Advies in zake Kerkelijk opzicht en tucht over zoogenaamde „Doopleden”

opgesteld door de BB. H. Bavinck en F.L. Rutgers, voor de Synodale vergadering der Gereformeerde Kerken in Nederland, te Middelburg, in Augustus 1896

zonder plaats, naam of jaartal

a



Uit de Generale Synode, die in 1893 te Dordrecht gehouden is, geeft art. 199 van hare Acta het volgende bericht:

„Komen in behandeling de vragen van Zeeland: a. „Hoe moet gehandeld worden met Doopleden, die zich misgaan?” en b. „Hoe te handelen met Doopleden, die niet komen tot het doen van belijdenis?” Om de groote beteekenis der vragen en de gebrekkige voorbereiding voor hare beantwoording, besluit de Synode Deputaten te benoemen, om de eerstvolgende Generale Synode daarover te dienen van advies”.

En daarna zijn, blijkens art. 222 van die Acta, voor bedoeld advies aangewezen: „de brs. Prof. F.L. Rutgers en Prof. H. Bavinck”.

Ter voldoening aan die opdracht wordt door de alzoo benoemden het volgende aan de kerken ter overweging en beoordeeling aangeboden.


In de zaak, die het hier geldt, is de hoofdvraag deze: zijn degenen, die als kinderkens in eene kerk gedoopt zijn, enkel wegens dien doop, en dus zonder hunne eigene belijdenis en verbintenis, als leden van die kerk te beschouwen? Indien hierop toestemmend moet geantwoord worden, dan Zijn ook de zoodanigen, als leden der kerk, objecten van hare tucht, en dan komt als tweede vraag: Hoe is de kerkelijke tucht op hen toe te passen?


Op de genoemde hoofdvraag nu is niet eenvoudiglijk met bevestiging of ontkenning te antwoorden; want ten aanzien van de daarin bedoelde gedoopten zijn twee soorten scherp van elkander te onderscheiden.

Het kunnen zijn: kinderen, die juist als zoodanig voor eigen belijdenis en verbintenis nog niet vatbaar zijn, en die er die dus nog niet toe kwamen, omdat zij naar des Heeren eigen bestel nog niet konden. En het kunnen zijn: volwassenen, die, ofschoon èn hun doop èn des Heeren last hen tot belijdenis en verbintenis roept, toch niet daartoe komen; hetzij omdat zij zelven dit nalaten, om welke reden dan ook, hetzij omdat de kerk bezwaar maakt hen toe te laten.

Wat nu eerstgenoemden betreft, nl. de gedoopte kinderen, ten hunnen aanzien wordt algemeen, en ook zeker terecht, aangenomen, dat die geenszins te beschouwen zijn als staande buiten het kerkelijk instituut waarin zij gedoopt zijn, maar wel degelijk als leden, zeker niet als volwassen leden, die als zoodanig in de volle kerkelijke gemeenschap zijn en die dus ook in alle rechten en plichten van het lidmaatschap deelen, maar toch wel als onvolwassen leden, in welke bij regelmatigen groei ook wel tot ontwikkeling zal komen, wat zij in beginsel en kiem reeds geacht worden te bezitten. En dit strijdt niet met de grondstelling, dat men niet zonder eigen toedoen lid kan zijn van een kerkelijk instituut; want de daarvoor noodige keuze en daad is werkelijk aanwezig, zij het ook, gelijk van zelf spreekt, op de wijze die bij kleine kinderen alleen mogelijk is: zij geschiedt nl., gelijk vele formeele handelingen waartoe onmondige kinderen geroepen worden, door degenen, die naar Gods ordinantie hun „mond” zijn. Door hunne ouders of voogden worden zij in een bepaald kerkelijk instituut ten Doop gepresenteerd; en door die, voor hen geldende, keuze en daad (althans wanneer de kerk harerzijds daartegen geene wettige bezwaren heeft) behooren zij dan, tot dat instituut, als minderjarige, onmondige, onvolwassene leden. |2|

