Herman Bavinck (1854-1921)

Algemeene Inleiding

De Kerkhervorming. Gedenkschrift bij het Vierde Eeuwfeest

De bijdragen zijn van Prof. Dr. H. Bavinck, Hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, Prof. Dr. H.H. Kuyper, Hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, Prof. Dr. H. Bouwman, Hoogleeraar aan de Theol. School te Kampen, Ds. J.H. Landwehr, Dienaar des Woords bij de Geref. Kerk van Rotterdam, Ds. J.C. Rullmann, Dienaar des Woords bij de Geref. Kerk van Utrecht.


Uitgave van het Geref. Tractaatgenootschap „Filippus”
[Middelburg (F.P. d’Huy)] 1917, 3-33

a



Den 31en October van het volgend jaar, 1917, zal het vierhonderd jaren geleden zijn, dat Maarten Luther ’s middags te twaalf uur zijne vijf-en-negentig stellingen aansloeg aan de hoofddeur van de slotkapel te Wittenberg. Zij werden den volgenden dag, het feest aller heiligen, door duizenden gelezen, met eene ongeloofelijke snelheid, binnen enkele dagen en weken, over heel het Christelijk Europa verbreid, en gaven den stoot tot die machtige beweging, welke onder den schoonen naam van Reformatie of Hervorming bekend staat en een belangrijk keerpunt vormt in de geschiedenis der beschaafde menschheid.

Indien in Juli 1914 de oorlog niet uitgebroken ware, zou in het volgend jaar de vierhonderdjarige gedenkdag van deze gebeurtenis met dank en vreugde gevierd zijn geworden door allen, die, om hoe verschillende redenen dan ook, op den naam van Protestant prijs stellen en in Luthers heroieke daad het morgenrood van een nieuwen dag begroeten. En duizenden zouden uit alle oorden der wereld naar Wittenberg en naar de bekende centra der Hervorming zijn getogen, om gedachtenis te vieren van wat voor een viertal eeuwen aldaar tot herstel der kerk en tot vernieuwing van het Christendom plaats had.

Maar dit heeft alzoo niet mogen zijn. Bijna twee jaar geleden barstte over Europa de onzalige oorlog los, die nog altijd met ongetemde felheid voortwoedt. Niemand kan op dit oogenblik met zekerheid zeggen, dat hij in dit of ook zelfs in het volgend jaar tot een einde zal komen. Maar ook al maakte hij eerlang voor den vrede plaats, de lust is verloren en de gelegenheid verspeeld, om den gedenkdag der Hervormling met eenparigheid en opgewektheid des geestes te vieren. De oorlog heeft tusschen de Protestantsche volken, met name tusschen Duitschland en Engeland, eene betreurenswaardige scheuring veroorzaakt, en een haat en vijandschap gewekt, die nog vele jaren voortduren en nawerken zal. De zegen, die er in allerlei |4| opzicht van de herdenking van Luthers optreden had kunnen uitgaan, is van te voren duizendwerf door de Protestantsche volken verbeurd.

Al ware echterz de oorlog niet uitgebroken en al zou hij ook dien haat niet hebben gekweekt, die thans in de harten gloeit, het Protestantisme zou zich toch niet in geestelijke eenheid rondom Luthers standbeeld hebben geschaard noch een feestlied hebben kunnen aanheffen, dat aller gedachte vertolkte. Toen de naam Protestant opkwam, had hij eene bepaalde beteekenis, want hij werd ontleend aan het plechtig protest, dat den 19den April 1529 door onderscheidene Duitsche vorsten en rijkssteden werd ingediend tegen het besluit van den Rijksdag te Spiers, om alle uitbreiding der Hervorming onmogelijk te maken. Maar in den loop der geschiedenis verloor hij schier allen positieven inhoud en ging hij ook over op hen, die met hunne overtuiging lijnrecht tegen de beginselen der Hervorming overstaan.

Inzonderheid draagt het Rationalisme der achttiende eeuw van deze naamsverbastering schuld. Wel is waar was ook vóór dien tijd de eenheid der Hervorming reeds lang verbroken. Want terstond bij den aanvang trad, naast Luther in Duitschland, Zwingli in Zwitserland zelfstandig als reformator op; en hoezeer beide mannen in voorname stukken des geloofs overeenstemden, zij waren toch van een anderen geest en konden elkander niet verstaan. Luthersche en Gereformeerde hervorming gingen daarom spoedig uiteen en bleven gescheiden alle eeuwen door. Naast deze beide stroomingen in het Protestantisme kwamen bovendien nog andere bewegingen op, het Humanisme, het Anabaptisme en het Socinianisme, die in schier alle landen aan de Hervorming schade toebrachten en mede invloed oefenden op de vorming van den nieuweren tijd. In de volgende eeuwen nam deze verdeeldheid nog aanmerkelijk toe door de vele secten, die in of buiten de officiëele kerken zich vormden en zich tot op den huidigen dag vermeerderen, zoodat haar getal schier niet te berekenen is.

Maar de radicaalste onder al deze richtingen was die van het Rationalisme in de achttiende eeuw. Vele van de kerken, waarin het Protestantisme zich splitste, bleven n.l. aan de hoofdwaarheden van het Christendom trouw en |5| traden zelfs op met de leuze, dat zij de Reformatie niet wilden afbreken, maar slechts wilden voortzetten en doorvoeren in de practijk; de reformatie der leer was niet genoeg, zij moest zich voltooien in die van het leven. Maar het Rationalisme der achttiende eeuw, dat het Deïsme in Engeland, de „Aufklärung” in Duitschland, de philosophie der Encyclopaedie in Frankrijk en de Neologie in Nederland omvatte, sloeg eene gansch andere richting in en koos een geheel nieuw uitgangspunt. Sommige geleerden maken tegenwoordig dan ook een streng onderscheid tusschen het oude Protestantisme, dat in de zestiende, en het nieuwe Protestantisme, dat in de achttiende eeuw geboren werd.

Het eerste was naar hunne meening nog overwegend Middeleeuwsch en Roomsch-Katholiek; het handhaafde immers nog het oude supranaturalisme, en bleef gelooven aan de bijzondere ingeving der H. Schrift, de Godheid van Christus, de bovennatuurlijke genade in wedergeboorte en geloof enz. Wel bracht het in de belijdenis der Christelijke kerk eenige wijziging aan, voornamelijk door in de genade niet meer te zien eene door middel van priester en sacrament aan den geloovige medegedeelde qualiteit, maar eene, door Christus verworvene en in het geloof aanvaarde, nieuwe relatie tot God. Maar in den grondslag en in den stijl van zijn gebouw, bleef het oude Protestantisme toch aan het Middeleeuwsche Christendom getrouw; het nam eenige gebreken en misbruiken weg, maar liet het lichaam der Christelijke belijdenis ongedeerd.

Doch het nieuwe Protestantisme, dat tegen het einde der zeventiende eeuw en vooral in de achttiende eeuw tot heerschappij kwam, ging veel radicaler te werk, wel niet in eens, maar toch geleidelijk. Humanisme en Socinianisme bereidden dit nieuwe Protestantisme reeds voor; de leer van het zelfstandige natuurrecht en van de onafhankelijke natuurlijke godsdienst en moraal werkte in dezelfde richting; de verdeeldheden, die in de kerken der Hervorming, vooral in Engeland, zich voordeden, bevorderden het verlangen naar eene gemeenschappelijke eenheid, die ten slotte nog aan alle splitsing en scheuring ten grondslag zou liggen. En deze meende men eindelijk te vinden in het Deïsme, in de natuurlijke godsdienst en moraal met hare drie artikelen van God, deugd en onsterfelijkheid. |6|

Zoo was dan alle bijzondere openbaring, en daarmede heel het Christendom op zij gezet. God had nog wel in den beginne de wereld geschapen, maar Hij had ze tevens terstond zoo volmaakt ingericht en met zulk een onuitputtelijk fonds van gaven en krachten toegerust, dat zij Hem verder missen en zichzelve voldoende redden kon. Toegepast op het verstand van den mensch, hield deze leer in, dat eene bijzondere openbaring onnoodig was, wijl de mensch, gebruikmakende van de kracht zijner rede, alle godsdienstige en zedelijke waarheid, die hij behoefde, vrij gemakkelijk vinden kon. En wat den wil betreft, was deze, schoon eenigszins verzwakt door de zonde, toch sterk genoeg, om het goede te doen en daardoor in een ander leven zich loon te verwerven; aan eene bijzondere genade had hij geene behoefte. De mensch was in elk opzicht, gelijk heel de wereld, zichzelf genoeg; het Christendom, van zijne bovennatuurlijke voorstellingen ontdaan, was niets anders dan de natuurlijke en redelijke godsdienst zelve, die van het begin der schepping af had bestaan.


