen bestaat, is en blijft een onderstelling, eene stelling, die onder ons staat, waarop wij kunnen voortbouwen, maar wier wegwerping ons neerstort in een afgrond van twijfel en onzekerheid. Als geschapen wezens staan wij op den grondslag van het geschapene, kunnen dus eerst na ervaring kennen; wij kunnen slechts nadenken.

Met opzettelijken twijfel te beginnen, alle grondstellingen en al wat men aan Waarheid bezit weg te werpen en dan buiten alle realiteit om te gaan denken en redeneeren, is niet de geschiktste wijze om tot wetenschap te komen. De aanvang van ons denken kan nooit twijfel wezen, want dan verkrijgt men nooit eenig resultaat, maar is en moet altijd wezen eene stelling, die men onbewezen aanneemt en eerst door verder onderzoek bewezen wordt.

Maar boven die zinnelijke is er nu ook nog eene geestelijke wereld, die niet door de vijf zintuigen is waar te nemen, en die om door ons aanschouwd en gekend te worden, eene zekere zedelijke gesteldheid in ons eischt. Wij allen kennen ze, die machten van liefde en haat, van vriendschap en toorn, van zonde en schuld, enz., die aan elke waarneming der vijf zinnen zich onttrekken en toch bestaan en ons |8| beheerschen, en zich aankondigen in ons geweten, in de natuur, in de geschiedenis. Het reëele bestaan dier wereld apriori te bewijzen, is onmogelijk. Evenals van de zinnelijke, moet ook van deze zedelijke wereld de realiteit worden aangenomen en geloofd. Wie voor haar indrukken zich afsluit, kent haar niet. Savoir c’est avoir. Wat liefde en vriendschap enz. is, weet ik niet dan door eigen ervaring. De praxis gaat aan de theorie vooraf. Alleen wie haar ervaart, aanvaardt tegelijk haar realiteit. Dat ik eene schilderij niet slechts voor schoon houd, maar dat zij dat werkelijk is, laat zich niet demonstreeren aan wie alle schoonheidsgevoel mist. Is er daarom nu geen schoonheidsleer, geen wetenschap van het schoone? Te beweren, dat er geen voor allen geldende bewijzen zijn voor het werkelijk, objectief bestaan van het schoone en dus ook geen wetenschap van het schoone, komt mijns inziens op hetzelfde neer als de bewering, dat er geen absoluut-zekere bewijzen zijn voor het bestaan der wereld en dus ook geen wetenschap der natuur.

Alle wetenschap is dus ter laatste instantie en in zekeren zin wetenschap des geloofs, d.w.z. zulk een wetenschap, die niet zonder eenig geloof kan verkregen worden. Maar in eigenlijken zin draagt dien naam toch alleen die wetenschap, wier objecten boven de zinnelijke waarneming uitgaan en van zedelijken, geestelijken aard zijn, bij uitnemendheid dus de Christelijke theologie. Objectief zekere kennis, kennis die voor elk geldt, wie en wat hij ook zij, verschaft zij niet. Wat aan Professor Doedes het heerlijkste in de wetenschap toeschijnt, dat zij geheel en al het subject bepaalt en gelijkelijk geldt voor allen, onverschillig hun standpunt en richting (Inleiding bl. 10, 11), dat dunkt ons het minst heerlijke, en is bewijs, dat die wetenschap nog verkeert omtrent dingen, die onmiddellijk met het physische saamhangen, en dus physischen dwang en noodwendigheid in zich dragen. Schopenhauer heeft dan niet zoo geheel ongelijk met te vragen: »Sie hören nicht auf, die Zuverlässigkeit und Gewissheit der Mathematik zu rühmen. Aber was hilft es mir, noch so gewiss und zuverlässig zu wissen, daran mir gar nichts gelegen ist.” 6) De wetenschap daalt niet maar stijgt in waarde, naarmate haar object heerlijker is. En de zekerheid zelve harer resultaten neemt niet af, maar wel wordt de kring enger van hen, die deze aannemen. De vaste resultaten der Natuurwetenschap worden door elk aanvaard, omdat onze zedelijke gesteldheid daaraan niets toe of afdoet, en niemand belang heeft ze te loochenen. Maar de zedelijke wereld eischt in ons een aan haar correspondeerend zedelijk orgaan, om haar |9| waar te nemen en te kennen. Als eene reine bruid ontsluiert zij haar heilig aangezicht voor den onzedelijke niet. De reinen van hart zullen God zien, dat is geen bloot godsdienstige, gemoedelijk-vrome, maar ook eene streng wetenschappelijke uitspraak. En evenals nu onze zintuigen, waarmede wij de zinnelijke wereld waarnemen, het geloof aan het werkelijk bestaan dier wereld vanzelf met zich brengen, zoodat daaraan twijfelen tegelijk twijfelen is aan onze zintuigen — zoo brengt ook dat orgaan (het geloof), waarmede wij de zedelijke wereld waarnemen, het geloof aan het reëele bestaan dier zedelijke wereld met zich mede, zoodat dat bestaan betwijfelen, ware twijfelen aan het geloof zelf — hetgeen onmogelijk is. Dat heeft de schrijver van den Brief aan de Hebreën gevoeld, als hij zeide: het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Het geloof — een bewijs, dat is toch wat anders dan volstrekte scheiding van weten en gelooven.