Als zoodanig zijn die gedoopten dan ook uit den aard der zaak aan de kerkelijke tucht onderworpen. Alleenlijk, het ligt tevens in den aard der zaak, dat die tucht in overeenstemming is met hunnen toestand, d.w.z. dat zij (om het zoo eens uit te drukken) ook slechts incompleet kan zijn. Door ontzegging van het Avondmaal of door excommunicatie kan zij dan nog niet worden uitgeoefend; maar zij moet zich bepalen tot waarschuwing, vermaning, berisping, en dergelijke middelen, in het bijzonder of ook in het openbaar op hen toegepast. Naar de uitdrukking van Gijsbertus Voetius (Polit. Eccl. IV, 849 sq.) zou dit nog niet als de „eigenlijk gezegde tucht” te beschouwen zijn, en zouden die middelen nog niet meer zijn dan hare „voorloopers en voorbereidselen”. Maar zeker niet ten onrechte wordt juist met een beroep op die voorstelling van Voetius, door Johannes à Marck en Bernard de Moor (Comment VI, 414) de uitdrukking eenigszins gewijzigd, en met zooveel woorden gesteld, dat „objecten van de kerkelijke tucht” zijn „degenen die de kerk zijn ingeplant, hetzij door den Doop alleen, of ook door de deelneming aan het Avondmaal.” Geheel in overeenstemming niet de opvatting van de kerkelijke tucht, die reeds in het kerkrechterlijk handboek voor de Nederlandsche vluchtelingenkerk te Londen, de Forma ac Ratio van Johannes à Lasco (Opp. II, 100, en 170 tot 194), theoretisch en praktisch is uiteengezet; en ook voorts met het algemeen gangbare begrip van tucht, volgens hetwelk alle bestraffing, die met woorden geschiedt, ook wel degelijk tot de eigenlijke tucht is te rekenen.

Geheel anders echter staat de quaestie ten aanzien van diezelfde gedoopten, wanneer zij de kinderjaren ontgroeid zijn, en dus bekwaam zijn tot eigene keuze; want het ligt in den aard der zaak, dat de grond, waarop zij in den kinderstaat als leden erkend werden, alsdan niet meer kan blijven gelden. Als volwassenen zijn zij door des Heeren Woord geroepen, om door eigene belijdenis en verbintenis leden zijner kerk te zijn; en wie daartoe wel gelegenheid heeft, maar er toch niet toe komt, om het even wat hem terughoudt, die is niet meer te beschouwen als een minderjarig, onmondig, onvolwassen lid, maar als iemand, die bij voortduring ongehoorzaam is aan het Woord des Heeren, die metterdaad verloochent wat bij zijnen doop van hem ondersteld werd, en die weigert een belijder te worden. Het kan daarom wel zijn, en dus ten slotte wel blijken, dat hij toch tot de uitverkorenen behoort; maar met Gods verborgen raad kan en mag de kerk bij de bepaling van hare gedragslijn niet rekenen; zij moet rekenen met het feit, dat zij voorshands geenerlei grond meer heeft, om te onderstellen, dat de zoodanige tot hare gemeenschap behoort, en dienovereenkomstig kan zij hem dus niet langer als haar lid erkennen. Het is daarbij zeker wel mogelijk dat hijzelf dat toch zijn wil; maar hij wil het dan zijn, op voorwaarde dat de kerk hem als het ware ontslaat van de verplichting tot eigen verbintenis, tot Belijdenis en tot Avondmaalsviering; en van eene verplichting, die door den Heere zelven aan alle de zijnen is opgelegd, kan of mag de kerk natuurlijk niet ontslaan. Zonder terzijdestelling van het Woord des Heeren is het dus eenvoudig onmogelijk, aan zulke gedoopten als leden der kerk eene ordelijke positie te geven. Tot op den volwassen leeftijd hadden zij zeer zeker eene eigene kerkelijke positie als nog niet uitgegroeide leden; maar dat zijn zij later natuurlijk niet meer; en wat zouden zij dan zijn? Bij sommige kerken is in onze eeuw gewoonte geworden, hen toch maar „Doopleden” te blijven noemen, en dan als zoodanig kerkelijk te rangschikken. Maar het gaat toch inderdaad niet aan, hun een naam te geven, die nu eenmaal zou medebrengen, dat zij toch nog tot op zekere hoogte regelmatige leden zijn. Dat zijn zij geweest, in hunnen onmondigen toestand; maar bij het ophouden van dien toestand werden zij: aan het Hoofd ongehoorzame, niet-belijdende, door de kerk afgewezene of wel zelven zich terugtrekkende, uitvallende of (om het zoo eens uit te drukken) mislukte leden. Indien zij zich toch aan de gemeente blijven houden, kunnen zij wel „kerkgangers” genoemd worden, of „gedoopte bijwoners,” of met eenen anderen dergelijken naam; en omdat zij gedoopt zijn, blijven zij ook zeker in de kerk, voor zoover die in algemeenen zin zichtbaar optreedt; maar omdat zij niet belijden en zich ook niet verbinden, staan zij toch buiten het instituut, dat juist op belijdenis en verbintenis rust: een lidmaatschap van de kerk, in dien zin, kan hun niet worden toegekend.