Er ligt in deze beschouwing over het oude en het nieuwe Protestantisme eene erkentenis opgesloten, waarvan wij dankbaar acte mogen nemen. Door Groen van Prinsterer en de onder zijne leiding gevormde Anti-revolutionaire partij is steeds tegenover bestrijders links en rechts staande gehouden, dat Reformatie en Revolutie niet gradueel maar principiëel verschillen, dat Luther en Kant, Calvijn en Rousseau niet in éénen adem te noemen zijn. De Revolutie, welke uit het ongeloof geboren werd, is niet een logisch, consequent gevolg van de Reformatie, maar eene verzaking van hare beginselen en eene totale verloochening van haar grondslag. De Hervorming bleef zich n.l. bewegen binnen de grenzen van het historisch Christendom en wilde niet anders, dan dit Christendom in zijne zuiverheid en reinheid herstellen; de „Aufklärung” daarentegen nam geheel en al buiten dit Christendom positie, en koos tot uitgangspunt een godsdienst en zedeleer, die door de rede was uitgedacht en nimmer in de werkelijkheid had bestaan. Materiëel staat de Reformatie dichter bij Rome dan bij de Revolutie, heeft zij meer met Augustinus en Thomas, dan met Rousseau en Kant gemeen.

Toch legt de beschouwing, die tegenwoordig door |7| sommigen over Oud en Nieuw Protestantisme twordt voorgedragen, tusschen de Reformatie en het Middeleeuwsche Katholicisme een verband, dat aan de zelfstandigheid en de beteekenis der Reformatie tekort doet. De Reformatie wilde inderdaad slechts hervorming zijn, reiniging van het bestaande Christendom door uitbanning van de gebreken en uitwassen, de misbruiken en misstanden, die allengs waren ingeslopen. Ze wilde een gezuiverd, een ge-reformeerd Christendom, wat niet hetzelfde zeggen wil als het oorspronkelijk Christendom of het Christendom der-eerste eeuw. Want het is onjuist of althans eenzijdig het zóó voor te stellen, alsof de Reformatie de historie der vorige eeuwen geheel wilde uitwisschen en tot de eerste eeuw wilde terugkeeren, zooals vele Anabaptisten dat beoogden, als ze naar de letterlijk opgevatte regels der Bergrede wilden gaan leven. Dat dit de bedoeling der Reformatie niet was, wordt afdoende daaruit bewezen, dat zij met alle beslistheid den kinderdoop handhaafde en de belijdenis der eerste conciliën overnam. De Reformatie effaceerde de Christelijke eeuwen niet; ze haalde geen streep door de gansche kerk- en dogmen-historie; maar met de Schrift in de hand, als regel van leer en leven, trachtte zij in de historie tusschen ware en valsche ontwikkeling onderscheid te maken, het kwade te verwerpen en het goede te behouden. De Hervormers gingen daarbij ieder weer op zijne wijze te werk; Calvijn paste bijv. het beginsel der zuivering veel strenger dan Luther toe. En ook hebben zij zeker niet in alles terstond het rechte getast; men denke slechts aan hunne gedachte over de verhouding van kerk en staat en over de ketterstraf! Maar hunne bedoeling is toch duidelijk; zij wilden tegenover Rome’s dwang de vrijheid herstellen van den Christenmensch, niet als de Renaissance de vrijheid van den natuurlijken mensch, maar die van den Christenmensch, die in zijn geweten aan Gods openbaring in Christus en dus aan de Schrift verbonden was.

Wanneer men nu meent, dat de Reformatie hierdoor toch feitelijk Middeleeuwsch gebleven is, maakt men zich aan twee misvattingen schuldig. De eerste bestaat daarin dat men het supranaturalisme van het Middeleeuwsch Katholicisme vereenzelvigt met het supranatureele karakter, dat van den beginne af aan het Christendom eigen |8| was. De Retormatie heeft het laatste behouden, omdat zij gevoelde, dat zij, dit prijsgevende, het Christendomzelf verliezen zou, hetwelk immers geheel en al, van de leer van God af tot de leer der laatste dingen toe in bijzondere, bovennatuurlijke openbaring wortelt. Maar desniettemin heeft zij in de verhouding, welke het Middeleeuwsche Katholicisme tusschen deze bovennatuurlijke openbaring en de natuur heeft gelegd, eene principiëele en radicale wijziging gebracht.

En de tweede misvatting, die met de eerste samenhangt, is hierin gelegen, dat men, het genoemde onderscheid over het hoofd ziende, de oorspronkelijkheid en de beteekenis der Reformatie miskent. Als men alle erkenning van het supranatureele in het Christendom, bij Katholicisme en Protestantisme, over één kam scheert en zelf' daarmede gebroken heeft, dan spreekt het vanzelf, dat men het Rationalisme als de eigenlijke, groote hervorming begroeten moet; het onderscheid tusschen Katholicisme en Protestantisme wordt dan, in vergelijking daarmede, ondergeschikt, en de beteekenis der Reformatie komt dan niet tot haar recht. Maar er volgt dan tevens uit, dat men niet alleen van het Middeleeuwsch Katholicisme en het oude Protestantisme, maar ook van het historisch en oorspronkelijk Christendom zelf afscheid genomen heeft.

Om hierin een helder inzicht te verkrijgen, dienen wij eerst kennis te nemen van het Christendom, zooals het in de eerste eeuwen zich ontwikkeld had en bij het begin der Middeleeuwen aan de nieuwe volken zich aanbood; en hebben wij vervolgens te letten op het milieu, waarin dat Christendom optrad, en op de eigenaardige gestalte van het Middeleeuwsch Roomsch-Katholicisme, dat uit de verbinding van beide geboren werd. Ten slotte zal het dan niet moeilijk vallen, de principiëele waarde te bepalen, welke aan de Reformatie in de geschiedenis van de Christenheid toekomt.


Het Christendom, dat aan de Germaansche volken werd overgeleverd, was niet meer het oorspronkelijke Christendom, dat in de eerste eeuw door de apostelen in naam van Christus verkondigd werd. Zoodra het optrad in de wereld van Joden en Heidenen, werd het aan bestrijding |9| en vervolging blootgesteld, eerst van den kant der Joden, daarna niet minder heftig van de zijde der Heidenen. Maar veel ernstiger en gevaarlijker was nog de crisis, welke het in eigen kring had te doorstaan. Er deden zich in de gemeenten zelve reeds spoedig allerlei dwalingen en scheuringen voor; Jezus had dit reeds aangekondigd in zijne gelijkenissen van het onkruid, van het vischnet, van het avondmaal enz., en de brieven der apostelen zijn vol van vermaningen en waarschuwingen tegen dwalingen van allerlei aard. Al deze ketterijen kwamen op of vonden vooral steun in de Klein-Aziatische gemeenten en toonden bij de onderlinge verwantschap tevens groote verscheidenheid.

In hoofdzaak zijn ze van drieërlei aard; in de eerste plaats betroffen sommige dwalingen de geldigheid der Mozaïsche wet, vooral van de besnijdenis, en in verband daarmede de plaats en de waarde der goede werken; andere dwalingen golden de leer der laatste dingen, den voorrang van de overlevenden bij Christus’ wederkomst, den tijd en den aard van die wederkomst, en de realiteit der lichamelijke opstanding; en eindelijk waren er ook nog dwalingen, die betrekking hadden op den persoon van Christus, voornamelijk op de waarachtigheid van zijne vleeschwording. En met al deze, deels uit het Jodendom, deels uit het Heidendom afkomstige dwalingen, verbond zich inde practijk een leven, dat òf door strenge onthouding van sommige spijzen, van het huwelijk enz., òf door een gevaarlijk misbruik van de Christelijke vrijheid zich kenmerkte.

Deze strijd werd nog ernstiger, toen de gemeente in de tweede en volgende eeuwen in nauwer aanraking kwam met de Grieksche wijsbegeerte, de Oostersche godsdiensten en met heel de Heidensche beschaving. En het valt niet te ontkennen, dat zij in dien strijd niet altijd hare zuiverheid van belijdenis en wandel bewaarde; zij onderging niet zelden den invloed van den vijand, dien zij bestreed. Maar toch moet vóór alle dingen haar de eere worden gegeven, dat zij, in het algemeen gesproken, het wezen des Christendoms gehandhaafd en van het gevaar der vermenging gered heeft.

De dogmengeschiedenis ging naar den aard der zaak uit van de vraag: wat dunkt u van den Christus? Want de persoon van Christus bekleedt in het Christendom eene gansch andere plaats, dan die door Zarathustra, Boeddha |10| of Mohammed wordt ingenomen in den godsdienst, die door elk hunner werd gesticht. Met den persoon van Christus staat of valt het Christendom; de plaats, aan zijn persoon en werk toegekend, beslist over het wezen van den Christelijken godsdienst; Christus zelf is er het hart en het wezen van. De gemeente heeft dit van den aanvang af beseft; naarmate zij juist door de bestrijding ter rechter en ter linkerzijde hiervan dieper doordrongen werd, sprak zij hare belijdenis van den Christus te klaarder en te beslister uit. Zoo kwam zij op de eerste vier conciliën (Nicea 325, Constantinopel 381, Efeze 431, Chalcedon 451), onder leiding der groote kerkvaders tot de leer van de eenswezendheid van den Zoon en den Vader, van de twee naturen in Christus, en van eene zoodanige vereeniging tusschen beide naturen, dat zoowel haar onderscheid als hare eenheid in den persoon van Christus bewaard bleef.