Het geloof komt hier dus voor in dubbelen zin. Eerst wordt er door aangeduid die zedelijke gesteldheid, welke noodig is om de zedelijke wereld te kennen, dan, op grond daarvan, het geloof, dat die zedelijke wereld nu ook werkelijk bestaat. Beide beteekenissen vallen volkomen saam. Het geloof is bewijs. In den eersten zin nu, dat het geloof eene zedelijke gesteldheid is, nemen wij het, wanneer wij spreken in eigenlijken zin van wetenschap des geloofs. Voor wie gelooft, ontsluit de geestelijke wereld zich vanzelf. Evenals de physische, voor wie zijne zintuigen gebruikt. Eene wetenschap des geloofs is dus zulk eene, die naar de beschrijving van van Oosterzee, het geloof tot bron, wortel, beginsel of uitgangspunt heeft. Eene wetenschap is des te meer eene wetenschap des geloofs, naarmate haar object meer boven het zienlijke en zinnelijke uitgaat. Want de aard des geloofs komt juist daarin uit, dat het uit het eindige in het gebied van het oneindige, bovenzinnelijke, wonderbare, goddelijke overgaat. Anders dan langs den weg des geloofs komt men in die hoogere regionen niet. Dat geloof nu is geen zesde zintuig naast en boven de andere vijf, maar het is niets anders dan de normale zedelijke gesteldheid onzer persoonlijkheid, niet slechts van het hart maar ook van het verstand, van al onze vermogens en krachten, de harmonie van ons wezen.

Wij zagen dus, dat een absoluut weten, een absolute wetenschap, waarvan weten begin, midden en einde is, voor ons niet mogelijk is, dat bij iedere wetenschap, zelfs bij de „science exacte” in zekeren zin geloof te pas komt; en dat voor al die wetenschappen, wier objecten boven de waarneming der vijf zinnen uitgaan, het geloof altijd in meerdere of mindere mate vereischt wordt. |10|

De Christelijke theologie nu is de wetenschap des geloofs bij uitnemendheid. Het bijvoegende „des geloofs” bepaalt den aard en het karakter harer wetenschap, maar vernietigt haar wetenschappelijke waarde niet. Want òf er is volstrekt geen wetenschap, wijl bij elke wetenschap altijd het een of ander geloofd en onbewezen aangenomen moet worden; òf, wil men wetenschap heeten alleen wat bepaald „science exacte” is, dan moet aan al die wetenschappen, die het niet-zinnelijk-waarneembare tot objecten hebben, de naam van wetenschap ontzegd worden; òf, wil men ook dat niet en blijft men de psychologie, ethiek enz. wetenschappen noemen, dan mag ook aan de Christelijke theologie (alleen daarom dat zij een wetenschap des geloofs is) het recht op den naam van wetenschap niet worden betwist.

Nu komt het in een Christelijk godgeleerde als Professor Doedes zelfs niet op, om aan de ethiek, de psychologie, de theologie den naam van wetenschap te ontzeggen. Integendeel; in zijn Encyclopaedie zegt hij bl. 15: Dat de Christelijke theologie in haar geheel recht heeft, om als eene zelfstandige wetenschap beschouwd te worden, moest in de Christelijke wereld boven ernstige tegenspraak verheven zijn. Wij zouden dat met hem wenschen. Maar het komt ons toch voor, dat Professor Doedes zelf door zijne scheiding van gelooven en weten dat recht niet „boven ernstige tegenspraak verheven” maakt.

