De Hervorming en ons nationale leven

Ter herdenking der Hervorming, 1517-1917. Twee redevoeringen, uitgesproken in de openbare zitting van den senaat der Vrije Universiteit op 31 October 1917

Kampen (J.H. Kok) 1917, 7-36

a



De Reformatie der zestiende eeuw was in haar oorsprong eene beweging van zuiver godsdienstigen aard, van Renaissance en Humanisme in wezen onderscheiden. Het was haar niet om vernieuwing van wetenschap en kunst, om verbetering van maatschappelijke of staatkundige toestanden te doen. Haar beginsel lag uitgedrukt in de drievoudige belijdenis: Scriptura sola, gratia sola, fides sola, de Schrift alleen, de genade alleen, het geloof alleen.

Dit beginsel was niets nieuws; het was het oude Evangelie, het Evangelie der Schrift, het Evangelie van Paulus inzonderheid. En toch was het na de verduistering in de Middeleeuwen eene nieuwe openbaring, een nieuw inzicht in de Schrift, eene nieuwe opvatting van heel het Christendom. Zooals Columbus de nieuwe wereld ontdekte en de Renaissance het oude Latium en Hellas herleven deed, zoo wierp de Reformatie een nieuw licht over den zin en de meening der Schrift. Woorden als zonde en genade, geloof en bekeering, rechtvaardigmaking en heiligmaking, kerk en sacrament en zoovele meer, ontvingen door de Reformatie eene andere beteekenis; zelfs de gemeenschappelijke dogmata van drieëenheid, vleeschwording en voldoening dragen bij Rome een ander accent, vertegenwoordigen eene andere waarde dan in het Protestantisme. Wij spreken met onze Roomsche landgenooten dezelfde taal; maar dezelfde woorden wekken verschillende gedachten en gedachtenverbindingen op bij hen en bij ons.

Wijl de Reformatie met hare belijdenis, niet in de peripherie, maar in het centrum der religie zelf, dat is in des menschen verhouding tot God eene principieele en radicale verandering bracht, daarom was zij in eminenten zin universeel, katholiek, zoo diep ingrijpend en van zoo verre strekking, dat zij successief alle andere |8| verhoudingen wijzigen moest, en aan maatschappij en staat eene nieuwe gedaante moest geven. De Reformatie heeft in de eerste plaats de kerk hervormd, maar verder ook het huwelijk en het gezin, het zedelijk leven en het aardsche beroep, de wetenschap en de kunst, de sociale en de politieke toestanden. Zij heeft over den mensch in al zijne verhoudingen, over heel de profaan geachte wereld, het licht geworpen van goddelijke heerlijkheid. Zij heeft haar uit het diensthuis der onfeilbare kerk uitgeleid en in de vrijheid van Christus gesteld. En zoo heeft de Reformatie ook op staatkundig gebied een nieuw tijdperk ingeleid, en aan het nationale leven in vele landen een ander karakter en eene andere richting geschonken.

Deze nationale beteekenis van de Hervorming is bijzonder te danken aan twee overtuigingen, welke de rechtvaardiging door het geloof vanzelve medebrengt. Immers deze belijdenis sluit objectief de duidelijkheid der Schrift en subjectief het getuigenis des H. Geestes in, en maakt den mensch, neen, den Christen vrij, onafhankelijk van priester en sacrament, en doet hem, zeker van zijn zaak, met Paulus roemen: indien God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? God is het, die rechtvaardig maakt, wie is het dan, die verdoemt? Het algemeen priesterschap der geloovigen zet het speciale priesterschap van den geestelijken stand op zij, maakt de geloovigen in de kerk mondig en vrij, en brengt in zijn gevolg het staatsburgerschap der onderdanen mede. In de kerk geen voogdij der priesters, in den staat geen patronaat der overheid meer; het nieuwe beginsel kweekt op beide terreinen een krachtig zelfbewustzijn, schaft daar de geestelijke afhankelijkheid, hier de wereldlijke lijfeigenschap af. De kerkelijke mondigverklaring brengt te harer tijd de politieke vrijheid en rijpheid der volkeren mede.

De andere overtuiging, die uit de belijdenis der Reformatie voortvloeit, is deze, dat er boven staat en kerk beide een hooger gezag zich verheft, het gezag n.l. van Gods woord, en dat voor ieder op dat gezag een hooger beroep open staat. Bij Rome is zulk een hooger beroep onmogelijk; de uitspraak der kerk is de uitspraak van God zelven; Roma locuta, causa finita; voor de vrijheid des gewetens blijft hier geene plaats; voor de geboden |9| der kerk moet ieder om des gewetens wil zich buigen; Rome bindt de conscienties der menschen. Evenroo is er geen hooger beroep in het systeem der Revolutie mogelijk; de staat, de gemeenschap der burgers, de meerderheid van de helft plus één vertegenwoordigt daar de hoogste macht; indien de minderheid zich daarnaar niet schikken wil, blijft er niets over dan dat zij onderdrukt wordt; het volk is hoogste souverein. Maar de Reformatie ging tot het apostolisch woord terug, dat men Gode meer gehoorzamen moet dan den menschen. En daarin ligt opgesloten, dat er een woord, een gebod Gods is, dat boven. kerk en overheid staat, en waarop ieder burger, ook de eenvoudigste en geringste, zich in laatste instantie beroepen mag. Het gezag van Christus valt noch met dat der kerkelijke, noch met dat der wereldlijke overheid saam; veel minder daalt dat gezag middellijk door den paus naar de koningen en vorsten af. Maar het gezag van Christus troont hoog en heilig in de hemelen boven de aarde, boven de anathema’s van Rome en de vonnissen der aardsche rechtbanken; want alle oordeel van kerk en overheid is feilbaar menschenwerk, waarvan betoep op eene hoogere rechtbank, op eene laatste, absolute uitspraak mogelijk en noodzakelijk is. En met dit machtig beginsel heeft de Reformatie de zelfstandigheidvan staat en kerk, van gezin en maatschappij, van beroep en bedrijf herwonnen, en bovenal de vrijheid van het geweten en de politieke vrijheid der volken gered. Indien kerk of staat of welke andere macht dan ook welbewust en opzettelijk Gods gebod terzijde stelt en tot ongehoorzaamheid aan dit gebod de onderdanen verplicht, dan is lijdelijk verzet geboden, en kan op de lagere overheden, volgens Calvijn, de plicht komen te rusten, om als leidslieden des volks en voor de vrijheden der natie den strijd aan te binden tegen den wettigen souverein.

Naar aller eenparige meening is dit vrijheidsbeginsel in de Hervorming, die van Zurich en Genève uitging, veel beter tot zijn recht gekomen, dan in die, welke in Wittenberg haar oorsprong nam. Het Lutheranisme stelde zich al spoedig met de hervorming van de prediking des woords tevreden, voelde weinig drang, om de reformatie in kerk en staat door te zetten, en liet alle regeling van uitwendige zaken aan de overheid over. De staatkundige toestanden in Duitschland bevorderden deze passieve houding der |10| Hervormers. Want Duitschland loste zich na de verdeeling van het rijk van Karel den Groote bij het verdrag van Verdun in 843 meer en meer in tal van landsheerlijkheden op, die voortdurend de eenheid van het rijk en de macht van den koning tegenwerkten, en waarin de hooge standen alles en het volk niets te zeggen had. Zoo werd de Luthersche Hervorming in de verschillende landen alleen mogelijk, als de overheid haar steunde en leidde en optrad als summus episcopus het volk was dan naar de leuze van het cujus regio, ejus religio eenvoudig tot volgen verplicht en had geen eigen rechten. waarvoor het opkomen mocht. Daarbij kwam, dat de Luthersche Hervorming zichzelf verzwakte door hare veelvuldige theologische twisten, en in de zeventiende eeuw met heel Duitschland de schrikkelijke gevolgen van den dertigjarigen oorlog te dragen had. Het Pietisme trok zich daarom nog verder in het private leven terug en gaf de behartiging van alle openbare belangen aan het Rationalisme en de Aufklärung prijs. Eerst tegen het einde der achttiende en in den loop der negentiende eeuw zijn de beginselen der Reformatie in de Duitsche landen tot meerdere, schoon eenzijdige doorwerking gekomen. Zonder Luther ware er voor Goethe en Schiller, voor Kant en Hegel geene plaats geweest.

