Herman Bavinck (1854-1921) en anderen

Rapport

van de Commissie van Enquête, benoemd ingevolge besluit der Jaarvergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, dato 27 Juni 1895

(Met bijlagen.)
[Amsterdam (Fernhout) 1896]

a





Aan de Algemeene Vergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag,


De Commissie van Enquête, benoemd ingevolge besluit der Jaarvergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag d.d. 27 Juni 1895, heeft de eer te rapporteeren:

Aangaande hare samenstelling.

Door de Vergadering waren tot Leden der Commissie gekozen de heeren J. van Alphen, Dr. H. Bavinck, A.G. van Deth, G.H.A. Grosheide en L. de Vries Hzn. Door Directeuren zijn uit hun midden aangewezen de heeren W. Hovy en C.M.E. van Löben Sels, door Curatoren de heeren Mr. Th. Heemskerk en Ds. B. van Schelven. Al deze benoemde Leden hebben zitting genomen, en de Commissie heeft gekozen tot haren President Dr. H. Bavinck, tot haren Vice-President Ds. B. van Schelven en tot haren Secretaris Mr. Th. Heemskerk.

Aangaande hare werkzaamheden.

Nadat Directeuren aan Prof. Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman een afschrift der Memorie van Toelichting op het voorstel tot het houden eener enquête verstrekt hadden, heeft de Commissie dien Hoogleeraar uitgenoodigd, om, naar aanleiding van die Memorie, aan haar alle zoodanige mededeelingen te doen en inlichtingen te verstrekken als waartoe hij daarin oorzaak zoude vinden.

Prof. de Savornin Lohman heeft aan die uitnoodiging bereidwillig voldaan door het inzenden eener Memorie zijnerzijds, dd. 20 September 1895. Naar aanleiding van het door Prof. Lohman aangekondigde voornemen om zijn antwoord te publiceeren, heeft de Commissie van Enquête Z.HoogGel. verzocht daartoe althans voorshands niet over te gaan, dewijl zoodanige publicatie het tot stand komen eener oplossing door minnelijke schikking zeer zou bemoeilijken, zoo niet onmogelijk maken.

Gelijk bekend is, heeft Prof. de Savornin Lohman niettemin gemeend tot de publicatie te moeten overgaan door de uitgave der brochure: „De aanval op Seinpost en mijn antwoord”, waarin tevens de Memorie van Bezwaren der 35 1) voorstellers en verschillende bijlagen |4| zijn opgenomen. Vermits het auteursrecht op den inhoud der brochure is voorbehouden en verzekerd overeenkomstig de bepalingen der wet van 28 Juni 1881 St.bl. No. 124, meent de Commissie terloops te moeten opmerken, dat hiermede toch wel niet bedoeld kan zijn eene verkorting van het recht der Vereeniging om aan haar of hare Commissie van Enquête toegezonden en dus aan haar in eigendom toebehoorende stukken te publiceeren.

De Commissie heeft voorts aan Directeuren verzocht overlegging van alle schrifturen bij de benoeming van Prof. Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman gewisseld, en aan Curatoren gelijk verzoek gedaan, en verder aan Curatoren gevraagd om mededeeling van hetgeen door hen gedaan is tot handhaving van art. 2 der Statuten.

Na kennisname van het antwoord van Prof. de Savornin Lohman heeft de Commissie aan Directeuren gevraagd, wat ten aanzien van art. 11 van het Huishoudelijk Reglement voor de Ledenvergadering en ten aanzien van art. 2 der Statuten tijdens de vaststelling door hen is overwogen en aan hen is geadviseerd;

aan de 35 voorstellers der enquête gevraagd of zij inlichting wilden geven naar aanleiding van de tweede grief door Prof. Lohman in zijn antwoord geopperd;

aan Prof. Dr. A. Kuyper gelijk verzoek om inlichting gedaan, speciaal ook naar aanleiding van hetgeen voorkomt op blz. 41. der brochure;

aan den Senaat der Vrije Universiteit gevraagd, wat in zake de stellingen omtrent de methodologie in den Senaat is voorgevallen, met verzoek om toezending van copie der notulen daaromtrent, ook van de door den Senaat benoemde Commissie van professoren, en voorts mededeeling van hetgeen naar het oordeel van den Senaat dienstig kon zijn om hetgeen door Prof. Lohman bij de derde grief in zijne Memorie van Antwoord ontwikkeld wordt toe te lichten.

Op al deze vragen, welke gedaan zijn onder beding, dat het antwoord niet zou worden gepubliceerd zoolang de werkzaamheden der Commissie niet waren volbracht, zijn antwoorden meest met bijlagen ingekomen, waarvan de Commissie voor zoover noodig gebruik heeft gemaakt.

Na overweging der ingekomen stukken heeft de Commissie gemeend bij schrijven van 13 Januari 1896 nog enkele inlichtingen aan Prof. de Savornin Lohman te moeten verzoeken, aan welk verzoek door Prof. Lohman bereidwillig voldaan is bij schrijven van 4 Februari 1896.

Na deze voorbereidende werkzaamheden is de Commissie overgegaan tot het vaststellen der uitkomsten van haar onderzoek.


De Commissie gaat thans over tot haar verslag aangaande hetgeen het onderwerp van haar onderzoek heeft uitgemaakt en de uitkomsten daarvan.

Blijkens de toelichting op het voorstel tot het houden eener enquête |5| was het onderwerp van haar onderzoek de vraag, of het onderwijs van Prof. Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman aan art. 2 der Statuten voldoet, en wel naar aanleiding van Prof. Lohman’s uitlatingen aangaande het collegebezoek aan de overheids-universiteiten en de daarbij ook door hem uitgesproken gedachten omtrent het onderwijs in staats- en strafrecht, aangaande het gebruik van de termen anti-revolutionair en Gereformeerd of Calvinistisch, aangaande de doodstraf, en naar aanleiding van de vraag wat door dien Hoogleeraar verstaan wordt onder de Gereformeerde beginselen, waarvan art. 2 der Statuten gewaagt, alsmede naar aanleiding van hetgeen in de Jaarverslagen omtrent de methode van zijn onderwijs vermeld is.


De heer de Savornin Lohman heeft in zijne Memorie van 20 September 1895, alvorens te antwoorden op de tegen hem geopperde bezwaren, allereerst drie grieven tegen het voorstel en zijne toelichting ingebracht, welke de Commissie gemeend heeft niet buiten beschouwing te mogen laten.

De eerste grief is, dat de klagers, door geheel buiten hunne bevoegdheid te gaan, geweld hebben gepleegd tegen de constitutie onzer stichting.

De tweede grief is, dat de aanklacht datgene waar het om te doen is verzwijgt en daarvoor iets anders in de plaats stelt, waardoor zij het kenmerk van waarheid en oprechtheid mist.

De derde grief is, dat in de aanklacht de Gereformeerde beginselen, waarvan art. 2 der Statuten gewaagt, voortdurend met „Calvinistisch Staatsrecht” vereenzelvigd worden, en dat afwijking van wat „men” Calvinistisch Staatsrecht gelieft te noemen derhalve geacht wordt met afwijking van gemeld artikel 2 gelijk te staan.

Aan de beide eerste grieven meent de Commissie allereerst een woord te moeten wijden.

Door de ontwikkeling van de derde grief alsmede door zijn nader schrijven van 4 Februari 1896 heeft de hoogleeraar de Savornin Lohman het principiëel onderzoek naar zijne opvatting van de Gereformeerde beginselen, in art. 2 der Statuten vermeld, en de methode van zijn onderwijs in de hem toevertrouwde vakken van rechtswetenschap zeer vergemakkelijkt, zoodat reeds daarom onderzoek naar verdere bizonderheden van zijn onderwijs overbodig was, en de Commissie in de bespreking van het hier door Prof. Lohman aangevoerde het voornaamste deel harer taak moest zien. Zij zal daarvoor dus Uwe aandacht vragen, nadat zij eerst omtrent de meer speciale punten, in de Memorie van Bezwaren vermeld, verslag zal hebben uitgebracht.


De Commissie heeft dus te bespreken:

A. I. Het formeele recht der Commissie van Enquête, naar aanleiding van de eerste grief van Prof. Lohman. |6|

II. De vraag of men hier te doen heeft met een politiek of met een principiëel wetenschappelijk geschil, naar aanleiding van de tweede grief van Prof. Lohman.

B. I. Prof. Lohman’s meening aangaande het college-bezoek aan de overheids-universiteiten.

II. Het gebruik door Prof. Lohman van de termen antirevolutionair en Gereformeerd of Calvinistisch.

III. Prof. Lohman’s opvatting van de doodstraf.

IV. Prof. Lohman’s opvatting van art. 2 der Statuten en de daar genoemde gereformeerde beginselen.

V. Prof. Lohman’s methode van onderwijs, bepaaldelijk zijne opvatting van de studie der rechtswetenschap.


A. Ad Ium. Het formeele recht der Commissie van Enquête, naar aanleiding van de eerste grief van Prof. Lohman.

Deze grief raakt in de eerste plaats de bevoegdheid der Algemeene Vergadering om tot de benoeming van eene Commissie van Enquête te besluiten, en daardoor de bevoegdheid der Commissie van Enquête zelve om haar onderzoek te volbrengen, en die van de volgende Algemeene Vergadering om over de door de Commissie voor te stellen motie van orde uitspraak te doen. Hoewel nu Prof. Lohman in de Jaarvergadering van 27 Juni 1895 zelf verklaarde, dat hij, nu eenmaal de enquête was voorgesteld, wilde, dat zij zou doorgaan, is het toch volstrekt noodzakelijk, dat over deze quaestie van bevoegdheid volledige helderheid besta.

De Commissie is van oordeel, dat de Algemeene Vergadering volkomen bevoegd was, om op het voorstel der 35 leden tot het houden eener enquête te besluiten.

Volgens Prof. Lohman blijkt uit den inhoud van artikel 11 van het Huishoudelijk Reglement, waarop het besluit der Algemeene Vergadering berust, duidelijk, dat men eene algemeene enquête over den geheelen toestand op het oog heeft gehad, en geenszins om de taak, waarvoor de Statuten zelfs de Directeuren niet de geschikte mannen achten, van de schouders der Curatoren af te nemen om die op te dragen aan de Algemeene Vergadering zelve. De enquête zou dus slechts mogen loopen over den geheelen toestand, maar niet over het onderwijs van een Hoogleeraar, waaromtrent de zorg bij art. 7 der Statuten aan Curatoren is opgedragen.

De tekst van artikel 11 wijst echter geenszins op eene algemeene enquête over den geheelen toestand, maar eischt veeleer, dat het onderwerp der enquête met juistheid gepreciseerd zij. Bij het voorstel moet zijn: „schriftelijke en nauwkeurige opgave van de zaak waarover onderzoek verlangd wordt”.

En geene zaak, dus ook niet het onderwijs van een Hoogleeraar, is daarbij uitgesloten. |7|

De tekst van artikel 11 is niet beperkend. Slechts moet het besluit strekken „tot handhaving van het in art. 2 van de Statuten der Vereeniging uitgesproken beginsel”. De Jaarvergadering is dus bevoegd om over alles, waarbij de handhaving van dit beginsel betrokken is, tot het benoemen eener Commissie van Enquête te besluiten.

Daarmede regelt het artikel dan ook, wat de Algemeene Vergadering tot handhaving van het beginsel der Vereeniging doen kan. Onvoorbereide beraadslagingen en overijlde besluiten worden daarmede geweerd, en een waarborg wordt gegeven, dat tijd en gelegenheid tot oplossing in der minne van gerezen bezwaren besta.

De strekking van het artikel is dus om den weg af te bakenen, waarlangs licht kan worden verspreid over gerezen bezwaren en gewekte ongerustheid, en waarlangs, zoo mogelijk, oplossing in der minne moet worden gevonden.

Eene verdere strekking heeft het artikel niet.

Het ontneemt aan Directeuren en Curatoren geene hunner bevoegdheden; het kent aan de Algemeene Vergadering niet de bevoegdheid toe om eenig besluit te nemen, dat volgens Statuten of Reglementen door Directeuren of door Curatoren zou kunnen of moeten genomen worden.

Overeenkomstig het hier opgemerkte, is, naar luid van art. 11 zelf, blijkens de slotbepaling, de taak der Commissie van Enquête allereerst om te pogen eene minnelijke schikking tot stand te brengen, en anders eene motie van orde of verklaring voor te stellen, waarin dus opgesloten ligt, dat geheel onverkort blijvende bevoegdheid en roeping van de bij de Statuten aangewezen Colleges van Directeuren en Curatoren om over de onderwerpen, die tot hunnen werkkring behooren, besluiten te nemen.

Hiermede is, naar de Commissie meent, de bevoegdheid van de Algemeene Vergadering en de Commissie van Enquête gestaafd, en zijn tevens de grenzen van die bevoegdheid aangewezen.