De kerk was zich daarbij bewust, van het diepste mysterie des geloofs, de verborgenheid der godzaligheid bij uitnemendheid, in gebrekkige, menschelijke taal te spreken; maar zij wist tevens, dat zij daarin handhaafde het innerlijk wezen, of wat men tegenwoordig dikwerf noemt, het absoluut karakter van het Christendom. Niet het Woord (de Logos) als wereldidee in den zin der Grieksche philosophie, maar het Woord als de volle openbaring Gods, wijl Het van den beginne bij God en zelf God was, als de openbaring van de volheid Zijner genade en waarheid, in den zin van Johannes’ Evangelie, — deze was de belijdenis, waarop Christus zelf zijne gemeente had gebouwd, en die door de gemeente zelve in de eerste eeuwen verdedigd en in de taal van haar tijd uitgedrukt werd. Daarom nam de Reformatie deze belijdenis der conciliën over; zij plaatste zich met volle bewustheid binnen de grenzen van het historisch Christendom.


Maar daarnaast valt in de inrichting der kerk eene ontwikkeling te bespeuren, die meer en meer van de stichting der apostelen afweek. De gemeenten staan in het Nieuwe Testament ontegenzeggelijk naast elkander op gelijke lijn en met dezelfde rechten; zij zijn onderling alleen geestelijk verbonden, doordat zij hebben één Heer, één geloof, één doop, aan het gezag der zelfde apostelen onderworpen zijn, en door de broederliefde elkander dragen |11| en steunen. Voorts heeft iedere gemeente haar eigen herders en leeraars, ouderlingen en diakenen; maar deze hebben geen heerschappij te voeren over het erfdeel des Heeren, doch moeten de kudde weiden, gewilliglijk, met een volvaardig gemoed, als hare voorbeelden geworden zijnde. Maar toen de apostelen wegvielen, hunne geschriften nog niet in één bundel vereenigd en door alle gemeenten gekend werden; toen bovenal van buiten de bestrijding en vervolging toenam en van binnen de eene dwaling na de andere, de ééne scheuring na de andere zich voordeed; toen scheen de oude, eenvoudige regeling niet meer voldoende, en kwam de behoefte op aan een centraal gezag en eene hechte organisatie. Reeds zeer spoedig na den apostolischen tijd werd, eerst in Klein-Azië en vandaar uit ook allengs naar het Westen, één van de ouderlingen, onder den naam van bisschop, boven zijn mede-dienaren in waardigheid en macht verheven en aan het hoofd der gemeente geplaatst.

Toen deze eerste stap op den weg der hierarchie was gezet, schreed men vanzelf geleidelijk voort. De bisschop, die eerst niet veel meer was dan de eerste onder zijns gelijken, de voorzitter van den kerkeraad, werd allengs met een gezag bekleed, waaraan alle geloovigen zich te onderwerpen hadden. Dezen werden vermaand, zich aan den bisschop te houden en niets zonder hem te doen; want waar de bisschop is, daar is de gemeente; de ware gemeente is die, welke bij den bisschop blijft. De bisschop is toch de man, die zijn ambt in geregelde opvolging van de apostelen ontvangen heeft, de van hen overgeleverde waarheid zuiver bewaart, en dus in den strijd der meeningen beslist, wat de waarheid en welke de ware kerk is.

Naarmate de macht van den bisschop toenam, werden de ouderlingen en diakenen tot zijne dienaren en helpers verlaagd; maar toch vormen deze ambtdragers, nog weer onderverdeeld en met enkele lagere ambten vermeerderd, saam den „clerus”, de geestelijkheid en staan in deze hoedanigheid hoog boven alle andere geloovigen, die in onderscheiding van den clerus, leeken worden genoemd.

Met deze gewichtige verandering werd het zwaartepunt geheel uit de gemeente in de geestelijkheid, met name in den bisschop, verlegd, en ging de oude Christelijke kerk in de Katholieke over, dat is in die kerk, welke in den |12| bisschop, als opvolger van de apostelen, de ware zuivere leer bezit, en buiten welke er geen zaligheid is. De alzoo bisschoppelijk ingerichte kerk steeg aanmerkelijk in macht, toen zij in het tolerantie-edict van het jaar 313 vrijheid verkreeg en Keizer Constantijn tot het Christendom overging. Ze kreeg hare verlorene goederen terug en ontving allerlei voorrechten; ofschoon geen staatskerk in eigenlijken zin, nam zij van nu voortaan in den staat de eerste en voornaamste plaats in. Maar aan deze eer was een groot gevaar verbonden; om in de wereld vooruit te komen, bij het hof in gunst te staan en met een of ander ambt bekleed te worden, moest men lid der kerk zijn; en zoo stroomden velen hare deuren binnen, die om haar belijdenis zich weinig bekommerden. Omgekeerd kreeg de staat ook groote zeggenschap in de aangelegenheden der kerk. De keizer matigde zich het recht aan, om de conciliën saam te roepen en de daar genomen besluiten te bekrachtigen; om bisschoppen te benoemen en in kerkelijke rechtsgedingen de eindbeslissing te geven, en zelfs bij leergeschillen zijn woord en zijne macht in de schaal te werpen.

Voorts was deze nieuwe toestand oorzaak, dat de kerk zich meer en meer inrichtte naar het model van den Staat. De burgerlijke gemeente werd het geestelijke gebied (diocese) van den bisschop; de bisschoppen saâm in eene provincie van het rijk kregen een metropolitaan boven zich, zooals in het staatkundige een stadhouder aan het hoofd der provincie stond; toen verschillende provinciën sedert de vierde eeuw weder saamgevoegd werden onder het gezag van een keizerlijken stadhouder, organiseerden zich de gemeenten in zulk een uitgestrekt gebied tot eene eenheid, van welke de patriarch het hoofd vormde. En evenals heel het rijk onder één keizer vereenigd was, zoo ontving de kerk allengs een eenhoofdig bestuur in den bisschop van Rome, den opvolger van Petrus, den later zoo genoemden paus.

Op het concilie van Nicea 325, dat ook met de organisatie der kerk zich bezig hield, werden, behalve de bisschoppelijke en de metropolitaansche inrichting, ook de verkregen rechten der drie kerken van Rome, Alexandrië en Antiochië bevestigd; hier voegde het concilie van Chalcedon 451 nog de kerk van Jeruzalem aan toe, zoodat |13| er vier kerken en kerkelijke gebieden waren, met een patriarch aan het hoofd. Maar inmiddels was in Constantinopel, dat door den eersten Christenkeizer gesticht en tot zijne residentie verkoren werd, een vijfde concurrent opgestaan. De Synode te Constantinopel 381 kende aan de kerk aldaar reeds den tweeden rang toe, en die van Chalcedon 451 verhief haar bisschop tot hoofd der kerk in het Oosten. Zoo kwam de bisschop van Constantinopel er spoedig boven op, en maakte snelle promotie. Maar dit wekte naijver bij den bisschop van Rome, en bracht beide, daar de kerken in Jeruzalem, Antiochië en Alexandrië steeds meer verloren aan beteekenis en invloed, in een langen en hevigen strijd om de oppermacht in de kerk.

Constantinopel kon nu bij dezen strijd wel de aanspraak laten gelden, dat zij de zetel van den keizer was. Maar dat was ook alles; oude brieven bezat de kerk van Constantinopel niet; oude rechten kon zij niet laten gelden; zij was een der jongste onder de kerken, en had al haar aanzien aan den keizer en zijn hof te danken. Indien zij deze aanspraken voor hare geestelijke superioriteit liet gelden, erkende zij daarmede feitelijk de macht van den staat in de kerk, gaf zij hare zelfstandigheid prijs en huldigde zij het beginsel der Caesareopapie, dat dan ook in het Oosten meer en meer de overwinning behaalde en in de Russische kerk heden ten dage voortleeft.

Wat kon Rome daartegenover echter niet ten gunste van hare geestelijke meerderheid aanvoeren? Rome was de oudste, machtigste stad in het Westen van Europa, die eeuwen lang alle stormen had doorstaan en de eeuwige stad verdiende genoemd te worden; zij was de wereldstad bij uitnemendheid en het centrum van alle beschaving. De Christelijke gemeente die aldaar gevestigd was, ging tot de apostolische oudheid terug; vijf en twintig jaren lang had zij volgens de overlevering Petrus, den rotsman, den eerste onder de apostelen, tot bisschop, en zuiver en onvervalscht had zij de waarheid, van hem ontvangen, door hare bisschoppen bewaard; zij was de grootste, de aanzienlijkste, de rijkste en liefdadigste gemeente in het Westen van Europa, van ouds door alle andere gemeenten hoog geëerd en telkens, bij voorkomende geschillen en moeilijkheden, geraadpleegd en om hulp verzocht; als zij haar advies uitbracht en haar besligsing uitsprak, werd |14| zij daarin keer op keer door de uitkomst gerechtvaardigd. Haar gezag groeide met de jaren en de eeuwen. En toen zij nu in de vierde eeuw de Niceensche orthodoxie handhaafde tegen het Arianisme in het Oosten, toen zij na het vertrek van keizer Constantijn uit Rome naar Constantinopel, in het Westen de handen vrij kreeg, en tegen de Caesareopapie van de gemeente in de keizerstad voor de zelfstandigheid en de vrijheid der kerk opkwam, toen verhief zij zich ongemerkt tot het hoofd der gansche Westersche Christenheid, en haar bisschop werd paus.