Zwingli en Calvijn waren echter andere mannen, leefden en werkten te midden van andere sociale en politieke toestanden, en bleven daarom bij eene hervorming van leer en vroomheid niet staan. Zij gingen radicaler te werk, zagen minder tegen eene breuk met het verleden op, en zetten de reformatie in het gansche openbare leven door. Het presbyterianisme in de kerk werkte de zelfstandigheid van het volk tegenover de overheid in de hand. De organisatie der kerk, naar het beginsel van het koningschap van Christus, kweekte zelfgevoel en onafhankelijkheidszin. De actie, waartoe het volk, meermalen in strijd met de overheid, godsdienstig en kerkelijk werd opgeroepen, hief het ook maatschappelijk en staatkundig uit onaandoenlijkheid en lijdelijkheid op. En het besef eener uit de belijdenis der verkiezing geboren goddelijke roeping stelde het tot groote daden van zelfverloochening, moed en volharding in staat. In alle landen, waar de Hervorming van Genève binnendrong, werd het Calvinisme eene stuw- en drijfkracht in |11| het nationale leven. Alle geschiedschrijvers zijn hierin met elkander eenstemmig. En de geschiedenis van ons vaderland levert daarvan het krachtigste en het treffendste bewijs.


De geschiedenis van ons Vaderland kan, volgens den hoogleeraar Fruin, niet bogen op eene rechtlijnige ontwikkeling, gelijk die in Frankrijk en Engeland valt waar te nemen. In Frankrijk kwam uit de regeeringloosheid in het begin der Middeleeuwen eene oppermacht van de kroon te voorschijn, die zich boven de vasallen verhief en bij den voortduur zegenrijk werkte voor de maatschappelijke vrijheid der onderdanen en voor hunne gelijkstelling voor de wet; de macht van den adel werd beperkt en het volk verbonden aan de dynastie. In Engeland was het streven naar uitbreiding van de vrijheden en rechten des volks het leidend beginsel der geschiedenis. Hier kon de heerschappij der kroon, welke de macht van alle edelen ver overtrof, voor de kleinen en de grooten een gevaar worden; beiden verbonden zich daarom tegen den vorst, de baronnen riepen tegen den koning de hulp der burgerijen in; het parlement werd een tegenwicht tegen de alleenheerschappij, een waarborg en steun voor de vrijheden des volks.

Maar het Nederlandsche volk vertoont in zijne ontwikkeling zulk eene eenheid niet; er loopt door zijne geschiedenis niet zulk een onafgebroken draad. Integendeel, de geschiedenis van ons Vaderland valt in drie perioden uiteen, die elk voor zich een eigen karakter dragen en van elkander in wezenlijke trekken onderscheiden zijn. De Reformatie in de zestiende en de Revolutie in de achttiende eeuw brengen een keer in de ontwikkeling en geven aan den stroom van het nationale leven eene andere wending.

Toen de Nederlanden bij de verdeeling van het Frankische rijk bij Lotharingen werden ingedeeld, vormden zich allengs verschillende kleine leenstaatjes, Utrecht, Friesland, Gelre, Holland, Limburg, Henegouwen enz., die door de vijandschap der beheerschers voortdurend in oorlogen gewikkeld waren, niet alleen tegen vreemde mogendheden maar ook onderling. Overal was er gebrek aan eenheid en samenwerking. Allerwege deden zich geschillen voor, die met de wapenen werden beslist. Tusschen |12| den vorst en de edelen, tusschen den adel en de steden, tusschen de steden en den vorst, tusschen de edelen onder elkaar, tusschen gilden en kooplieden, tusschen regenten en burgerij. Overal waren in de dertiende tot de vijftiende eeuw partijschappen en twisten. Holland had zijne Hoeksche en Kabeljauwsche twisten; in Friesland lagen de Schieringers met de Vetkoopers overhoop; in Utrecht stonden de Lokhorsten en de Lichtenbergers, in Gelderland de Heeckerens en de Bronkhorsten tegenover elkander. Land en volk hadden onder deze twisten en oorlogen zwaar te lijden; vruchtbare streken werden in woestenijen verkeerd, vee en oogst weggevoerd, steden en dorpen verwoest, kloosters in vestingen veranderd.

Deze nood der tijden deed behoefte ontstaan aan eene centrale macht, welke orde in den chaos schiep. En deze orde werd het doel, dat door de vorsten in het Bourgondische en het Oostenrijksche huis werd nagestreefd. Beide huizen stelden zich de vorming van een rijk voor oogen, waarin de centrale regeering sterk zou staan tegenover de middelpunt-vliedende neigingen der feudale maatschappij, en de souvereine macht aan de krachtige elementen van zelfregeering in stad en gewest weerstand kon bieden. En dit streven werd aanvankelijk met goeden uitslag bekroond. De oude leenstaten vervormden zich allengs tot een modernen eenheidsstaat; in bestuur, wetgeving en rechtspraak kwam er meer overeenstemming; de samenwerking der standen nam toe, en de eenheid der natie groeide in kracht. Indien de pogingen tot centralisatie in deze richting waren voortgezet, zou het rijk der Nederlanden een plaats in Europa hebben ingenomen, gelijk aan die van het Fransche en het Engelsche rijk.

Temeer bestond grond voor deze verwachting, omdat de Nederlanden, ook toen Bourgondië en Oostenrijk half Europa en een deel der nieuwe wereld aan de bezittingen der dynastie hadden toegevoegd, toch van dit groote en machtige rijk, vanwege hun rijkdom en ligging, de kern en het middelpunt vormden. Toen Karel V in 1517 aan de regeering kwam, vereenigde hij in 1548, na de onderwerping van Gelre en de annexatie van Vlaanderen en Artois, de zeventien Nederlanden tot één Bourgondischen kreits en heerschte hij over een rijk, waarin de zon niet onderging. En in dat rijk was hij, zelf Nederlander van geboorte, aan |13| de Nederlanden het meeste gehecht. Gelijk hij Europa en het Christendom tegen de Turken verdedigde, nam hij Duitschland, Italië en de Nederlanden in bescherming tegen koning Frans I, met wien hij vier malen in bloedige oorlogen gewikkeld werd. Hij bracht eenheid tusschen de verschillende graafschappen en nam tal van maatregelen, die tot zegen voor ons land verstrekten. De erfopvolging werd voor al de Nederlanden geregeld op eenparigen voet; de algemeene landsregeering, toevertrouwd aan een landvoogd, die boven de stadhouders der gewesten stond, kreeg ter raadpleging een Raad van State naast zich en oefende haar bestuur uit door middel van een Kamer van financiën en een Geheimen Raad van wetgeving; in de staten of stenden traden vertegenwoordigende lichamen van adel, geestelijkheid en burgers op; er kwam allengs meer eenheid in wetgeving en financiën; evenzoo in de rechtspraak door de instelling van den grooten Raad van Mechelen boven de hoven en raden, en van deze boven de plaatselijke schepenbanken; en in de aanvoering van het leger door de aanstelling van een kapitein-generaal. Altemaal instellingen en regelingen, die voor de Nederlanden ten zegen waren, en wier waarde en nut onder onze geschiedschrijvers vooral door Bilderdijk werden erkend.

Bij dit alles voegde zich nog, dat de Nederlanden, vooral de Zuidelijke, in dien tijd een toppunt van bloei hadden bereikt. Welvaart en beschaving waren verspreid over het gansche land. Vlaanderen en Brabant waren de marktplaats en het vereenigingspunt van de Noord-Oostelijke en de Zuid-Westelijke volken. Landbouw, nijverheid en handel brachten schatten op. De Vlaamsche steden, Leuven, Brussel, Gent, Yperen, Brugge vooral, genoten eene ongemeene welvaart en gingen in rijkdom en weelde alle andere te boven. In beschaving, letterkunde en kunst streefden de Zuidelijke Nederlanden die van het Noorden verre voorbij. De gebroeders Hubert en Jan van Eyck legden de grondslagen der Nederlandsche schilderkunst, en vereenigden met de teedere vroomheid der Middeleeuwen, reeds den werkelijkheidszin van den lateren tijd. De bouwkunst schiep in kerken, stadhuizen, torens en poorten wonderen van architectuur, waartoe wij thans nog met eerbied |14| opzien. Na de romantische periode der ridderpoezie, bloeide de letterkunde op in de didactische poëzie van Maerlant en Jan van Boendale, in de innige mystiek van Jan van Ruusbroek, in de geestelijke en wereldlijke schouwspelen, en in de Kamers van Rhetorica.


