Herman Bavinck (1854-1921)

Openingsrede

van de Jaarvergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag, te Zwolle 7 Juli 1898

Bede en Rede. Ter inleiding van de Jaarvergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. Grondslag, gehouden te Zwolle op 6 en 7 Juli 1898

Kampen (J.H. Bos) 1898, 29-46

a



Met deze woorden (Matth. 28 : 16-20 en Mark. 16 : 15-18) van den opgestanen en ten hemel varenden Heiland roep ik u in deze ure het welkom toe, leden en begunstigers, vrienden en voorstanders van de Vrije Universiteit. Ik las u deze verzen voor ter inleiding van ons samenzijn, wijl zij de positie bepalen, welke wij, ook in de zaak van het Hooger Onderwijs, hebben in te nemen tegenover het leven en streven der eeuw.

Dat streven is in één enkel woord saam te vatten, in dat van emancipatie. Zakelijk en wezenlijk is deze niets anders dan de neiging van den schuldigen mensch, om God te ontvluchten, de wijde wereld in te gaan en daar voor zijn aangezicht zich te verbergen. Een zondaar is een vreesachtig schepsel; hij is bevreesd voor God, voor zijn woord, voor zijn, dienst, voor zijn volk; hij is bevreesd voor zichzelven, voor de stem van zijn geweten, voor de armoede en ledigheid van zijn hart; hij is bevreesd voor |30| den dood, voor de eeuwigheid, voor de dingen, die onzienlijk zijn. Hij schrikt ervoor terug, om met God, om met zichzelven alleen te zijn. En daarom zoekt hij zijn steunpunt en vastigheid, zijne afleiding en verstrooiing, zijne kracht en zijn glorie in de wereld der zienlijke dingen, die hij waarnemen kan met het oog en tasten kan met de hand. Hetzij de mensch bij zichzelven spreke, dat hij aan de kennis van de wegen des Heeren geen lust heeft, of in machtig bondgenootschap sterkte zoekend, den krijgskreet aanheffe: laat ons zijne banden verscheuren en zijne touwen van ons werpen, het is altijd hetzelfde streven, waardoor hij zich zoekt te emancipeeren van zijn Schepper en Heer.

Maar dit den natuurlijken mensch vanzelf eigene streven is in het Christelijk Europa, vooral sedert de dagen der Renaissance, tot een wetenschappelijk principe geworden en alzoo overgegaan in eene stelselmatige bestrijding van God en van zijnen Christus. Het is begonnen, met de verschillende levensterreinen los te maken van de kerk en hare belijdenis; het is ertoe voortgeschreden, om ze alle te ontworstelen aan Christus en zijn woord; en het eindigt er in deze eeuw mede, om elken band te verscheuren, die mensch en volk en wereld nog bindt aan God, aan godsdienst en zedelijkheid in het algemeen.

Deze emancipatie-zucht heeft daarbij niets gespaard. Alles is ten leste aan God en zijn dienst onttrokken en tot het terrein der Gode vijandige wereld overgebracht. Het een na het ander is tegenover het supranatureele, tegenover alwat van boven is, zelfstandig en onafhankelijk verklaard. Kerkelijke goederen en bezittingen niet alleen, maar ook huisgezin, maatschappij, staat, gezag, overheid, recht, zede, wetenschap, kunst, zelfs de vrouw, die als vrouw zooveel |31| aan Christus te danken heeft — zij worden allen meer en meer van de openbaring vervreemd en van onder de hoede van het christelijk geloof het beloofde land der geëmancipeerde vrijheid binnengeleid. Ja, tot op de kerk en de Schrift en den Christus toe zoekt men dit beginsel der emancipatie toe te passen, of zij mogelijk voortaan in dienst willen treden van evolutie-leer en socialisme.