De val van het West-Romeinsche rijk in 476 bevorderde deze ontwikkeling der pauselijke macht, want meer dan ooit begonnen de volken toen behoefte te gevoelen aan het centrale gezag, dat in Rome zetelde en zulk een sterken steun bieden kon. En wel breidde het Oosten daarna voor geruimen tijd, in de zesde en zevende eeuw, zijne heerschappij over Italië en over Rome uit. Maar het Frankische rijk maakte daaraan voorgoed een einde; op Kerstdag van het jaar 800 kroonde Leo III Koning Karel den Grooten tot Roomsch Keizer, en Karel de Groote erkende en bevestigde daardoor het primaat van den bisschop van Rome over heel de Westersche Christenheid.


Naast deze ontwikkeling in het dogma en in de kerk dient nog een derde lijn te worden aangewezen, die door de practijk van het leven loopt. Blijkens de oudste na-apostolische geschriften leefde in de Christelijke gemeente de gedachte, dat de geloovigen, die gedoopt waren en in dien doop de vergeving der zonden en de aanvankelijke vernieuwing ontvangen hadden, niet meer aan grove, ergerlijke zonden, als hoererij, godslastering, roof, moord, zich zouden schuldig maken, en dat, indien iets dergelijks toch voorviel, wederopname in de kerk in het geheel niet of niet anders dan na lange, strenge boete plaats hebben kon. Deze gedachte was nu wel eenerzijds bevorderlijk aan een nauwgezet, heilig leven, maar had anderzijds toch licht ten gevolge, dat de doop alleen beschouwd werd als zegel van de vergeving der verledene zonden en daarom menigmaal zoo lang mogelijk werd uitgesteld; dat voor de zonden, die na den doop bedreven werden, door eigen goede werken moest worden voldaan, en dat alzoo de rechtvaardigmaking, gelijk Paulus die ontwikkeld had, bij de |15| heiligmaking kwam achter te staan. De gewone voorstelling werd dus deze, dat de geloovigen in den doop met hun verleden, zoowel wat de schuld als de smet der zonde betreft, hadden afgerekend, en dat zij in ditzelfde sacrament genoegzame heiligmakende genade ontvingen, om goede werken te doen, van latere zonden door boetedoeningen zich te reinigen, en de eeuwige zaligheid zich waardig te maken.

Hoe verderfelijk dit beginsel was, bleek spoedig in de practijk. Werkheiligheid, verdienstelijkheid der goede werken, oververdiensten, ascese van allerlei aard, onthouding van het huwelijk, van spijze en drank, van rijkdom en weelde, kruisigingen van het vleesch als van lagere orde en min of meer aan het booze verwant, overdreven vereering van het martelaarschap, eene dubbele moraal waren er de gevolgen van. Want natuurlijk was niet ieder in staat of in de gelegenheid, om martelaar te worden, om van het huwelijk zich te onthouden, om van zijne bezittingen afstand te doen. Zoo kwam er, na de onderscheiding tusschen geestelijken en leeken, nog eene andere onder de leeken zelven op, tusschen hen, die als Christenen in het gewone leven hun beroep uitoefenden, en anderen, die zich daaraan geheel of ten deele onttrokken en langs den korter en veiliger weg der ascese de volmaaktheid trachtten te bereiken.

Deze scheiding nam een nog scherper karakter aan, toen in de derde eeuw, mede onder invloed van de treurige politieke en sociale toestanden in Egypte vele geloovigen de vlucht namen naar de woestijn, om daar, in gezelschappen vereenigd, zich aan een beschouwend leven te wijden. Het ascetisme, dat tot dusver bij enkele, op zichzelf staande personen binnen den kring der gemeenten beoefening had gevonden, nam daardoor een anderen vorm aan; het werd georganiseerd en gesystematiseerd; het ging over in het monnikwezen, dat uit Egypte, snel naar het Oosten, vandaar naar het Westen zich verbreidde, en zoowel door de Westersche als door de Oostersche kerk met grooten tact in haar systeem werd ingelijfd en aan hare belangen werd dienstbaar gemaakt.

Uit dit monnikwezen kwam ook Pelagius voort, die een Brit was van geboorte, maar reeds in 405 in Rome woonde en daar door zijn streng ascetisch leven als een |16| heilig man bekend stond. In hem kwam het principe der werkheiligheid, consequent doorgedacht en uitgewerkt, tegenover de leer der genade van Augustinus te staan. Want Pelagius verklaarde, dat de volwassene, die door het geloof alleen in den doop de vergeving der verledene zonden ontving, nu zelf door het woord en voorbeeld van Christus zijne eigene heiligmaking uitwerken kon en aan genade tot het doen van het goede geene behoefte had. Augustinus stelde daartegenover, dat de mensch de genade van Christus niet alleen tot het kennen, maar ook tot het doen van het goede noodig had, en dat die genade, vanwege het algeheele bederf van den zondaar, bestaan moest in eene ingestorte goddelijke kracht, die onwederstandelijk was, bij den voortduur, van oogenblik tot oogenblik noodzakelijk bleef, eene gave der particuliere verkiezing was, en de geloovigen ook tot den einde toe bewaren moest en volharden deed.

Het Pelagianisme werd nu wel met het Nestorianisme, waaraan het nauw verwant was, op het concilie te Efeze 431 veroordeeld; maar feitelijk heeft de kerk op geene van haar grootere of kleinere synoden, ook niet op die te Orange in 529, de gansche leer van Augustinus aanvaard. Zij erkende wel, dat de dood eene straf der zonde was, dat de zonde den wil des menschen had verzwakt, dat de genade ook tot het doen van het goede noodzakelijk was enz., maar zij onthield zich voorzichtig van alle instemming met de leer der onwederstandelijke en ten einde toe bewarende genade, dat is dus van de belijdenis der absolute praedestinatie. Feitelijk sloot zij een compromis, daarin bestaande, dat in het werk der zaligheid het initiatief wel van God uitgaat in zijne onverdiende, voorkomende, echter niet onwederstandelijke genade; maar dat de mensch, alzoo voorbereid, in den doop de ingestorte, heiligmakende genade ontvangt en daardoor in staat wordt gesteld, om met de hulpe Gods door goede werken zich de eeuwige zaligheid te verwerven. Ofschoon Augustinus’ leer alle eeuwen door als een zuurdeesem is blijven werken, gleed de kerk meer en meer op de helling van het Pelagianisme af, in de practijk nog sterker dan in de theorie.


Van dezen aard was het Christendom, dat door de oude geschiedenis aan de Middeleeuwen werd overgeleverd |17| en hier nieuwe veranderingen onderging. Met den naam van Middeleeuwen wordt die periode in de geschiedenis van West-Europa aangeduid, welke naar de meest gewone voorstelling met den val van het West-Romeinsche rijk in 476 begint, en met den val van Constantinopel in 1453, de ontdekking van Amerika in 1492, of de Reformatie in 1517 eindigt.

De benaming is minder geschikt. Toen met den val van het West-Romeinsche rijk het wereldeinde niet intrad, werden de vroegere, aan den Bijbel ontleende, indeelingen van de wereldgeschiedenis onbruikbaar, en werd men zich langzamerhand van het onderscheid tusschen de Grieksch-Romeinsche en de Germaansch-Christelijke maatschappij bewust. Maar ook deze laatste ging voorbij en maakte met Renaissance, Reformatie en allerlei andere bewegingen plaats voor den nieuwen tijd, die, naarmate hij verder voortschreed, des te meer in zijn eigen karakter openbaar werd.

Zoo kwam men er toe, om op voorgang van den hoogleeraar te Halle, Christoph Cellarius 1634-1707 aan dat tijdperk in de geschiedenis van West-Europa, dat van den Romeinschen tijd tot de vijftiende eeuw zich uitstrekte, den naam van Media aetas, Middeleeuwen, te geven, wijl het duidelijk door een eigen karakter zoowel van de oude geschiedenis als van den nieuwen tijd zich onderscheidde. Doch de benaming ging uit van de onderstelling, dat de nieuwe tijd ook de laatste zou zijn, en werd te minder passend, naarmate de nieuwe tijd voortschreed en zelfs met de Fransche Revolutie in eene andere periode, in die van de nieuwste geschiedenis, overging.

Doch hoe dit zij, de naam van Middeleeuwen isthans algemeen in gebruik voor dat tijdperk in de geschiedenis van West-Europa, dat met de jeugd en de jongelingsjaren in het menschelijk leven vergeleken kan worden. Immers is het in deze periode, dat de Christelijke kerk de nieuwe Germaansche volken gekerstend en opgevoed heeft; deze volken hebben dat Christendom in verband met de oude cultuur aanvaard en tegen het Byzantijnsche Christendom, maar vooral ook tegen den Islam, gehandhaafd. Maar zij hebben die schatten der oudheid ook zoo tot hun geestelijk eigendom gemaakt, dat zij er een eigen cultuur mede voortbrachten en daarmede den grondslag legden voor |18| het moderne Europa; en aldus zijn zij zelven uit de jongelingsjaren in den mannelijken leeftijd overgegaan.