En toen is in de zestiende eeuw heel deze mooie ontwikkeling door de van buiten komende Reformatie afgebroken enverstoord. Uitwendig beschouwd, is deze ons duur te staan gekomen. De eenheid van den staat, die althans tegenover het buitenland haar bestand had gekregen, werd voorgoed verbroken. Het groote Nederlandsche volks- en taalgebied kromp tot eene kleine plek ineen; de waarborgen voor een zelfstandig volksbestaan werden deerlijk verzwakt. Van de zeventien Nederlandsche gewesten bleven er maar zeven in de Republiek bijeen. In de plaats van centralisatie kwam divergentie naar alle richtingen; de zeven gewesten, die den Koning weerstonden, kwamen ieder op zichzelve te staan, niet omdat ze dat van huis uit wenschten, maar omdat ze langen tijd vruchteloos zochten naar een opvolger van den Landsheer. Doch toen deze hoofdelooze toestand een tijd lang voortduurde, gingen de Staten der provinciën zich allengs beschouwen als oorspronkelijke dragers van de souvereiniteit in deze landen en werden hoe langer hoe meer op het behoud van hunne macht gesteld. De verzwakking van het algemeen bewind had toen onafhankelijkheid der gewesten, overmacht der steden, willekeur der regenten ten gevolge. De Staten werden de koningen, de absolute heeren van het land; ze gaven de eenheid prijs en werkten alle centralisatie tegen. En in de provinciën werden de steden oppermachtig, in de steden de regenten, die den invloed der burgerij beperkten, de kiezerscolleges voor de vroedschap terzijde stelden, openvallende plaatsen liefst zelve aanvulden. Zoo kwam de regeering in stad en gewest in handen van enkele patricische familiën, van eene aristocratie, die uit edelen en aanzienlijke burgers gevormd werd en uit de hoogte op het mindere volk nederzag.

Het is zoo, toen de religie-vrede onmogelijk bleek en de Waalsche gewesten zich in het verbond van Atrecht aaneensloten, toen kwam |15| enkele dagen daarna den 23 jan. 1579, vooral door den invloed van Jan van Nassau, stadhouder van Gelderland, in het Noorden de Unie van Utrecht tot stand. Maar deze was niet meer dan een verbond van onderlinge bescherming, en bracht in de regeering des lands geene wijziging. En deze zoogenaamde grondwet, ofschoon tot stand gekomen in den tijd vóór de afzwering van Filips, bleef onveranderd meer dan twee eeuwen voortbestaan; ze regelde niets omtrent de verhouding van den Stadhouder tot den Koning; maar ook niets omtrent die van den Stadhouder tot de Staten, van de Generale en de Provinciale Staten; ze bevatte allerlei leemten en gebreken, en opende de gelegenheid voor verdeeldheid en twist. De zeven provinciën bleven dus zeven onafhankelijke republiekjes, tuk op haar macht, naijverig onder elkaar, gedurende anderhalve eeuw zelfs niet onder één Stadhouder vereenigd. Zoo was alles provincialistisch geregeld, financien, leger, vloot, onderwijs, universiteit; de pijlen waren er wel. maar de hand, die ze samenbond, ontbrak. Als in de dagen der Richteren onder Israel, deed ieder wat goed was in zijne oogen. Het gezag brokkelde meer en meer af, totdat in 1795 het zwakke gebouw ineenstortte.

Des te verwonderlijker is het, dat de Republiek, in weerwil van zoo uiterst gebrekkige staatsregeling, toch in en na den opstand eene plaats der eere zich verwierf onder de Staten van Europa, en de Zuidelijke Nederlanden, die aan Spanje en Rome trouw bleven, in beschaving, letteren, wetenschap, in nijverheid, handel en scheepvaart weldra verre achter zich lieten. Het Zuiden kwam in verval; het bleef krachteloos en roemloos geketend aan de Spaansche monarchie en werd voortdurend door Frankrijk belaagd. Maar het Noorden begon toen zijne volle kracht te ontwikkelen; het bood aan Spanje en Oostenrijk, aan Frankrijk en Engeland weerstand, verwierf en handhaafde zijne zelfstandigheid; en het ontplooide op alle gebieden der cultuur een energie en talent, die men tevoren in het Nederlandsche volk nooit zou hebben gezocht; het tijdperk van Frederik Hendrik werd onze gouden eeuw. Van dit wondere verschijnsel lag de oorzaak niet uitsluitend, maar toch principiëel en principaal in de Reformatie.

Niet uitsluitend. In den opstand tegen Spanje hebben allerlei |16| factoren samengewerkt. Al dadelijk was van groote beteekenis, dat de Nederlanden door het huwelijk van Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk overgingen in het Oostenrijksche Huis, en daarna door het huwelijk van hun zoon, Filips den Schoone met Johanna van Arragon, met Spanje vereenigd werden onder ééne kroon. Twee natiën werden daardoor samengevoegd, die ver van elkaar gelegen waren, die van elkaar verschilden in karakter, taal, zeden en belangen, die niets gemeen hadden en in geenerlei opzicht bij elkander pasten. Nu was Karel V nog Nederlander in zijn hart, maar Filips was in Spanje opgevoed en Spanjaard van top tot teen. En daarbij kwam, dat hij in zijn streven naar eene absolute monarchie, zijn gezag zocht uit te breiden ten koste van privilegiën en vrijheden, en allerlei maatregelen nam, die weerzin wekten bij Roomsch en Onroomsch. De ziel van het volk kwam ertegen in verzet, en te sterker, naarmate men den indruk kreeg, dat Nederland aan Spanje werd ten offer gebracht.

Tot die maatregelen behoorden o. a. ook de inkrimping van de -macht van den Raad van State; de benoeming van zijne zuster Margaretha tot landvoogdes, met Granvelle tot raadsman; de verwaarloozing en miskenning van de Staten-Generaal; het achterlaten van Spaansche troepen in ons land; de invoering der nieuwe bisdommen in 1559, die Nederland, als eene afzonderlijke afdeeling der Roomsche kerk, inlijfde in de Romaansche monarchie, en het organiseerde tot eene vesting, van waaruit het Protestantisme in Duitschland bestookt kon worden; en dan vooral de strenge uitvoering der bloedplakkaten, de inquisitie en de ketterstraf. In de oppositie tegen deze dwingelandij gingen Roomsch en Onroomsch saam; tegen de inquisitie stond heel de natie als één man; van vervolging of dood om des geloofs wil had men algemeen een afkeer. Filips was zeker bij het nemen van al deze maatregelen ter goeder trouw, hij meende niet anders te kunnen en te mogen handelen. Maar naarmate hij in deze richting doorging, werd zijne regeering anti-nationaal. Het gevolg van zijn bestuur was dan ook, dat het gansche volk, burgerij en edelen, Hervormings- en Roomschgezinden, zich aaneensloot tegen den Vorst van het land en tegen zijne anti-nationale, Spaansche regeering. |17|

Maar in dezen opstand begon de religie een steeds machtiger factor te vormen. De Reformatie werd hier voorbereid door den invloed van Luthers geschriften in de periode van 1518 tot 1530 vervolgens gesterkt en tevens bedreigd door het Anabaptisme in de jaren 1530 tot 1540; en daarna in daden omgezet door den eerst in de Zuidelijke Nederlanden, dan ook in het Noorden steeds wassenden invloed van Calvijn. Deze gaf wat Lutheranisme en Anabaptisme niet wilden of niet konden geven: een krachtig bewustzijn van goddelijke roeping, dat uit de belijdenis der electie geboren werd; eene klare belijdenis, die tegenover Rome houvast bood; eene zelfstandige organisatie der Kerk in consistories, classen en synoden, die een steunpunt vormde tegenover de Roomsche hierarchie; en eene met dit alles samenhangende diepe overtuiging, dat men stond op den grondslag van Gods woord, en Hem meer gehoorzamen moest dan den menschen.

De Reformatie, die tot deze actie dreef, begon hier te lande van onderen op; zij vond eerst en meest bij het volk, bij de kleine burgers, de handwerkslieden, de monniken, de Anabaptisten ingang, later ook min of meer bij de gezeten burgers en edelen, zooals Marnix van St. Aldegonde, en zijn broeder Toulouse. Maar deze wijzen en grooten waren niet velen in getal; bij de meesten hunner was er weinig, dat naar geloofsijver geleek; ze waren noch Roomsch noch Protestantsch. De actie ging van ’t volk uit, en bij dat volk had de Reformatie in Calvinistischen zin den diepsten indruk gemaakt; naarmate het deel ging nemen aan den strijd, kwam het godsdienstig belang op den voorgrond te staan; de strijd voor de vrijheden en privilegiën ging meer en meer over in een strijd voor geloofs- en gewetensvrijheid, en dat te sterker en te sneller, naarmate de ketterij zich uitbreidde en met het dooden van enkelen niet meer uit te roeien was.

Terwijl de Edelen verbonden sloten, confereerden en delibereerden, petities indienden, tot concessies en compromissen zich geneigd betoonden, en de Gereformeerden zelfs wilden overhalen tot aanvaarding der Augsburgsche belijdenis, begon dat volk, vol geestdrift, zelfverloochening en moed te handelen en tot handelen aan te sporen. Het begon zich aaneen te sluiten, hagepreeken te |18| bezoeken, gemeenten te organiseeren, consistories aan te stellen, in dit alles geleid en aangevuurd door predikanten als Datheen, Moded, de Bray, Taffin, van der Heyden en anderen, die uit de ballingschap terugkeerden of uit den vreemde herwaarts togen. Maar daar maakt, helaas, de Beeldenstorm in Aug. 1566 aan alle berekeningen en overleg een einde. Het Verbond der Edelen sprong uiteen; de Landvoogdes herwon hare macht; in Aug. 1567 kwam Alva met tienduizend man in Brussel aan, om met geweld alle ketterij in deze landen uit te roeien; de Raad van Beroerten werd opgericht, Egmond en Hoorne werden gevangengenomen en in ’t volgend jaar onthoofd; vele grooten en edelen trokken zich terug en onderwierpen zich aan Filips’ dwingelandij.