Wat deze onafhankelijkheidsverklaring inhoudt en bewerkt, is licht te bevroeden. De gansche wereld en menschheid wordt athée, God-loos. De souvereiniteit Gods wordt uitgewisseld voor de souvereiniteit van het volk. Het huwelijk wordt een contract, dat ieder oogenblik opzegbaar en verbreekbaar is. Het huisgezin een gezelschap, waar de majesteit van het kind verre boven die der ouders te eerbiedigen is. De vrouw verliest haar gratie en streeft ernaar, een man te zijn. De kerk verandert in een genootschap, eene religieuse vereeniging. Religie zelve is niets anders dan een gevoel van kleinheid en afhankelijkheid ten opzichte van het al der dingen. Moraal bestaat in de regeling van eene zekere verhouding tusschen individu en maatschappij. De wetenschap wordt zuivere empirie, eindelooze verzameling van materiaal, specialiteitenstudie, détailonderzoek. En de kunst verlaagt zich tot eene nauwkeurige, photographische teruggave van de naakte, onreine werkelijkheid.

Daarbij doet zich dan nu tegen het einde dezer negentiende eeuw het merkwaardige verschijnsel voor, dat het nuchter objectivisme in de dronkenschap van het subjectivisme omslaat. Gelijk ebbe en vloed in de zee, zoo wisselen in de historie der menschheid intellectualisme en mysticisme, socialisme en individualisme, wereldvergoding en wereldverachting in vermoeiende eentonigheid elkander af. Tegenover |32| de leer, dat de enkeling niets en de maatschappij alles is, herneemt in het mysticisme van Maeterlinck, in de kunst der nieuwere school, in de moraal van Nietzsche het individu zijne rechten. Niet in de soort, maar in de persoonlijkheid komt de idee des menschen tot verwezenlijking. Niet het welzijn der maatschappij is het hoogste; zij dient slechts, om enkele krachtige exemplaren voorttebrengen, die in weelde en macht kunnen leven. Een dichter, een artiest, een idee, een boek, een kunstwerk is meer waard dan honderdduizend menschen, dan heel eene maatschappij. Het socialisme, de leer der vrijheid en der gelijkheid is de dood voor de kunst. En de kunst is de hoogste godin.

Er is in dit mysticisme door velen met blijdschap een terugkeer tot het Christelijk geloof begroet. Maar, al is het tegenover het hooghartig intellectualisme een merkwaardig verschijnsel des tijds, en al heeft het bij dezen en genen ongetwijfeld tot ernstiger gedachten geleid; in zijn oorsprong en wezen en strekking is het geen terugkeer tot, maar eene nog verdere verwijdering van het Christelijk geloof. De generatie, die thans vooral, in de kunst aan het woord is, staat in bewuste, blakende vijandschap tegen het Christendom over. Zij vloekt het in huiveringwekkende taal als de grootste dwaasheid, wijl het eene negatie is van den mensch; zij ziet erin, niet de verlossing des menschen, maar zijn schrikkelijken zondeval; zij klaagt het aan als oorzaak van die ellendige, vernederende slavenmoraal, welke de zwakken, de onderdrukten, de vervolgden boven de heeren en meesters, de helden en genieën der menschheid verheft en zalig spreekt. Zooals tegen het einde der Middeleeuwen, wordt ook thans de Christus met Confucius en Mohammed tot de bedriegers der menschheid gerekend. |33| Daarom moeten alle zedelijke begrippen worden omgesmolten en nieuw gemunt; wat tot dusver voor goed gold, zal kwaad heeten; wat kwaad was, zal voortaan gelden als goed, voornaam, edel en heerlijk. God moet zijne plaats inruimen voor Satan.


*

Daarmede is dan de voleindiging van de emancipatie in de wereld der gedachte bereikt, als Satan geëerd wordt als God en de mensch der zonde, de antichrist, als Christus gehuldigd wordt. Maar daarom hebben wij, als Christenen, tegen heel dit streven der eeuw, met bewustheid eene vaste positie in te nemen. Wij kunnen en mogen niet anders, zoo waarlijk wij gelooven in God, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. De naam en het wezen Gods zegt hier alles. Indien God, God is, dan is er en kan en mag er niets bestaan, onafhankelijk van Hem. God is als zoodanig Schepper, Onderhouder, Regeerder, absoluut souverein aller dingen. Hem ergens stelselmatig buitensluiten, is feitelijk Hem loochenen en Hem zijne Godheid ontrooven. God is nu eenmaal niets of Hij is alles voor ons. Hij is de Alpha en de Omega, de Eerste en de Laatste, uit en door en tot wien alle dingen zijn.