De volksverhuizing, ofschoon reeds veel vroeger begonnen, valt toch vooral in de vierde tot de zesde eeuw na Christus. Tengevolge van de opschuiving der Hunnen uit de vlakten van Azië naar Europa, zoodat zij reeds in 375 over den Don trokken en in de eerste helft der vijfde eeuw onder Attila, den geesel Gods, alom dood en verderf verspreidden, had er eene groote verhuizing van de Germanen uit het Oosten en Noorden naar het Zuiden en Westen van Europa plaats. De Westgothen vestigden zich in het Zuiden van Frankrijk, de Vandalen in het Zuiden van Spanje en daarna in Afrika, de Sueven in Portugal, de Bourgondiërs tusschen de Middellandsche zee en de Vogezen, de Oostgothen en later de Longobarden in Italië, de Franken in Gallië, de Angelsaksen in Brittannië. De meeste van de door hen gestichte rijken gingen spoedig weer te gronde; alleen de Angelsaksen en Franken bleven zelfstandig bestaan. Maar zij kwamen langzamerhand allen in aanraking met en onder invloed van het Christendom en de oude cultuur.


De Gothen waren de eerste Germanen, die het Christendom aannamen; reeds op de synode van Nicea in 325 was er een bisschop van hen tegenwoordig. Ze waren eerst het orthodoxe geloof toegedaan, maar gingen onder drang van Keizer Valens 364-378 tot het Arianisme over en plantten dit later onder de Vandalen, Bourgondiërs en Sueven voort. Maar de Bourgondiërs en de Sueven, evenals ook de Oostgothen en de Longobarden, voegden zich in den loop der zesde eeuw bij de katholieke kerk, en de Westgothen volgden dit voorbeeld onder hun koning Rekkared 586-601.

Van de Bourgondiërs kwam het Christendom tot de Franken, doordat de Bourgondische prinses Clotilde in 493 huwde met den Frankischen Koning Clovis I 481-511 en dezen wist te bewegen tot aanneming van het Christelijk geloof en van den Christelijken doop, die op Kerstfeest van het jaar 496 te Reims plaats had. In Brittannië was onder de daar wonende Kelten het Christendom reeds doorgedrongen tegen het einde der derde eeuw; door bisschop Patrik 432 werd het tot de Ieren, door Columba |19| 563 naar de Schotten, door den abt Augustinus, die in 596 door paus Gregorius den Grooten naar Engeland werd gezonden, naar de Angelsaksen gebracht, die in 449 onder Hengist en Horsa het Kanaal waren overgestoken en de Britten spoedig naar het Westelijk deel van Engeland terugdrongen. Van Brittannië uit werd toen in de zesde tot de achtste eeuw door mannen als Columbanus 615, Gallus tusschen 625 en 640, Amandus 684, Wilfrid 709, Willibrord 739 en vooral Bonifacius 755 eene krachtige zending op het vasteland ondernomen, die de bekeering van de Friezen, Vlamingen en Oostfranken tengevolge had. De Saksers werden na een langdurigen oorlog, van 772 tot 804, door Karel den Grooten tot onderwerping gebracht en tot aanneming van het Christendom gedwongen. En van de achtste tot de twaalfde eeuw volgde dan nog de kerstening van de volken in het Noorden en Oosten van Europa, van de Scandinaviërs, de Finnen, de Pruisen, de Wenden, van de Slaven, Polen en Hongaren.

Al moet men zich van deze kerstening geen overdreven voorstelling vormen, toch is de bekeering bij velen zeker oprecht en van harte geweest; de vroomheid en toewijding van vele zendelingen in dien tijd staat er borg voor. Van de kloosters, die zij stichtten, ging menigmaal in verre omgeving een zegenrijke invloed uit. Reeds in den vóór-karolingischen tijd waren deze de centra van het godsdienstige en wetenschappelijke leven, dank zij den arbeid van Boethius 525, Cassiodorus ongeveer 580 en Isidorus van Sevilla 636, die den schat der oude wetenschap onder den naam der zeven vrije kunsten verzamelden en aan de Middeleeuwen overleverden. Maar vooral Benedictus van Nursia 480-543, de stichter van het klooster te Monte Cassino, maakte zich in dit opzicht verdienstelijk, want in den „heiligen regel”, door hem ingevoerd, verplichtte hij de leden zijner orde, om tot hun dood toe in het klooster te verblijven, en om geestelijken en lichamelijken arbeid, studie en gebed met elkander te verbinden. De orde, door hem gesticht en naar zijn naam genoemd, ontving daardoor de roeping, om op de ruïnen van het Romeinsche rijk, door de invoering eener Christelijke cultuur eene nieuwe maatschappij te stichten, en zij is op bewonderenswaardige wijze alle eeuwen door aan die hooge roeping trouw geweest. Want wel kwam zij |20| van tijd tot tijd tot verval, maar uit dat verval beurde zij zichzelve telkens weer op, in de negende eeuw onder Lodewijk den Vrome bijv. door Benedictus van Aniane 821, den „Tweeden Benedictus”, en eene eeuw later vooral door de machtige hervorming, die van de congegratie te Clugny uitging en schier over alle Christenlanden zich uitbreidde.

Aan deze orde was voornamelijk de bovengenoemde kerstening der Angelsaksen, Germanen en Slaven te danken. De kloosters, door hare leden gesticht, bijv. Corbie 657, Reichenau 724, Fulda 744, Hersfeld 768, Korvey 822, Bec 1034 enz. waren brandpunten van cultuur; zij verdrongen de oude kloosters van Columbanus e.a. en namen van de achtste tot de dertiende eeuw in het Westen de eerste en schier de eenige plaats in.

De monniken dezer orde, tot de elfde eeuw toe grootendeels uit leeken bestaande, wijdden zich niet alleen aan gebed en meditatie, maar beoefenden handenarbeid en studie als opvoedingsmiddel, stichtten ziekenhuizen en apotheken, scholen en bibliotheken, bevorderden landbouw en handwerk, kweekten gehoorzaamheid en deemoed. Ten opzichte van Christendom en beschaving, wetenschap en kunst heeft deze orde zich buitengewoon verdienstelijk gemaakt.


Maar de taak, door de Kerk in de opvoeding der Germaansche volken ter hand genomen, was omvangrijk en zwaar. Er moest een reuzenarbeid aan ten koste gelegd worden, om deze volken met hun ruwe ongebroken kracht uiterlijk en innerlijk te veranderen, de zeden te vernieuwen, oude gewoonten uit te roeien, aan krijgslust en zucht tot buit, aan diefstal en roof, trouweloosheid en bedrog, brasserij en dronkenschap een einde te maken en het ruwe bijgeloof te doen wijken voor het geloof des Evangelies.

Ofschoon niet te billijken, is het toch te begrijpen, dat de kerk zich deze taak zocht te vergemakkelijken, en tegenover den cultus der Germanen zich veel verdraagzamer gedroeg, dan ze vroeger tegenover het heidendom der Grieken en Romeinen gedaan had. De kerk was veel practischer geworden en had meer rekenen geleerd. Gregorius de Groote sprak uit, dat men harde gemoederen niet in eens hervormen kan; men moet er geduid mede |21| hebben en voorzichtig te werk gaan, evenals wie een hoogen berg beklimmen wil, niet bij sprongen, maar stapsgewijze hem bestijgt. En zoo werden gewijde plaatsen in Christelijke kerken en kapellen veranderd, heidensche feesten in Christelijke gedenkdagen omgezet, Germaansche goden en helden in Christelijke heiligen of engelen gemetamorphoseerd. Onder een dun laagje Christelijk vernis bleef allerlei bijgeloof en tooverij voortleven; de kerstening ging langzaam, en in verschillende streken des lands woekerde nog eeuwen lang het Heidendom voort.

De wijze, waarop men de kerstening tot stand bracht, werkte deze uitwendigheid en oppervlakkigheid niet zelden in de hand. Reliquiën, mirakels, toevallige gebeurtenissen speelden er eene groote rol in, en het zwaard bewees gewichtige diensten. De Frankische koningen stelden zich het voorbeeld der Romeinsche keizers voor oogen, en verbonden den godsdienst zoo nauw mogelijk met de politiek. Als de vorsten tot het Christendom overgingen, hadden de volken te volgen. Ketterijen als bijv. de Ariaansche, werden te vuur en te zwaard onderdrukt. De Saksers werden door Karel den Grooten na jarenlangen strijd op de bloedigste wijze onderworpen en met geweld tot ontvangst van den doop gedwongen. Het spreekt vanzelf, dat het leven na den doop dan op de oude wijze zich voortzette en hoogstens in enkele uitwendige dingen eenige verandering onderging. Bonifacius bijv. klaagde steen en been over de treurige, godsdienstige en zedelijke toestanden in Thüringen, over de tuchteloosheid der geestelijken, de verwildering van het volk, het voortleven van allerlei heidensche gebruiken en zeden. Men mag bij deze klachten niet vergeten, dat de Apostel der Duitschers naar Oost-Frankenland kwam met tweeërlei doel, in de eerste plaats wel, om de Heidenen te bekeeren, maar ten tweede toch niet minder, om de door de iroschotsche zending aldaar reeds vroeger gestichte kerken en kloosters in pauselijken geest te hervormen en aan Rome’s gezag te onderwerpen.