In die dagen was het met de zaak der Hervorming zeer hachelijk gesteld; zij scheen gedoemd te zijn tot den ondergang. Moedeloos en zonder uitzicht voor zichzelven week de Prins naar Duitschland uit; al zijne berekeningen waren verijdeld door de buitensporigheden van het gepeupel, door de aarzeling en de lauwheid van de hoofden der beweging, door het vooroordeel der Duitschers tegen het alhier veldwinnend Calvinisme. En toch bleef aller oog in dien bangen tijd op Oranje gericht. Wat zou de Prins doen? Zou ook hij zich onderwerpen, de beweging, onder het volk tegengaan, gehoor geven aan het verlangen des Konings? Of zal hij zich scharen aan de zijde des volks, zich aan de spits stellen der nationale partij, en in het uiterste geval, als onderhandelingen niet baten, overgaan tot gewapend verzet? In die kritieke ure, eene ure voor overdenking en gebed, geeft de Prins aan de smeekbede der verdrukte ingezetenen gehoor; met groote, persoonlijke opofferingen brengt hij in Duitschland een leger op de been, en vangt den krijg voor het behoud van ’s lands vrijheden, maar bovenal voor geloofs- en gewetensvrijheid aan. De oorlog begon met afwisselend succes; maar in 1572 keert de kans. Op den eersten April verloor Alva den Briel; in 1573 begint van Alkmaar de victorie. En dan gaat het lange, lange jaren aaneen, door voor- en tegenspoed, door overwinning en nederlaag heen, maar toch zigzags-gewijze vooruit naar de redding van het vaderland, de vrijheid der religie, het behoud der |19| privilegiën. Van dien strijd is Prins Willem I het hart en de ziel, het loofd en de hand geweest; hij werd de grondlegger van ons onafhankelijk volksbestaan, de redder der godsdienstige en staatkundige vrijheid tegen geestelijk en wereldlijk absolutisme, Gelijk zijn praalgraf in de Nieuwe Kerk te Delft het uitspreekt: het werd opgericht God Almachtig ter eere en ter eeuwige gedachtenis van Willem van Nassau, Prins van Oranje, als een Vader des Vaderlands, dewelke den dienst van de Nederlanden meer heeft geacht dan de welvaart, en den voorspoed van hem en de zijnen; de ware religie mitsgaders de privilegiën van den Lande wederom ingevoerd en in zijn ouden staat heeft gebracht.


In deze lange en bange worsteling is het Nederlandsche volk geboren en heeft de natie haar Protestantschen stempel ontvangen. Immers ontving zij in dezen strijd de hooge en heilige roeping, om de kerkelijke hierarchie van Rome en de staatkundige tirannie van Spanje te weerstaan, en tegen deze wereldmachten het pleit op te nemen voor de Gereformeerde religie, en daarin voor de vrijheid van geloof en geweten. De Nederlandsche natie is als natie, in haar eenheid van godsdienst en taal, van karakter en zeden, uit de religie geboren; de Hervormde kerk was het middelpunt en de kern van het gemeenebest. Elders is — zooals Groen van Prinsterer zegt — de kerk opgenomen door den staat; hier is de kerk niet slechts met de republiek vereenigd, maar de republiek is geboren uit de belijdenis der kerk. Elders is de bevolking Protestantsch geworden; hier is, door het samenvloeien van verdrevenen uit vele natiën, eene Protestantsche natie gevormd en het volkskarakter in Christelijken, Gereformeerden zin vèredeld en vernieuwd, Op onze munt is de Nederlandsche Maagd afgebeeld met de eene hand op den Bijbel, in de andere de speer met den vrijheidshoed: steunende op den Bijbel, verdedigen wij de vrijheid.

Daarbij is het oorspronkelijke volkskarakter niet vernietigd, maar wel gewijzigd. Evenmin als Israel in de oudheid door zijn aanleg en aard uitmuntte boven andere volken, evenmin gaat ons volk in adel van karakter de ons omringende natiën te boven. Het kan met het Fransche volk niet wedijveren in bevalligheid en smaak, met het Engelsche niet in beschaving en practischen zin, met het |20| Duitsche niet in diepzinnigheid en idealisme. Het heeft geen groote, imponeerende eigenschappen; het is phlegmatiek, nuchter, kalm, bedaard, berekenend, koel, en vervalt lichtelijk tot stijfheid en lompheid aan de eene, of tot ongebondenheid en liederlijkheid aan de andere zijde. Maar ziet nu, wat de Reformatie van dit volk heeft gemaakt. Ze heeft zijn karakter niet in wezen en grondtrekken veranderd, maar toch wel vernieuwd, opgeheven, van zijne schoonste zijde aan het licht gebracht. Ze heeft er een volk van gemaakt, energiek en heroiek, krachtig van lijf en leden, gezond naar lichaam en naar ziel. Ziet er maar de portretten op onze regentenstukken en schuttersmaaltijden op aan! Altemaal frissche en forsche gestalten, met heldere, open oogen, zelfbewust, in het volle besef van hun waardigheid en hun kracht, op zijn tijd niet af keerig van de vreugden des levens; en toch doorgaans huiselijk, vroom, kuisch, ingetogen, werkzaam, zuinig tot op het schriele af, puriteinsch tegen alle losbandigheid in woord en daad gekant.

Deze karaktertrekken openbaren zich in al de uitingen van zijn leven, op alle gebieden der cultuur. Denkt in de eerste plaats aandetaal. Marnix, Spiegel, Coornhert, Hooft, Vondel en vooral ook de Dordsche Bijbelvertaling hebben eene algemeene schrijf- en spreektaal geschapen, die meer en meer de dialecten verdrong. En in die taal hebben zij met de zachtheid en zoetvloeiendheid van het Middelnederlandsch weten te verbinden eene kracht en pittigheid, eene waardigheid en verhevenheid, welke haar tot uitdrukking van religieuze gedachten bijzonder geschikt maakt. En deze zelfde eigenaardigheden treffen wij aan in heel onze cultuur, in alle kunsten en wetenschappen. De Nederlander is realistisch aangelegd, hij heeft een open oog voor de werkelijkheid; hij is niet geniaal, niet intuitief, hij heeft geen diepe gedachten, geen grootsche bespiegelingen, geen trotsche en stoute stelsels van wijsbegeerte. Een wijsgeer kwam uit het Nederlandsche volk niet voort; Cartesius was een Franschman, Spinoza van Joodsche afkomst. Maar daartegenover is aan den Nederlander wel eigen een nauwkeurig en geduldig bezien van de werkelijkheid en een opmerken in die werkelijkheid van het licht v an goddelijke glorie, dat daarin van boven nederdaalt. Wat |21| den kunstenaar in ons vaderland boeide, dat was de gewone werkelijkheid, het alledaagsche leven, de huiselijke gezelligheid, het portret, het landschap, het genrestuk, het stilleven, soms ook wel het ruwe platte leven in herberg, op kermis en op markt. En dat alles voelt hij fijn, innig, warm, met het diepste medegevoel, en geeft hij, zooals hij het voelde, weer op doek of in steen, in lied of tooneelspel. Het is bij alle verscheidenheid dezelfde ziel, die Vondel de huwelijkstrouw doet bezingen, Cats de poëzie in het huisgezin doet opmerken, Rembrandt het lichtdonker op het doek doet tooveren, Jacob van Kampen, Hendrik de Keyser, Rombout Verhulst tot bouwmeesters van kerken, stadhuizen, hallen en grafmonumenten maakt, Leeuwenhoek de infusiediertjes doet ontdekken, Swammerdam den almachtigen vinger Gods doet opmerken in de anatomie van eene luis, de Nederlandsche philologie doet uitmunten door hare acribie, aan den handel eene waarde toekent naast of boven de religie, en het Nederlandsche volk tot op den huidigen dag doet zingen van Piet Hein, wiens naam is klein, maar wiens daden zijn zeer groot, omdat hij overwon de zilvervloot.