Immers, op bl. 16 zijner Encyclopaedie gaat Professor Doedes voort: „Dat gedeelte (in de theologie), waarvan gezegd moet worden, dat het niet tot het gebied van het weten behoort, is geen bezwaar tegen het boven gestelde (dat de Christelijke theologie eene zelfstandige wetenschap is. Dit wordt verder aldus gerechtvaardigd: Waarheid is dat er geen spraak kan zijn van wetenschap aangaande God. De leer aangaande God is de wetenschappelijke uiteenzetting van hetgeen wij, aangaande God moeten gelooven. Maar dit wetenschappelijk gerechtvaardigde geloof is nu juist object van wetenschappelijk onderzoek. Bij de behandeling van de Godsleer bewegen wij ons toch op het gebied der wetenschap, niet alleen in zooverre wij handelen over iets, dat object van wetenschappelijke beschouwing is, namelijk over het geloof aan God, maar ook, omdat alle grond van het geloof aan God op het gebied van het weten is te vinden. 7)

Is daarmede nu het bezwaar weggenomen? Is daarmede verklaard hoe de Godsleer, die volgens Professor Doedes behoort tot het gebied |11| van het gelooven en geen wetenschap is, hoe die Godsleer deel kan uitmaken van de Christelijke theologie, welke, naar des Hoogleeraars eigene definitie, is de vereeniging van de op het Christendom betrekking hebbende wetenschappen? Indien de Godsleer geen wetenschap is, dan kan ze ook niet onder een cyclus van wetenschappen worden opgenomen. Dat kan ze ook nog niet, al zegt men met Professor Doedes, dat het geloof aan God nu toch object van wetenschappelijke beschouwing wordt. Want, onderstel, dat iemand het geloof aan spoken object maakt van wetenschappelijk onderzoek, daardoor wordt nu dat spokengeloof toch nog geen wetenschap. Om in den cyclus der wetenschappen te worden opgenomen en een eigen plaats te hebben, is het niet genoeg, dat de theologie, zoo in enger als ruimer zin, wetenschappelijk behandeld wordt; maar zij moet een zelfstandige wetenschap wezen; het object van haar onderzoek moet, ik zeg niet gekend zijn, want in iedere wetenschap geldt nog het: wij kennen ten deele, maar toch door dieper gaand onderzoek gekend kunnen worden, Door de strenge scheiding van weten en gelooven, welke Professor Doedes voorstaat, wordt niet slechts de theologie in engeren zin, maar ook in ruimeren zin van haar wetenschappelijk karakter beroofd, houdt ze op eene zelfstandige wetenschap te wezen, en zou ze er toe moeten komen, om òf in eene faculteit van godsdienstwetenschap over te gaan òf bij de andere faculteiten zich te laten indeelen.

De strenge scheiding van weten en gelooven is dus verre van onschuldig en kan door den Christelijken godgeleerde niet worden aanvaard. De Hoogleeraar Doedes heeft ze dan ook niet ten einde toe volgehouden, noch in al haar consequentiën toegepast. Als hij in zijne Inleiding tot de Leer van God telkens zegt, dat de laatste grond van het gelooven ligt op het gebied van het weten, en in zijne Encyclopaedie de Godsleer in den kring der theologische wetenschappen ook daarmede rechtvaardigt, dat alle grond van het geloof aan God op het gebied van het weten is te vinden, dan is die scheiding van gelooven en weten feitelijk prijsgegeven. Het duidelijkst komt dit uit in het tweede deel (bl. 77 vlg.) van zijne Leer van God. De titel van dat tweede deel luidt: Het geloof aan God door de wetenschap gerechtvaardigd. Wat wil dat nu zeggen? Niet dat gerechtvaardigd moet worden, dat wij aan God gelooven, want dat is een feit. Maar dat wij terecht aan God gelooven, dat ons geloof aan God geen »niets beteekenende meening of ongegronde onderstelling” is; met andere woorden dit moet gerechtvaardigd worden, dat God bestaat. Professor Pierson had dus volkomen gelijk, als hij in zijn: Ter Uitvaart opmerkt, dat de titel van het tweede deel moest heeten: De hypothese van Gods |12| bestaan gerechtvaardigd. Door de wetenschap, spreekt vanzelf, want met eene hypothese staan we reeds op het gebied der wetenschap.