Dit alles is overtuigend voor ieder, die nog aan het bestaan Gods vasthoudt. Maar het klemt te sterker voor wie op christelijk, op gereformeerd standpunt zich plaatst. De belijdenis onzes geloofs is door en door theologisch, eene belijdenis van den Vader, den Zoon en den H. Geest. De drieëenheid is haar kenmerkend en centrale leerstuk. De gansche leer des geloofs is niets dan eene ontvouwing van wat God in dien drieëenigen Naam ons geopenbaard en bij den doop verzegeld heeft. Opdat die Naam heerlijk |34| zou zijn over alle Gods werken, is de schepping geschied; opdat die Naam in zijn recht en eere weer hersteld wierd, daartoe heeft Christus het werk der verlossing volbracht; opdat die Naam weer luisterrijk geschreven zou staan op het voorhoofd van wereld en menschheid, daartoe is de H. Geest uitgestort op het Pinksterfeest. Gelijk iedere ketterij daarom tot eene dwaling in de leer van Gods drievuldig wezen is te herleiden, zoo strekt omgekeerd de zuivere belijdenis dezer waarheid met mond en hart ten waarborg voor de klaarheid van ons denken, den bloei van ons leven, de kracht van ons handelen.

De belijdenis van den Vader, den Almachtige, den Schepper des hemels en der aarde, handhaaft het recht en de waarde van het natuurlijke; den goddelijken oorsprong van al het bestaande; de oorspronkelijke goedheid der wereld en in die wereld van gezin en maatschappij, van wetenschap en kunst, van handel en bedrijf. Er is niets zondigs in zichzelve. Alle gave Gods is goed, met dankzegging genoten en geheiligd door het gebed. De zonde is iets bijkomends, van buiten af in de schepping ingedrongen, geen essentieel bestanddeel van het geschapene maar eene deformatie van wat altijd van oogenblik tot oogenblik alleen in God leeft, zich beweegt en is.

In weerwil van het bederf, dat de zonde aangebracht heeft, kan God daarom de wereld nog liefhebben, wantzij bleef zijn schepsel en in zooverre goed. En Hij heeft ze liefgehad met eeuwige en almachtige liefde; Hij heeft liefgehad die gansche wereld, in haar organische eenheid gedacht, met alle haar ordeningen en scheppingen in stof en geest, in gezin en geslacht, in kunst en wetenschap. Hij gunde niet aan Satan den triumf maar bezigt hem en zijn werk als een instrument tot luisterrijker openbaring van |35| de kracht en de glorie van zijn Naam. Als eens de nieuwe hemel en de nieuwe aarde hersteld zijn, als de nieuwe menschheid in Christus zonder vlek of rimpel voor zijn aangezicht zal staan, dan zal Hij in de gansche schepping zijne eigene deugden van allen kant weerkaatst, zijn eigen Naam door alle schepsel in hemel en op aarde gehuldigd zien. Zoo groot was zelfs die liefde des Vaders, dat Hij zijn Zoon gaf aan die wereld en die wereld aan den Zoon, niet opdat Hij ze verderven, maar opdat Hij ze behouden zou. Christus is niet gekomen om eenig werk des Vaders, maar om alle werken des duivels te verbreken. Hoe zou de Zoon kunnen haten, wat de Vader liefgehad heeft? Was Hij niet zijn eigen, eengeboren, veelgeliefde Zoon, die nooit iets sprak of deed dan wat Hij den Vader zag doen, en het volbrengen van zijn wil de spijze zijner ziele noemde? Zoo groot was ook zijne liefde, dat Hij voor de eere van Gods Naam en het herstel van Gods schepping zich overgaf in den dood en gehoorzaam werd tot de schande des kruises toe. Even ver als de liefde des Vaders, strekt daarom de genade des Zoons zich uit. Zij is even diep van inhoud, even wijd van omvang, even machtig van werking.