Ad IIum. De vraag of men hier te doen heeft met een politiek of een principiëel wetenschappelijk geschil, naar aanleiding van de tweede grief van Prof. Lohman.

Deze grief luidt: dat de aanklacht datgene waar het om te doen is, verzwijgt, en daarvoor iets anders in de plaats stelt, waardoor zij het kenmerk van waarheid en oprechtheid mist, — en dit verwijt wordt later nog aldus geformuleerd: „dat niet, althans zeker niet in de eerste plaats, de zorg voor de zuiverheid van de Gereformeerde beginselen, maar de zucht om op politiek gebied zijn wil door te zetten, hier aan het woord is”, — en ten slotte aldus: „Op grond, dat verschil van politiek inzicht tusschen Dr. Kuyper en mij niet bevorderlijk is voor den bloei der V.U., hebben zij, die boven alles Dr. Kuypers leiding op politiek gebied wenschen omhelsd te zien, |8| den politieken strijd overgebracht op het terrein der V.U., door mijn onderwijs in verdenking te brengen.”

Den voorstellers wordt alzoo de bedoeling toegeschreven om een politiek resultaat te bereiken en niet eene principiëel wetenschappelijke vraag tot klaarheid gebracht te zien.

De voorstellers der enquête, op de deswege door de Commissie tot hen gerichte vraag, verklaren hunnerzijds, bij schrijven van 12 December 1895, dat slechts de vraag hoe het met des Hoogleeraars onderwijs zou staan, gerezen door het streven en bedoelen uitkomende in zijn publiek optreden als redacteur, tot het indienen van hun verzoek geleid heeft, en dat zij „de aanklacht van onoprechtheid met verontwaardiging verwerpen”.

De Commissie rekent het zich ten plicht over het verband tusschen politieke en principiëel-wetenschappelijke geschillen geheel te zwijgen, dewijl hare taak geene andere is, dan om geheel objectief, zonder bijbedoelingen en afgedacht van politieke verschillen, over de zaak zelve, die haar ten onderzoek is opgedragen, licht te verspreiden.

De vraag, of men hier te doen heeft met een politiek of een principiëel-wetenschappelijk geschil kan voor de Commissie van Enquête en voor de Algemeene Vergadering, aan welke zij te rapporteeren heeft, nooit eene vraag zijn. Zij mag zich met niets anders dan met het principiëele vraagstuk bezighouden, en dit zou zoo wezen, ook al kon bewezen worden, dat de voorstellers iets anders bedoeld hadden.

In zoover als de hier ingebrachte klacht, zoo de toelichting op het voorstel met dien naam mag bestempeld worden, in gebreke blijft een principiëel-wetenschappelijk verschil ter sprake te brengen, is zij eenvoudig terug te wijzen. Omgekeerd in zoover als het onderzoek een principiëel verschil heeft doen ontdekken, is de Commissie verplicht dit in het licht te stellen.

Dit heeft echter, naar het oordeel der Commissie, niet het karakter van eene vrijspraak of eene veroordeeling. Het debat over een principiëel geschil behoort volkomen onbevangen gevoerd te worden, en de appreciatie moet aan ieders conscientie blijven overgelaten.


B. Ad Ium. Prof. Lohman’s meening over het college-bezoek aan de overheids-universiteiten.

Hierbij valt op te merken, dat het bezwaar door de voorstellers van de enquête in verband hiermede te berde gebracht naar aanleiding der uitlatingen van Prof. Lohman bij die gelegenheid over het onderwijs in staats- en strafrecht, door de Commissie hier niet besproken wordt, omdat het vanzelf hieronder bij punt V ter sprake komt.

Over het college-bezoek is reeds vroeger verschil van gevoelen geweest in den kring der Universiteit. Het referaat van Prof. de Savornin Lohman, gehouden in de Jaarvergadering te Groningen van 30 Juni 1892, heeft daar aanleiding gegeven tot debat, en later tot eene polemiek |9| in „ De Heraut” tusschen de Hoogleeraren Kuyper en de Savornin Lohman.

De Commissie heeft ten aanzien van het standpunt van Prof. Lohman het volgende te rapporteeren:

Op de Jaarvergadering te Groningen heeft de Hoogleeraar beslist de stelling verdedigd, dat Christen-jongelieden, ook in de rechtsgeleerdheid, moeten studeeren aan de Vrije Universiteit, immers aan eene Christelijke Universiteit.

Waar in de Memorie van Bezwaren door de voorstellers, na vermeiding van later over het college-bezoek van Prof. Lohman in „De Heraut” geschreven stukken, wordt aangevoerd: „blijkens verklaring in datzelfde nummer van „De Heraut” (No. 775) is volgens Prof. Lohman „de onmogelijkheid dan ook niet uitgesloten, dat de stichting van onze juridische faculteit eene vergissing geweest is”, moet herinnerd worden, dat dit berust op eene plaats in des Hoogleeraars artikel, door Prof. Lohman als bijlage VI bij zijne Memorie afgedrukt, en luidende (Prof. Lohman richt zich hier tot Prof. Kuyper): „Gij werpt tegen, dat dit niet zoo kan zijn, want dat daaruit zou volgen, dat ik niet had moeten medewerken tot de stichting eener juridische faculteit, doch slechts tot de oprichting van een katheder. Op dit punt kom ik nader terug. Thans merk ik alleen op, dat uwe tegenwerping de onjuistheid mijner bewering niet aantoont, omdat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat de stichting van eene juridische faculteit eene vergissing geweest is.”

Op blz. 74 der brochure echter legt Prof. Lohman zelf deze plaats uit, door haar te noemen: „het zeer eenvoudige logische argument: het feit, dat iemand iets gedaan heeft kan nimmer bewijzen, dat die daad goed was,” en verklaart hij voorts, onder verwijzing naar de bekende feiten, dat hij in 1884 zijn raadsheersambt en zijne rechterlijke loopbaan geruild heeft voor een niet door hem begeerd professoraat aan eene Universiteit op Gereformeerden grondslag, dat hij in 1891 deze laatste betrekking ten tweeden male vrijwillig aanvaard heeft, en dat datgene, wat de aanklagers uit de gevoerde discussiën trachten te halen, nimmer in zijne gedachte kan hebben gelegen.

Ofschoon dit „logisch argument” vreemd klinkt in den mond van hem, die vaststaat in zijne overtuiging, dat eene Christelijke Universiteit eisch is van Gods Woord, blijkt dus de Hoogleeraar de door hem vooropgezette stelling te handhaven.

In het tweede gedeelte van het te Groningen gehouden referaat heeft Prof. Lohman dan ook zeer beslist de beoefening der wetenschap, ook der rechtswetenschap, op Christelijken grondslag verdedigd, o.a. blijkens de volgende plaatsen:

„Zij die door Gods genade, Dengene mochten leeren kennen, die Zich zelf geopenbaard heeft in den Zoon, en door de Apostelen, de Profeten en Zijne Kerk ook hoorbaar tot ons blijft spreken, — zij gaan bij al hunne beschouwingen van Hem uit; zij worden door Zijne |10| openbaring beheerscht; ook zij zoeken, binnen de door God gestelde grenzen, het verband der dingen in te zien, doch kunnen daarbij het hoogste verband van alle dingen nimmer uit het oog verliezen.

Voor hen is de Openbaring, is dus ook de Heilige Schrift, hetzelfde, wat voor den natuuronderzoeker de tastbare natuurverschijnselen zijn; zij is het voorwerp van hunne onderzoekingen en bespiegelingen, iets dat voor hen vaststaat, waarvan zij uitgaan.

Dit nu geldt voor elk deel der wetenschap; dus ook voor het Recht.”

En verder:

„Overal en altijd zien wij overheden en volk; regeerders en geregeerden. Moeten die er zijn? Waarom moeten zij er zijn? Hoever strekt zich de macht van den een, de plicht tot gehoorzaamheid van den ander uit? Naar welke regelen behooren zij zich te gedragen?

Overal vindt men het strafrecht. Waarop rust dit? Is dat enkel de regeling van zekere menschelijke belangen, of heeft God de Heere daarbij ook iets te zeggen?

Overal en altijd vindt men bezit en eigendom. Is dat door de menschen ingesteld, of is het eene ordening Gods, waaraan de mensch zich niet vermag te onttrekken? Indien dat bezit en eigendom moet bestaan, moet het dan bestaan in zijn tegen woordigen vorm? Hoe ver is het geoorloofd op hetgeen thans bestaat in te grijpen?”

Eindelijk:

„— juist het gebied der rechtsgeleerdheid is door den Christen bijkans nog geheel onontgonnen; ternauwernood zijn eenige pogingen gedaan om, uitgaande van het Woord Gods en daarop staande, op dat gebied het juiste verband der verschijnselen, en dan vervolgens den juisten weg tot hervorming te vinden; zoodat vele geloovige Christenen, er aan wanhopende dat verband te vinden, het eenvoudig ontkend hebben, bewerende, dat de Goddelijke Openbaring enkel op den individuëelen mensch betrekking heeft. Alsof Maatschappij en Staat ten slotte niet enkel uit individuëele menschen bestonden; alsof één en dezelfde mensch in tweeën of in drieën kon gesplitst worden; alsof men voor zich zelf God als het Hoogste beschouwen, doch als wetgever of staatsman Hem ter zijde kon stellen! De Christen die inziet, dat dit niet kan, zal, zoo hij zich aangetrokken gevoelt tot wetenschappelijke studie op het terrein der rechtsgeleerdheid, bij voorkeur eene Universiteit zoeken waar Gods Woord bovenaan staat.

Welk een gebied opent zich daar voor hem! Welk een uitgebreid veld! Vooral in dezen tijd, nu de wetenschap aan de openbare universiteiten met beslistheid en overtuiging op haar gebied het recht om eenig gezag aan de Openbaring toe te kennen loochent, doch nu ook steeds meer den weg kwijtraakt, zoodat alles op losse schroeven komt te staan en de een den ander poogt te overschreeuwen, roepende: Volg mij! — een geschreeuw, waarbij vaak hooren en zien vergaat, doch waarbij men niet verder komt.” |11|

Zoo hier reeds somtijds de vraag komt doorschemeren, welke later meer opzettelijk besproken moet worden, of Prof. Lohman zich zelven gelijk blijft in de verklaring van hetgeen door hem wordt vooropgesteld: de Heilige Schrift voorwerp van en uitgangspunt voor wetenschappelijke onderzoekingen en bespiegelingen, niettemin moet erkend worden, dat hij voor de beoefening der wetenschap, ook der rechtswetenschap, een Christelijken grondslag onderstelt, en het goed recht eener Christelijke universiteit erkent.

Het onderwerp van het referaat was echter tweeledig. Met het bovenstaande en eene voorafgaande beschouwing van de opvoeding van een jong man voor de maatschappij, had Prof. Lohman de vraag beantwoord: „Waarom behooren de Christenen voor de rechtsgeleerdheid te studeeren aan onze Hoogeschool?” De tweede vraag, die hij zich ter beantwoording had voorgesteld was: „Welke zijn hunne vooruitzichten zoo zij die verplichting nakomen?”

Prof. Lohman had dus de praktische bezwaren te overwegen, waarmede de jongelieden, na volbrachte studie aan onze Universiteit, bij hunne intrede in de maatschappij zouden te kampen hebben, dewijl, zonder doctoralen graad aan eene overheids-universiteit behaald, de toegang tot vele betrekkingen, bepaaldelijk die tot de magistratuur, tot de rechterlijke macht, voor hen is gesloten.

De overweging der praktische bezwaren leidde hem er toe omuit te spreken, dat er geen principiëel bezwaar tegen bestond om aan de overheidshoogescholen examen te doen, de examen-colleges te volgen; en om die colleges zelven en de positieve methode in het onderwijs in verschillende vakken der rechtswetenschap in bescherming te nemen.

Daartegenover dient gezegd, dat, al laat de Commissie de vraag ter zijde of misschien het college-bezoek aan ongeloovige universiteiten in sommige gevallen kan worden geduld, het toch zeker niet aangaat te zeggen, dat er geen principiëel bezwaar tegen bestaat.

Het moge waar zijn, dat de hoogleeraren in de rechtsgeleerdheid aan de openbare universiteiten zich niet aan opzettelijke bespotting of bestrijding van den Christus schuldig maken, iets anders is hier de quaestie, namelijk, dat zij, gelijk Prof. Lohman zelf erkent, Hem het hoogste gezag op het terrein der wetenschap ontzeggen.

Het bezwaar ligt dan ook hierin, dat Prof. Lohman te veel den nadruk legt op de geschiedenis en het verband der wetsbepalingen als het onderwerp der colleges, hetwelk evengoed door een geloovige als door een ongeloovige zou kunnen worden medegedeeld. De stelling, dat de colleges, waar deze zaken behandeld worden, met het geloof in geene aanraking komen, moet de Commissie betwisten.