Maar, ook al brengt men dit in rekening, de geschiedenis van dien en ook van lateren tijd levert overvloedige bewijzen, dat, in weerwil van den buitengewonen ijver en de zelfopofferende toewijding, door tal van zendelingen aan den dag gelegd, toch in het volksleven nog veel te |22| kerstenen overbleef. Natuur en genade bleven maar al te vaak gescheiden en onverzoend naast elkander staan. De genade trachtte wel zich over de natuur henen uit te breiden, maar zij werkte er niet organisch en hervormend op in; terwijl zij aan de natuur, aan de ruwe, ongebonden natuur der Germaansche volken groote speelruimte overliet, stelde zij zichzelve dikwerf met het nakomen van enkele, uitwendige godsdienstplichten tevreden.


Dit dualisme is een van de meest in het oog springende karaktertrekken van de Middeleeuwen geworden. Het bestond zeker reeds vóór dien tijd en bracht toen al de onderscheiding van clerus en leeken, asceten en monniken voort. Maar het werd thans, onder begunstiging ook van de maatschappelijke en staatkundige toestanden, bijv. van het feudale stelsel en later van het gildewezen, op de spits gedreven, georganiseerd en gesystematiseerd. Tijd en ruimte laten niet toe, hierop in bijzonderheden in te gaan; enkele voorbeelden zijn voldoende, om den aard van dit dualisme in het licht te stellen.

Daar is allereerst, de verhouding van kerk en staat. Bonifatius bracht het Roomsche Christendom tot de Duitschers en bereidde daarmede die gewichtige gebeurtenis voor, die op Kerstdag van het jaar 800 plaats had, toen Karel de Groote door paus Leo III tot Roomsch keizer gekroond werd. Karel werd daardoor het staatkundige hoofd der gansche Christenheid, gelijk de paus haar geestelijk hoofd was. Bij het verdrag van Verdun 843 viel echter dit groote, Christelijk wereldrijk weer uiteen. Frankrijk ontwikkelde zich toen onder de Capetingers (sedert 897), steeds meer in monarchistische richting, zoodat de macht van den adel beperkt en het volk aan de dynastie verbonden werd. Maar Duitschland loste zich meer en meer in landsheerlijkheden op, die voortdurend de eenheid van het rijk en de macht van den koning tegenwerkten, en waarin de hooge standen alles en het volk niets te zeggen had. Zeker ligt hierin ook eene der oorzaken, waarom de Duitsche koningen steeds zulk een prijs stelden op het bezit der Roomsche keizerskroon. Karel de Groote had deze gedragen, had zich sedert koning bij Gods genade genoemd, en had daarin die politieke en kerkelijke eenheid verkregen, welke hem naar het voorbeeld van het |23| Romeinsche keizerrijk voor oogen stond. En de Duitsche koningen bleven aan dit ideaal getrouw en zochten hun sterkte in een verbond met de pauselijke macht.

Maar dit streven is hun duur te staan gekomen. Want dit verbond legde hun de verplichting op, om allereerst zorg te dragen voor de bescherming van den paus; in plaats van hun krachten te kunnen wijden aan den innerlijken opbouw en de bevestiging van het Duitsche Rijk, moesten zij aldoor rekening houden met de toestanden in Italië en telkens met een leger over de Alpen trekken, om de veiligheid van den paus te verzekeren en zelven de keizerlijke kroon te behouden. Veel ernstiger was nog de strijd tusschen keizer en paus, die van dat verbond het gevolg was en de Middeleeuwsche geschiedenis heeft beheerscht.

Karel de Groote had allerminst de gedachte, dat hij, door de Roomsche keizerskroon uit de handen van den paus te ontvangen, daarmede zich aan den paus onderwierp; integendeel, hij beschouwde zichzelf niet alleen als wereldlijk vorst, doch ook als hoofd van de Kerk, waartoe zijn rijk behoorde. Maar één ding ontbrak hem daarbij: het universeele karakter van zijn Koningschap over de gansche Westersche Christenheid, dat in den Keizerlijken naam uitdrukking vond en alleen door het ééne, geestelijke hoofd der Christenheid hem verschaft worden kan. Toen hij die kroon verworven had, ging hij dan ook op dezelfde wijze als vroeger voort, om zich in de zaken der kerk te mengen, kerkelijke vergaderingen saam te roepen, in hare besluiten verandering te brengen, toezicht op de geestelijkheid te houden enz. En de latere Duitsche koningen koesterden dezelfde gedachte; Otto I bijv., die in 962 tot Roomsch keizer gekroond werd en daarmede het heilige, Roomsche rijk in Duitschland stichtte, beschouwde zich als de hoogste wereldlijke en geestelijke macht in het Westen, en ontzette zelfs Johan XII en Benedictus V uit hunne pauselijke waardigheid.

Het spreekt vanzelf, dat de Kerk, indien zij niet als in het Oosten tot Caesareopapie vervallen wilde, zulk eene inbreuk op hare rechten zich niet kon laten welgevallen en den strijd tegen de machtsaanmatiging van den staat aanvaarden moest.

Onder paus Gregorius VII 1073-1085 bereikte deze |24| strijd een hoogtepunt; door het verbod der simonie (het koopen van kerkelijke ambten), van de investituur (benoeming tot kerkelijke ambten door de landsvorsten), en van het huwelijk voor de geestelijken wist deze paus de kerk van den staat onafhankelijk te maken en de zelfstandigheid van het pausdom te verzekeren. Voorts bracht hij het beginsel van de pseudo-isidorische decretalen aangaande de autoriteit van den paus in practijk, door te bepalen, dat alleen conciliën, door den paus samengeroepen, als wettig konden worden erkend. En eindelijk maakte hij ban en interdict tot hierarchische wapenen, waardoor elk verzet tegen het pauselijk gezag gebroken werd.

Hoezeer dan ook de strijd voor het recht en de vrijheid der Kerk lof verdient, die strijd was toch in de Middeleeuwen in hooge mate onzuiver, omdat hij tegelijkertijd was een strijd, voor de onafhankelijkheid en de wereldlijke machtspositie van het pausdom. Na Gregorius VII werd deze het krachtigst gehandhaafd door Innocentius III 1198-1216 en eene eeuw later door BonifaciusVIII 1293-1303, die haar in de bul Unam Sanctam van het jaar 1302 de scherpste formuleering schonk. In deze bul toch werd de overigens ook reeds vroeger verkondigde theorie van de twee zwaarden ontwikkeld, volgens welke Christus aan Petrus en in hem aan zijn opvolgers, de pausen, twee zwaarden had toebetrouwd, het geestelijk zwaard, dat gehanteerd wordt door de Kerk, en het wereldlijk zwaard, dat gedragen wordt voor de Kerk door de overheid, doch slechts naar den wil des priesters en zoolang hij dit duldt. Naar eene andere vergelijking werd de Kerk de zon genoemd, en de staat de maan, die van de zon haar licht ontvangt. En in die Kerk is de paus de souverein, aan wien ieder mensch om zijner ziele zaligheid zich te onderwerpen heeft. Ten teeken van die souvereiniteit draagt hij sedert de veertiende eeuw de tiara, de drievoudige kroon, aanduidende zijne koninklijke macht over den hemel door de heiligspreking, over het vagevuur door den aflaat, over de aarde door den ban.


Deze verheffing van het pausdom, die in de onfeilbaarverklaring op het Vaticaansch concilie van 1870 hare voorloopige afsluiting verkreeg, stond in de Middeleeuwen in nauw verband met de ontwikkeling, welke de Kerk in hare |25| leer doorliep, en die het duidelijkst in de geschiedenis van het sacrament uitkomt. Sacrament was vroeger de naam voor een onbeperkt getal van heilige handelingen en gebruiken, maar kreeg in den tijd der scholastiek eene nadere bepaling en eene scherpere begrenzing. Er werd onderscheid gemaakt tusschen sacramenten en sacramentaliën; het getal der eerste werd op zeven vastgesteld; elk van deze werd met groote scherpzinnigheid maar niet zelden ook met spitsvondigheid uitgewerkt; en onder die zeven stond de mis bovenaan. Want op het vierde Lateraanconcilie in 1215 werd onder paus Innocentius III de leer der transsubstantiatie tot dogma verklaard, en dus beleden, dat brood en wijn in het avondmaal naar hun wezen veranderd werden in het eigen lichaam en bloed van Christus. In de mis heeft dus telkens weer eene herhaling plaats van de vleeschwording en van de offerande van Christus; in haar zet Christus zelf zijn werk in de Kerk voort. En evenzoo is de paus in zekeren zin een sacrament; want in hem leeft Christus op aarde voort, om zijne Kerk te behoeden en te leiden. Niet lang geleden kon daarom een Roomsche bisschop prediken over de drievuldige vleeschwording van Christus, n.l. in den schoot van Maria, in het avondmaal en in den paus.