Blijkbaar is dat ook de beschouwing, die in onze Gereformeerde kerken van den beginne af gegolden heeft; zij het ook, dat er eenig verschil was in de kerkelijke practijk, die uit die beschouwing werd afgeleid. Wegens dat verschil heeft men de gewoonte, te spreken van twee lijnrecht tegenover elkander staande meeningen: eenerzijds die van Johannes à Lasco en van de oude Nederlandsche kerk te Londen, en anderzijds die van Gijsbertus Voetius en van de latere Gereformeerde kerken in Nederland. Maar inderdaad is die voorstelling niet geheel juist; want al is hier ook verschil van kerkelijke gedragslijn, er is daarom toch volstrekt geen principiëele strijd. Bij de organisatie der vluchtelingenkerk te Londen, onder leiding van à Lasco, werden kinderen, die in die kerk gedoopt waren, wanneer zij met hun 15e levensjaar, wegens schuldige onkunde of om wangedrag, nog niet tot het Avondmaal konden worden toegelaten, bij herhaling vermaand en strengelijk berispt; en wanneer |3| die censuur op hun 18e of uiterlijk op hun 20e jaar nog niet had geholpen, werden zij uitgesloten van de gemeenschap, waartoe zij als kinderen behoord hadden maar nu geacht werden niet meer te behooren, of m.a.w., zij werden formeel geëxcommuniceerd (Joh. à Lasco, Opp. II, 100). Later hebben de Nederlandsche Gereformeerde kerken in de Nationale Dordtsche Synode van 1578 geoordeeld, dat de kerkelijke excommunicatie alleen kon worden toegepast op degenen die na belijdenis en verbintenis tot het Avondmaal waren toegelaten, maar niet op hen die alleen door den Doop „een algemeen getuigenis van Gods Verbond” ontvangen hadden; aangezien deze laatsten, ook wanneer zij niet tot „openbaren afval” gekomen waren en dus nog tot de Christelijke kerk wilden gerekend worden, toch niet meer behoorden tot het kerkelijk instituut, maar reeds wegens het achterwege blijven van belijdenis en verbintenis geacht moesten worden, „tegen het Verbond Gods te zondigen” en „afvallig” te zijn, en als afgevallenen noodig te hebben „tot de ware kerk te worden wedergebracht” en „weder opgenomen” te worden. (Acta v.d. Syn. v. 1578, Part. Vragen, art. 47); of m.a.w., die Synode stelde, dat dezulken moesten beschouwd en behandeld worden als gedoopten, die, ook zonder excommunicatie, buiten de gemeenschap der kerk waren komen te staan. Geheel in denzelfden geest spreekt ook Voetius, waar hij uitvoerig aantoont, dat de overwegingen, die bij den Doop van een kind alleszins gelden om het als een incompleet lid der kerk te erkennen, op later leeftijd voor het lidmaatschap niet meer een voldoenden grond geven (Pol. Eccl. I, 29-31), en voorts ontkent, dat de kerk tucht kan oefenen over volwassenen, die niet door belijdenis en verbintenis tot hare gemeenschap behooren, daar toch de kerk slechts tweeërlei leden heeft, nl, incompleete, d.i., gedoopte kinderen, en compleete, d.i. die tot beJijdenis en verbintenis kwamen (Pol. Eccl. IV, 849 vg., en 900 vg.); in welke beschouwing blijkbaar geen plaats is voor eene derde soort, die besta:an zou uit „volwassene onvolwassenen”, zoodat dus de gedoopte kinderen, die niet tot belijdenis kwamen, geacht worden hun aanvankelijk lidmaatschap te hebben verloren. En wat alzoo gesteld werd door Voetius, in overeenstemming met de Synode van 1578, dat is in het algemeen, althans tot op onze eeuw, de beschouwing en de practijk geweest van de Nederlandsche Gereformeerde kerken.