Niet alleen, dat, gelijk Prof. Lohman zelf bijna onmiddellijk opmerkt, bij het trekken van gevolgtrekkingen uit de waargenomen feiten groote voorzichtigheid te pas komt, en het toch niet wel is aan te |12| nemen, dat de hoogleeraren aan andere universiteiten zich zorgvuldig van het maken van gevolgtrekkingen zullen onthouden, maar ook op het gebied van het burgerlijk recht (Prof. Lohman noemt zelf als voorbeeld o.a. het huwelijk en den eigendom, en spreekt van het verband der wetsbepalingen daaromtrent) kan een rechts-instituut niet verklaard worden, zonder dat daarbij uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt uitgegaan van den grondslag waarop het rust. En waar nu het gezag der Goddelijke openbaring, ons in het Woord geschonken, wordt verworpen, daar zal bij de uiteenzetting van het verband der wetsbepalingen, zoo al de grond, waarop de hoogleeraar bouwt, niet uitdrukkelijk wordt aangewezen, dan toch worden uitgegaan van eene verwerpelijke onderstelling, waarmede door de kracht der logica het betoog in overeenstemming zal zijn, en zoodoende eene verkeerde levensbeschouwing en eene onzuivere wetenschap den studenten worden voorgedragen.

Met de eischen der praktijk wenscht ook de Commissie rekening te houden. Zij erkent, dat er gewichtige redenen zijn, om voor de kweekelingen aan onze Universiteit bij hunne intrede in de Maatschappij den toegang tot ieder beroep en tot ieder ambt, hetwelk tot den werkkring van den rechtsgeleerde behoort, te begeeren. Maar ofschoon examens aan eene overheids-universiteit daartoe tegenwoordig nog onmisbaar zijn, blijft het boven aangewezen principiëele bezwaar tegen het college-bezoek aan zoodanige universiteit niettemin gelden.

In zoover Prof. Lohman het principiëele van dit bezwaar niet erkent, laat hij dus, naar het gevoelen der Commissie, geen recht wedervaren aan de principiëele tegenstelling tusschen het onderwijs op den grondslag der Gereformeerde beginselen naar art. 2 onzer Statuten, en het onderwijs op andere grondslagen, gelijk dit aan de overheidsuniversiteiten gegeven wordt, al meent ook de Commissie uit deze gegevens alleen geene conclusie ten aanzien van des Hoogleeraars onderwijs te mogen trekken.

Ad IIum. Het gebruik door Prof. Lohman van de termen antirevolutionair, en Gereformeerd of Calvinistisch.

Dienaangaande heeft de Commissie het volgende te rapporteeren:

Prof. Lohman wil in de Kerk den naam Gereformeerd. Hij wil in de politiek den naam Anti-Revolutionair. Maar op beide terreinen wil hij niet weten van den naam Calvinistisch. Bepaaldelijk is deze naam hem op politiek gebied te kerkelijk en daardoor te beperkt en anderzijds te onbepaald.

Wat nu den naam Anti-Revolutionair of Calvinistisch aangaat op politiek terrein, daarover heeft de Commissie niet te oordeelen.

Op kerkelijk terrein handhaaft Prof. Lohman den naam Gereformeerd, en ook op het terrein der Universiteit, daargelaten wat hij onder Gereformeerd verstaat, waarover bij punt IV gehandeld wordt.

In het derde onderdeel der Memorie van Bezwaren wordt gewezen |13| op de vermelding der lessen van Prof Lohman in de Jaarverslagen, waar gesproken wordt van toetsing der Grondwet en andere organieke wetten „aan de beginselen van het anti-revolutionair staatsrecht”. Het schijnt den voorstellers der enquête vreemd toe, dat hier het woord „Gereformeerd” hetwelk door onze Statuten is aangegeven, vervangen is door het woord „Arsti-Revolutionair”.

Prof. Lohman ontkent (op bl. 78 der brochure), dat hij met eenige bedoeling het woord Gereformeerd zou hebben vervangen door anti-revolutionair, en teekent daarbij voorts aan : „Tot dusver was, hier te lande althans, „anti-revolutionair staatsrecht” een vrij wel omschreven begrip en een geijkte term; de term „Gereformeerd staatsrecht” daarentegen minder gebruikelijk, en m.i. zelfs minder duidelijk. Dat in art. 2 der Statuten geen sprake is, en natuurlijk ook geen sprake kon zijn, van anti-revolutionair, bewijst niet dat men, onderwijs gevende overeenkomstig de beginselen in dat artikel bedoeld, het staatsrecht hetwelk men doceert niet anti-revolutionnir zou mogen noemen; al is het natuurlijk zeer wel mogelijk, dat iemand ook een anti-revolutionair staatsrecht geeft dat valt buiten het bereik van art. 2. Ik had, sprekende van anti-revolutionair staatsrecht, er bij kunnen voegen „naar de beginselen van art. 2 der Statuten”; doch daar ik meenen mocht dat dit van zelf sprak, en ik, toen ik die woorden bezigde, nog niet wist dat ik onder verdenking lag van de 34 (moet zijn 35) heeren, heb ik dit weggelaten.”

Prof. Lohman gaat dan voort ten aanzien van het gebruik van het woord anti-revolutionair op politiek gebied:

„Wat nu betreft hetgeen de heeren aanklagers zeggen van de artikelen voorkomende in No. 420 (Bijlage X), 426 (Bijlage XI) en 483 (Bijlage XIX) van „De Nederlander”, daaromtrent wensch ik alleen op te merken, dat uit de eenvoudige lezing van die artikelen zal blijken, dat die niets hoegenaamd te maken hebben met mijn onderwijs, maar alleen met zekere benaming van eene politieke partij. Daar m.i. anti-revolutionair een ruimer begrip is dan „Calvinistische partij”, terwijl, omgekeerd, „Calvinistisch” een vager begrip aanduidt dan „anti-revolutionair in verband met het bekende Anti-revolutionair Program”, zoo meent „De Nederlander”, dat men beter doet met den naam anti-revolutionair te bezigen daar, waar, in Nederland, sprake is van de anti-revolutionaire partij.”

De lezing van de bedoelde artikelen in „De Nederlander” bevestigt inderdaad, dat zij betrekking hebben op de benaming eener politieke partij en niet op het onderwijs. Wel volgt daaruit alleen nog niet, dat uit die artikelen ten aanzien van des Hoogleeraars onderwijs geene conclusie kan worden getrokken. Nu de Hoogleeraar bij zijn onderwijs ons geldend Staatsrecht wil toetsen aan de beginselen van het antirevolutionair Staatsrecht, zou wel degelijk, indien door hem het woord anti-revolutionair verklaard was als principiëel tegenover het woord |14| gereformeerd staande, moeten worden aangenomen dat hij aan andere dan de Gereformeerde beginselen ons Staatsrecht wilde toetsen.

Eenige aanleiding tot die opvatting was wel gegeven door eene uiting in No. 215 van „De Nederlander” (Bijlage VII, bl. 110 der brochure): „Het anti-revolutionaire beginsel sluit de Gereformeerden niet uit, maar anderen evenmin; misschien nog minder!” Maar toch blijft de strekking der vertoogen steeds, niet dat Gereformeerd of Calvinistisch staan tegenover anti-revolutionair, maar dat anti-revolutionair als de ruimere benaming, die ook anderen dan Gereformeerden insluit, op politiek gebied moet gehandhaafd blijven.

Nu Prof. Lohman erkent, dat bij het onderwijs slechts, sprake kan zijn van anti-revolutionair Staatsrecht in den meer beperkten zin, namelijk „naar de beginselen van art. 2 der Statuten”, mag de Commissie dus bij deze politieke beschouwingen niet stilstaan. Dit slechts zij nog opgemerkt, dat dan ook het beroep op het Anti-revolutionair Program ter verdediging van den term anti-revolutionair op politiek gebied niet kan gelden tot rechtvaardiging van het gebruik daarvan bij het onderwijs.

Intusschen blijkt elders, dat Prof. Lohman den naam Gereformeerd voor de Universiteit wil handhaven, zie eene plaats in een artikel in „De Nederlander” No. 495 (Bijl. XX, blz. 154 der brochure) welke luidt:

„De beginselen van Calvijn achten wij, voor de ontwikkeling van Neerlands volk vooral, van de grootste beteekenis. En juist daarom verdedigen wij ook de noodzakelijkheid eener Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag. Want ook wetenschappelijk moeten die beginselen tot ontwikkeling worden gebracht.

Op elk gebied moet de kracht van het Woord Gods openbaar worden. En onder dat Woord Gods verstaan wij hetzelfde wat Calvijn daaronder verstond, al komen wij, op grond van datzelfde Woord, tot enkele conclusiën die van Calvijns gevoelen afwijken. O.a. ten aanzien van de wijze, waarop de overheid hare verplichtingen tegenover de Christelijke kerk te vervullen heeft.”

De voorstellers van de enquête, zelven deze plaats mededeelende, klagen, dat de schrijver „zoowel voor de historische ontwikkeling van ons volk als voor de wetenschap” wel denzelfden Bijbel heeft als Calvijn maar zijn eigen conclusiën.

Voor dit bezwaar kan de Commissie iets gevoelen. De schrijver van de artikelen in „De Nederlander” draagt zeer veel zorg, telkens te doen uitkomen, dat hij ten opzichte van Calvijn eene zelfstandige positie inneemt. Voor wie in hoofdzaak dezelfde lijnen als Calvijn wenscht te volgen, was dit hier allerminst noodzakelijk. Want al dient toegestemd te worden, dat, bij alle gezag aan Calvijn toe te kennen, de vrijheid om tot van de zijne afwijkende conclusiën te komen met het wetenschappelijk onderzoek op den grondslag der Gereformeerde beginselen onafscheidelijk verbonden is, en al kan dus uit het innemen |15| van deze zelfstandige positie moeilijk eene conclusie worden getrokken ten aanzien van het beginsel, toch eeren alle Gereformeerden in Calvijn den man, van wien God de Heere zich meer dan van eenig ander in de laatste eeuwen bediend heeft, om den zin van Zijn Woord en de toepassing daarvan op elk terrein des levens aan Zijn volk te doen verstaan.

Voor het overige onthoudt zich de Commissie van beoordeeling van de juistheid der historische beschouwingen over Calvijn, welke in de bovengenoemde artikelen eene voorname plaats innemen.

Waar is het, dat in die artikelen tegenover de hedendaagsche Calvinisten de billijkheid niet wordt betracht, met name in hetgeen vermeld staat op bl. 148 der brochure (Nederlander No. 483 Bijlage XIX) omtrent den strijd tegen onzedelijkheid en ontucht en de jenever en omtrent de Christelijke school, ook door de voorstellers in herinnering gebracht. Daarin is inderdaad eene miskenning te zien van het principiëel optreden van het Calvinisme, dat de zonde in den wortel wil aangetast hebben en dientengevolge ook krachtig optreden met de daad eischt, doch alleen daarbij geen middel van eigen maaksel in de plaats van het werk Gods wil gesteld zien, maar toch zou de Commissie niet gaarne uit dergelijke uitingen, die een meer polemisch dan wetenschappelijk karakter dragen, eene gevolgtrekking maken ten aanzien van het onderwijs des Hoogleeraars.

De voorstellers wijzen ook op hetgeen in gemeld artikel volgt (bl. 149 der brochure). De plaats luidt:

„Men stelt tegenwoordig in vele quaestiën belang. Vrijhandel of protectie; munt-quaestie; arbeiders-contract; pensioneering; woningquaestie; land-nationalisatie; coöperatie, enz.

Alle hoogst belangrijk. Maar toch in de eerste plaats van stoffelijken aard. Zekerlijk bestaat over elke dier quaestiën groot verschil van gevoelen; maar valt dat verschil samen met Calvinistisch en anti-Calvinistisch?

Ook Calvijn heeft in sommige dier quaestiën wel belang gesteld en, bij de oplossing daarvan, zou hij, evenmin als bij elke andere quaestie, Gods Woord ter zijde gesteld hebben.

Maar heeft aan de behandeling van die quaestiën Calvijn zijn eigenlijke beteekenis te danken?”

Ook deze plaats echter geeft omtrent het principiëele vraagstuk weinig licht.

De schrijver vraagt of het verschil over de genoemde quaesties samenvalt met Calvinistisch en anti-Calvinistisch? Op die vraag kan moeilijk in elk opzicht een bevestigend antwoord gegeven worden.

Wel is er bedenking tegen de uitspraak: „in de eerste plaats van stoffelijken aard”, en de Commissie zou veeleer voorop willen stellen dat de beginselen ter oplossing van die vraagstukken uit Gods Woord moeten gevonden worden. Maar dat dit geschieden moet, wordt in deze plaats niet ontkend. |16|

De Commissie meent, op grond van het medegedeelde, dat de beschouwingen van Prof. Lohman ten aanzien van dit punt geen genoegzamen grond opleveren, om eene conclusie betreffende zijn onderwijs te trekken.

