Herman Bavinck (1854-1921)

Voorrede

Levensgeschiedenis en Werken van Ralph en Ebenezer Erskine

Met een inleidend en aanbevelend woord van Prof. Dr. H. Bavinck,
Doesburg (J.C. van Schenk Brill) 1905-1906, 1-6

a



De geschiedenis van kerk en theologie in Schotland na de Reformatie wordt geheel en al door de gedachte van het verbond (covenant) beheerscht. En in de opvatting van dat verbond zat van den aanvang af niet alleen een diep-religieus, maar ook een nationaal en politiek element.

De hervormer van Schotland, John Knox, had er dat ingebracht. Hij maakte onderscheid tusschen heidenen en christenen. De heidenen zijn Gods volk niet. Maar als een heidensch volk tot het christendom is bekeerd, dan staat het als volk wezenlijk tot God in dezelfde verhouding, als het IsraŽl van den ouden dag, dan is het ook als volk tot gehoorzaamheid aan God verplicht, dan moet het ook in zijn publieke leven in den weg van Gods verbond wandelen, en mag het geen verbond sluiten met de afgodische inwoners des lands.

Wanneer zulk een christelijk volk, in strijd met Gods gebod, weer afvalt en tot de afgoderij terugkeert, dan is allereerst de vorst des lands verplicht, om de afgoderij uit te roeien en het verbond Gods te herstellen. Indien de hooge overheid aan deze roeping niet gehoorzaamt, rust de plicht tot reformatie op de lagere overheid, op de stenden en staten. En als ook deze in hun roeping tekort schieten, is het volk zelf verplicht, de hervorming ter hand te nemen. En deze verplichting, die in dien weg op het volk komt te rusten, bestaat dan maar niet in het bieden van lijdelijk verzet, maar sluit ook in een recht, om de overheid positief te weerstaan en haar desnoods af te zetten en door eene andere te vervangen. Want de overheid heeft, door zich niet aan het verbond te houden, zelve zich van hare rechten beroofd; zij heeft, om in moderne taal te spreken, de constitutie geschonden, waaraan vorst en volk beide door een plechtigen eed gebonden waren, en heeft daarmede vrijwillig en moedwillig den band verbroken, die haar aan het volk verbond; zij heeft zich zelve afgezet en mag daarom afgezet worden door het volk. En als het volk zoo zijne overheid weerstaat, dan doet het dat niet eigenmachtig en willekeurig, maar het treedt op krachtens de rechten des verbonds, als volk Gods, in Zijn naam, en tot herstel van Zijnen dienst.

Naar dit program kwam de hervorming in Schotland tot stand. Nadat Knox in Mei 1556 de Koningin-Regentes, Maria de Guise, te vergeefs had aangespoord, om de reformatie ter hand te nemen, sloten de Protestantsche edelen den 2den Dec. 1557 plechtig een verbond, om, als de getrouwe congregatie van Jezus Christus, Gods Woord tegen de roomsche afgoderij met |2| goed en bloed Ie verdedigen. En toen dit verbond in 1559 vernieuwd en de Regentes in 1560 gestorven was, nam het parlement de hervorming ter hand, schafte de mis af en nam eene door Knox opgestelde geloofsbelijdenis als officieele confessie aan. Daarmede werd de Gereformeerde kerk tot Staatskerk (established church) verheven, en aan elke andere het bestaansrecht in den lande ontzegd.

Niet alleen echter tegen het Romanisme, ook tegen het bisschoppelijk stelsel van de Engelsche staatskerk had de Gereformeerde kerk in Schotland eerlang hare rechten te verdedigen. Maria Stuart deed 24 Juli 1567 afstand van den, troon ten behoeve van haar eenjarigen zoon Jakobus VI. Toen deze in 1578 op twaalfjarigen leeftijd aan de regeering kwain, sloot hij zich eerst bij de wenschen van zijn volk aan; in 1580 kwant zelfs het eerste nationale verbond tot stand, met den koning aan het hoofd, om de Gereformeerde kerk en hare belijdenis te handhaven en tegen alle Romanisme en Episcopalisme te verdedigen. Maar spoedig daarna werd zijne Anglikaansche gezindheid openbaar. En deze kwam nog sterker uit, toen hij na den dood van Elizabeth in 1603 als Jacobus I den troon van Engeland beklom. Tegen hem en tegen zijn zoon en opvolger Karel I begon toen een hardnekkige strijd, die ten slotte op eene omwenteling uitliep en met de plechtige vernieuwing van het verbond, het tweede nationale covenant, in 1638 eindigde. Maar ook toen brak er voor de Schotsche kerk nog geen tijdperk van rust aan. Karel II en Jakobus II wandelden in de voetstappen van hunne voorgangers, en overtroffen hen in daden van geweld. Zoo kwam het in 1689 tot eene nieuwe omwenteling. Het parlement verklaarde in Mei van dat jaar, dat Jakobus II de kroon verbeurd had en bood haar aan aan Willem van Oranje, die in Februari reeds tot koning van Engeland was gekroond.