Nu is in dat alles zeker tweeërlei gedragslijn op te merken: eenerzijds die van à Lasco en van de oude Nederlandsche kerk te Londen, en anderzijds die van Voetius en van de Nederlandsche kerken in het Vaderland; maar de beschouwing van beiden is toch in den grond dezelfde. à Lasco stelde, dat gedoopte kinderen, die op volwassen leeftijd door hunne eigene schuld niet tot belijdenis kwamen, dan ook geene leder der Kerk konden blijven; maar ook Voetius stelt hetzelfde, door te ontkennen dat zij leden zijn, ook al geeft hij toe dat zij als kinderen incompleete leden waren. En Voetius oordeelt, dat de kerkelijke tucht daarom niet op zulke volwassenen van toepassing is; maar dat spreekt ook bij à Lasco vanzelf, daar hij ze juist bij het eindigen van den minderjarigen leeftijd door excommunicatie wilde buitensluiten, waarop dan natuurlijk verder geene kerkelijke tucht meer kon volgen. Volgens beiden zijn dus de hier bedoelde gedoopten geene leden der kerk, noch ook onder hare tucht; en slechts in de toepassing van het beginsel verschillen zij van elkander. Naar het ééne gevoelen moet de kerk dat ook uitspreken, wanneer die gedoopten aan den kinderlijken leeftijd ontgroeid zijn; en daar zij op dat oogenblik nog als leden gelden, en dus in de gemeenschap zijn, zij het ook nog niet in de volle gemeenschap, zoo moet dat formeele oordeel, dat de kerk ten hunnen aanzien vallen moet, ook door excommunicatie geschieden. En naar het andere gevoelen moet de kerk omtrent zulke gedoopten, die zij niet langer als leden erkennen kan, eenvoudiglijk aannemen, ook zonder dat er telkens eene bepaalde formeele uitspraak gedaan wordt, dat zij feitelijk als leden zijn uitgevallen.