Van de sacramenten zijn de sacramentaliën onderscheiden. Voor den Roomschen Christen is n.l. de wereld verdeeld in een gewijd en ongewijd terrein. Al wat buiten de Kerk ligt, behoort tot het ongewijde gebied, waar niets anders en niets hoogers is dan natuur, en waar sedert den val Satan met zijne onreine geesten heerscht. Maar midden in die onheilige wereld heeft God zijne heilige Kerk gesticht en haar de schatten der genade toebetrouwd. Al wat uit de wereld op het heilig terrein der Kerk overgaat en in haar dienst treedt, moet daarom gewijd worden. De Roomsche Christen maakt daarom telkens het kruisteeken, bij het eten en drinken, bij het ter ruste gaan en het opstaan, bij elke gewichtige bezigheid, om zich te wapenen tegen de aanvallen des duivels en den zegen des hemels af te smeeken, want bij het zien van dit teeken gaat de macht der hel op de vlucht. Zoo besproeit hij zich ook met het heilig wijwater, wanneer hij de kerk binnentreedt of haar verlaat, en ook wel in huis, bij krankheid, gevaar of verleiding, om de invloeden van Satan af te weren. En niet |26| alleen menschen, maar ook onbezielde voorwerpen, kerkgebouwen, kerkhoven, water, zout, brood, altaren, kelken, schotels, klokken, priesterkleeding, enz. worden alzoo door eene of andere plechtigheid aan het profane gebied onttrokken en in den dienst der Kerk gesteld. Al deze wijdingen, zegeningen en duivelbezweringen worden onder den naam van Sacramentaliën samengevat; ze zijn niet door Christus maar door de Kerk ingesteld, schenken geen eigenlijke genade maar toch wel eenige geestelijke kracht, en dienen als het ware tot omheining van het heilig erf, waar de Kerk met haar priesterschap en hare sacramenten woont.

De leer van de sacramenten is de sluitsteen van het Roomsche systeem; ze kwam tot volle ontwikkeling in de Middeleeuwen, als pendant van het in het pausdom culmineerende priesterschap, als belichaming van Rome’s geestelijke macht. Van de sacramenten leert Rome toch, dat de priester de macht bezit, om door het woord der consecratie de beteekende zaak op de innigste wIJze met het teeken te verbinden, en bepaaldelijk bij het avondmaal brood en wijn wezenlijk te veranderen in het eigen lichaam en bloed van Christus. Tengevolge van deze, inderdaad scheppende macht van den priester beelden de sacramenten de genade niet maar af, noch stellen ze alleen voor, doch zij bevatten haar in zich, en deelen ze daarom ook daadwerkelijk mede aan ieder, die er geen positief beletsel aan in den weg legt, ex opere operato, uit kracht van het gedane werk. De genade, welke in de sacramenten vervat is, is eene in wezen bovennatuurlijke, ook wel dienend, om toevalligerwijze de gevolgen der zonde weg te nemen, maar veel meer strekkend, om den gewonen, natuurlijken mensch op te heffen in een bovennatuurlijken stand, en hem die bovennatuurlijke krachten te schenken, welke hem in staat stellen, bovennatuurlijk-goede werken te doen, en daardoor de bovennatuurlijke zaligheid, het loon der wezensaanschouwing Gods te verwerven.


Door deze sacramentsleer heeft Rome de oorspronkelijke idee van de genade in het Christendom totaal veranderd. Het Evangelie, gelijk de Schrift het ons kennen doet, is de boodschap van Gods genadige en vergevende liefde in Christus, en verlangt niet anders dan met een |27| kinderlijk geloof ontvangen en omhelsd te worden. Maar bij Rome zijn woord en geloof geheel naar den achtergrond gedrongen en hebben alleen eene voorbereidende beteekenis behouden; gelooven is niets meer dan een verstandelijk voor waar aannemen van wat de Kerk leert, sluit volstrekt geen vertrouwen op den persoon van Christus in en kan daarom ook niet zalig maken; het biedt alleen de gelegenheid, om verder te komen en in den doop de genade deelachtig te worden. Wat zalig maakt, is niet het woord en het geloof, maar de genade in het sacrament, die uit kracht van het gedane werk in de ziel ingestort wordt, en deel doet krijgen aan de bovennatuurlijke orde van zaken, aan de hemelsche heiligheid, aan de goddelijke schoonheid. Naarmate iemand door het sacrament meer van die hemelsche genade in zich opneemt en met haar hulp in het doen van goede werken zich oefent, stijgt hij hooger op den trap der volmaaktheid en doet hij een glans en een geur van heiligheid van zich uitgaan. Inzonderheid is dat het geval, als hij behalve de geboden ook nog de zoogenaamde raden onderhoudt, en zijn gansche leven aan vroomheid en dienende liefde wijdt.

Zoo krijgt Rome eene lange reeks van heiligen en heiligheden, die naargelang van hun aandeel aan de bovennatuurlijke genade voorwerpen van vereering zijn. Bovenaan staat Maria, die als moeder van Gods Zoon inniger dan eenig schepsel met de Godheid vereenigd was, daarom Middelares is tusschen God en mensch, en op eene buitengewone vereering aanspraak mag maken. Op haar volgen in dalende rij de patriarchen, de profeten, de apostelen, de martelaars, de heiligen van allerlei plaats en tijd, die eveneens op -vereering recht hebben. En daarna komen de reliquiën, de lichamen ledematen kleederen, gereedschappen, die door hen zijn nagelaten en in betrekkelijken zin godsdienstig vereerd mogen worden. Want er zijn zoovele graden van vereering, als er graden van uitnemendheid, van verhevenheid boven het natuurlijke en van gemeenschap aan het bovennatuurlijke zijn. En al dat heilige, dat in de kerk op aarde is nedergedaald en in het sacrament, nog weer nader in de mis zijn middelpunt heeft, al dat heilige helpt bij vroom gebruik, om den mensch te bevrijden van de macht van booze geesten en tegen allerlei gevaren en krankheden te bewaren. Vereering der heiligen, |28| van hunne beelden en reliquiën heeft ten doel, om door hunne voorbeden de gunst van God te verwerven en eene of andere weldaad van Hem te verkrijgen. Zelfs zijn er bepaalde heiligen voor bepaalde volken, familiën en personen en ook voor verschillende nooden en behoeften. De heilige George is de schutspatroon van Engeland, Jakobus van Spanje, Stephanus van Hongarije; de heilige Sebastiaan helpt vooral in pest, Ottilia bij oogziekte, Antonius, ingeval men iets verloren heeft enz. De dienst van den éénen waarachtigen God en van Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft, werd bij Rome in de Middeleeuwen meer en meer verdrongen door de aanroeping der tallooze heiligen en de vereering van hunne beelden. Wie het Christendom in dien tijd met het apostolische vergeleek, herkende het nauwelijks meer.


De tegenstelling neemt een nog scherper karakter aan, wanneer men op het zedelijk leven in de Middeleeuwen acht geeft. Men moet zich hierbij voor overdrijving wachten; ook de kerk in de Middeleeuwen was en bleef, met al hare gebreken, de kerk van Christus, waarin Hij werkte door zijn Woord en Geest; zij telde vele uitnemende leden, onder de geestelijken en onder de leeken, in en buiten de kloosters; en het is niet goed, hunne vroomheid, al draagt zij in vele opzichten een anderen vorm dan de onze, onder den naam van werkheiligheid in den ban te doen. Maar desniettemin, er is een overvloed van getuigenissen, die bewijzen, dat het zedelijk leven in vele kringen tot een laag peil was gedaald. Verbinding van geestelijke en wereldlijke macht was oorzaak, dat vele pausen en bisschoppen zich meer als vorsten over hun volk, dan als herders hunner kudde gedroegen. De rijke inkomsten, waarover kerkelijke ambten en bedieningen beschikken konden, werkten omkooperij, nepotisme, geldzucht en een weelderig leven in de hand; en allerlei middelen werden aangewend, zooals handel in reliquiën, aflaten enz., om die inkomsten te vermeerderen. De afschaffing van het huwelijk voor de priesters maakte de kerk wel onafhankelijk, maar was tevens aan allerlei ontucht bevorderlijk; kloosters waren soms aan bordeelen gelijk. De zeventigjarige ballingschap der pausen in Avignon 1305-1377, het negenendertigjarige pauselijke schisma 1378-1417, en de bezetting van den |29| pauselijken stoel door onwaardigen als Sixtus IV 1471-1484, Innocentius VIII 1484-1492 en Alexander VI 1492-1503 ondermijnden in breede kringen den eerbied voor de kerk en het geloof aan haar gezag. Naast het bijgeloof, dat in allerlei vorm onder het volk welig tierde, kwam dan ook het ongeloof op, dat eerst door de kruistochten, daarna door de Renaissance bevorderd werd en in de fabel van de drie bedriegers (Mozes, Jezus, Mohammed) zijne kraste uitdrukking vond.


Dit verval der kerk werd door de vromen met leede oogen aanschouwd en riep een sterk verlangen naar hervorming wakker. Heel het tijdvak der Middeleeuwen was dan ook rijk aan pogingen, om de kerk uit haar verval op te beuren en weder aan haar roeping te doen beantwoorden. Nu eens bestonden ze in verzet tegen de leerontwikkeling inzake den beeldendienst, de praedestinatie of de transsubstantiatie; dan weer gingen ze van manicheesche of pantheïstische dwalingen uit, waren tegen de kerk en het pausdom gericht en verliepen in sectarische en revolutionaire bewegingen. Soms werden ze uit de mystiek geboren en streefden naar een leven van devotie in stille afzondering; of ook trachtten zij het ideaal der bergrede, vooral aangaande de armoede, tot vervulling te brengen. Na de Avignonsche ballingschap en het pauselijk schisma meende de kerk zelve op de concilies van Pisa 1409, Constanz 1414 en Bazel 1431, de reformatie ter hand te moeten nemen. Maar al deze pogingen, schoon te waardeeren en ook tot zekere hoogte iets goeds uitwerkende, tastten het kwaad niet in den wortel aan en droegen daarom geen duurzame vrucht. Zelfs de hervorming van Wiclif en Hus, die zonder twijfel het diepst ging, stelde de diagnose der krankheid niet juist en drong tot haar innerlijke oorzaak niet door.