Ad IIIum. Prof. Lohman’s opvatting van de doodstraf. Deze quaestie is door Prof. Lohman behandeld in de hoofdartikelen in „De Nederlander” Nº. 296 en 297 (Bijlagen VIII en IX der brochure). Gelijk door de voorstellers der enquête in het 4de onderdeel hunner Memorie wordt aangevoerd, wenscht Prof. Lohman blijkens die artikelen de beantwoording van de vraag „of God de doodstraf gewild heeft voor alle volken in alle tijden”, uit te stellen, „totdat eenmaal de overheid weer tot het rechte inzicht komt, dat straf is vergelding”. Hij verklaart in het tweede artikel wellicht eenigen twijfel te koesteren of God nu juist deze wijze van strafoefening voor alle tijden en volken heeft vastgesteld. Bij de bespreking van dit punt beroept zich Prof. Lohman op den geheelen inhoud van die artikelen, en beklaagt zich dan over de voorstellers in deze woorden (blz. 82 der brochure):

„Zij hebben dus althans die beide artikelen gelezen.

Welnu M.H! Ik verzoek u hetzelfde te doen. En dan vraag ik u, hoe kunnen na die lezing, ernstige mannen, te goeder trouw schrijven, gelijk deze 34 (moet zijn 35) aanklagers gedaan hebben, dat „de Hoogleeraar Lohman oordeelt dat het onderwijs in het strafrecht met de belijdenis of bestrijding van den Christus, met den grondslag van beginselen in het algemeen, en dus ook met den grondslag der Gereforrneerde beginselen niets te maken heeft?” „De grondslag der Gereformeerde beginselen heeft volgens Prof. Lohman voor het onderwijs in dit vak geene beteekenis. Zulk een vak wordt, naar ’s heeren Lohman’s oordeel, alleen onderwezen, orndat er anders niet één enkel student in de rechtsgeleerdheid bij ons zal komen studeeren!” „Het is inderdaad diep grievend zulke valsche voorstellingen te moeten vernernen van mannen, die uit de door hen geciteerde bladen zelve hebben kunnen vernemen, dat de door ons op strafrechtelijk gebied verdedigde beginselen, in tegenstelling met alles wat elders geleerd wordt, zich juist direct aansluiten aan de Heilige Schriften. Of verstaan de heeren niets van de zaak waarvan zij spreken?”.

De Commissie merkt hierbij op, dat de gewraakte plaats uit de Memorie van Bezwaren niet voorkomt in het 4de onderdeel, waar van de doodstraf sprake is, maar in het eerste onderdeel, naar aanleiding van Prof. Lohman’s polemiek in „De Heraut” omtrent het college-bezoek aan de overheids-universiteiten.

Echter dient hier in het licht gesteld te worden, dat Prof. Lohman blijkens de aangehaalde artikelen aan de beginselen van het strafrecht wel degelijk groote waarde toekent.

De meening van Prof. Lohman komt in het kort op het volgende |17| neder. Hij acht de quaestie van de doodstraf ondergeschikt aan en van veel minder beteekenis dan die van de opvatting der straf in het algemeen als vergelding. Deze ga dus voorop. Dan volgt eerst de vraag of God de doodstraf gewild heeft voor alle volken en alle tijden. De beantwoording van die vraag acht hij overbodig; zij is voor hem aan twijfel onderhevig, en Genesis IX is voor hem nog geen bewijs.

Nu is de Commissie wel van meening, dat de erkenning der straf als vergelding van meer algemeene strekking is, doch zij is daarentegen van oordeel, dat Genesis IX wel degelijk het beginsel stelt, dat doodslag moet gevolgd worden door doodstraf.

Daaromtrent blijft Prof. Lohman in de onzekerheid zweven; hij ontsteekt daarover geen licht, ook niet in zijne Memorie van Antwoord, waar hij eenerzijds (bl. 83 en 84) het Noachietisch verbond te weinig onderscheidt van het verbond met Israël, anderzijds Genesis IX vs. 6 (bl. 84 en 85) te zeer bespreekt als werd het door hen, die de doodstraf daardoor geëischt zien, beschouwd als een wetsartikel.

De methode, volgens welke Prof. Lohman dezen tekst en het geheele vraagstuk van de doodstraf bespreekt, opent ook niet het vooruitzicht om tot klaarheid te komen, daar hij telkens stilstaat bij de gevolgtrekkingen, die uit het aanvaarden van den tekst als eisch Gods zonden kunnen worden gemaakt, in stede van na objectieve exegese het beginsel dat in den tekst ligt, in verband met al hetgeen Gods Woord ons verder daaromtrent leert, voorop te stellen en te aanvaarden, om vervolgens te onderzoeken hoe het met de toepassing is. De exegese ontbreekt; het beginsel wordt niet in het licht gesteld en aanvaard, en tot de toepassing komt Prof. Lohman dan ook niet.

Wel schijnt het alsof de Hoogleeraar deze wijze van werken aanvaardt, waar hij (blz. 84 der brochure) de volgende plaats uit „De Heraut” van 10 Febr. 1884, Nº 320 citeert:

„Niet alleen de wet van de Tien Geboden geldt voor onze overheidspersonen, maar heel de Wet Gods, gelijk die in de H. Schrift daar voor ons ligt, mits ook de overheidspersonen maar doen, wat elk onzer moet doen, t.w. onderscheiden tusschen den wille Gods, waarvan het beginsel in de geboden dier Wet is uitgedrukt, en de wijze waarop dat beginsel in ons land en in onzen tijd moet toegepast.”

Maar bij het onmiddellijk, daarop ontwikkelde bezwaar tegen de toepassing gaat het beginsel te loor. Prof. Lohman gaat voort: „Nu heb ik juist tegen de letterlijke toepassing van Genesis 9 : 6 ook dit bezwaar, dat dan in alle gevallen van manslag — behalve die uit onvoorzichtigheid, waarvoor men de vrijsteden had — altijd de doodstraf, en wel met den zwaarde, moest worden toegepast. Dat doodstraf enkel in het uiterste geval van moord (d.i. manslag met voorbedachten rade) zou mogen worden toegepast, daarvan zegt de tekst niets. Volgens Gen. 9 : 6 moest ieder, die opzettelijk een ander slaat, zoodat de dood volgt, ook al heeft hij dit gevolg niet eens |18| bedoeld, zonder toepassing van verzachtende omstandigheden, met het zwaard worden gestraft. Dit nu schijnt mij heden ten dage met andere beginselen in strijd, en daarom meende ik te moeten onderscheiden tusschen het beginsel: leed om leed, oog om oog, bloed om bloed, en de wijze van toepassing van het beginsel.

Voorzeker kan ik in mijne uitlegging feil gaan, even als Dr. Kuyper in de zijne. Maar mag men mij om mijne methode veroordeelen, terwijl men de methode van Dr. Kuyper in geheel gelijk geval duldt en goedvindt?”

Dit laatste zou zeker zeer onbillijk zijn, en de Commissie erkent dat de vrijheid van uitlegging der Schrift moet worden geëerbiedigd, hoewel natuurlijk niet in dien zin, dat elke uitlegging evenzeer te eerbiedigen zij. Maar waar is hier de uitlegging? Zoo Prof. Lohman, niet op overwegingen aan heden ten dage geldende beginselen of denkbeelden ontleend, maar op overwegingen aan de Schrift ontleend, had betoogd, dat Gen. 9 : 6 moet worden opgevat als stellende het vergeldingsbeginsel, meer niet, dan ware tegen zijne methode geene bedenking in te brengen. Maar terwijl van andere zijde op exegetische gronden betoogd is, dat Gen. 9 : 6 het beginsel uitspreekt, dat doodslag gevolgd moet worden door doodstraf, blijft Prof. Lohman daaromtrent in twijfel, niet op grond van een exegetisch onderzoek, maar op grond van de mogelijke consequentie te trekken ten aanzien van manslag zonder opzet om te dooden.

De Commissie meent, dat tegen deze methode van onderwijs aan de Vrije Universiteit bezwaar moet gemaakt worden.

Zij heeft alleen nog op te merken, dat aan het bovenstaande niets te kort wordt gedaan door de herinnering van Prof. Lohman (bl. 86 der brochure) aan het feit, dat hij, tijdens de behandeling van het strafwetboek, met opgave van gronden, vóór een amendement tot invoering der doodstraf gestemd heeft. Bij die gelegenheid toch heeft Prof. Lohman dezelfde methode gevolgd als thans, en hij had toen, voor zoover de Schrift tot grondslag der redeneering strekte, even goed tot eene ongunstige als tot eene gunstige conclusie kunnen komen. Thans komt de Hoogleeraar tot geene conclusie, en verklaart hij dan ook ten slotte, dat hij zoomin in „De Nederlander” als op zijne colleges een definitief oordeel over die quaestie heeft gemeend te mogen uitspreken.

Evenmin doet iets af het beroep van Prof. Lohman op art. 13 van het Anti-revolutionair Program, dat, gelijk hij op bl. 83 der brochure mededeelt, ter wille van Professor B.J. Lintelo baron de Geer van Jutfaas, door Dr. Kuyper zelven aldus is geredigeerd: „desnoods door de doodstraf, waartoe het recht in beginsel aan de Overheid toekomt”. Het staatkundig terrein behoort hier niet betreden te worden, en eene redactie, gekozen om op staatkundig gebied als accoord van gemeenschap te dienen met een op een enkel punt dissentieerend geestverwant, kan niet als maatstaf strekken voor de methode |19| van behandeling van een wetenschappelijk vraagstuk op den grondslag der Gereformeerde beginselen overeenkomstig art. 2 der Statuten.

Uit dit enkele voorbeeld op zich zelf is intusschen geene algemeene gevolgtrekking te maken, en daarom is het ook verklaarbaar, dat, hoewel de denkbeelden van Prof. Lohman te dezer zake reeds lang bekend waren, hij tot dusver in onzen kring deswege niet is bemoeilijkt. Ook de Commissie wenscht haar eindoordeel voor te behouden tot na het onderzoek van de volgende punten.

Ad IVum. Prof. Lohman’s opvatting van art. 2 der Statuten.

In de Memorie van Bezwaren wordt opgemerkt, dat blijkens de jaarverslagen der Vereeniging Prof. Lohman wel onderwijs heeft gegeven in het voor ons vaderland thans geldende Staatsrecht, waarbij tegelijkertijd zekere critiek op onze Staatsinstellingen is uitgeoefend; „Maar colleges in het Staatsrecht”, zeggen de voorstellers, „gelijk dit uit de Gereformeerde beginselen in algemeenen zin is op te bouwen werden door Prof. Lohman niet gegeven”. Zij noemen dit Staatsrecht het „Gereformeerde of Calvinistische Staatsrecht”, en verklaren zich niet te kunnen voorstellen, „hoe van daaruit critiek op het Staatsrecht van ons land kan worden uitgeoefend indien het Staatsrecht dat tot critiek in staat zal stellen, niet vooraf in samenhang is ingedacht en uiteengezet.”

Ten slotte gebruiken zij weder enkel de uitdrukking Gereformeerd Staatsrecht, en verklaren: „Het ontbreken van zoodanig onderwijs in het Staatsrecht, waarbij het Gereformeerd Staatsrecht als zoodanig en als stelsel in zijn samenhang wordt uiteengezet, doet na zoo tal van jaren naar het oordeel van ondergeteekenden de vraag rijzen of ten opzichte van het onderwijs in het Staatsrecht wel aan Art. 2 der Statuten voldaan is.”

Het hier aangevoerde is feitelijk juist, gelijk Prof. Lohman (bl. 77 der brochure) in zijne Memorie van Antwoord erkent. De Commissie moet echter, alvorens hierop in te gaan, de grief onderzoeken, welke Prof. Lohman (bl. 44-70 der brochure) ontwikkelt naar aanleiding van dit punt en naar aanleiding van de klacht der voorstellers in het 4de onderdeel over eene beschouwing in No. 513 van „De Nederlander”, die „hun voorkomt heel iets anders te zijn dan die van een Staatsrecht en Staathuishoudkunde, die geheel en uitsluitend rusten op den grondslag der Gereformeerde beginselen; heel iets anders dan wat onze Vrije Universiteit overeenkomstig art. 2 onzer Statuten, uit Gods Woord aan de verderfelijke pantheïstisch materialistische rechts-philosophie van onzen tijd heeft over te stellen”.

De grief van Prof. Lohman hieromtrent luidt: „dat in de aanklacht de Gereformeerde beginselen, waarvan art. 2 der Statuten gewaagt, voortdurend met „Calvinistisch Staatsrecht” vereenzelvigd worden, en dat afwijking van wat „men” Calvinistisch Staatsrecht gelieft te noemen, derhalve geacht wordt met afwijking van gemeld art. 2 gelijk te staan.” |20|

Deze grief dwingt tot een onderzoek naar de beteekenis van art. 2 der Statuten en de positie welke Prof. Lohman daaromtrent inneemt. Eerst daarna kan omtrent het onderwijs van Prof. Lohman en zijne opvatting van de rechtswetenschap eene conclusie worden getrokken.