Met dit al wordt niet beweerd, dat heel de rijke cultuur der 17e eeuw uitsluitend en rechtstreeks aan de Reformatie te danken zou wezen. Wie dit beweerde, zou bewijs geven, dat de geschiedenis van ons vaderland hem onvoldoende bekend was. Want ten eerste bleef een groot gedeelte van ons volk aan Rome gehecht; in den eersten tijd was er maar één Hervormingsgezinde op honderd of zelfs duizend Roomschen. Gedurende vier en een half jaar van April 1572 tot Nov. 1576 werd de strijd tegen Spanje gestreden door één tiende deel van Holland en Zeeland alleen. In 1587 was naar waarschijnlijke berekening nog maar een tiende deel der bevolking Gereformeerd. Wel is waar vereenigden zich Roomschen en Onroomschen aanvankelijk in het verzet tegen bloedplakkaten en inquisitie, alsmede tegen de schending der privilegiën. Maar toen in het vervolg van den strijd het godsdienstig element naar voren trad, het Calvinisme de leiding kreeg, en de oppositie zich niet alleen keerde tegen de dwingelandij van Spanje, maar ook tegen de hierarchie en de |22| superstitie van Rome; toen kwam er scheuring, trokken de Roomschen zich terug, en onderwierpen zich weder aan het Spaansche gezag. Voor den echten Roomsch-Katholiek konden de Staten de rechte overheid niet zijn; voor hem was en bleef die tot den vrede van Munster toe de Koning van Spanje. Daarom konden zij er ook geen aanspraak op maken, om met de belijders der Gereformeerde religie als volle en gelijke burgers te worden erkend. Toch hadden zij het aan het Protestantsch beginsel der gewetensvrijheid te danken, dat zij hier in vrede mochten blijven wonen en hunne goederen mochten behouden. Met alle dissenters hadden zij gemeen, dat zij niet in aanmerking kwamen voor eenig openbaar ambt; ook werd het recht van godsdienstoefening hun niet toegestaan, noch in het openbaar noch ook in het geheim, wijl daaruit licht gevaar voor de orde kon ontstaan. Maar indien wij de tijden in aanmerking nemen en er rekening mede houden, dat de Roomsche schrijvers in Nederland zich dikwerf op de smadelijkste wijze over hunne Protestantsche medeburgers uitlieten, zoodra zij zich buiten het bereik der overheid bevonden, en dat de Roomsche kerk en overheid, overal waar zij er toe in staat was, de Protestanten in menigte vervolgde, pijnigde en doodde — men denke alleen aan den Bartholomeusnacht — dan was hun toestand hier te lande zeer dragelijk te noemen.

In den aanvang der 17e eeuw, kwamen ze, vooral door de ijverige werkzaamheid van Sasbout Vermeer, tot herleving en bloei en maakten ze eerlang weder ongeveer de kleinere helft der Nederlandsche bevolking uit. Op die hoogte zijn zij vervolgens, tot in onzen tijd toe blijven staan. De verwachting, die in 1608 werd uitgesproken, dat met het tegenwoordig geslacht het Katholicisme zou uitsterven, is toen evenmin als later vervuld. Maar het gedwongen samenwonen is aan de onderlinge verdraagzaamheid bevorderlijk geweest. Nederland is na en door de Reformatie het land der Vrijheid bij uitnemendheid geweest. Eigenbelang en handelsbelang hebben hierbij zeker eene rol gespeeld; maar de invloed van het beginsel, dat het geweten sacrosanct is, mag toch niet worden miskend. De Joden, tegen het einde der zestiende eeuw door inquisitie en brandstapel uit Portugal verjaagd, vonden hier even goed onthaal, als de Duitsche Joden, die later door |23| handelsvoordeel herwaarts werden gelokt. De dissenters, Lutherschen, Doopsgezinden, Remonstranten enz. waren gering in aantal, en hadden van wege hun geloof over het algemeen weinig of niet te lijden. De pers genoot een groote mate van vrijheid en zond de meest onrechtzinnige schrifturen de wereld in. En de plakkaten, die herhaaldelijk tegen de Roomschen werden uitgevaardigd, werden zelden met strenge hand uitgevoerd; de magistraat opende niet zelden zelf de gelegenheid, om de uitvoering ervan voor eene som gelds af te koopen.

Een andere factor, die voor de cultuur der zeventiende eeuw van beteekenis was, bestond in het Humanisme, dat hier te lande inzonderheid door Erasmus werd vertegenwoordigd. Erasmus was niet blind voor de gebreken der Roomsche kerk, had een afkeer van de scholastiek, en schiep er behagen in, om met de domheid en zedeloosheid der priesters en monniken den spot te drijven. Maar voor zichzelf had hij aan de Bergrede genoeg, en voelde niets voor het Paulinische Evangelie van de rechtvaardiging door het geloof. Daarom had hij, o.a. ook door de uitgave van het Grieksche Nieuwe Testament, wel zijne verdiensten voor de Hervorming; maar in beginsel stond hij toch tegen haar over en liet hij ze langs zich henen gaan. Zijn invloed op het volk was dan ook zonder beteekenis; maar des te grooter was het gezag, dat hij oefende in de intellectueele en aristocratische kringen. Dientengevolge kwam er van den aanvang af eene scheiding tusschen de aanzienlijken en de kleine luiden, die op elk gebied doorwerkte en haar sporen trekt door heel onze geschiedenis heen.

Want deze tegenstelling van Reformatorische en Humanistische beginselen huwde zich met verschillen, die uit anderen hoofde zich in de zestiende eeuw in onze natie ontwikkelden. Zooals zij er versterkend op inwerkte, zoo onderging zij er ook zelve den invloed van. Jammer genoeg, kwamen er toen op elk gebied twee partijen, althans twee richtingen naast en tegenover elkander te staan. Eene verbittering en strijd is daarvan het gevolg geweest, welke eene donkere schaduw op heel onze historie werpt. Op letterkundig terrein laten zich gemakkelijk twee scholen onderscheiden: die van Marnix, Datheen, Cats, Huygens, Revius enz., en die van Coornhert, Roemer Visscher, |24| Spieghel, Vondel, Hooft, Bredero; in den strijd tusschen den Amsterdamschen kerkeraad en de Libertijnsche Academie raakte het reformatorisch ideaal in botsing met het klassieke. Maar zoo stond de natie in heel de binnen- en buitenlandsche politiek verdeeld. Aan de eene zijde treffen wij de aristocraten, de intellectueelen, de regenten aan, de Humanisten en de Remonstranten, de tegenstanders van Oranje, de strijders, voor de autoriteit der Provinciale Staten, de verdedigers van het recht der overheid in kerkelijke zaken, de voorstanders van het autoriteitsprincipe, de drijvers voor het twaalfjarig bestand; aan de andere zijde de strijders voor de eenheid des lands, voor de autoriteit der Generale Staten, voor de rechten van den Prins, voor de zelfstandigheid der kerk, voor de voortzetting van den krijg, voor de defensie des lands. Dáár vinden we Oldenbarnevelt, de Loevesteinsche factie, de gebroeders de Witt; hier Caspar Fagel, Willern Bentinck, Antonie Heinsius, Simon van Slingelandt; en boven beide partijen de Prinsen van Oranje, in de eerste plaats Willem de Zwijger, maar dan ook Maurits en Frederik Hendrik, en Willem III bovenal.

Evenals in de binnenlandsche staatkunde, zoo bleef in de buitenlandsche politiek de religie langen tijd de spil, waar alles om draaide. De groote vraag was deze, of Nederland als Protestantsche natie, ter bescherming van de beginselen der Hervorming, tegen Spanje steun zou zoeken bij Frankrijk of bij Engeland. Prins Willem hield het oog vooral op Frankrijk gericht; zijne bedoeling was, om tusschen Frankrijk en Spanje, in stede van samenwerking tot het uitroeien der Reformatie, politieken naijver en strijd te doen ontstaan. Reeds in 1568 sloot hij een verbond met Condé en Coligny, om elkander wederkeerig bij te staan tot het verkrijgen van gewetensvrijheid; in 1575 huwde hij met Charlotte van Bourbon, en in 1583 met Louise de Coligny, dochter van den Franschen admiraal. Voor deze politiek viel in dien tijd veel te zeggen; de belangenstrijd tusschen Frankrijk en Spanje, de voortgang der Hervorming in eerstgenoemd land, het belang van het Protestantisme in Duitschland, de onbetrouwbaarheid van Elisabeth in Engeland, schenen haar |25| aan te bevelen. Maar het volk voelde voor deze min of meer opportunistische staatkunde weinig sympathie; het maakte er den Prins een verwijt van, dat zijne onderhandeling met Anjou wonderwel op eene overlevering van het land aan Fransche heerschappij geleek; het wilde van eene alliantie met eene papistische mogendheid niets weten, vooral niet, als het zich herinnerde de gruwelen van de Parijsche bloedbruiloft, en dacht aan den verraderlijken aanval van Anjou in 1583.