Anders was het nu met de Reformatie in de zestiende eeuw gesteld! Men bedenke n.l. in de eerste plaats, dat zij niet op zichzelve stond, maar met allerlei andere bewegingen der geesten gepaard ging. Zij werd voorbereid door al die verschijnselen, die niet zelden onder den minder juisten naam van hervormingen vóór de Hervorming worden saamgevat, en zij werd als het ware vergezeld en gesteund door gebeurtenissen als de uitvinding der boekdrukkunst, |30| de ontdekking van Amerika, de wedergeboorte der letteren en de, herleving der natuurwetenschap. Al deze machtige en invloedrijke bewegingen bewerkten met elkander eene keer in de wereldhistorie; zij waren samen eene openbaring van dien nieuwen geest, die in de vijftiende eeuw op elk gebied naar lucht en licht en vrijheid dorstte, en, de voogdij der Middeleeuwen moede, naar emancipatie en zelfstandigheid streefde. De Reformatie was een onderdeel van die algemeene wedergeboorte, welke den dageraad aankondigde van den nieuwen dag.

Maar onder al die gebeurtenissen droeg de Reformatie toch een eigen karakter. Zij heeft, als het er op aankwam zichzelve te blijven, het bondgenootschap met Renaissance en Humanisme versmaad en de vriendschap Gods boven die der wereld gesteld. De Hervormers waren van een anderen geest dan de mannen, die in de klassieke oudheid hun ideaal zochten en die haar een tijd lang genegenheid en steun boden. Zij werden tot de vrijheid gedreven door een ander en hooger belang. Zij streden niet voor de vrijheid van den natuurlijken, maar van den Christenmensch. Het was hun in de eerste plaats niet om herleving van kunst en wetenschap, om staatkundige of maatschappelijke vrijheid te doen. Wat zij vóór en boven alles zochten, was de vrede der ziel met God, de bevrijding van de schuld der zonde, en het leven in Zijne gemeenschap. De Reformatie was in haar beginselen wezen eene religieus-ethische beweging.

Als zoodanig kenmerkte zij zich hierdoor, dat zij niet streefde naar afschaffing van enkele misbruiken of met eene hervorming in hoofd en leden zich tevreden stelde, maar eene gansch andere opvatting van godsdienst en zedelijkheid en van heel het Christendom voordroeg, dan die allengs in Rome zich gevormd had. De Roomsche kerk en theologie leeft uit de tegenstelling van natuur en bovennatuur. Maar de Reformatie nam haar standpunt elders; zij zette deze Roomsche, quantitatieve onderscheiding geheel ter zijde, en verving haar door de qualitatieve tegenstelling van zonde en genade; zij ging niet meer tot Augustinus, gelijk zoovele hervormingen vóór haar, maar achter Augustinus tot Paulus, achter de Roomsche en Oud-Katholieke tot de oorspronkelijke, Christelijke, Apostolische kerk terug. Geboren uit het door schuldbewustzijn |31| verslagene hart, gaf zij op de vraag: hoe een genadigen God te verkrijgen, tegenover Rome ten antwoord: niet door de werken maar alleen door het geloof, niet door verdienste maar uit genade, niet door eenige gerechtigheid in ons, maar door eene in Christus ons geschonkene gerechtigheid Gods, niet door de heiligen maar door den eenigen Middelaar Jezus Christus, niet door eenig schepsel maar door God alleen.


Met dit antwoord stelde de Hervorming zich principiëel tegenover alle Pelagianisme van vroegeren en van lateren tijd; als zij slagen wilde, kon zij niet anders dan Augustiniaansch, of beter nog, kon ze niet anders dan Paulinisch en Schriftuurlijk wezen. Zij leerde de genade weer in haar bijbelschen zin verstaan, als Gods vrije en genadige gunst, in Christus jegens schuldige zondaren geopenbaard. Zij maakte de religie daarmede als het ware los uit de handen der onfeilbare kerk; de mensch krijgt aan de zaligheid deel, niet door sacrament en priester en kerkinstituut, maar door persoonlijk geloof aan de belofte Gods, in zijn Woord. Alle middelaarschap der kerk is daarmede afgesneden, alle loondienst uit de religie verwijderd, de verhouding van godsdienst en zedelijkheid radicaal omgekeerd. Bij Rome gaat eene zekere mate van heiligheid aan de gemeenschap met God vooraf; maar bij de Reformatie is religie geen onderhouding van geboden, om daardoor de zaligheid te verwerven, maar eene objectieve, door God in Christus uit genade herstelde, en dan van ’s menschen zijde in kinderlijk vertrouwen aanvaarde verhouding, die haar eigen zekerheid meebrengt en tot het doen van goede werken den lust en de kracht schenkt.

Het gansche ethische leven komt hier dus uit het geloof, uit de religie, voort en is zelf niet anders dan een dienen van God, niet als knecht om loon, maar als kind uit liefde. De geest der dienstbaarheid tot vreeze is geweken voor den geest der aanneming tot kinderen, die alle vreeze buitensluit. De Christen, die naar de beginselen der Reformatie leeft, vraagt niet, of hij goede werken moet doen, maar doet ze, voordat ze gevraagd worden. Want het is onmogelijk, dat zij, die door een waar geloof Christus zijn ingelijfd, niet zouden voortbrengen vruchten der dankbaarheid. De tegenstelling van gewijd en profaan |32| vervalt hier dus en maakt plaats voor die van een heilig en van een zondig leven. Het natuurlijke wordt daarom in zijne waarde erkend en van den ban van het profane bevrijd. Huwelijk, beroep, wetenschap, kunst, staatsdienst — heel het rijke natuurlijke leven wordt een echt gezond Christelijk leven. Niet ascese, maar heiliging is het levensideaal. Niet uit de wereld te gaan, maar in de wereld zich te bewaren van den booze, wordt de roeping van den Christen. De weg ten hemel leidt niet heen door de eenzaamheid der woestijn noch door de cel van het klooster, maar door de volheid van het menschelijk leven. En dit ethische leven bestaat niet in eene optelsom van goede werken, die elk op zichzelf een vastgesteld loon verdienen, maar het is één levend geheel, organische ontvouwing van het beginsel en de kracht des geloofs.


Op deze wijze heeft de Reformatie het godsdienstig-zedelijk bewustzijn der Europeesche menschheid wederom naar het beginsel des Christendoms veranderd, en daarmede den mensch van den nieuwen tijd in eene gansch andere verhouding tot heel de wereld geplaatst, dan waarin de mensch der Middeleeuwen tot haar stond. Het Protestantsch beginsel van de rechtvaardiging door het geloof is niet alleen godsdienstig en zedelijk, het sluit ook een politiek en sociaal, een wetenschappelijk en een aesthetisch beginsel in; het is principe van eene andere, nieuwe, tegelijk Christelijke en moderne wereld- en levensbeschouwing. Zelfs waar Rome en de Reformatie nog vele dogmata gemeen hebben, nemen deze toch daar en hier eene andere plaats in en hebben zij eene andere waarde. Bij dezelfde godsdienstige en zedelijke begrippen denkt de Roomsche Christen toch anders dan de Protestant; zij zijn bij hem met andere voorstellingen, gezindheden, aandoeningen geassociëerd. Daarom is het oppervlakkig te meenen, dat het oorspronkelijk Protestantisme nog voor een aanmerkelijk deel een Middeleeuwsch karakter draagt; het is in zijne opvatting van het Christendom door en door modern, geboren uit den nieuwen geest, die sedert de vijftiende eeuw zich in Europa baan brak. Maar het wilde Christelijk blijven, in zekeren zin zelfs het oorspronkelijke Christendom herstellen, en in zooverre handhaaft het inderdaad eene wereld- en levensbeschouwing, die door het |33| nieuwe Protestantisme sedert de „Aufklärung” der achttiende eeuw verworpen is en thans van alle zijden tegenspraak vindt.

Maar deze strijd geldt niet het Middeleeuwsche, doch het oorspronkelijk, het apostolisch Christendom. En deze strijd duurt voort tot den huidigen dag en zal zeker wel voortduren tot het einde der eeuwen. De vraag: wat dunkt u van den Christus? blijft altijd aan de orde, en verdeelt de geesten thans meer dan ooit. De Reformatie, schoon van den beginne aan in verschillende vormen optredende, herhaalde eenparig, in overeenstemming met heel de Christelijke kerk, de belijdenis van Petrus: Heer, tot wien zullen wij henengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens; en wij hebben geloofd en bekend, dat gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. En deze belijdenis blijft de scheidsmuur tusschen oud en nieuw Protestantisme, tusschen de Reformatie en de Revolutie.


H. Bavinck




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004