Een nog gevaarlijker vijand voor het covenant stond er op in de verdeeldheid van het Schotsche volk zelf. Een aanzienlijke partij in Schotland bleef roomschgezind; anderen hadden sympathie voor het episcopale stelsel der Engelsche staatskerk; nog anderen voelden zich aangetrokken door het independentisme in de dagen van Cromwell. En toen de overheid tegen al deze richtingen niet zoo kras optrad, als door de idee van het covenant geeischt werd, rees er onder de aanhangers van dit verbond zelven verschil. Sommigen waren gematigd en wilden wel de daden der overheid afkeuren maar deze zelve toch niet van haar ambt vervallen verklaren; anderen waren van oordeel, dat de koning , door in strijd met het covenant te handelen, het recht op den troon verloren had. (Cameronians.)

Zoo kwam er onder de covenanters zelven verdeeldheid van gevoelen over de verhouding van kerk en staat, over het recht des konings, over den plicht tot verzet. En die verdeeldheid nam toe, toen tegen het einde der zeventiende en in het begin der achttiende eeuw deÔsme en rationalisme ook in Schotland doordrongen. Het moderatisme, dat toen in de kerk de overhand |3| won, bediende zich vooral van het uit den roomschen tijd herkomstige, nu eens afgeschafte dan weer ingevoerde patronaatrecht, om aan predikanten van de gematigde richting in de gemeenten, tegen haar zin, ingang te verschaffen. In Januari van dit jaar deed zich na de roemrijke omwenteling het eerste geval van dien aard voor; in Burntisland, Fife, werd, in strijd met de keuze der gemeente, aan den door den patroon voorgestelden predikant, volgens besluit van de synodale commissie, het beroep toegezonden. Den 22 Mei van dat jaar werden de patroons in al hunne rechten hersteld. En daarbij kwam nog in datzelfde jaar de toleantie-acte, die de bisschoppelijke geestelijkheid beschermde, den koning verbond tot het onderhouden der Engelsche ceremonies en aan alle predikanten tot bezwering met een eed werd voorgelegd.

Een van de predikanten, die dezen eed weigerde, was Ebenezer Erskine (1680-1754), sedert 1731 predikant aan de derde kerk te Stirling. Maar bij dit negatief protest liet hij het niet. Toen hij in 1733 als president van de synode van Sterling en Perth eene predikatie moest houden, handelde hij over den steen, die door de bouwlieden verworpen was, en stelde in het licht, dat het patronaatrecht, evenals allerlei andere bepalingen, in strijd was met het Koningschap van Christus over zijne kerk en met het recht, dat Christus aan de gemeente geschonken had, om haar eigen leeraar te beroepen. Maar de synode deelde zijn gevoelen niet en stelde zich tegenover hem. Zoo bleef er voor Ebenezer Erskine geen andere weg open, dan om de staatskerk te verlaten. Drie predikanten, William Wilson van Perth, Alexander Moncrieff van Abernethy, en James Fisher van Kinclaven gingen met hem mede. Later voegden zich nog enkele andere predikanten bij hen, o.a. in 1732 de broeder van Ebenezer, Ralph Erskine (1685-1752) sedert 1711 predikant te Dunfermline. Den 28 Dec. 1743 vernieuwde Ebenezer Erskine te Stirling de practijk der publieke verbondsluiting, en den 11 Oct. 1744 vereenigden de gescheidenen zich tot eene „associate Synod.”

Maar het nationaal-politiek element, dat van huis uit in de idee van het verbond lag opgesloten, werkte ook na dien tijd nog door. Reeds in 1747 kwam er onder de uitgetredenen scheuring naar aanleiding van den burgereed, waarin trouw moest beloofd worden aan de Protestantsche religie, „die tegenwoordig in dit land beleden wordt.” Sommigen meenden, dat het afleggen van dien eed de erkenning van de staatskerk als de ware kerk insloot en scheidden zich van hunne broederen af.

