Herman Bavinck (1854-1921)

Het Koninkrijk Gods

Handboekje ten dienste der Gereformeerde Kerken in Nederland voor het jaar 1894

Onder redactie van Ds. J.H. Feringa te Klundert en Ds. A. Littooij te Middelburg
Middelburg (K. le Cointre) 1893, 243-252

a



Eene der hoofdgedachten in het onderwijs van Jezus, naar de beschrijving der drie eerste Evangelisten, is die van het Koninkrijk Gods. Tientallen malen wordt deze uitdrukking van zijne lippen gehoord. In eene reeks van gelijkenissen worden natuur en eigenschappen van dat Rijk ons ontvouwd. Het zoeken van dat Koninkrijk is voor ieder mensch de eerste plicht, en het bezit daarvan de hoogste zaligheid. De voorname en centrale plaats, welke Jezus aan dit denkbeeld in zijn onderwijs toekent, kan het althans voor een oogenblik bevreemdend doen voorkomen, dat dit begrip in de leer en het leven der Christenen zoo weinig op den voorgrond treedt. Gewoonlijk komt het slechts even ter sprake bij het koninklijk ambt van Christus en in de verklaring der tweede bede van het volmaakte gebed. Maar overigens staat het op den achtergrond; beginsel en richtsnoer van denken en handelen is het niet. En het verdient opmerking, dat de uitdrukking van het Koninkrijk Gods het minst wordt gebezigd in die kringen van Christenen, welke het meest leven buiten de invloeden der eeuw.

Het is dan ook nog niet zoo lang geleden, dat men van eene tegenstelling begon te spreken, welke te dezer zake tusschen het onderwijs van Jezus en de leer der kerk bestond. Eerst in en sedert de vorige eeuw werd van verschillende zijden de aandacht gevestigd op dit denkbeeld van het Koninkrijk Gods, dat op iedere bladzijde van de Evangeliën terugkeert. Verschillende oorzaken waren er, die de gedachten van velen naar deze idee van het Rijk Gods henenleidden. Chiliastische verwachtingen schoven |244| dit denkbeeld op den voorgrond. Practische Christenen pasten het toe op de philantropische en missionaire werk. zaamheden, die zij ter hand namen. Moralisten grepen het aan ter aanduiding van eene zedelijke gemeenschap onder de menschen, in tegenstelling met die van de Kerk en den Staat. Een der eersten, die van dezen term zich bediende, was de wijsgeer Kant, die daaronder verstond eene maatschappij van menschen, welke op de religie der rede was gebazeerd en de deugd tot beginsel had. Sedert heeft dit denkbeeld hoe langer hoe meer terrein gewonnen. Het werd gebezigd als een middel, om alle vormen van mysticisme te bestrijden en een practisch en werkdadig Christendom aan te bevelen. Ook in de kerkelijke kringen drong het langzamerhand door. Zending en philantropie vooral waren de werkzaamheden, die den arbeid in bet Koninkrijk Gods uitmaakten, en waardoor het komen en uitgebreid moest worden. En toen deze idee langzamerhand doorgedrongen was, stonden er Godgeleerden op, die heel de dogmatiek en zelfs heel de theologie van uit deze gedachte trachtten te organiseeren. Zij moest het indeelingsbeginsel en de heerschende gedachte worden in heel de leer en het leven der Christenen. Dat Rijk op aarde te stichten was de bedoeling Gods, de levenstaak van Christus, de plicht der geloovigen. Het Rijk Gods was de godsdienstig-zedelijke gemeenschap der menschheid, gelijk die eenmaal door den arbeid der liefde tot stand komen zou.