In de hypothese nu geven geloof en wetenschap elkander de hand. Uit het geloof gaat het door hypothesen heen steeds meer tot weten. Professor Doedes beweert terecht: wij weten niet, dat God bestaat, bewijzen zijn er niet voor, wij gelooven het. Maar onjuist is de conclusie, dat de theologie (in enger zin) daarom nu ook geen wetenschap is. Want wij noemen nooit alleen datgene wetenschap, wat objectief zeker gekend, geweten wordt, wat voor elk vaststaat, wat zuiver „science exacte” is. Ook al is er thans onder de Moralisten nog zoo veel verschil van opvatting, en al druischen de verschillende moraalsystemen vlak tegen elkaêr in, toch blijft de ethiek eene wetenschap. 8) Stel, dat er in de theologie, met betrekking tot de geestelijke wereld, nog niet het minste vaststaande resultaat was verkregen, dan nog zou de theologie eene wetenschap beeten mogen, zoolang de hypothesen, die zij stelt, niet alle door de onderzoekingen van natuur, geschiedenis enz. als volkomen onhoudbaar zijn tentoongesteld. Juist doordat zij hypothesen stelt, die ter verklaring van mij nog onverklaarde verschijnselen moeten dienen, is zij eene wetenschap. Zoolang er zulke verschijnselen op geestelijk gebied zijn, met andere woorden, zoolang er nog eene Gemeente van Jezus Christus is op aarde, die door het geloof die geestelijke wereld aanschouwt en erkent, zoolang is de Christelijke theologie eene wetenschap en heeft zij aanspraak op eene zelfstandige plaats. God — Hij is de Hypothese aller Hypothesen. Voor wie gelooft is het volkomen zeker dat Hij bestaat. Want dat is juist het karakter des geloofs, dat het God stelt, zonder Hem gezien te hebben; dat stellen van God is nu in de wetenschap een hypothese, die door verder onderzoek altijd meer gerechtvaardigd moet worden. Maar geloof wacht niet op bewijzen en hangt er niet van af; het ziet het einde der dingen, het is eene „Ahnung” van wat eens blijken zal waar te zijn, en stelt God, ondanks al wat er tegen ingebracht wordt. Dat is het „e pur si muove” des geloofs. De wetenschap noemt dat dikwerf ongerijmd. Maar het geloof zegt altijd weer: toch is Hij er, onderzoekt maar verder en dieper, eindelijk zult gij Hem vinden en zien, dat God de Hypothese is, waarop alle dingen rusten en zonder welke er ten slotte niets kan worden verklaard.




1. Zie: Inleiding tot de Leer van God, bl. 1-24. De Leer van God, bl. 47-50, 70-76, 245. Encyclopaedie der Christelijke Theologie, bl. 16.

2. Christelijke Dogmatiek, I § 3. II § 43, 44. Voor Kerk en Theologie, I, bl. 81-115.

3. Der Beweis des Glaubens, 1879 S. 451.

4. Kuyper, Uit het Woord, III, bl. 106.

5. Theodor Zollmann, Bibel und Natur in der Harmonie ihrer Offenbarungen, dritte auflage, S. 5.

6. Citaat bij van Oosterzee, Voor Kerk en Theologie, I, bl. 101.

7. Professor Doedes spreekt alleen over de leer aangaande God als bepaald behoorend tot het gebied des geloofs. Toch niet, omdat, wanneer men de scheiding van gelooven en weten aanvaardt, deze alleen uit de Christelijke theologie tot dat gebied zou moeten gebracht worden?

8. De verklaring van het verschijnsel, dat er over God zoo groot verschil van gevoelen bestaat, behoeft dus met Professor Doedes (Inleiding, bl. 22-24) nog niet daarin gezocht te worden, dat wij alleen aan God gelooven en niets aangaande Hem weten.




a. Eerder gepubliceerd als: ‘Geloofswetenschap’, De Vrije Kerk 6 (1880) 11,510-527 (november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004