Vooraf echter dient een woord gezegd te worden over een punt door Prof. Lohman (bl. 44 der brochure) in zijne Memorie van Antwoord ter sprake gebracht ter wegneming van misverstand; namelijk de reserves door Prof. Lohman gemaakt bij zijne aanstelling tot hoogleeraar, waaromtrent de Commissie volgens Prof. Lohman (bl. 45 der brochure) tot onderzoek verplicht is. Toch heeft de Commissie daaromtrent zeer weinig te rapporteeren.

De reserve van Prof. Lohman was ontleend aan een bezwaar tegen art. 36 der Nederl. Geloofsbel., en is door hem (zie Bijl. III der brochure bl. 97) vóór de aanneming van het hem aangeboden professoraat bij schrijven van 19 Nov. 1883 aan Directeuren in deze termen medegedeeld: „Naar mijne opvatting van de Statuten der Vereeniging en de Instructie voor Hoogleeraren, is een Hoogleeraar in de rechtsgeleerdheid niet gebonden aan de belijdenisschriften der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, en kan dus zulk een Hoogleeraar, wanneer hij, op grond van Gods Woord, art. 36 der Geloofsbelijdenis bestrijdt, of meent zich niet te moeten aansluiten bij Kerken, wier Synode naar zijne overtuiging de H. Schrift ter zijde stellen, niet geacht worden in strijd te handelen of te leven met geest en letter der bedoelde Statuten en Instructie.”

Directeuren antwoordden het volgende (zie blz. 97 der brochure Bijl. III): „dat zij niet de bevoegdheid hebben, om officiëel uitlegging van eenig artikel der Statuten en Reglementen te geven, voor zoover die niet door hen zijn opgesteld. Voor het geval zij geroepen mochten worden om tot dergelijke uitlegging over te gaan, zouden zij dit toch niet kunnen doen bij wijze van algemeene verklaring, maar alleen in toepassing op een concreet vóór hen liggend geval. Zij kunnen dus niet anders dan U verklaren, dat bij de aanvaarding van het U aangeboden hoogleeraarsambt van U evenals van de overige H.H. Hoogleeraren gevraagd zal worden voldoening aan art. 1 en 2 Instructie voor de Hoogleeraren, en dat de beoordeeling of hieraan door U kan worden voldaan, niet door hen uit Uwe handen mag worden genomen.” Daarop aanvaardde Prof. Lohman de benoeming.

Toch heeft de geheele reserve thans feitelijk geen belang meer, dewijl hij in zijne Memorie, gelijk hij reeds in zijne rede over de Hoogste Vrijheid (1887), en later herhaaldelijk heeft uitgesproken, verklaart, dat zijne bezwaren tegen art. 36 der Belijdenis zijn vervallen, en dat hij wat daarin staat, thans van harte beaamt, en het voorbehoud omtrent weigering van aansluiting bij Kerken, wier Synode naar zijne overtuiging de H. Schrift ter zijde stellen eene praktische oplossing gevonden heeft door zijne medewerking tot de Reformatie der Kerken; terwijl |21| de reserve zelfs ook vervallen is, voor zoover zij gericht was tegen de verbindbaarheid der Belijdenisschriften in haar vollen omvang voor de Hoogleeraren in andere vakken dan de Godgeleerdheid, daar Prof. Lohman thans verklaart, sprekende van de Heilige Schrift, daaronder te verstaan die Schriften, welke de kerk, waartoe hij behoort, als Gods Woord, als Goddelijke waarheid, erkend heeft, en die bij zoo opvat als ook die Kerk haar in hare belijdenisschriften heeft opgevat en beleden.

Hierbij kan aangeteekend worden, dat de Statuten geen voorschrift behelzen omtrent de kerk, waartoe de Hoogleeraren behooren, maar voorts heeft de Commissie niets te doen, dan dankbaar te erkennen, dat Prof. Lohman op kerkelijk gebied sinds zijne benoeming nader is gekomen tot de Gereformeerde beginselen, en dat hij met groote beslistheid tot handhaving der belijdenis in de Kerk is opgetreden.

Waar art. 2 der Statuten spreekt van de „Gereformeerde beginselen” kan men intusschen niet blijven staan bij de belijdenis. Het artikel maakt tusschen „Gereformeerde beginselen” en de belijdenis onderscheid in dezen zin, dat het de belijdenisschriften als uitdrukking van de Gereformeerde beginselen voor de Godgeleerdheid erkent. Het artikel zegt: „De Vereeniging staat voor alle onderwijs, dat in hare scholen gegeven wordt, geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen, en erkent mitsdien als grondslag voor het onderwijs in de Godgeleerdheid de drie Formulieren van Eenigheid, gelijk die in den jare 1619 door de Nationale Synode van Dordrecht voor de Nederlandsche Gereformeerde Kerken zijn vastgesteld; een zoodanig gezag daaraan hechtende, als genoemde Synode, blijkens hare eigen handelwijze en hare acten, aan de belijdenisschriften der Nederlandsche Gereformeerde Kerken heeft toegekend.” De Gereformeerde beginselen zijn de grondslag voor alle onderwijs en daarom zijn de belijdenisschriften de grondslag voor het onderwijs in de Godgeleerdheid; aangenomen wordt dus, dat ten aanzien der Godgeleerdheid, de Gereformeerde beginselen zijn uitgedrukt in de drie Formulieren van Eenigheid. Maar ten aanzien der andere vakken van wetenschap wordt niet aangenomen, dat de Gereformeerde beginselen in deze belijdenisschriften genoegzaam in bizonderbeden zijn uitgedrukt.

Waar ten aanzien van die andere vakken de Gereformeerde beginselen nader zijn uitgedrukt, wordt niet gezegd, en de Commissie gelooft er gerustelijk bij te mogen voegen: het artikel veronderstelt, dat de volledige uitdrukking of formuleering nergens gereed ligt, maar alsnog moet worden opgespoord en geconstruëerd.

Ten aanzien der andere vakken dan de Godgeleerdheid zijn dus niet de Belijdenisschriften als zoodanig grondslag van het onderwijs, maar in overeenstemming met de Belijdenisschriften, moet voor ieder vak worden opgespoord en vastgesteld, hetgeen omtrent dat vak op grond van Gods Woord als de uitdrukking van de Gereformeerde beginselen is te beschouwen, en ten deele reeds in het historisch leven der Calvinistische |22| volken meer of minder bewust uit Gods Woord is afgeleid en toegepast. Is dit gevonden, dan heeft men daarmede voor dit vak ook den grondslag voor het onderwijs gevonden.

Het is dus zeer natuurlijk, dat men bij den aanvang van den arbeid aan de Vrije Universiteit daarmede niet gereed was; welke de Gereformeerde beginselen waren, die ten aanzien van ieder vak van wetenschap tot grondslag van het onderwijs moesten strekken kon à priori niet geformuleerd worden; üit de uitgangspunten moesten de lijnen nog getrokken worden.

Niet anders dan met vreugde kon dan ook de verklaring begroet worden, op 22 Maart 1895 door de gezamenlijke Hoogleeraren onderteekend, en luidende:

„De gezamenlijke Hoogleeraren der Vrije Universiteit ontwaard hebbende, dat in den kring harer vrienden onzekerheid is gerezen of wel alle onderwijs in hun scholen beantwoordt aan art. 2 der Statuten, hebben zich geroepen geacht deze hoogst ernstige aangelegenheid voor het aangezichte Gods onderling te bespreken en verhelen allerminst, dat de ernstige roeping, die in art. 2 ligt opgesloten eerst van lieverlede in hare volle beteekenis voor hen treedt en eerst hierdoor bij de onderscheidene vakken van onderwijs tot haar volle recht zal kunnen komen;

reden waarom zij ter wegneming van alle ongerustheid hiermede de verklaring afleggen:

1º dat zij elk voor zich en gezamenlijk hunne roeping erkennen om het door hen gegeven onderwijs geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen te doen rusten, en

2º dat de vraag hoe dit voor het onderwijs in het gemeen en voor de onderscheidene vakken afzonderlijk te verwezenlijken zij, onder inroeping van de hulpe Gods, van nu voortaan een onderwerp ook van hun gemeenschappelijk onderzoek zal uitmaken.”

De Commissie is van oordeel, dat hiermede de juiste weg was aangeduid om tot aanwijzing der Gereformeerde beginselen voor ieder vak, en de beoefening dier vakken in universitair verband te geraken, waarbij intusschen in het oog dient te worden gehouden, dat het gemeenschappelijk onderzoek der Hoogleeraren, waarvan in deze verklaring sprake is, niet aanstonds tot formuleering der Gereformeerde. beginselen voor ieder onderdeel zal leiden, maar aanvankelijk slechts de methode kan aangeven, waarlangs de hoogleeraren tot de vaststelling daarvan kunnen geraken.

Hieruit volgt, dat op dit oogenblik de vraag nog niet onderzocht kan worden, of eenig Hoogleeraar, in dit geval Prof. de Savornin Lohman, de Gereformeerde beginselen, die tot grondslag van zijn onderwijs moeten strekken, heeft opgespoord en gevonden, maar slechts kan worden nagegaan, of de Hoogleeraar bereid is de lijnen te volgen, waarlangs hij tot die vaststelling kan geraken. |23|

Gelijk eenerzijds door de Memorie van Antwoord van Prof. Lohman, anderzijds door de publicatie van den Senaat, is bekend geworden, heeft de Senaat eene reeks stellingen aangenomen, als eerste vrucht van het in de verklaring van 22 Maart 1895 bedoeld overleg, ter vaststelling van de methode, waardoor voor ieder vak de Gereformeerde beginselen moeten worden aangewezen, en heeft Prof. Lohman zich niet met de stellingen kunnen vereenigen.

Blijkens de notulen van de vergaderingen der Commissie van de Hoogleeraren uit den Senaat had dit de beteekenis van een non liquet; Prof. Lohman verklaarde zich niet genoegzaam ingelicht om de stellingen te kunnen beamen. In zijne Memorie van Antwoord wordt door hem echter tegen die stellingen uitdrukkelijk bezwaar gemaakt, en dit bezwaar heeft de Commissie te onderzoeken.

In het voorbijgaan zij aangeteekend, dat de eind-redactie van die stellingen in de Memorie van Antwoord van Prof. Lohman niet wordt gevouden, maar in de publicatie van den Senaat. Het verschil tusschen het in de Memorie van Antwoord afgedrukte ontwerp en de eindredactie is echter niet van overwegend gewicht.

De grief van Prof. Lohman is in de eerste plaats gericht tegen datgene, waarmede de eerste stelling aanvangt.

„Onder Gereformeerde beginselen is in art. 2 der Statuten te verstaan: de beginselen van het Calvinisme.”

Deze stelling schijnt, blijkens de toelichting, die er onmiddellijk op volgt, van historischen aard; immers, zoo luidt het verder:

„Al wordt toch niet ontkend, dat de naam van „Gereformeerd” ook wel gebezigd is ter aanduiding van het Zwinglianisme, en op Duitschen bodem eene ten deele Melanchtoniaansche strooming dekte, ja, zelfs hier te lande met zekere voorliefde door de Arminianen werd aangegrepen, historisch staat niettemin vast, dat het Calvinisme op Gereformeerd terrein de meest principiëele uiting van het Gereformeerde leven vertoont, zoodat dit hieruit, en niet uit zijn zwakkere en minder zuivere formatiën moet gekend werden.”

Toch is het niet aan die historische zijde der zaak, dat Prof. Lohman zijn bezwaar ontleent.

Zijn bezwaar is hiertegen gericht, dat, naar zijne meening, een bindend gezag wordt toegekend aan hetgeen de Calvinisten geleerd hebben. Zoo zegt hij (bl. 51 der brochure): „Maar nimmer mag datgene waartoe de faculteit of de universiteit komt, of wat door Gereformeerden of Calvinisten voor Gereformeerd wordt gehouden, geacht worden voor eenigen hoogleeraar bindende kracht of gezag te hebben. Wel bindt art. 2 der Statuten alle onderwijs aan de Gereformeerde beginselen, maar dat artikel zegt niet wat onder die beginselen te verstaan zij, en kan dat ook niet zeggen, omdat het zelf berust op het geloof der Gereformeerde Kerken, en dus aan de historische traditie der Gereformeerden als zoodanig geen bindende |24| kracht hoegenaamd kan toekennen. Het verhindert b.v. den hoogleeraar niet in het minst iets te leeren, dat in strijd is met wat Calvijn zelf in zijne Institutio leert.”

Zoo op bl. 60: „Men kent aan Calvijn en aan het Calvinistisch volk een gezag toe, dat wij er niet aan mogen toekennen, omdat wel de Kerk, het welgeorganiseerde Lichaam Christi, eene belijdenis, op voorstel van haar beste, vroomste, innigst-geloovige, bekwaamste voorgangers, na rijp en wettig beraad, vastgesteld en door de gemeente aangenomen, hebben kan, maar nimmer eene ongeorganiseerde massa geloovigen, „het volk” genoemd.”