Maar tegen deze opvatting zijn allengs gewichtige bezwaren gerezen. Eene nieuwe voorstelling komt langzamerhand op, die evenmin als de vorige buiten den invloed van den geest des tijds is ontstaan. Tal van verschijnselen toch wijzen er op, dat het eigenlijk streven der negentiende eeuw, om n.l. deze aarde te maken tot een paradijs, op jammerlijke teleurstelling is uitgeloopen. In weerwil van al het groote en goede, dat deze eeuw tot stand zag komen, is er godsdienstig en zedelijk geen vooruitgang, maar schier algemeene achteruitgang te bespeuren. Er is |245| onvrede en onvoldaanheid alom. Er is oververzadigdheid der cultuur aan de eene, er is gebrek en ellende aan de andere zijde. De machtige veroveringen, door den menschelijken geest op de natuur en hare krachten behaald, hebben de menschheid innerlijk niet gelukkiger en niet beter gemaakt. Steeds meer dringt het besef door, dat de cultuur, dat de beheersching der aarde, den mensch niet bevredigd heeft en niet bevredigen kan. De geschiedenis dezer eeuw levert de bevestiging van het woord: wat baat het een mensch, dat hij de gansche wereld gewint, indien hij schade lijdt zijner ziele? Zelfs onder Christenen wordt meermalen een klaagtoon gehoord. De velerlei werkzaamheden eischen opofferingen, die almeer de krachten te boven gaan, en dragen geen vrucht, die aan de verwachting beantwoordt. De resultaten der Zending zijn gering. De problemen op sociaal terrein blijken veel te machtig voor de christelijke philanthropie. Drankmisbruik, prostitutie, misdaad, zelfmoord en eene reeks van zonden en kwalen nemen hand over hand toe.

Van een rijk Gods in den zin van eene zedelijke gemeenschap, die de menschen onderling in liefde verbindt, is zoo goed als niets te bespeuren. De vrees wordt zelfs gekoesterd, dat heel de Europeesche beschaving in een barbaarschen toestand zal ondergaan. Zoo maakt bij velen de hoop voor moedeloosheid plaats. De blijde verwachting wijkt voor bittere teleurstelling. Het optimisme wordt door pessimisme vervangen. De wereldverovering slaat om in wereldontvluchting. En de nieuwe geest, die tegen het einde der negentiende eeuw aan het woord komt, zoekt niet in arbeid, maar in rust, niet in daden van den wil, maar in stemmingen des gemoeds den vrede, dien het menschelijk harte behoeft. Daarmede in overeenstemming, wordt dan ook het Rijk Gods door velen thans wederom opgevat, niet als eene ethische, maar als eene religieuse gemeenschap. Het is niet reeds op aarde aanwezig maar eerst in de toekomst te verwachten. Het stelt ons geen taak, die wij zouden hebben uit te voeren, maar is eene gave Gods, die wij kinderlijk uit zijne hand moeten aannemen. Het is geen rijk, dat door |246| menschelijken arbeid tot stand gebracht, maar alleen door goddelijke tusschenkomst verwezenlijkt kan worden.


Zonder twijfel heeft Jezus bij de prediking van het Koninkrijk der hemelen zich aangesloten aan het Oude Testament, in ’t bijzonder aan de profetie van Daniël, hoofdstuk 2 : 44; 7 : 18, 14, 27. De gedachte van een Rijk Gods is een israelitisch, is een openbaringsbegrip. Reeds Israel was in zekeren, d.i. in voorloopigen en typischen zin een Koninkrijk des Heeren. Het was door God in vrije liefde verkoren. Het was het volks zijns eigendoms, en bestemd om een heilig volk en een priesterlijk Koninkrijk te zijn, Exod. 19 : 6. God was zijn Koning, en zij waren zijn volk. Maar Israel heeft aan die roeping niet beantwoord. Telkens maakte het aan afval en bondsbreuk zich schuldig, en dus verbanning zich waardig. Maar God kon en mocht zijn volk toch niet verstooten. Hij was het aan zijn naam en aan zijne eer onder de Heidenen verplicht, om zich over zijn volk te ontfermen. Het verbond, met de vaderen opgericht, was ook een eeuwig verbond, een verbond der genade, en dus niet rustende op den mensch, maar vastliggende in de onveranderlijke trouw van Jehovah. Daarom richt dan ook de profetie van het zondig en droevig heden naar eene heldere toekomst van genade het oog. Ontrouw van Israels zijde kan het verbond Gods niet te niet doen. Daar moge een oogenblik zijn in Gods toorn, er is een leven in zijne goedertierenheid. De Heere zal zijn volk niet verlaten. Hij zal het wederom aannemen en terug doen keeren in zijn land. Hij zal alle ongerechtigheden hun vergeven, en hunne zonden niet meer gedenken. Hij zal hen bekeeren, en hun een nieuw hart en een nieuwen geest geven in ’t binnenste van hen. Onder den Gezalfde, den Koning uit Davids huis, zal Hij zijn volk ter overwinning leiden en doen heerschen over alle zijne vijanden. Dan zal het vrederijk een aanvang nemen. lsrael zal veilig wonen in het land Kanaan. Tempel en altaar zullen herbouwd worden. Vrede en welvaart zal er |247| heerschen alom. God zal Israels Koning, Israel zal Gods volk zijn, eeuwiglijk en altoos. Dit was de algemeene inhoud der Oudtestamentische profetie. En deze verwachting der profeten drong door onder het volk. Zij bleef leven ook nadat de profetie had opgehouden. Zij hield Israel staande onder druk en vervolging. Zij was wijd verbreid ook ten tijde van Jezus’ komst op aarde. Vele vromen zagen reikhalzend naar dat Koninkrijk uit.