En geen nauwer grens is er gesteld aan de wederbarende en vernieuwende werkzaamheid des H. Geestes. Want Hij staat in dezelfde verhouding tot den Zoon als deze tot den Vader. Gelijk Christus niets heeft en niets doet en niets spreekt van zichzelven maar alles ontvangt van den Vader, zoo neemt de H. Geest alles uit Christus. Gelijk de Zoon van den Vader getuigt en den Vader verheerlijkt, zoo op zijne beurt de Geest den Zoon. Gelijk niemand komt tot den Vader dan door den Zoon, zoo kan niemand Jezus den Heere belijden dan, door den H. Geest. Maar Hij |36| neemt alles ook uit de volheid van Christus en maakt zijne weldaden deelachtig. Hij schenkt zijne inwoning en gemeenschap aan alwat de Vader liefgehad heeft en de Zoon heeft gekocht met zijn bloed.

Zoo is eenheid in samenwerking van alle de drie personen in het aanbiddelijk wezen onzes Gods. Er is verscheidenheid in de eenheid en eenheid in de verscheidenheid. De drieëenheid is de belijdenis, dat God souvereine waarheid, volstrekte heiligheid, majestueuse heerlijkheid is. Zij is de kern van het Christelijk geloof, het hart van onze Gereformeerde religie. Want deze is niets anders dan de erkentenis en huldiging van dat ééne, groote werk Gods, waardoor de door de zonde verwoeste schepping des Vaders in den dood des Zoons verzoend en door de vernieuwende werkzaamheid des H. Geestes herschapen wordt tot een koninkrijk Gods.

Daarom is aan de christelijke religie de katholiciteit inhaerent. Zij is aan geen tijd of plaats, aan geen land of volk, aan geen geslacht of leeftijd gebonden. In Christus is geen Jood of Griek, barbaar of Scyth, man of vrouw, dienstknecht of vrije, maar alleen een nieuw schepsel. Het koninkrijk Gods bestaat niet in vleesch of bloed, in spijze of drank, maar in gerechtigheid en vrede door den H. Geest. Zalig zijn geen klasse van rijken, geen stand van aanzienlijken, geen kaste van priesters of geleerden, maar zalig zijn de armen van geest en de reinen van hart. En wijl het zoo katholiek is naar zijn innerlijk wezen, daarom breidt het ook tot heel de wereld en menschheid zich uit. De gansche wereld is door de zonde bedorven en verdoemelijk voor Gods aangezicht; er is niets of het heeft behoefte aan verzoening, vergeving, vernieuwing. Maar de liefde des Vaders heeft ook de wereld tot voorwerp. Niet |37| gelijk de misdaad, alzoo is de genadegift. Want indien door de misdaad van éénen velen gestorven zijn, zoo is veel meer de genade Gods en de gave door de genade, die daar is van éénen mensch, Jezus Christus, overvloedig geweest over velen. Het Evangelie is daarom eene blijde boodschap voor alle creaturen. Alle volken moeten onderwezen en gedoopt worden in den naam van God drieëenig. Aan Christus is alle macht gegeven in hemel en op aarde. En Hij blijft bij ons tot de voleinding der eeuwen. Het is Gods welbehagen, om nu in de bedeeling van de volheid der tijden alles wederom bijeen te vergaderen, beide dat in den hemel en dat op de aarde is. Er is hier niets door zijn eigen natuur van uitgesloten, ook de wetenschap niet. Zij moge, als wij allen, in zonden ontvangen en geboren zijn, zij is niet zondig in zichzelve. Zij is eene goede gave, nederdalende van den Vader der lichten. En Christus is gekomen, niet opdat Hij ze verderven maar opdat Hij ze behouden en ook op haar terrein de schrikkelijke werken des duivels, de dwaling en de leugen, bestrijden en verwinnen zou. Niet als een dwingeland of despoot komt Christus daarom tot de wetenschap, maar als een Profeet, die haar leeren, als een Priester, die haar reinigen, als een Koning, die haar leiden wil. Hij is Koning gebo. ren, om der waarheid getuigenis te geven. Zijn juk is zacht en zijn last is licht, ook voor de vermoeide en beladene wetenschap; en ook voor haar zijn zijne geboden niet zwaar.