„Geheel dit streven om het „Calvinistisch Staatsrecht” met de kerkelijke belijdenis op ééne lijn te plaatsen loopt op volksvergoding en volks-souvereiniteit uit. Het komt er, in deze richting, maar op aan, zich goed in te dringen in alle gedachten (ook in de vooroordeelen), in de toestanden van het volk, dat zich gaarne, als Gods volk, met den naam van Calvinistisch getooid ziet; dit alles te brengen onder zeker algemeen gezichtspunt of „beginsel”, en dan te beweren, dat juist dát rechtstreeks uit de Schrift voortvloeit, terwijl, wie het niet toegeeft, reeds hierdoor blijkt op den naam van goed Calvinist of echt Gereformeerd geen aanspraak te hebben, ja, gelijk wij in dit bezwaarschrift (van de 35 voorstellers) lezen kunnen, de eere Gods te na te komen. Aan dat alles wordt alsdan de naam gegeven van Gereformeerde wetenschap.”

Zoo op blz. 65 het beroep van Prof. Lohman op de waarschuwing van Prof. Kuyper in „De Heraut” van 4 Juli 1880 „tegen het Gereformeerd zijn „in Byzantijnschen zin”, nl.„indien men toegeeft aan de ziekelijke neiging, om tot in de kleinste détails toe te onderzoeken wat enkele toongevende Gereformeerde schrijvers weleer te boek stelden, of ook wat de kerken in voorkomende gevallen deden, ten einde dit alles nu voorts haarfijn in het eigen leven na te bootsen en in de belijdenis na te praten”.

Voor zoover Prof. Lohman door dit alles ook zijnerzijds waarschuwt tegen eene ongeoorloofde onderwerping aan hetgeen door Calvijn en Calvinisten geleerd is, tegen een napraten „in Byzantijnschen zin”, heeft de Commissie daartegen geene bedenking.

Maar indien men moet aannemen, gelijk Prof. Lohman op meer dan ééne plaats met nadruk leert, en gelijk ook in de Gereformeerde Belijdenis erkend wordt, dat God zich ook in de historie openbaart; indien men moet aannemen, dat God door Zijn Heiligen Geest ook nog onder Zijne geloovigen zich bizondere instrumenten bereidt tot naspeuring van Zijn wil en uitvoering van Zijn werk, en het werk van den Heiligen Geest ook heerlijk openbaar is geworden in de reformatie, ook, en zelfs in beginsel het zuiverst, in de Gereformeerde of Calvinistische kringen, dan is het toch zeker geen verzaken van Gods Woord als hoogste autoriteit, maar veeleer een zich des te beter |25| wapenen voor den strijd in het actieve leven, wanneer, met Gods Woord als richtsnoer, nauwkeurig onderzocht wordt, welke beginselen in den loop der historie juist in de Gereformeerde of Calvinistische kringen zijn tot uiting gekomen.

Het valt bezwaarlijk in te zien, hoe hij, die verplicht is de Gereformeerde beginselen op te sporen, omdat zij tot grondslag voor zijn onderwijs moeten strekken, zich aan dat onderzoek kan onttrekken.

Dat daarbij telkens moet nagegaan worden of de beginselen, die men vindt, wel waarlijk op Gods Woord berusten, spreekt vanzelf, maar dit wordt ook in de stellingen erkend en juist daarom is het duister, hoe Prof. Lohman aan zijn beroep op de Heilige Schrift als hoogste gezag, een bezwaar tegen de stellingen van den Senaat waarin dit onderzoek als eisch wordt gesteld, kan ontleenen.

Prof. Lohman verzet zich echter met kracht tegen elke nadere omschrijving van de Gereformeerde beginselen, bedoeld in artikel 2 der Statuten. Wel verklaart hij soms, dat het onderwijs ook inde andere vakken dan de Godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit door artikel 2 gebonden is aan de Schrift, gelijk de Gereformeerde Kerk die in hare Belijdenisschriften heeft opgevat (bl. 46-49, 52, 67 der brochure). Hij acht het standpunt der Dortsche Synode het juiste, het eenig houdbare standpunt, en wil van de Hoogleeraren in de andere faculteiten dan de theologische niets anders gevorderd hebben dan dat zij naar kerkelijke opvatting zullen zijn Gereformeerd in handel en wandel (bl. 69). Maar anderzijds verstaat hij onder de Gereformeerde beginselen in art. 2 niets anders dan de Schrift; hij verklaart het woord Gereformeerd alleen in idealen zin en verwerpt de technische, historische beteekenis (bl. 62-66). Niemand kan volgens Prof. Lohman zeggen wat Gereformeerd is dan eene Gereformeerde Synode (bl. 47). Art. 2 der Statuten bindt, naar Prof. Lohman’s opvatting, wel aan de Gereformeerde beginselen, maar zegt niet, wat daaronder te verstaan zij, en kan dat ook niet zeggen, dewijl de Gereformeerde aan geene traditie gezag kan toekennen (bl. 51).

Daarmede staat nu in verband Prof. Lohman’s weigering om te erkennen, dat die Gereformeerde beginselen in hun systematischen samenhang moeten worden nagespeurd en geformuleerd.

Wel schijnt een plaats in de Memorie van Antwoord te leiden tot het besluit, dat Prof. Lohman wel tot systematische formuleering der Gereformeerde beginselen wil geraken. Wij lezen op blz. 51 der brochure:

„Daar de resultaten, waartoe een beoefenaar van het recht meent te moeten komen, voor een groot deel afhangen van zijn kennis van wetten, geschiedenis en maatschappelijke toestanden, en ook de geloovigen noch allen hetzelfde zien of onderzocht hebben, noch alles geheel op dezelfde wijze zien, zoo zal veeltijds ook onder hen verschil van gevoelen bestaan, dat alleen door steeds betere waarneming der feiten en nauwkeuriger toetsing aan den ons geopenbaarden wil |26| Gods kan worden weggenomen. Op den duur zal die eenstemmigheid niet kunnen uitblijven en wanneer deze is verkrege n door het onderwijs aan eene Gereformeerde hoogeschool zal men, in onderscheiding van opvattingen die ook op de Schrift berusten, maar afkomstig zijn van hen, die niet tot de Gereformeerde kerken behooren, met recht van de beginselen van dat onderwijs als van Gereformeerde beginselen, ook op rechtskundig gebied kunnen spreken; wellicht ook van Calvinistisch Staatsrecht, daar in een land, waarop de geestesrichting van Calvijn zoo grooten invloed heeft uitgeoefend als ten onzent, de jurist, die met de geschiedenis en de levende maatschappij rekent, vanzelf in een Calvinistische strooming blijft.”

Intusschen blijkt uit deze zelfde plaats, dat Prof. Lohman eene dualistische opvatting heeft van de Gereformeerde beginselen, welke de Commissie niet kan beamen, en eene methode om tot de kennis daarvan te geraken, waartegen de Commissie bezwaar moet maken, en die naar hare overtuiging niet tot het doel kan leiden.

Zijne opvatting van de methode, waarlangs men tot kennis van de Gereformeerde beginselen geraken moet, komt hierop neder. De Gereformeerde beginselen zullen gevonden zijn, wanneer door onderzoekingen aan eene Gereformeerde hoogeschool, door beoefenaren van wetenschap, „die tot de Gereformeerde kerken behooren”, de feiten steeds beter zijn waargenomen, en nauwkeuriger zijn getoetst aan den ons geopenbaarden wil Gods.

Hierin ligt, zoo de Commissie wel ziet, drieërlei. De Gereformeerde beginselen worden volgens Prof. Lohman gevormd door de juiste waarneming der feiten, en door de nauwkeurige toetsing van de feiten aan den wil van God, geopenbaard in de natuur en in Zijn Woord; terwijl in de derde plaats die waarneming en toetsing moet geschieden in gebondenheid aan de Gereformeerde Belijdenis.

De Commissie kan echter niet toegeven, dat de Gereformeerde beginselen worden gevormd, eenerzijds door de juiste waarneming der feiten, anderzijds door de nauwkeurige toetsing der feiten aan derl geopenbaarden wil van God.

In deze beschouwing ligt het dualisme, waardoor het helder inzicht verduisterd wordt. Dit dualisme ligt reeds in het tweede element, op zich zelf beschouwd: de toetsing aan den ons geopenbaarden wil Gods, naar de opvatting, die Prof. Lohman daaromtrent huldigt. Gelijk blijkt zoowel uit de zooeven aangehaalde plaats als uit eene andere plaats der Memorie van Antwoord (blz. 48 der brochure), wil Prof. Lohman „de ordinantiën Gods” leeren kennen „uit de natuur der dingen en uit de Schriftuur”. De feiten moeten dus volgens hem worden waargenomen en getoetst, wederom aan de feiten, en aan de Schriftuur. Wanneer hier nu sprake was van het onderwijs in zijn geheel, zou het betrekkelijk recht van deze beschouwing kunnen worden erkend; het onderwijs toch is niet volkomen zonder feitenkennis; |27| bij het waarnemen der feiten dient ook toetsing der feiten aan elkander plaats te hebben, maar dit heeft met de Gereformeerde beginselen, in onderscheiding van andere beginselen, niets te maken. De wetenschap is, gelijk ook Prof. Lohman elders leert, de kennis der feiten in hun onderling verband; maar tusschen de wetenschap en het beginsel der wetenschap dient onderscheid gemaakt te worden, en de Gereformeerde beginselen zijn het juist, die voor het onderling verband der feiten voor de studie aan onze Universiteit den sleutel moeten geven.

Wil men deze beginselen van uit de feiten afleiden, zoo loopt men bij het begin reeds de beginselen voorbij; men verzuimt de beginselen te stellen, doordien men zich van de Gereformeerde beginselen geene heldere voorstelling heeft gemaakt.

De Gereformeerde beginselen ten aanzien van eenig vak van wetenschap kunnen niet anders zijn dan het samenstel van hetgeen ten aanzien van dat vak uit Gods Woord voortvloeit, en dienen dus gekend te worden uit Gods Woord zelf, en uit hetgeen onder de leiding des Heiligen Geestes reeds daaromtrent zoowel in geschriften als in daden, die op Gods Woord gegrond zijn, met name in de kringen van het Calvinisme openbaar geworden is.

Zoo wordt dus voor de kennis der Gereformeerde beginselen ook eene studie van feiten vereischt, maar het is eene geheel andere, dan die welke Prof. Lohman vooropstelt; het is juist die, welke Prof. Lohman weigert als grondslag voor de beoefening der wetenschap te aanvaarden, de studie namelijk van het Gereformeerde (historisch met het woord „Calvinistisch” aangeduid) leven, in geschriften en daden openbaar geworden, en beschouwd ondergeschikt aan de beginselen welke op grond van Gods Woord daarin openbaar moesten worden.

Dat daarvoor niet in de plaats kan komen, waar het de opsporing der beginselen geldt, de studie „der geschiedenis en der levende maatschappij”, in een land, „waarop de geestesrichting van Calvijn zoo grooten invloed heeft uitgeoefend als ten onzent”, zal wel nauwelijks betoogd behoeven te worden. Dat men daardoor „vanzelf” in eene Calvinistische strooming blijft, kan moeielijk worden toegegeven. Slechts dit is duidelijk, dat, waar à priori niet onderscheiden wordt tusschen hetgeen volgt uit het Woord Gods en hetgeen onder de leiding des Heiligen Geestes daaruit is afgeleid, eenerzijds, en de feiten, waarop dit toegepast moet worden, anderzijds, alle helderheid omtrent de beginselen is uitgesloten.

Dat Prof. Lohman inderdaad niet tot eene heldere voorstelling der Gereformeerde beginselen komt, ja zelfs veeleer tot het ter zijde stellen van die beginselen, blijkt nog duidelijker uit zijn schrijven van 4 Februari 1896 aan de Commissie van Enquête.

De Commissie had in haar schrijven van 13 Januari 1896 gewezen |28| op „het in art. 2 der Statuten onderscheidenlijk vermelden van de Gereformeerde beginselen, die gelden voor geheel het onderwijs, en mitsdien ook voor elk onderdeel daarvan, en van de Formulieren van Eenigheid, waarin in bizonderheden en gedetailleerd is geformuleerd hetgeen uit die beginselen voor het theologisch onderwijs voortvloeit”, en daarop laten volgen: „Die onderscheiding wettigt naar ons dunkt, de gevolgtrekking, dat de Gereformeerde beginselen, die het geheele onderwijs dragen, nog meer inhouden dan hetgeen in die drie Formulieren is uitgewerkt; en dat om de gevolgtrekkingen voor het niet-theologisch onderwijs na te speuren, ook het oog moet gevestigd worden op het tijdperk der historie, waarin het Calvinisme begonnen is om die beginselen te realiseeren, natuurlijk niet zonder tevens deze toepassing te toetsen aan Gods Woord.”