Aan deze verwachting van de komst van het Godsrijk knoopt eerst Johannes de Dooper, Matth. 3 : 2, daarna Jezus zelf Mark. 1 : 15 zijne prediking vast. Inhoud zijner prediking is het Evangelie van het Koninkrijk Gods, d.i. de verkondiging, dat de tijd is vervuld en het Koninkrijk nabij is gekomen. En deze vervulling van den tijd en deze nabijheid van het Koninkrijk blijkt daaruit, dat in Jezus de boloofde Messias is verschenen, door wien God alleen Zijn Koninkrijk onder Israel oprichten zal. Als zoodanig werd hij door Johannes aangekondigd, en bij den doop door God zelven gehuldigd. In den Messias is het Koninkrijk uit de hemelen op aarde nedergedaald. In zijn persoon, in zijn woorden en werken wordt de Goddelijke kracht en heerschappij over zonden en ellenden openbaar, Matth. 4 : 23, 9 : 35, 12 : 28. Luc. 9 : 2, 10 : 9. In zooverre als het Koninkrijk Gods dan ook door de verschijning en het werk van Christus wordt voorbereid, wordt het in het N. Testament als reeds tegenwoordig voorgesteld. Velen hebben dit ontkend, maar ten onrechte. Verschillende teksten o.a. Matth. 6 : 10, 12 : 28, 13 : 31, 33. Luk. 17 : 21, Joh. 18 : 86, leeren duidelijk, dat het Koninkrijk Gods ook reeds in zekeren zin als aanwezig gedacht wordt. Maar deze aanwezigheid van het rijk Gods op aarde door den persoon en de werken van Christus is slechts eene voorloopige en voorbereidende. Zij verkondt zich tot de volle verschijning van het rijk Gods in de toekomst als de dageraad tot den dag, als het zaad tot den boom. Enkele goederen van dat rijk, zooals de vergeving der zonden, worden hier reeds in beginsel en in voorsmaak genoten; maar |248| in zijn volle heerlijkheid wordt het Godsrijk toch eerst aan het einde der dagen verwezenlijkt. Het is daarom ook volkomen juist, dat het Koninkrijk Gods bij Jezus zoowel als bij de Apostelen meestentijds eene eschatologische beteekenis heeft. In den eigenlijken vollen zin is het nog niet, maar zal het eenmaal komen. Het moge door de prediking des Evangelies voorbereid worden en onderscheidene teekenen mogen zijne nabijheid bewijzen Luk. 21 : 31; het treedt toch eerst in volle werkelijkheid bij de wederkomst van Christus. Dan zullen de armen van geest en alle degenen, die door Jezus zijn zalig gesproken, de goederen genieten, die in dat Koninkrijk voor hen zijn weggelegd, Matth. 5 : 3 v. Het Koninkrijk is de erfenis, welke, ofschoon reeds op aarde hun toegekend, toch eerst aan het einde der wereld zal worden aanvaard. Matth. 25 : 34, 1 Cor. 6 : 9 en 10, 15 : 50, Hebr. 12 : 28, Jak. 2 : 5. Het is het feestmaal, waaraan eenmaal alle geloovigen met Abraham zullen aanzitten, Matth. 8 : 11, 22 : 2, 25 : 1, Luk. 22 : 16, 18. Het valt samen met de eeuwige zaligheid, die eenmaal aan de kinderen Gods geschonken zal worden.