Desniettemin bleef ook onder Maurits, Frederik Hendrik en Willem II, evenals ook in het eerste stadhouderlooze tijdperk het oog naar Frankrijk gericht. Daar was toch sympathie en steun te vinden, omdat Frankrijk met leede oogen zag de versterking en uitbreiding van het Habsburgsche Huis. Na den dood van Gustaaf Adolf, die zulk een slag voor het Protestantisme in Duitschland was, sloot Richelieu zelfs een verbond met Zweden, sommige Duitsche vorsten en Frederik Hendrik, om de macht des Keizers te weerstaan. Bovendien was van Engeland geen heil te verwachten, wijl het naijverig was van den voorspoed der Republiek in handel en scheepvaart, steeds dreigender houding aannam en in 1652 den oorlog verklaarde. Ook waren de verhoudingen door den vrede van Munster in 1648 aanmerkelijk gewijzigd; de Republiek werd als onafhankelijke staat erkend en mocht alles behouden, wat zij op het oogenblik van de vredessluiting bezat. Deze vrede van Munster maakte ook een einde aan de godsdienstoorlogen, en gaf aan de staatkunde eene andere richting. Terwijl vóór dien tijd de religie in de politiek de voornaamste rol speelde en het grootste gewicht in de schaal wierp, konden thans Roomsche en Protestantsche vorsten zich met elkaar verbinden tot verdediging van gemeenschappelijke belangen. Belangen namen daarom van nu voortaan de plaats van beginselen in. Maar daardoor kreeg de staatkunde ook een verward en wisselend karakter; elk beginsel ontbrak er aan; ze werd een spel van combinaties en allianties.

In deze richting ging de staatkunde in Europa vooral zich be wegen, toen Lodewijk XIV in 1661 de regeering in Frankrijk aanvaardde. Het kwam spoedig aan het licht, dat Frankrijk streefde naar grooter macht en uitgestrekter gebied, inzonderheid ook naar |26| het bezit van de Zuidelijke Nederlanden, en daaraan alle afspraken en verbonden ten offer bracht. De Witt trachtte daarom reeds in 1662 een defensief verbond zoowel met Frankrijk als met Engeland te sluiten en de eene mogendheid tegen de andere uit te spelen. Zoolang beide landen het met elkander oneens waren, kon deze politiek rekenen op succes. Maar ze moest falen, zoodra ze belangen met, elkander gemeen kregen en beide saam zich keerden tegen de Republiek. Daar begon het in het stadhouderlooze tijdperk ook meer en meer naar uit te zien, zoodat de Witt in 1668 genoodzaakt was, om met William Temple, gezant van Engeland, en graaf Dohna, gezant van Zweden, de triple alliantie te sluiten, ten einde Lodewijk te dwingen, van zijne veroveringsplannen in de Zuidelijke Nederlanden af te zien. Maar ook dit verbond hield geen stand. Toen in 1672 Engeland en Frankrijk, Munster en Keulen gelijktijdig aan de Republiek den oorlog verklaarden, toen stortte het gansche gebouw van de Witt’s binnen- en buitenlandsche staatkunde ineen. De haat tegen de gebroeders de Witt koelde zich in hun gruwelijken moord; en alle heil in den nood werd verwacht van de verheffing van den Prins van Oranje. Veere gaf het sein, en niet lang duurde het, of de Prins werd als Willem III tot stadhouder van Holland en Zeeland uitgeroepen en door de Algemeene Staten tot kapitein-generaal en admiraal der Unie aangesteld. Ofschoon de vrede met Engeland, Munster en Keulen reeds in 1674, die met Frankrijk in 1678 te Nijmegen tot stand kwam, zag Willem III toch verder dan de grenzen van het land en de stoffelijke belangen der Republiek. Zijne levenstaak werd de bestrijding van Lodewijks heerschzucht en van Frankrijks overmacht in Europa. Eene machtige alliantie van Engeland, Duitschland en andere landen tegen Frankrijk stelde hem in staat, om deze zijne taak ten uitvoer te brengen. Zoo werd Willem III de redder van de Republiek, de hersteller van het evenwicht in Europa, de beschermer van de burgervrijheid in Engeland, de roemrijke strijder voor Protestantsche godsdienst, waarheid en recht.


Wanneer men uit de 17e eeuw zich ineens naar de 18e verplaatst, wordt men getroffen door de groote verandering, die er |27| overal in het denken en leven der volken heeft plaats gegrepen. Het is alsof men ademt in eene andere lucht en eene andere wereld binnentreedt. De oude tegenstellingen zijn verdwenen, de vroegere partijverhoudingen zijn verschoven, de vraagstukken, die weleer hoofd en hart bezighielden, hebben alle belangstelling verloren. Er is een andere strooming in de geesten gekomen; er heeft een omkeer plaats gehad in de gedachten en genegenheden, die minder schokkend is toegegaan, maar op zijne wijze niet minder belangrijk is en niet minder diep ingrijpt dan de Reformatie der 16e eeuw.

De oorsprong van dezen ommekeer is in Engeland te zoeken. Daar werd de nieuwe beschouwing van wereld en leven reeds voorbereid door Herbert van Cherbury, 1648, den vriend van Grotius, en door Thomas Hobbes 1679, den schrijver van Leviathan; maar ze werd bevorderd door de talrijke secten, die er in de 17e eeuw opkwamen; door de vele, lange twisten, die er gevoerd werden tusschen Roomschen, Anglikanen, Presbyterianen, Puriteinen, Independenten enz.; door de glorierijke revolutie, die eene overwinning der Whigs was en een einde maakte aan kerkelijken en staatkundigen dwang in zaken des geloofs. En ze vond vertolking in eene reeks van geschriften van Blount, Locke, Toland, Collins, Clarke, Tindal, die later Deisten werden genoemd, maar zichzelven veel juister als Freethinkers aandienden.

Kenmerk van deze nieuwe richting was, dat ze moede en ziek was van de voortdurende twisten en verdeeldheden in religie en politiek, die, in plaats van tot eenheid en verzoening te leiden, de burgers van een en dezelfden staat steeds verder van elkander verwijderden en de splitsing en verwarring van jaar tot jaar deden toenemen. Tegenover al die centrifugale krachten begon er in wijden kring een sterk verlangen op te komen naar eenheid en overeenstemming, naar vrede en rust. En zoo trachtte men achter al de verschillen iets te vinden, dat een algemeenen, een gemeenschappelijken grondslag kon vormen voor alle kerken en belijdenissen, voor alle secten en partijen. En dat vond men in het aangeborene en natuurlijke, in het redelijk-zedelijke, dat aan ieder mensch in verstand en rede, in geweten en gevoel eigen is, |28| in de reeds door de Stoa geleerde eeuwige redewaarheden, die aan alle toevallige geschiedwaarheden voorafgaan. Deze opvatting werd in de 18e eeuw in niet geringe mate nog daardoor versterkt, dat men door het, na de ontdekking van Amerika en van den zeeweg naar Indie, zich almeer uitbreidende wereldverkeer, in kennis kwam met allerlei volken, Arabieren, Perzen, Indiërs, Chineezen, zelfs ook met zoogenaamde wilde of natuurvolken, en daarmede voor het zware probleem kwam te staan, welke de verhouding van de godsdiensten dier volken was tot het Christendom, tot de leerstukken van val en erfzonde, van de zaligheid alleen in Christus en van de verlorenheid van allen, die sterven zonder de kennis van Zijn Naam. En de oplossing van dit probleem werd daarin gevonden, dat alle godsdiensten op een gemeenschappelijken grondslag rustten, maar dat vrees, priesterbedrog en staatsbelang daar allerlei afwijkende, bovennatuurlijke en bijgeloovige elementen aan toegevoegd hadden. Want alles is goed, zooals het voortkomt uit de handen der natuur, maar alles ontaardt onder de handen van den mensch. De ware godsdienst en moraal is die der natuur, van de natuurlijke, in alle menschen gelijke, rede. Als het Christendom van zijne Joodsche en Heidensche bijmengselen wordt ontdaan, is het zelf volkomen aan dien natuurlijken godsdienst gelijk; het is in zichzelf niet mysterieus, maar redelijk, en zoo oud als de schepping. De natuur toont eenheid, de gewoonte maakt onderscheid; het fonds van religie en moraal is overal hetzelfde, de cultuur doet splitsing en verdeeldheid ontstaan. Van deze algemeene redelijke natuur-waarheden uit, werd alles aan critiek onderworpen, profetie en wonder, openbaring en Schrift, historie van kerk en dogma, om zoo tot eenheid en gelijkheid te komen; ôtez les miracles de l’ Evangile et toute la terre est aux pieds de Jésus Christ.