Bij de Universiteitskwestie in ons vaderland gaat het dus inderdaad om de grootte van de liefde des Vaders, om den rijkdom van de genade des Zoons, om de kracht van de gemeenschap des H. Geestes, d.i. al verder om de eere van Gods drieënigen naam, om de goddelijke autoriteit van zijn woord, om het souvereine koningschap van Christus, |38| om de katholiciteit van onze belijdenis, om de ruimte van ons hart en onze ingewanden. Christus rust niet, voordat Hij ook op de erve der wetenschap de overwinning heeft behaald en het gansche koninkrijk voltooid en volmaakt, aan den Vader heeft overgegeven!


*

De historie der kerk drukt op deze breede opvatting en toepassing van het algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof haar zegel. Hoe klein en zwak ook, de gemeente is van den aanvang af zich bewust geweest van eene roeping voor de gansche wereld. Paulus heeft tegenover de Judaisten van zijn tijd deze katholiciteit des Christendoms met alle kracht verdedigd. En toen de gemeente hare intrede deed in de wereld, heeft zij dit beginsel gehandhaafd tot op het schavot en den brandstapel toe. Zij vond tegenover zich een machtig wereldrijk, eene georganiseerde maatschappij, eene hoog ontwikkelde cultuur. In de geweldige worsteling der tweede en derde eeuw had de wereld alle macht aan hare zijde, overheid, gezag, wetenschap, kunst, beschaving, publieke opinie, de volksstem; en zij liet geen wapen van doodzwijgen, van hoon, spot en smaad, van leugen, laster en vervolging te vuur en te zwaard ongebruikt, om de gemeente zoo mogelijk van de aarde te verdelgen. En deze had niets daartegenover; zij was eene secte, overal tegengesproken; zij bestond uit niet vele edelen en machtigen en rijken; zij had geen ander wapen dan het wapen des kruises.

Maar het dwaze Gods bleek wijzer dan de menschen, en het zwakke Gods bleek sterker dan de menschen. Niet door geweld of dwang maar langs zedelijken weg, niet met vleeschelijke maar met geestelijke wapenen is toen de strijd |39| gestreden, en de overwinning behaald. Huisgezin, maatschappij, staat, wetenschap, kunst en alle kringen en uitingen van het menschelijk leven zijn toen allengs gekerstend, uit hun verval opgebeurd en tot nieuwen bloei gebracht. Dat was geene af buiging van den rechten weg, maar eene vervulling der belofte, dat voor Jezus’ gemeente aan het lijden de heerlijkheid en aan het kruis de kroon verbonden is. Zoo weinig was deze toenemende macht van het Christelijk geloof over heel het leven der wereld op zichzelf eene afdwaling, dat het toen juist veeleer in de grootsche figuren der Kerkvaders, in de zuivere dogmenvorming, in de ontwaking der christelijke kunst, in de kerstening van wet en recht en zede zijne zedelijke kracht voor aller oog aan den dag gelegd heeft.

Maar het is waar, dat onze vreugde over den triumf van het Christendom in die dagen niet onvermengd wezen kan. Aan de Katholieke idee heeft zich reeds zeer spoedig de Roomsche gehuwd. De leidende gedachte van het oude Rome, de wereldpolitiek, het Cesarisme, is in de kerk van Christus overgeplant. Het Koninkrijk der hemelen werd onder dien invloed allengs niet meer verstaan als een zuurdeesem, die alles doordringt; maar als eene bovenaardsche macht, die van buiten af der wereld opgelegd, als eene bovennatuurlijke gave, welke mechanisch aan het natuurlijke toegevoegd werd, als een teugel, die diende tot breideling van de begeerlijkheid van het vleesch. En toen is het aanschouwd, dat de kerk meer en meer den zedelijken weg verliet, Judaisme en Paganisme onder een dun christelijk vernis in de maatschappij voortwoekeren liet en met eene gewelddadige handhaving van eene uitwendige, oppervlakkige belijdenis zich tevreden stelde.