Het kan eenigszins vreemd schijnen, dat de practijk van à Lasco, die zich zeker door eenvoudigheid en beslistheid bijzonder aanbeveelt, enkel in den eersten tijd, en dan nog zeer kort en in zeer beperkten kring heeft gegolden. Bij nader inzien laat zich echter wel begrijpen, dat men aan de andere gedragslijn de voorkeur gaf. Immers: 1º. De Overheid zou anders bezwaar gemaakt hebben, volgens haar beginsel, „dat de Kerkelijke Ordonnantie geene plaatse behoort te hebben, dan over die geene, die haar onder de Gemeente en professie van de Gereformeerde Kerke begeeven hebben” (Resol., v. d. Staten v. Holland v. 18 Maart 1582). 2º. Toen onze Gereformeerde kerken, die in à Lasco’s tijd nog zoo bitter vervolgd werden, hier te lande niet alleen vrijheid kregen maar ook met uitsluiting van anderen erkend en begunstigd werden, kregen zij vanzelf een groot aantal leden, die alleen in naam Gereformeerd waren; bij de massa der leden ging het gehalte evenzeer achteruit, als het cijfer vooruitging; en zoo werd het voor die kerken dus veel moeilijker, haar belijdend karakter en de gezette Avondmaalsviering met de oude beslistheid te handhaven 3º. Na den eersten Hervormingstijd werd er niet meer op aangedrongen, dat de Avondmaalsviering reeds op den leeftijd van 12 à 14 jaren zou aanvangen; en hoe later de leeftijd metterdaad gesteld werd, des te meer moest het voorkomen, dat er waren die terugbleven, niet wegens algeheele onkunde of wangedrag, maar om ernstig gemeende bezwaren, terwijl zij voor het overige, ten aanzien |4| van het Christelijk en kerkelijk leven zich zóó openbaarden, dat de kerk nog geene vrijmoedigheid ken hebben om hun alle lidmaatschap bepaald te ontzeggen. En 4º. Indien wegblijven van het Avondmaal bij de jonge leden door formeele afsnijding gestraft werd, dan moest die natuurlijk op later leeftijd ook geschieden bij degenen die zich telkens van de Avondmaalsviering onthielden; en in vele gevallen zou dit toch nog al moeielijk zijn geweest. Om alle die redenen volgde men dus liever de practijk, die bij Voetius voorkomt; die door zulke bezwaren niet gedrukt werd, en die juist medebracht, dat in vele gevallen eene kerkelijke beslissing nog kon uitblijven. Wel was dan met betrekking tot bepaalde personen soms onzeker, of de kerk ze nog als leden beschouwde; maar een overwegend bezwaar kon er in die onzekerheid niet gelegen zijn, want voordat zij tot belijdenis waren overgegaan, hadden zij toch geenerlei kerkelijke rechten of plichten.

Voor onze Gereformeerde kerken, in haren tegenwoordigen toestand, zijn diezelfde redenen zeker nog ten deele van kracht; maar ook slechts ten deele. En zoo schijnt dan nu raadzaam, van de beide bovengenoemde practijken, met vermijding van de bezwaren, waardoor zij gedrukt worden zooveel mogelijk het goede te behouden. B.v. in dier voege, dat de kerkeraad alle gedoopte leden zijner kerk, die op hun 18de levensjaar door eigen schuld nog niet tot belijdenis en verbintenis gekomen zijn, wegens hun kerkelijk verzuim in behandeling neemt, door hun als gedoopte leden hunne schuld voor God voor te stellen; dat hij officieel en gezet daar mede voortgaat, van jaar tot jaar, totdat de vermaning doel treft, of wel genoegzaam blijkt nutteloos te zijn, en in ieder geval niet langer dan tot het 30ste levensjaar; en dat hij alsdan, of eventueel reeds vroeger, formeel verklaart en aan den daarbij betrokkene bericht, dat deze wegens voortdurende nalatigheid om aan de kerkelijke vermaning tot belijdenis en verbintenis gehoor te geven, niet meer onder de leden der kerk kan gerekend worden.

Maar natuurlijk moet dan niet in andere opzichten die practijk weer verloochend worden. In onze eeuw is bij sommige kerken een streven, om aan de hier bedoelde gedoopten eene kerkelijke positie te geven; om ten hunnen behoeve een nieuw soort van lidmaatschap, dat van „volwassene Doopleden,” in het leven te roepen; om hen als zoodanig ongemoeid te laten voortleven, alsof hunne positie regelmatig was; om bij verhuizing naar elders kerkelijke attestatie als Dooplid voor hen in te voeren; om hun in sommige gevallen zelfs kerkelijke rechten te geven; enz. En in overeenstemming daarmede komt dan ook de gedachte op, om hen, zoo zij op zedelijk gebied zich misdragen, aan de kerkelijke tucht onderworpen te verklaren. Dat nu zijn altemaal dingen, die toch eigenlijk niet aangaan. Het zou gelijk staan met een officieel terzijdestellen van het Woord des Heeren, die uitdrukkelijk wil, dat de leden zijner kerk tot belijdenis en tot avondmaalsviering zullen komen. Het zou zijn eene ondermijning van den grondslag der kerk, in zoover die als instituut juist berust op de belijdenis en verbintenis harer leden. Het zou maken dat de kerkelijke tucht zóódanig ontaardde, dat zij voortdurende ongehoorzaamheid aan het Woord des Heeren, hoe openbaar ook, toch ongemoeid liet, en zich slechts bekommerde om hetgeen ook in het oog der wereld verwerpelijk is. Het zou eene feitelijke geringschatting zijn van het Avondmaal, alsof leden der kerk dat wel konden missen, en eene feitelijke terzijdestelling van de belijdenis, als voor het lidmaatschap der kerk niet meer noodig. Het zou iets dat zondig is tot een stelsel maken, en het ongeregelde als iets regelmatigs ordenen. In één woord, het is een beginsel dat, bij onvermijdelijke doorwerking, de belijdende Kerk onzes Heeren Jezus Christus maken zou tot een niet-belijdend zedelijk genootschap, dat naar menschelijk goedvinden ingericht is. „Principiis obsta: sero medicina paratur”; d.i. waak tegen de beginselen van het kwaad: als het eenmaal ingedrongen is, komen de middelen om het te verhelpen te laat.