Wanneer we het Koninkrijk Gods opvatten in dezen vollen, rijken zin, is er geen grond voor de bewering, dat de Oudtestamentische idee van het Koninkrijk Gods in het N. Test. geheel vergeestelijkt en van alle zinnelijke en politieke elementen is ontdaan. Want ook in het N. Testament komt het Koninkrijk Gods op aarde Matth. 5 : 5; het wordt meermalen geschilderd onder de beelden van een bruiloft en feestmaal Matth. 8 : 11; en heeft ook eene politieke beteekenis Matth. 20 : 20-23. Luk. 19 : 11-27. Hand. 1 : 6, 7, Openb. 21 : 23 v. Maar wel is er een aanmerkelijk onderscheid tusschen de leer van het Koninkrijk Gods bij Jezus en de Apostelen en die bij hunne tijdgenooten. Want Jezus en de Apostelen leggen den eesten en den sterksten nadruk op de geestelijke goederen die in dat Godsrijk worden geschonken, zooals de aanschouwing van God en het eeuwige leven Matth. 5 : 5, 7 : 14, Mark 9 : 45, |249| 10 : 30. Zij binden den ingang in het Koninkrijk alleen aan zuiver geestelijke voorwaarden, zooals de gerechtigheid, de wedergeboorte, het worden gelijk een kindeke, Matth. 5 : 30, Joh. 3 : 3, Matth. 18 : 3. En zij veroordeelen en verbieden elke politieke actie, om het Godsrijk met geweld te doen komen, Matth. 22 : 21, Luk. 12 : 18, 14.

Daarbij verdient het onze opmerkzaamheid, dat het wezenlijke van dit Koninkrijk Gods niet ligt in de onderlinge gemeenschap der burgers, noch ook in den zedelijken band, die hen samen verbindt. Al is de gedachte daaraan natuurlijk niet buitengesloten, toch valt al de nadruk op den Koning, die daar regeert en zijne zegeningen aan de burgers te genieten geeft. Het is geen zedelijke vereeniging noch ook eene democratische maatschappij, maar eene religieuse gemeenschap. God is daar Koning. Zijns is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid. Ofschoon ook de Zoon Koning van dat rijk wordt genoemd, wijl de Vader het hem verordineerd heeft, gelijk deze weder aan zijne discipelen, Luk. 22 : 29; toch is God de eigenlijke Koning. De Messias is het, die door Zijn werk het Koninkrijk voorbereidt en de normale verhouding tusschen God en mensch herstelt; maar juist als het Koninkrijk in vollen, eigenlijken zin optreedt, doet Christus afstand, en geeft Hij de Koninklijke heerschappij aan den Vader over. Dan toch heeft hij zijn Middelaarsambten niet meer te bedienen; er is geen wedergeboorte en bekeering, geen vergeving en heiligmaking meer van noode. God is dan alles in allen 1 Cor. 15 : 24, 28, Openb. 19 : 6. En deze koninklijke regeering Gods staat in de idee van het Koninkrijk Gods steeds op den voorgrond. Daarin bestaat de heerlijkheid van dit rijk, dat God er Koning is. Daarin ligt ook al de zaligheid voor de burgers opgesloten. Want dit Koningschap Gods brengt voor de onderdanen alle heil en zegen, alle geestelijke en natuurlijke weldaden mede. Daarom wordt dit Koninkrijk in de Schrift ook zoo dikwerf voorgesteld als een goed, als het inbegrip van |250| alle goederen, die eens aan de kinderen Gods geschonken zullen worden. De gedachte aan eene gemeenschap van menschen valt er dan geheel uit weg. Het is eene erfenis die in de hemelen bewaard wordt, eene gave die onzerzijds kinderlijk ontvangen moet worden Mark. 10 : 15, een toestand van zaligheid, die niet door krachtsinspanning en arbeid verkregen wordt, maar dien God zelf eenmaal aan het einde der dagen door de verschijning van Christus voor de zijnen intreden doet 2 Tim. 4 : 1.