Daarom was en werd reformatie hoe langer hoe meer |40| noodig. De Middeleeuwen zijn van pogingen tot hervorming vervuld. Maar eindelijk brak die principieele, doortastende Reformatie aan, welke den bijl legde aan den wortel des booms en de kerk zelve naar den Woorde Gods te reformeeren ondernam. Toen kwam tegenover de deformatie inzonderheid bij Calvijn, de ware, radicale reformatie te staan, die tot den wortel doordrong en vandaar uitalles vernieuwde. Gereformeerd toch is niets anders dan het Christelijke zelf, gelijk het uit de verbastering in de historie der zestiende eeuw weer zuiver is te voorschijn getreden. En daarom was het Gereformeerde beginsel even katholiek als het Christendom zelf.

Hier toch, meer dan in eenige andere belijdenis, is de genade volstrekt souverein, overvloediger dan alle zonde, onafhankelijk van geslacht en leeftijd en volk en land, onafhankelijk zelfs van den wil van den mensch. Aan de liefde des Vaders, aan de genade des Zoons, aan de gemeenschap des H. Geestes is geen andere grens gesteld, dan welke in den altijd wijzen en heiligen raad Gods getrokken is. Geen terrein des levens is van de herschepping uitgesloten. Niets is onverzoenbaar en onverlosbaar in zichzelve. Aan geen schepsel Gods behoeft gewanhoopt. Het Evangelie is voor alle creaturen bestemd.

En wijl hij deze gedachte der Schrift heeft gegrepen, is Calvijn geworden de vader van vele volken. Zijn zaad is geweest als de sterren des hemels en als het zand aan den oever der zee in menigte. Niet alleen de kerk, maar volken en landen zijn door hem herboren; huisgezin, maatschappij, staat, zede, wetenschap, kunst hebben den stempel ontvangen van zijn geest.

Zoomin als het oorspronkelijk Christendom, kan de Gereformeerde belijdenis er zich mede tevreden stellen, dat |41| enkele zielen worden gered en in een van de wereld afgescheidenen kring in veiligheid worden gebracht. Zij rust niet, voordat zij alles hervormd heeft. Zij is niet soteriologisch maar theologisch van uitgangspunt. Het is haar te doen om de glorie van des Heeren Naam.

Toch is de Reformatie, althans op één punt, niet radikaal genoeg geweest. In de Protestantsche kerken heeft welhaast datzelfde verschijnsel zich voorgedaan, dat waar te nemen viel in de kerkhistorie der vierde eeuw. Met behulp van macht en geweld meenden zij, de geesten te kunnen bezweren. In plaats van zelve op hare hoede te zijn, droegen zij aan de overheid de wacht bij de beginselen op. En terwijl zij insluimerden op de lauweren van weleer en aan zoete ruste zich overgaven, heeft vanonder de macht der christelijke beschaving de natuurlijke mensch zich verheven en om de verklaring zijner rechten gevraagd.

Het is waar en strekt der Reformatie tot eere, dat de Revolutie in Roomsche landen uitgebroken is en daarhaar schrikkelijkste verwoestingen aangericht heeft. Toch bewijst de invloed, dien zij geoefend heeft, en de onmetelijke afval, die haar in deze eeuw gevolgd is, hoe ondiep en oppervlakkig de kerstening der volken, de kerstening der cultuur is geweest.