Prof. Lohman antwoordt daarop in zijn brief van 4 Februari 1896: „Artikel 2 geeft den grondslag aan, waarop alle onderwijs in de scholen der Vereeniging gegeven berusten moet. De Vereeniging staat geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen, en erkent mitsdien als grondslag voor het onderwijs in de Godgeleerdheid de Formulieren”, enz.

„Een grondslag, een fundament is uit zijn aard iets vaststaands, iets onverwrikbaars. Indien ik zeide, dat Gods Woord zal zijn de grondslag van mijn onderwijs, „echter niet zonder het te toetsen aan” (de uitdrukking door U in uw schrijven gebezigd) iets anders, dan gevoelt een ieder dat niet Gods Woord, maar „iets anders” de grondslag is. Mijn onderwijs kan niet staan, niet steunen op beginselen, die elken dag door mij zelven, als in strijd met Gods Woord, zouden kunnen worden ter zijde gesteld.

Een „echt Gereformeerd” man (over die uitdrukking zie mijn antwoord blz. 54) kan en mag het artikel 2 niet anders verstaan dan in dezen zin, dat alle wetenschap uitgaat van de kennisse Gods, gelijk wij Hem kennen door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld, en nog klaarder en volkomenlijker door Zijn heilig en Goddelijk Woord.

Men had in artikel 2 der Statuten evengoed kunnen schrijven: alle onderwijs berust op Gods Woord. Doch door te gewagen van „gereformeerde beginselen” heeft men, „ter voorkoming van misverstand”, allen willen uitsluiten, die op de eene of andere wijze tornen aan de Schrift als grondslag van ons weten, of naast de Scheppinge Gods en Zijn Woord nog iets anders aan de wetenschap ten grondslag willen leggen.”

Zoo worden dus de „Gereformeerde beginselen”, in art. 2 der Statuten als grondslag van het onderwijs vermeld, als zoodanig ter zijde gesteld, en daarvoor in de plaats gesteld: „Gods Woord”, of eigenlijk „de Scheppinge Gods en Zijn Woord”.

Naar de uitlegging, die Prof. Lohman hier aan de uitdrukking „de |29| Gereformeerde beginselen” geeft, zouden zelfs voor de Godgeleerdheids de Formulieren van Eenigheid niet tot grondslag van het onderwijs, kunnen strekken, daar zij niet slechts uitsluiten het tornen aan de Schrift als grondslag van ons weten, maar door de Kerk zijn gestempeld als accoord van kerkelijke gemeenschap ter afsnijding van het verstaan der Heilige Schrift naar het privaat en persoonlijk inzicht van dezen of genen. Toch noemt art. 2 die Formulieren uitdrukkelijk als grondslag voor het onderwijs in de Godgeleerdheid, en eischt daarmede de eerbiediging van het werk des Heiligen. Geestes in de uitwerking van de beginselen, die uit Gods Woord ten aanzien der wetenschap voortvloeien, eene eerbiediging, die, gelijk de ondervinding leert, de onderwerping aan Gods Woord geenszins uitsluit, maar veeleer des te beter waarborgt.

Waar Prof. Lohman Gods Woord als grondslag wil stellen in de plaats van Gereformeerde beginselen, brengt dit dan ook niet mede, dat het gezag van Gods Woord des te beter wordt gehandhaafd, maar heeft het juist omgekeerd ten gevolge, dat de beginselen, die uit Gods Woord ten aanzien der wetenschap voortvloeien, niet, eer men aan de beoefening der wetenschap zelve gaat, worden uitgewerkt, en zooveel mogelijk geordend.

Wanneer dit uitwerken en ordenen heeft plaats gehad, en aldus de Gereformeerde beginselen ten aanzien van zeker vak van wetenschap zijn gevonden, dan heeft men een systeem, dat tot grondslag van het onderwijs strekt. Uitwerking en ordening geven eene systematische beschouwing.

En hiertegen juist wordt door Prof. Lohman bezwaar gemaakt. Het zou te ver gaan, om te beweren, dat Prof. Lohman, hoezeer hij de, in bovenaangeduiden zin omschreven, Gereformeerde beginselen als grondslag van het onderwijs verwerpt, ontkent, dat er beginselen bestaan, die uit Gods Woord volgen. Integendeel, hij erkent zulks, maar hij wil er geen systeem van maken.

Slechts enkele plaatsen, uit de Memorie van Antwoord, in afwachtingvan de nadere beschouwing hiervan bij het volgende onderdeel van het rapport, mogen dit reeds nu doen blijken. Zoo bl. 50 der brochure, „Er zijn dus zeer zeker absolute, te allen tijde en overal geldende beginselen en geboden in Gods Woord geschreven, en het valt voor den geloovige, die bij de Heilige Schrift leeft, niet moeilijk die te vinden, zelfs al wordt daarvan niet vooraf een systeem gemaakt, waarvan ik de mogelijkheid natuurlijk niet ontken”, en op bl. 59: „Men bouwt een systeem op dat men uit de H. Schrift meent te kunnen afleiden, om daarnaar, naar dat systeem n.l., de wereld te reformeeren, in plaats van uit al het bestaande den wil Gods en Zijne wetten te bespieden, en, vrij van vooraf op menschelijke scherpzinnigheid gebouwde leerstellingen, na te gaan, hoe dat bestaande, door de menschelijke zonde gedeformeerd, telkens naar den Woorde |30| Gods moet gereformeerd worden,” en, onmiddellijk daarop volgende op bl. 59 en 60: „Men wantrouwt de Heilige Schrift, alsof iedereen daaruit kan „halen” wat hij wil, niet inziende, dat, wie met de H. Schrift werkelijk in strijd komt, daaraan òf te veel òf te weinig heeft; òf op den duur de Schrift afbreekt òf er eene traditie aan toevoegt.”

Art. 2 van de Statuten, door te spreken van „de Gereformeerde beginselen” eischt echter naar de meening der Commissie, gelijk boven is betoogd, wel degelijk dat men systematisch te werk ga.

Slechts worde dit bedacht, en dit deel waarheid erkent de Commissie in de beschouwingen van Prof. Lohman, dat men het er niet te spoedig voor houde, gereed te zijn met zijn systeem. Tot zekere lengte en breedte en diepte heeft men het fundament gelegd, en men moet gaan bouwen; men vergete niet, dat voortdurend verder onderzoek vereischt wordt of het fundament wel volledig is. Maar dat men bij het onderzoek naar het fundament geenerlei gezag zou mogen toekennen aan hetgeen anderen reeds in onderworpenheid aan Gods Woord daaromtrent geleverd hebben, dat men daarmede blijk zou geven van een ongeoorloofd wantrouwen in de Heilige Schrift, alsof ieder daaruit kan „halen” wat hij wil, is moeilijk overeen te brengen met hetgeen Prof. Lohman zelf heeft geleerd in zijne Rede: Het Hoogste gezag (bl. 14 en 15): „Dát boek, dat wij de Heilige Schrift noemen, is een wonderlijk boek. Het is voor één volk en te gelijk voor alle volken der aarde geschreven. In alle landen en in alle tijden heeft het toegang tot de harten kunnen vinden. Het kan gemaklijk misbruikt worden, want ieder kan er uit halen wat hij goedvindt: „iedere ketter heeft zijn letter.” Maar neem het in zijn geheel; neem er voornamelijk datgene uit wat u niet bevalt, wat gij er liever niet in zoudt lezen, — en gij zult steeds bevinden dat dat Woord is eene „lamp voor uwen voet en een licht voor uw pad”, „levend en krachtig, scherpsnijdender dan eenig tweesnijdendzwaard; een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten.”

Op grond van al het hier ontwikkelde kan de Commissie tot geene andere conclusie komen, dan dat ten aanzien der Gereformeerde beginselen, waarvan art. 2 der Statuten gewaagt als grondslag van alle onderwijs, bij Prof. Lohman eene van den zin van het artikel afwijkende voorstelling bestaat, welke een beletsel moet opleveren om die beginselen, en mitsdien de toepassing van art. 2, bij zijn onderwijs tot hun recht te doen komen.

Ad Vum. Prof. Lohman’s methode van onderwijs, bepaaldelijk zijne opvatting van de studie der rechtswetenschap.

De resultaten van het onderzoek van het IVde punt maken het de Commissie mogelijk bij de bespreking van dit laatste punt aanmerkelijk korter te zijn.

In de eerste plaats is uit het bovenstaande reeds gebleken, dat de |31| Commissie ter beoordeeling der methode van onderwijs van Prof. Lohman haar onderzoek niet tot zijne dictaten had uit te strekken. De Commissie zou daaruit hebben moeten leeren, of naar den eisch van art. 2 der Statuten het onderwijs gegeven wordt op den grondslag der Gereformeerde beninselen. Het is overbodig dit nader te onderzoeken, nu de schrifturen van Prof. Lohman zelf doen zien, dat de Hoogleeraar onder de Gereformeerde beginselen in art. 2 der Statuten niet hetzelfde verstaat, wat, naar het oordeel der Commissie, volgens het artikel daaronder verstaan moet worden, en ook niet op de wijze, als dit naar het oordeel der Commissie door het artikel gevorderd wordt, de beginselen tot grondslag voor het onderwijs wil doen strekken.

Buitendien lag zoodanig onderzoek, ook om andere redenen, buiten den werkkring der Commissie. De taak der Commissie is, blijkens telkens terugkeerende passages in de Memorie van Toelichting op het voorstel van enquête, wel om te onderzoeken of het onderwijs van Prof. Lohman aan art. 2 der Statuten voldoet, maar, gelijk trouwens ook volgt uit art. 11 van het Huishoudelijk Reglement, steeds uit principiëel oogpunt. Het is dus om niets anders te doen dan om hetgeen Prof. Lohman omtrent het beginsel leert, en de taak der Commissie is niet om de bijzonderheden van het onderwijs na te gaan, en als het ware over de wijze van uitwerking eene censuur uit te oefenen. De Commissie acht zich daartoe zeer zeker onbevoegd.

Eindelijk was daartoe nog te minder aanleiding omdat uit hetgeen bij het IVde punt is uiteengezet volgt, dat het hier niet zoozeer de vraag geldt, of het onderwijs van Prof. Lohman tot hiertoe aan art. 2 der Statuten voldaan heeft, dan wel of er waarborg is, dat het op den duur er aan kan voldoen. Bij den aanvang van het werk lag de grondslag voor den hoogleeraar niet gereed; men kon dus geenszins eischen, dat hij er dadelijk op ging bouwen; slechts mocht gevraagd worden het volgen eener methode, waarlangs de grondslag, althans aanvankelijk, kon worden in gereedheid gebracht.

En op 22 Maart 1895 was, blijkens de verklaring van de gezamenlijke hoogleeraren, die methode ook nog niet gemeenschappelijk geformuleerd en had elk der Hoogleeraren nog naar eigen inzicht gewerkt naar de lijn, die bij zich zelven uit art. 2 der Statuten had moeten afbakenen. De eigenlijke vraag is alweder, of Prof. Lohman eene methode wenscht te volgen die tot het beoogde doel kan leiden, namelijk om voor het onderwijs in het algemeen en voor de onderscheidene vakken afzonderlijk, den eisch van art. 2 der Statuten te verwezenlijken, dat de Gereformeerde beginselen tot grondslag van het onderwijs strekken.

Al hadden nu de dictaten misschien ook eenig licht kunnen verschaffen, toch werd reeds uit de aan de Commissie ten dienste staande stukken genoegzaam licht daaromtrent ontstoken. |32|

De Commissie heeft thans nog hare aandacht te wijden aan Prof Lohman’s opvatting van de rechtswetenschap.

In zijn brief van 4 Februari 1896 verwijst Prof. Lohman zelf daaromtrent naar zijne Memorie van Antwoord blz. 48-51 en 52-54 der brochure. Reeds is boven het een en ander daaruit medegedeeld. Eene nadere beschouwing zal dit slechts bevestigen en uitwerken.

Prof. Lohman erkent, gelijk boven is medegedeeld, dat er absolute en onveranderlijke beginselen en geboden zijn in Gods Woord geschreven, en dat aan eene Gereformeerde universiteit van een hoogleeraar geëischt kan worden, dat hij die beginselen aanvaardt en leert.