In 1752 had opnieuw eene scheiding van de staatskerk plaats onder Thomas Gillespie, omdat de synodale commissie wederom aan eene zekere gemeente een predikant opdringen wilde. In 1796 kwam er onder de gescheidenen wederom strijd over de verhouding, die er bestaan moest tusschen kerk en staat, en gingen zij in aanhangers van het oude en van het nieuwe licht uiteen. En in 1843 had er nog eens, naar aanleiding van het patronaatrecht, onder Thomas Chalmers eene afscheiding van de staatskerk |4| plaats. Wel is waar zijn sommige van die scheuringen geheeld, vooral door de voor enkele jaren getroffen vereeniging tusschen de United Presbyterian en de Free Church. Maar nog altijd blijven de meeningen van het Protestantsche Schotland over de verhouding van kerk en staat, over het recht der overheid in zake religie en over den plicht van het volk tot verzet verdeeld. Inhoud, geldigheid en strekking van het „covenant” blijven voortdurend in geschil.

En evenals in de kerkgeschiedenis, zoo neemt de idee van het verbond ook eene centrale plaats in in de Schotsche theologie. Niet in tegenstelling met de leer der verkiezing maar juist, om deze in hare souvereiniteit en vrijmacht te beter te doen uitkomen. Al de weldaden der verkiezing vloeien toch, gelijk Ralph Erskine het uitdrukt en alle gereformeerde theologen het leeren, den geloovigen toe in het kanaal van het verbond der belofte. De praedestinatie is in de Schotsche theologie dan ook met groote voorliefde behandeld en tegen alle Pelagianisme in en buiten de Roomsche kerk zeer krachtig verdedigd. De namen van Knox, Boyd, Rollock, Samuel Rutherford bewijzen dit genoeg. En het ontging hun niet, dat deze bestrijding van de praedestinatie in en buiten Rome uit dezelfde dwaling voortkwam; Jamieson gaf opzettelijk een werk onder den titel van Roma Racoviana in het licht.

Maar zooals de verbondsleer de verkiezing in helderder licht plaatste, zoo kwam omgekeerd de leer der verkiezing aan de behandeling van de leer der verbonden ten goede, zooals dit in de werken van Samuel Rutherford, Patriek Gillespie, Thomas Boston en ook in de predikaties van de beide Erskines zoo duidelijk uitkomt. Onder het gezichtspunt van het verbond werd niet alleen de staat van den eersten mensch beschouwd, maar ook heel het werk der zaligheid, het eeuwige plan van verlossing, de persoon, het ambt en het werk van Christus, de heilsorde, de leer der kerk en die der sacramenten. De Schotsche godgeleerdheid is meer dan eenige andere verbondstheologie geweest.

Zoo mogelijk nog sterker dan in de godgeleerde verhandelingen komt dit in de prediking uit. Door de idee van het „covenant” geleid, houdt de dienaar des woords in zijn herderlijken arbeid steeds op het gansche volk en land het oog gericht. God heeft zijn verbond niet met een enkele en niet met eenige weinige op zichzelf staande personen, maar met het gansche volk van Schotland opgericht. En dat volk heeft Hem herhaaldelijk met plechtigen eed trouw gezworen. Schotland heeft aan Christus zijn woord verpand. Zoo behoort het Hem dan, niet alleen in het private, maar ook in het publieke leven te dienen en te eeren. Het staat niet vrij tegenover Christus en Zijn Woord, maar heeft zichzelf met eede tot dezen dienst verbonden. En als het Hem dus verlaat en het verbond verbreekt, dan maakt het zich aan woordbreuk schuldig, dan verderft het zichzelf en haalt zich Gods oordeel op den hals. |5|

Maar als de Schotsche prediker zich zoo tot zijn gansche volk wendt, dan vergeet hij daarbij toch den enkele niet. In tegenstelling echter met het Independentisme, komt hij juist uit het geheel tot de deelen, uit het volk tot de enkelen. Juist aan het nationaal karakter van het verbond ontleent hij een sterk motief, om bij den enkele op persoonlijke bekeering, op persoonlijke verbondssluiting en verbondsvernieuwing aan te dringen. Lidmaatschap van het volk en van de kerk, het ontvangen van de teekenen en zegelen des verbonds is niet genoeg. Het komt op persoonlijke bekeering aan. Het verbond moet waarheid worden in eigen hart en leven. Dit aandringen op persoonlijke bekeering geeft dan aan de Schotsche prediking zulk een religieus karakter, zulk eene practische strekking. Ze beweegt zich altijd tusschen de beide polen van zonde en genade, van wet en evangelie. Ze daalt eenerzijds af in de diepten van het menschelijk hart, neemt zonder sparen alle bedekselen en voorwendselen weg, waarachter de mensch zich voor de heiligheid Gods verbergt, en stelt hem in zijne armoede en ledigheid voor Gods aangezicht ten toon; maar dan komt ze andererzijds ook tot den alzoo verslagene van geest met de beloften des Evangelies, put den rijkdom daarvan uit, beziet ze van alle zijden en past ze toe op alle omstandigheden van het leven.