Gode zij dank, is toen tegenover de Revolutie weder door den adem des Heeren eene ontwaking der gemeente, eene herleving der Christelijke, ook der Gereformeerde beginselen aanschouwd. En antirevolutionair heeten wij ons thans, om aan te duiden, dat de Christelijke religie niet alleen voor de kerk, maar ook voor staat en huisgezin en maatschappij hare beteekenis heeft. Ja, beter dan vroeger verstaan wij het thans, dat onze beginselen toepassing eischen op ieder levensterrein. Het is een recht, waar alwat door |42| de zonde bedorven is, naar Gods genade, aanspraak op heeft. En daaronder neemt de wetenschap eene eerste plaats in. Zij heeft er behoefte aan, om van de dwaling en de leugen der eeuw bevrijd, om door Christus verzoend en geheiligd te worden. Ook zij heeft er recht op, dat haar het Evangelie verkondigd worde, gelijk aan alle creaturen.

En daarbij komt, dat ons, meer nog dan het geld, in dezen tijd in staat en kerk, in wetenschap en kunst, de mannen ontbreken, die vooraan kunnen staan inden strijd. Een leger is goed, maar wat zal het uitrichten, als de officieren ontbreken? Niet bij enkelen, maar bij tien- en honderdtallen hebben de ongeloovige scholen van lager en middelbaar en hooger onderwijs ons onze zonen ontroofd. Gansche familien en geslachten zijn door haar aan de zijde onzer tegenstanders overgebracht. En alleen eene Christelijke wetenschap, eene Gereformeerde Hoogeschool is in staat, om voor ons te bewaren of ons terug te schenken de mannen, die met hunne overtuigingen niet tegenover het volk staan, maar het leiden en voorgaan naar zijn historischen, nationalen en calvinistischen aard.

Eene Universiteit toch is meer waard dan heel een leger des heils. Want zij behoudt niet enkele zielen, maar herschept de wereld der gedachte en het bewustzijn van gansch een volk om. Buitenlandsche zending is goed, en evangelisatie binnen onze eigen erve is noodzakelijk. Maar hoog boven deze staat de waarde, invloed en macht eener Christelijke. Universiteit. Want Evangelisatie moge hare duizenden verslaan; eene Vrije, Christelijke Hoogeschool verslaat hare tienduizenden. |43|


*

Geen wonder daarom, dat de gedachte aan eene Christelijke Universiteit velen met vreeze en beving vervult. Er is niets, waar vele menschen zoo bang voor zijn als voor beginselen. Toch is die vreeze meestal met eene bezorgdheid vermengd, welke onze waardeering en in elk geval onze aandacht verdient. Telkens toch wordt de vreeze geuit, dat wij de kerk weer willen doen heerschen over den staat, de wetenschap binden aan eene haar vreemde macht, en zelfs weer brandstapels en schavotten willen oprichten voor ketters en ongeloovigen.

Tot op zekere hoogte dient nu eerlijkheidshalve erkend, dat wij het er in de vorige eeuwen, helaas, als Christenen niet naar hebben gemaakt, dat men ons in dezen thans terstond en volkomen vertrouwt. Nooit en nergens schier is de kerk van Christus tot macht gekomen, of zij heeft die macht tot onderdrukking of achteruitzetting harer tegenstanders misbruikt. Zij is voor de zware proef der weelde evengoed, als de liberalen in deze eeuw bezweken. En zij heeft daarin te ernstiger gezondigd, als uitnemender roeping haar toebetrouwd was.

O, om als eene partij, die in de minderheid is, voor vrijheid van geweten en religie te pleiten, dat hebben op hun beurt alle onderdrukten gedaan. Zulk een pleitrede wordt niet uit een beginsel, maar uit den nood geboren. Eerst dan kan onze verzekering vertrouwen wekken, als ze klaar en streng uit beginselen afgeleid is, die in onze Christelijke belijdenis wortelen en daar hun bodem hebben.

Zeker, roeping is het van alle christenen, ook van de overheid, om de christelijke religie te doen vorderen, om afgoderij uit te roeien, om het evangelie alom te doen prediken; maar niet anders dan met middelen, die met den aard van dat Evangelie zelf in overeenstemming zijn. |44| Geweld en zwaard, dwang en straf, brandstapel en schavot zijn in dezen geestelijken strijd niet de wapenen van den nieuwen maar van den ouden mensch.