Uit al het boven aangevoerde volgen nu vanzelf deze drie conclusiën (in welke, evenals in de voorafgaande beschouwingen, met het woord „kerk” niet bedoeld wordt de kerk voor zoover zij onzichtbaar is, noch ook de kerk voor zoover zij enkel in de aanwezigheid van geloovigen zichtbaar wordt, maar de kerk die ook als eene eehheid in het zichtbare optreedt, de tot formatie gekomene kerk, de Ecelesia instituta, de kerk als instituut):

1º. De gedoopte kinderen zijn leden van de kerk, in welke zij gedoopt zijn, zij het ook dat zij nog incompleete leden zijn. Als leden der kerk zijn zij ook vanzelf objecten van de kerkelijke tucht. Maar in overeenstemming met hun toestand kan die kerkelijke tucht ook slechts „incompleet” zijn, en alleen door vermaning, berisping en dergelijke middelen worden uitgeoefend.

2º. De sub. 1º. bedoelde gedoopten die op volwassen leeftijd door eigen schuld niet tot kerkelijke belijdenis en verbintenis komen, moeten door de kerk ernstiglijk en bij herhaling daartoe vermaand worden; en wanneer zij die vermaning niet opvolgen, moeten zij geacht worden het lidmaatschap van de kerk te verliezen; waarbij wenschelijk is, dat de kerkeraad dit ook uitspreke, uiterlijk met hun 30e levensjaar. Ophoudende lid te zijn van de kerk, houden zij dus ook op, objecten te zijn van de kerkelijke tucht. |5|

3º. Met het sub. 2º gestelde moet noodzakelijk samengaan, dat de aldaar bedoelde gedoopten, niet alleen ten aanzien van de kerkelijke tucht, maar ook in ieder ander opzicht, niet meer als leden der kerk beschouwd en behandeld worden.


Dat deze drie conclusiën aanstonds en in alle onze kerken zouden worden overgenomen en in toepassing gebracht, is intusschen zeker niet te verwachten. Sedert langen tijd is de kerkelijke practijk bijna overal geheel anders geweest, en er is met betrekking tot dit onderwerp ook nog zeer veel onkunde en verkeerde opvatting, die voorafgaande onderwijzing der gemeente zeer noodig maken. Daarom schijnt niet raadzaam te zijn, dat de Generale Synode op dit punt thans reeds bindende bepalingen make, en wordt haar aan het slot van dit advies dus alleen voorgesteld:

de Generale Synode, de Deputaten der Kerken voor advies in zake kerkelijk opzicht en tucht over zoogenaamde „Doopleden” dechargeerende, verklaart, dat zij met de hoofdstrekking van hun advies zich vereenigt, en acht wenschelijk dat de kerkeraden zooveel mogelijk in dien geest arbeiden.



Deputaten voornoemd,
H. Bavinck,
F.L. Rutgers.

Middelburg,
10 Augustus 1896.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004