In de preeken van Ebenezer en Ralph Erskine vindt men dit alles terug. De exegese laat soms te wenschen over. De vorm is niet meer van onzen tijd. Aan het vernuft worden niet altijd de noodige perken gesteld. Maar er is een belangrijk element in, dat ons heden ten dage veelzins ontbreekt. Het treffendst komt dat uit, als wi preeken als van de Erskines vergelijken met de stichtelijke lectuur, die tegenwoordig, vooral in de christelijke verhalen en romans, op de markt wordt gebracht. De geestelijke zielekennis wordt er in gemist. Het is alsof wij niet meer weten, wat zonde en genade, wat schuld en vergeving, wat wedergeboorte en bekeering is. In theorie kennen wij ze wel, maar wij kennen ze niet meer in de ontzaglijke realiteit van het leven. En daarom maakt de stichtelijke litteratuur uit vroeger dagen altijd een gansch anderen indruk dan die uit den jongsten tijd. Want, al staat ze ver van ons af en al is haar vorm voor ons verouderd, zij is en blijft natuurlijk in den echten zin des woords, terwijl die uit onze dagen, als zij aan de zielsproblemen toekomt, onnatuurlijk en gekunsteld wordt. We voelen, bij het lezen der oude schrijvers, dat ons een stuk uit het leven wordt aangeboden; het is de realiteit zelve, die ons te aanschouwen wordt gegeven. Als het ons niet om phantasie maar om werkelijkheid, ook in de dingen van Gods koninkrijk, te doen is, kunnen wij, kunnen inzonderheid ook de schrijvers van christelijke verhalen, niet beter doen, dan door een tijd lang bij mannen als de Erskines ter schole te gaan en in hun geschriften zich te verdiepen. En het is het minste deel van ons volk niet, dat in die stichtelijke lectuur van vroeger dagen nog allijd zich de ziel verkwikt. |6|

De preeken van de Erskines staan in Schotland op de grens van den ouden en den nieuwen tijd. In hun tijd trad het Methodisme op, en namen de „revivals”, de groote geestelijke opwekkingen, haar aanvang. Wesley bracht door zijne machtige prediking gansch Engeland in beroering en Whitefield plantte de religieuze beweging naar Amerika en Schotland over. De Erskines waren Whitefield eerst zeer gunstig gezind. Zij noodigden hem uit, naar Schotland te komen en ook daar het evangelie te verkondigen. Whitefield hield zijne eerste preek in Schotland zelfs in de kerk van Ralph Erskine te Dunfermline. Maar het kwam spoedig tot eene breuk. Op de conferentie, die door hem in Aug. 1741 met de gescheidenen gehouden werd, werd hem de eisch gesteld, dat hij alleen in hunne kerken prediken en daardoor deze alleen als de ware erkennen zou. Aan dien eisch kon Whitefield niet voldoen, en gevat gaf hij ten antwoord, dat „the devils people” meer behoefte aan zijne prediking had dan het volk Gods. Van toen af liepen de wegen uiteen. De gescheidenen wilden niets weten van den revival, die kort daarna in de kerk van Cambuslang onder den predikant Mc. Culloch plaats had. Ralph Erskine schreef er zelfs eene verhandeling tegen onder den titel Faith no fancy, geloof geen verbeelding. Maar deze tegenspraak baatte niet. Het Methodisme veroverde bijna geheel het Angelsaksische ras in BrittanniŽ en Amerika, en gaf een eigen karakter aan heel de kerk en theologie in die landen. Maar in Nederland bleef een groot deel des volks aan de Gereformeerde belijdenis, dat is tegenover het Methodisme, aan de verbondstheologie getrouw. En ook dit verklaart de sympathie, die hier te lande voor de oude Schotsche godgeleerden en hunne werken bij den voortduur gekoesterd wordt. De nieuwe uitgave van de Enskines strekt voor die sympathie ten bewijze en onderhoude ze tevens!


H. Bavinck.


Amsterdam,
Hervormingsdag 1904.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004