Uit Engeland werden al deze denkbeelden naar Duitschland en Frankrijk en ook naar ons vaderland verspreid. In Frankrijk namen ze echter een radicaler karakter aan, werden ze ontdaan van de conservatieve bestanddeelen, waarmede ze steeds in Engeland werden verbonden, en gingen zij dienst doen als wapenen in den strijd tegen het absolutisme in kerk en staat; in hunne consequentie doorgetrokken, leidden ze zelfs tot revolutionaire omverwerping |29| der maatschappij. Hier te lande vonden zij een bodem, die door Humanisme, Socinianisme en Remonstrantisme, door de natuurleer van Grotius aangaande het recht, door de wijsbegeerte van Cartesius en Spinoza voldoende voorbereid was, en werden ze door de apathie, waaraan het volk zich hier te lande in de 18e eeuw overgaf, zeer krachtig bevorderd. Na den vrede van Utrecht in 1713 toch valt het Nederlandsche volk in slaap en is er op elk gebied verval en achteruitgang waar te nemen. In litteratuur en kunst maakte oorspronkelijkheid voor navolging plaats; beide meende men, door arbeid, door schaven en vijlen der vormen, zich eigen te kunnen maken. In nijverheid, scheepvaart en handel week de ondernemingsgeest voor ruilhandel, opstapeling van schatten, belegging van kapitaal in het buitenland. De Nederlanders werden de geldschieters en renteheffers van Europa. De Oost- en West-Indische Compagnie hadden hare vette jaren achter den rug; men teerde op de kapitalen, die weleer verworven waren, genoot van den rijkdom, dien de vaderen hadden nagelaten, en deed den eenvoud wijken voor weelde en overdaad, voor wuftheid en pronkzucht. De pruikentijd leefde van den roem van het voorgeslacht. Zelfs de godsdienst had zijn invloed op het leven verloren; de godsdienstige vraagstukken van weleer vonden geene belangstelling meer; de twisten stierven wegens qebrek aan deelnemers uit. Hier en daar waren nog enkelen, die als wachters op Sions muren de bazuin bliezen en tegen tolerantie en neologie waarschuwden; maar de menigte werd door de nieuwe denkbeelden medegesleept, en de vromen van Christelijke en Gereformeerde belijdenis trokken zich van het openbare leven in de stilte der conventikels terug.

In heel deze moderne levensopvatting en levenswijze werd de Fransche invloed openbaar. Willem III had de macht van Lodewijk XIV weerstaan en aan de heerschzucht van Frankrijk paal en perk gesteld; maar in geestelijken zin behaalde Frankrijk in de 18e eeuw de overwinning over geheel Europa; het onderwierp alle volken aan zijne denkbeelden, en doopte ze met zijnen geest. Taal, letterkunde, levenswijze, kunst, zeden, alles werd, vooral na en door de Réfugiés, die na de herroeping van het edict van Nantes 2 Oct. 1685 hier en elders eene schuilplaats zochten, door den Franschen invloed beheerscht. En onder dien invloed |30| verloor de Nederlandsche natie haar karakter, vergat ze hare historie, werd ze ontrouw aan haar eigen ontwikkeling.

Dat kwam uit in de binnen- en in de buitenlandsche politiek. De leemten van de Unie van Utrecht, de nadeelen van het gemis van een centraal gezag, kwamen hoe langer zoo duidelijker aan het licht. In den treurigen toestand hadden Prins Willem II en Prins Willem III weinig verbetering kunnen aanbrengen; de eerste stierf te vroeg en de andere werd door de buitenlandsche politiek in beslag genomen. De Groote Vergadering der Staten-Generaal, in 1716 belegd, om meer samenwerking tot stand te brengen, bleef wel maanden bijeen, maar liet heel de zaak zooals ze was ; en de pogingen van staatslieden als Van Slingelandt, om verbeteringen aan te brengen, stuitten op den onwil der regenten af. Dezen kregen feitelijk alle macht in handen; want de Algemeene Staten moesten meer en meer voor de autoriteit der Provinciale Staten, vooral van Holland, wijken; in de gewesten speelden de steden, inzonderheid Amsterdam, den baas; en in de steden deelden de regenten alle lakens uit. Hetzij ze Staats- of Prinsgezind waren, vóór alle dingen waren zij op behoud van hunne positie bedacht; door zoogenaamde contracten van correspondentie wisten zij deze in hunne families te bewaren; de aristocratie ontaardde in eene ondragelijke oligarchie.

Maar de nieuwe denkbeelden drongen allengs ook tot het volk, door, wekten ontevredenheid met het wanbestuur, en kweekten wrevel en verzet. Eerst had dat volk zijne hoop op verbetering op Oranje gebouwd; maar toen het in deze verwachting teleurgesteld werd, voelde het zijne liefde bekoelen, en ontwikkelde het zich tot eene democratische partij, die aan Prins en Prinsgezinden vijandig werd. Zoolang deze democraten Oranje weerstonden, vonden zij bij de Staatsgezinden steun; maar toen zij voortschreden op hun weg en straks tegen de regeerende partij den strijd aanbonden, hetzij deze Staats- of Prinsgezind was, toen sloten de aristocraten van alle gading zich aaneen en hadden ze zelfs geen bezwaar, om zich te scharen aan de zijde van den Prins, indien deze hen maar handhaafde in hun macht. De partijverhoudingen van weleer werden dus totaal gewijzigd; de onderscheiding van Prins- en Staatsgezinden had afgedaan; ze maakte thans plaats |31| voor de tegenstelling van aristocraten en democraten, conservatieven en radikalen, Oranjeklanten en Patriotten of Keezen.

Door deze antithese sloten de democratische elementen zich meer en meer bij Frankrijk aan; daar vonden ze voedsel voor hunne ideeën en sympathie voor hun strijd. De buitenlandsche politiek kwam hier te lande in de 18e eeuw steeds meer in het teeken van Frankrijk te staan. Na den vrede van Utrecht werd men hier boven alle dingen op vrede gesteld, op vrede tot elken prijs. De Spaansche successieoorlog 1702-1713 had schatten gekost en den schuldenlast aanmerkelijk verzwaard. Bezuiniging op leger en vloot werd voornaamste middel, om dien last te verlichten, van verdediging des lands werd afgezien, omdat ze onnoodig werd geacht. Lag men niet veilig achter de barrière? Stond men met Frankrijk niet op den besten voet? Was Franschgezindheid niet de beste waarborg tegen aanvallen van andere mogendheden? Naarmate de Oranjegezinden op Pruisen en Engeland gingen steunen, nam onder de Patriotten de liefde voor Frankrijk toe. Prinses Anna de Gouvernante werd, als Engelsche prinses, van verstandhouding met Engeland beschuldigd, en toen de oorlog met Engeland 1780-1784 ongelukkig verliep, verweet men aan den Prins den slechten toestand van leger en vloot. Toch had men dien oorlog zelf uitgelokt; de belangen der vermogenden waren dikwerf met die des Vaderlands in strijd; uit winstbejag voorzagen de kooplieden de bewoners van Amerika in hun opstand tegen Engeland 1774 van krijgsbehoeften, en sloot Amsterdam zelfs een geheim verdrag met de Amerikanen, om na hunne vrijverklaring een handelstractaat tusschen hen en de Republiek tot stand te helpen brengen. Maar niets hielp tegen den waan, die almeer van het volk zich meester maakte, dat hulp en heil voor Nederland alleen van Frankrijk te wachten was, van dat Frankrijk, dat reeds van de dagen van Lodewijk XIV af ons volk bedreigd en misleid had!

Zoo haalde het Nederlandsche volk, ontaard van zijn eigen karakter, zelf de Fransche Revolutie in. Toen deze gebeurtenis had plaats gehad, verklaarde de Fransche Republiek, dat zij alle volken, die van hunne vorsten bevrijd wilden worden, met hare legers zou bijstaan. Gretig namen de naar Frankrijk uitgeweken |32| Patriotten dit aanbod aan. Frankrijk verklaarde aan Prins Willem V in 1793 den oorlog. De Franschen trokken ons land binnen, eerst in 1793, daarna in 1795, en werden door de Patriotten met gejuich, als de verlossers van dwingelandij, begroet. Men danste om den vrijheidsboom, die met de Fransche driekleur was getooid. Vrijheid, gelijkheid en broederschap zouden thans voor Nederland en voor alle volken den heilstaat doen aanbreken. Willem V scheepte zich 18 Jan. 1795 naar Engeland in. De Bataafsche Republiek werd uitgeroepen, die heel de historie van ons land uitwischte, Reformatie en Christendom terzijde stelde en de geschiedenis van voren af aan beginnen wilde.

Wie de verandering beseffen wil, welke in ons nationale leven had plaats gegrepen, vergelijke den aanvang van den worstelstrijd tegen Spanje met deze verheerlijking der Revolutie. Toen een klein hoopske volk, dat de hagepreeken bezocht, en de worsteling aanving voor de vrijheid van geweten en godsdienst; en thans eene verdwaasde menigte, die, dronken van vreugde, danst om den vrijheidsboom. Toen aller oog op Prins Willem gericht, als redder uit den nood, en thans, 200 jaren later, de Prins van Oranje als dwingeland verbannen uit het land. Toen de beginselen der Reformatie gehuldigd, nu de ideeën der Revolutie verheerlijkt! Zouden deze dan waarlijk in den wortel één kunnen zijn? Beide, Reformatie en Revolutie hebben inderdaad een keer in ons volksleven gebracht en eene nieuwe periode in onze geschiedenis ingeleid; maar gene ontsproot uit de gehoorzaamheid aan het hoogste gezag, deze begon met de omverwerping van alle gezag.