Juist omdat het Koninkrijk Gods in het Nieuwe Testament doorggaans zulk een eschatologische beteekenis heeft, treedt het in het apostolisch onderwijs terug. Reeds in het Evangelie van Johannes wordt het vervangen door de gedachte van het eeuwige leven, dat in beginsel op aarde geschonken wordt aan een iegelijk die gelooft. In de brieven der apostelen komt het begrip slechts enkele malen meer voor en bijna altijd in eschatologischen zin. Inhoud van de Apostolische prediking is niet meer de nabijheid van het Koninkrijk Gods, maar de persoon en het werk van Christus. Het Evangelie des Koninkrijks wordt een Evangelie des kruises. Johannes de Dooper en ook Jezus zelf, zij zien vooruit; het Koninkrijk Gods is nabij, want in het werk van Christus wordt de grondslag van dat rijk op aarde gelegd. Maar de Apostelen staan achter het werk van Christus, zij zien terug; en door de prediking van het Evangelie des kruises bereiden zij juist de komst van het Godsrijk in het laatste der dagen voor. Zij leven allen in de verwachting van dat Koninkrijk en zien er met verlangen naar uit. Maar zij hebben de menschen op de komst van dat Godsrijk voor te bereiden; zij hebben eene roeping te vervullen op aarde; zij moeten het evangelie prediken aan alle creaturen. En de geloovigen hebben zij te organiseeren in eene zichtbare gemeenschap, die de wederkomst haars Heeren verbeidt. Daarvoor kon de naam van Koninkrijk Gods hun geen dienst doen, want inzoover dit rijk aanwezig is, is het geestelijk, inwendig, zonder |251| eenige uitwendige organisatie. En inzoover als het in de toekomst bij de verschijning van Christus eerst zichtbaar zal optreden, is het thans nog niet aanwezig. De zichtbare, vergadering der geloovigen op aarde werd daarom met een anderen naam, met dien van Kerk of gemeente, aangeduid. Deze is eene zichtbare gemeenschap van de geloovigen met woord en sacrament, met ambten en bedieningen. Zij is eene tijdelijke organisatie, om de geloovigen te vergaderen en voor te bereiden voor de hemelsche erfenis van het Koninkrijk Gods. Zij is het Koninkrijk zelve niet, maar slechts de weg en de handwijzer, die tot dat Koninkrijk leidt. Zij is geen rijk met een Koning, maar wordt meest voorgesteld als een lichaam waarvan Christus het Hoofd is. Natuurlijk is er geen bezwaar tegen, om ook nu in de regeering van Christus door zijn Woord en Geeet de komst van het Godsrijk te zien. Maar toch is het opmerkelijk, dat het N. Testament zelden of nooit de philanthropische en missionaire werkzaamheden, waarin wij tegenwoordig vooral den arbeid van het Godsrijk zien, met deze idee in verband brengt. Het is ongetwijfeld daaruit te verklaren, dat het Godsrijk wel geestelijk en inwendig aanwezig is, maar toch voor geen organisatie in deze bedeeling vatbaar is; en de eenige noodzakelijke organisatie der geloovigen in dezen tijd alleen met den naam van Kerk kan worden aangeduid. Prediking van het Evangelie heeft dus rechtstreeks de planting en uitbreiding der Kerken ten doel. Maar daardoor juist wordt wel niet het Koninkrijk Gods gesticht. maar toch de verschijning van dat rijk in de toekomst voorbereid. Het Koninkrijk Gods is geen product van menschelijken arbeid, maar eene erfenis die nu nog in de hemelen bewaard wordt, maar eens aan de geloovigen geschonken zal worden. God zelf zal eenmaal in de toekomst van Christus zichbaar en voor aller oog de regeering over zijn volk aanvaarden. Dan eerst treedt het Godsrijk in zijne volle heerlijkheid open daalt het van uit den hemel ook op aarde neer.

Om dezelfde reden als voor de Apostelen kan het |252| Koninkrijk Gods daarom ook in onze belijdenis en in onze practijk niet de alles beheerschende gedachte zijn. Het is onmogelijk om van deze idee uit heel de leer en het leven der Christenen op te bouwen, zonder aan andere belangrijke waarheden tekort te doen, of ook het begrip zelf in een onschriftuurlijken zin te gebruiken. Maar desniettemin blijft aan de leer van het Rijk Gods eene belangrijke plaats verzekerd. Want het is geestelijk en in voorbereidenden zin aanwezig overal, waar Christus regeert door zijn Woord en zijn Geest, en is in deze beteekenis ook veel ruimer dan de Kerk. Het wordt door de prediking van het Evangelie aan alle creaturen voorbereid. En het verschijnt eens in de toekomst als de zichtbare regeering Gods over al zijn volk.


Kampen.

H. Bavinck




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004