Wat Christelijk is, Jezus heeft het ons in de Bergrede gezegd: Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben, en uwen vijand zult gij haten. Maar Ik zeg u: hebt uwe vijanden lief, zegent ze die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten, en bidt voor degenen, die u geweld aandoen en die u vervolgen, opdat gij moogt kinderen zijn uws vaders, die in de hemelen is. Want Hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde ? En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzoo? Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is. Een ultramontaan heeft eenmaal gezegd: wij eischen thans vrijheid voor onszelven krachtens uw beginsel, o liberalen; maar straks, als wij de macht in handen hebben, zullen wij ze u ontnemen krachtens ons beginsel! Dat is Roomsch en Ultramontaansch; het is niet Christelijk, en naar het beginsel geoordeeld, ook niet Gereformeerd. Maar Christelijk is het, ook over den vijand en tegenstander de zon der vrijheid te laten schijnen, en in den geestelijken strijd der beginselen niet anders dan met geestelijke wapenen te strijden. Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten, dewijl wij de overlegging ter neder werpen en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennisse Gods en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. |45|

Dit nu geldt ook, en niet het minst, voor de wetenschap. Het is verklaarbaar, dat velen van eene Universiteit, die aan de belijdenis naar Gods Woord gebonden is, voor de wetenschap het ergste vreezen. Wie Christus niet kent, weet niet, hoe goed Hij is. Zij meenen, dat Hij een keizer, een despoot, een dwingeland is, en Hij is een koning, zachtmoedig en rijdende op het veulen eener ezelin. Zij stellen zich Hem voor als heerschende door dwang en geweld, en Hij wil niet anders dan een gewillig volk op den dag zijner heirkracht. Ook tot de wetenschap komt Hij thans in deze bedeeling met niet anders dan het Evangelie des vredes en des heils. Eenmaal verschijnt Hij wel als Rechter, om te oordeelen de levenden en dooden. Maar thans komt Hij nog altijd als Profeet en Priester en Koning, niet om te veroordeelen, maar om te behouden en zalig te maken.

Het is waar, dat wij de geboden van Christus soms gevoelen als een last, omdat zij niet passen aan onze zondige natuur. Zoolang wij opgevoed worden als kinderen, is de tucht der wet onontbeerlijk. Maar die tucht behoedt ons voor afdwaling, en is later eene oorzaak van ootmoedigen dank. Hoezeer wij vanwege onze zondige natuur de geboden van Christus onszelven tot een last maken, zij zijn in zichzelve niet zwaar. Het Evangelie van Christus is de vernieuwing der wereld, de hervorming der wetenschap. Indien de Zoon haar vrijgemaakt heeft, dan alleen is zij waarlijk vrij.

Zoo doen wij dan ook niets af op de wetenschap van den tegenwoordigen tijd. Wij erkennen haar in haar volle waarde en hebben eerbied voor den ijver, het geduld, de inspanning, het talent en genie harer beoefenaars. Maar indien wetenschap nog iets anders en meer is, dan zuivere |46| empirie, dan kennis van détails; indien zij ter laatster instantie altijd weer is en wezen moet philosophie, kennis van het blijvende, van het algemeene, van het eeuwige; dan is die wetenschap alleen de ware, welke van de Christelijke beginselen uitgaat en Christus erkent als haren Koning en Heer. Want in zijn Woord alleen is ons ontsloten de kennis van den oorsprong en het wezen, van de waarde en de bestemming aller dingen. Bij Hem is de bron des levens; in zijn licht zien wij alleen het licht. En zoo weinig is het koningschap van Christus ons daarbij een last en een juk, dat wij veeleer ook op de erve der wetenschap het telkens getuigen: Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten. Klein moge onze moed en zwak onze kracht zijn; naar de ordinantiën, die in het koninkrijk der hemelen gelden, maakt zwakheid onze kracht, armoede onzen rijkdom, en dwaasheid onze wijsheid uit. Want gij ziet uwe roeping, Broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zoude beschamen; en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgene niet is, opdat Hij hetgene iets is, te niet zoude maken; opdat geen vleesch zonde roemen voor Hem!




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004