Toch, om rechtvaardig te zijn, dient men te onderscheiden tusschen de beginselen der Revolutie en de orde van zaken, die door haar, ook in ons vaderland, is gevestigd geworden. Het vele goede, dat in de periode na 1795 tot stand kwam, mag niet worden voorbijgezien. De Omwenteling is ook voor ons land en volk ten zegen geweest. In heel ons staatswezen school van de Unie van Utrecht af een gebrek, dat niet anders dan schadelijk werken kon. In den loop der geschiedenis leidde dit tot eene ontaarding en bederf, welke niet dan door eene gewelddaad konden worden opgeruimd; geleidelijke verbetering was niet |33| mogelijk meer; er waren harde, doortastende maatregelen noodig; het is noodzakelijk, dat er soms ergernissen komen. Zooals storm en onweder de lucht zuiveren, zoo is de Revolutie met al hare verschrikkingen aan de wedergeboorte van ons volk dienstbaar geweest. Gelijk de Reformatie hier en in Engeland revolutionaire elementen in zich sloot, zoo heeft de Revolutie ook reformeerend gewerkt. Immers bracht zij in de snel elkaar opvolgende constituties die eenheid tot stand, welke door het Bourgondische en Oostenrijksche huis werd nagestreefd, maar door de Reformatie werd gestoord: eenheid in de wetgeving en het Staatsbestuur, eenheid in financiën en belastingen, onafhankelijkheid der rechterlijke macht, vermeerdering van den volksinvloed, gelijke bescherming der godsdienstige belijdenissen; in één woord, een Staatswezen, dat met de lessen der historie rekening hield en voordeelen uit de eerste en uit de tweede periode in onze geschiedenis met elkander verbond.

Van grooter belang is nog, dat het Nederlandsche volk in het revolutionaire tijdperk door ervaring geleerd heeft, door schande en schade wijs is geworden, en door lijden gelouterd is. In 1813 begon ons herboren volksbestaan; en toen bleek, dat, hoezeer het volk van Nederland van zijn karakter verbasterd was, het toch zijne nationaliteit niet verloren en zijn verleden niet vergeten had. De jammer en ellende van de Revolutie, die eene schrille tegenstelling vormden met de in den aanvang van haar gekoesterde verwachting, wekten een diep verlangen op naar bevrijding van druk; de roemrijke historie van ons land in vorige eeuwen keerde in de herinnering terug; de oude liefde voor Oranje kwam in het hart des volks weer naar boven; het was het volk zelf in al zijne standen en rampen, dat in de spontane actie van Van Hogendorp, Van der Duyn van Maasdam, en Van Limburg Stirum in den Haag, tot uiting kwam, daarna in Amsterdam den Prins van Oranje huldigde als souverein Vorst, en in 1815 hem uitriep als Koning der Nederlanden; en de gansche natie schaarde zich eendrachtelijk rondom zijn troon. De partijen der Staats- en der Prinsgezinden behoorden tot het verleden. Over de souvereiniteit van Oranje rees geen verschil meer; van een anderen pretendent was geen sprake. Wat eene geschiedenis |34| van meer dan twee eeuwen niet tot stand kon brengen, dat kwam onder de leiding Gods in eene enkele ure tot beslissing. De fout, in 1579 en 1581 bedreven, werd in 1813 hersteld. De derde periode reikte aan de eerste zoowel als aan de tweede periode de hand. Het vrije volk kwam tot zijn recht onder het eenhoofdig bestuur van Oranje.

Op de buitengewone geestdrift in 1813 is toen wel door allerlei oorzaken ontnuchtering gevolgd, niet alleen tijdens en na de vereeniging met België, maar ook in het al te landsvaderlijk bestuur der Noordnederlandsche gewesten. Het misnoegen klom zoo hoog, dat er in de veertiger jaren eene ernstige verwijdering kwam tusschen het volk en de kroon. Maar Koning Willem II, de held van Quatre-Bras en Waterloo, nam zelf het initiatief, om aan zijn volk vrijheid te schenken; aan de vervolging der Gescheidenen kwam in 1841 een einde; de financiën werden in beteren staat gebracht; aan een vijftal leden der Tweede Kamer, onder wie Thorbecke, werd opdracht tot eene herziening der Grondwet verleend, die in 1848 tot stand kwam en al die vrijheden schonk, welke elders werden verkregen met geweld. En als wij thans in dit jaar de eeuw overzien, waarin het Koninkrijk der Nederlanden door het huis van Oranje werd geregeerd, dan is er rijke stof voor lof en dank. Want burgerlijke en politieke vrijheden werden uitgebreid; in de maatschappelijke toestanden werden vele hervormingen aangebracht; kunsten en wetenschappen kwamen tot nieuwen bloei en beleefden eene tweede gouden eeuw; landbouw en nijverheid, scheepvaarten handel beurden zich op uit hun val; philanthropie en zending vonden in steeds wijder kring behartiging en waardeering. Al speelt het kleine Nederland in de wereldpolitiek dan ook geene rol van beteekenis meer, het houdt zijne eere toch op in al die dingen, waarin een klein volk groot kan zijn.

Lof en dank past ten slotte op onze lippen, omdat, tegen alle verwachting in, de Christelijke, de nationale, de reformatorische beginselen in de vorige eeuw weer tot herleving zijn gekomen. Het scheen in den aanvang, dat de antichristelijke en antinationale ideeën der Revolutie alle burgers des lands in de hooge en de lage kringen des volks in hare vaart hadden medegesleept. Maar |35| toen heeft de Geest van Christus over de dorre doodsbeenderen gezweefd en hun leven ingeblazen. Er werd een algemeene Reveil geboren, die tot actie dreef; eerst alleen op het gebied van evangelisatie en philantropie, maar dan al verder en breeder, in verschillende vormen, op het gebied van kerk en school, lager en middelbaar en hooger onderwijs, in letteren en wetenschap, op het gebied van staat en maatschappij; en overal werd een tegenwicht geboden en een dam opgeworpen tegen de ontkerstening der natie, en de revolutioneering van het volksleven.

Er is daarmede eene worsteling aangevangen, die in ernst, diepte en omvang den strijd in de zestiende eeuw nog overtreft. Want ze gaat niet slechts om de handhaving der reformatorische, maar om het behoud van de algemeen-Christelijke belijdenis. De partijverhoudingen zijn daarom geheel veranderd; aan Staats- en Prinsgezinden, aan regenten en burgerij, aan Oranjeklanten en Keezen, aan foederalisten en unitarissen denken wij niet meer. Vóór de Revolutie of vóór het Evangelie is thans de leuze, die de natie in tweeën deelt. Maar hoe droef deze tegenstelling ook aandoe, en hoe noode we deze klove in ons volksleven ook gapen zien, er ligt in dezen strijd toch iets, dat hem boven dien in vroeger dagen verheft. Want ten eerste wordt hij niet tusschen Christenen van verschillende belijdenis gevoerd, maar over heel de wereld heen tusschen de belijders van den Christus en de verloochenaars van Zijn naam. En ten andere is het een strijd, die thans niet meer met vleeschelijke, maar met geestelijke wapenen gestreden wordt en als zoodanig met het Christelijk beginsel vanzelf gegeven is en voortduren zal tot aan het einde der eeuwen. Want hij betreft niets minder dan de vraag, wie den mensch redden zal uit den nood, waarin hij op deze aarde verkeert. Niet alleen uit den zielenood, gelijk een Luther dien ervoer, maar uit den levensnood, waartoe deze in de tegenwoordige eeuw, en inzonderheid weder in den ontzettenden wereldoorlog, zich tot alle menschen en volken uitgebreid heeft. Wie redding verwacht van den mensch, ziet zijne hoop in duigen geslagen; het dogma van de perfectibiliteit van den mensch is eene dwaling gebleken, en de cultuur is in hare onmacht in het openbaar ten toon gesteld. Als er hulp zal wezen voor mensch en volk, voor menschheid en |36| wereld; als er redding zal wezen uit den nood, uit allen nood, den nood der schuld, der dwaling en der ellende, dan moet ze komen van Boven, van dien Potentaat aller Potentaten, met wien Willem I voor zich en voor zijn volk een vast verbond heeft gemaakt; dan moet ze uit den hemel nederdalen van den God aller genade, die den goddelooze rechtvaardigt en in Christus de wereld met zichzelven verzoent.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004