Wel wordt dit laatste door Prof. Lohman slechts afgeleid uit de bindende kracht van de belijdenis der Kerk, maar zijne verklaring houdt toch tevens eene uitdrukkelijke erkenning van verschillende beginselen in (blz. 52 der brochure). „Slechts wanneer de hoogleeraar tot resultaten komt, die strijden met de belijdenis der Kerk: b.v., als hij, zelfs met beroep op teksten aan de Schrift ontleend, leeraarde, dat eene goede regeling van de verhouding tusschen Overheid en Volk de instelling eischt van eene kerkelijke hiërarchie; dat de feiten, die in de Schrift vermeld worden, geheel of gedeeltelijk legenden zijn en op dien grond voor ons geen waarde hebben; dat de H. Schrift niet volkomen en in allen deele betrouwbaar is;, dat de bestemming van Volk en Overheid beide niet is God te verheerlijken; dat het volk, ook het Gereformeerde volk, niet van nature is zondig, revolutionair-gezind, steeds geneigd eigen wil en begeerte te houden voor den wille Gods; dat niet de Overheid, maar het volk regeert of dat het volk geen gehoorzaamheid aan een onrechtvaardige overheid verschuldigd is; dat de menschen niets anders zijn dan werkkrachten waarvan de medemensch naar welgevallen mag gebruik maken, en wat dies meer zij — slechts dan zou met recht zulk een hoogleeraar kunnen worden toegevoegd: gij behoort niet in den kring van eene Christelijke, althans van eene Gereformeerde universiteit. Want de H. Schrift, opgevat zooals de Gereformeerde kerken dit doen blijkens hare officiëele belijdenisschriften, verwerpen uwe leeringen.”

En op blz. 50: „Het recht om de gerechtigheid te handhaven, ook door het toevoegen van leed aan den boosdoener, berust op de duidelijke uitspraken der Schrift”, en iets lager: „Het: „Gij zult niet begeeren iets dat uws naasten is”; „in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten”; „een arbeider is zijn loon waard,” dat zijn beginselen ontleend aan de Schrift, beginselen, die ook alle economische verhoudingen moeten beheerschen.”

Doch, niettegenstaande deze erkenning van absolute beginselen, niettegenstaande zelfs de uitspraak op blz. 49 der brochure: „Het recht is in zijn wezen natuurlijk even onveranderlijk als God zelf,” |33| komt ook hier Prof. Lohman het reeds boven vermelde dualisme niet te boven.

Het is dit dualisme, waarvoor Prof. Lohman uitdrukkelijk strijd voert. Zijn eisch is, dat de feiten zullen medetellen bij de vaststelling der rechtsbeginselen. Hij beroept er zich op (blz.. 54 der brochure), dat hij reeds in zijn werk „Gezag en Vrijheid” tegen de terzijdestelling van de feiten, waar het geldt de vaststelling der rechtsbeginselen, is opgekomen. Hij acht (blz. 53) „dat, wie het recht bouwen wil op zekere „beginselen”, zelfs al acht men die aan de Schrift te zijn ontleend, zonder ook in de schepping zelve en in de historie de wetten op te sporen, die de Heere God aan Zijne schepping ten grondslag heeft gelegd, en daarmede rekening te houden, een ijdel werk verricht.”

Hij geeft eene omschrijving van het recht, waarbij de rechtsbeginselen, aan Gods Woord ontleend, te loor gaan, bl. 48: „het zeer omvangrijke en zeer gecompliceerde samenstel van verschijnselen dat wij recht noemen is een historisch verschijnsel; taak van den rechtsgeleerde is de wetten op te sporen langs welke die ontwikkeling heeft plaats gehad.” En wel volgen daarop dan weder verklaringen als deze: „Maar hij behoeft en behoort daarbij niet te blijven staan. Hij moet tevens nagaan in hoever die wetten, waarop ook de menschen meer of minder bewust invloed hebben uitgeoefend, in overeenstemming zijn met de ordinantiën Gods die wij kennen uit de natuur der dingen en uit de Schriftuur. Hij, die in „handel en wandel” Gereformeerd, dus Christen is, zal de verschijnselen, die hij waarneemt vaak in een ander licht zien dan de ongeloovige; de weg ter verbetering of ontwikkeling van het recht in te slaan zal hem duidelijker zijn dan dengene, wiens oogen voor de Waarheid des Evangelies gesloten zijn. Zijn rechts-systeem zal dus vanzelf anders worden, dan dat van niet-Christenen, en de grond waarop hij zijn systeem baseert, n.l. de wil des Heeren zooals deze zich openbaart in de Heilige Schriften en in Zijne Gemeente, zal een gansch andere zijn dan die, welken de Hoogleeraar, die buiten de Openbaring staat meent te kunnen leggen”, maar daarmede komt de Hoogleeraar dan toch niet verder dan tot het reeds vroeger aangeduide dualisme, waarbij de aan de toepassing voorafgaande uitwerking der uit Gods Woord afgeleide rechtsbeginselen kwalijk tot zijn recht kan komen. Altijd haast zich Prof. Lohman om beginselen en toepassing onafscheidelijk van elkaar te bespreken, ja aan de toepassing wordt in den regel de eerste plaats gegund. Zoo in de plaats op bl. 49 volgende op de verklaring, dat het recht in zijn wezen even onveranderlijk is als God zelf, en luidende: „Maar de tijden en omstandigheden wijzigen zich voortdurend. En daar nu het menschelijk recht, datgene waarmede de rechtsgeleerde in aanraking komt, de toepassing is van het recht Gods, dat wij uit de Schriftuur kennen, op die steeds wisselende |34| en zich ontwikkelende toestanden, zoo is dat recht ook voortdurend aan verandering onderhevig.”

Moest deze plaats worden opgevat in dezen zin alsof alle menschelijk recht, ook het meest verkeerde en revolutionaire, de toepassing is van het recht Gods, dan zou daarmede natuurlijk het recht Gods ondergeschikt zijn gemaakt aan den wil der menschen. Dit kan echter blijkens de voorbeelden van rechtsbeginselen aan Gods Woord ontleend, daarop volgende, niet de bedoeling zijn. Prof. Lohman is hier meer uitgegaan van de stilzwijgende, doch, dit zij in het voorbijgaan opgemerkt, geenszins gerechtvaardigde hypothese, dat hij te doen had met een menschelijk recht, werkelijk in gehoorzaamheid aan God de toepassing van het recht Gods behelzende. En dan geeft de Commissie gaarne toe, dat inderdaad de door menschen geformuleerde wetsbepalingen wegens voortdurende wisseling van toestanden aan wijziging onderhevig zijn. Alleen maar, dit doet niets ter zake. Het is hier niet om dat recht, maar om de beginselen, die ten grondslag van het recht strekken, te doen.

Wat omtrent Prof. Lohman’s methode van onderwijs valt mede te deelen is na al het voorafgaande zeer eenvoudig.

Prof. Lohman heeft blijkens de jaarverslagen, wat het Staatsrecht aangaat, geen ander onderwijs gegeven, dan in „de beginselen van ons Staatsrecht zooals die zijn nedergelegd in de Grondwet en andere organieke wetten en deze steeds getoetst aan de beginselen van het Antirevolutionair Staatsrecht”. In het tweede onderdeel der Memorie van Bezwaren wordt naar aanleiding daarvan geklaagd: „colleges in het Staatsrecht, gelijk dit uit de Gereformeerde beginselen in algemeenen zin is op te bouwen werden door Prof. Lohman niet gegeven. Dit Calvinistische Staatsrecht is voor de juridische studenten onzer Vrije Universiteit als systeem niet in boeken te vinden. Het is in vroeger eeuw wel praktisch beleefd, maar nooit als stelsel uiteengezet. Dit voor het eerst te doen is blijkens art. 2 der Statuten juist een deel der taak van onze Vereeniging. En tot dusverre ontvingen onze studenten in de rechten hierin nog geen onderwijs. Aan deze opmerking zij nog een tweede toegevoegd. Dat ondergeteekenden zich niet wel kunnen voorstellen, hoe critiek van uit het Gereformeerde of Calvinistische Staatsrecht op het Staatsrecht van ons land kan worden uitgeoefend, indien het Staatsrecht, dat tot critiek in staat zal stellen, niet vooraf in samenhang ingedacht en uiteengezet is.”

Prof. Lohman antwoordt daarop met eene besliste weigering om eenige verandering in zijne methode te brengen. Bl. 48 der brochure: „De rechtsgeleerde, om mij bij mijn eigen vak te bepalen, zal moeten beginnen met uit de positieve wetgeving, de geschiedenis van het recht en de maatschappelijke verschijnselen te bestudeeren, wat op een gegeven tijd en plaats het recht is, en welke regelen op rechtsgebied gelden.” |35|

Daarna volgt dan „het nagaan in hoever die wetten, waarop ook de menschen meer of minder bewust invloed hebben uitgeoefend, in overeenstemming zijn met de ordinantiën Gods, die wij kennen uit de natuur der dingen en uit de Schriftuur”. Het is de methode van onderwijs, die volkomen zich aansluit aan des Hoogleeraars opvatting van de Gereformeerde beginselen in het algemeen en van de rechtswetenschap in het bizonder.

Op bl. 77 wordt het bezwaar van de voorstellers der enquête nog veel beslister, ja met groote scherpte, teruggewezen. „Welk vak hiermede bedoeld wordt is mij niet duidelijk; misschien een philosophie van het recht of wel ons vroeger Staatsrecht; in elk geval een „practisch beleefd” Staatsrecht?” En lager: „Nu voegen de heeren aanklagers daaraan nog toe, dat zij zich niet kunnen voorstellen, hoe kritiek van uit het Gereformeerde of Calvinistische Staatsrecht op het Staatsrecht van ons land kan worden uitgeoefend, indien het Staatsrecht, dat tot kritiek in staat zal stellen, niet vooraf in samenhang ingedacht en uiteengezet is. Ik kan daarop alleen dit antwoorden, dat er wel meer dingen zullen zijn, die zij zich niet kunnen voorstellen, maar dat ik alleen gebonden ben aan mijne aanstelling in verband met de Statuten, en niet aan hun voorstellingsvermogen. Indien de Heeren mijn colleges hadden willen bezoeken, zouden zij zich wellicht iets kunnen voorstellen, waarvan zij nu blijkbaar geen begrip hebben.”

De Commissie wil aan de hier gevolgde wijze van uitdrukking Prof. Lohman liefst niet houden; zij haalt deze plaats slechts aan omdat er uit blijkt, hoe beslist Prof. Loliman zijne methode van onderwijs heeft gehandhaafd.

Ook in zijn schrijven van 4 Februari 1896 aan de Commissie heeft de Hoogleeraar daarin volhard met deze woorden: „Om evenwel ook hier alle dubbelzinnigheid te vermijden, wil ik wel verklaren, dat, indien art. 2 der Statuten mij verplichtte, eerst na te gaan de opvatting van de ordinantiën Gods, gelijk deze theoretisch en praktisch zich in den Gereformeerden kring heeft ontwikkeld; dan de waarheid dier opvatting te toetsen aan de Schrift, en voor zoover deze opvatting waarheid blijkt (met „blijkt” zal wel bedoeld worden „toeschijnt aan den individuëelen onderzoeker”) — „van daaruit kritiek uit te oefenen op het bestaande recht en de toekomstige ontwikkeling er van in die richting te leiden”, ik volstrekt niet zou weten hoe ik mijn colleges over Nederlandsch staats- en strafrecht zou moeten inrichten. Moest ik de beginselen doceeren van het Gereformeerd kerkrecht, dan ware deze methode van arbeiden de vanzelf aangewezene; maar hoe men langs dien weg ooit kan komen tot de kennis en de kritiek van het recht dat leeft in de Nederlandsche maatschappij, is mij volkomen duister.”

Hier is inderdaad alle dubbelzinnigheid vermeden. Tot op deze |36| verklaring was er nog somtijds eene dubbelzinnigheid in de gedachtenwisseling, waartoe de bewoordingen van de Memorie van Bezwaren wellicht mede aanleiding hadden gegeven, en waarop de Commissie tot bevordering der volledigheid nog even meent de aandacht te moeten vestigen.

Een van de bezwaren door Prof. Lohman aangevoerd tegen het uitwerken en ordenen der Gereformeerde beginselen is dit, dat men geen algemeen en voor alle tijden geldend rechts-systeem kan vaststellen. Dit wordt vooral aangedrongen op blz. 50 der brochure: „Er zijn dus zeer zeker absolute, te allen tijde en overal geldende beginselen en geboden in Gods Woord geschreven, en het valt voor den geloovige die bij de Heilige Schrift leeft niet moeilijk die te vinden, zelfs al wordt daarvan niet vooraf een systeem gemaakt, waarvan ik de mogelijkheid natuurlijk niet ontken. Maar de rechtsgeleerde, die het recht voor zijn tijd en zijn land zoekt te ontleden, vast te stellen en te ontwikkelen, kan onmogelijk dat recht afleiden uit de Schrift, of beproeven door middel van logische deductiën en combinatiën een algemeen en voor alle tijden geldend rechts-systeem vast te stellen, ten einde dan daaraan de meerdere of mindere voortreffelijkheid van het bestaande te toetsen. Nooit zal hij, wil hij niet in onbeduidende algemeenheden of in de bekende „Utopia’s” vervallen, die uitspraken van Gods Woord kunnen scheiden van zijne opvatting van de maatschappelijke toestanden waarin hij leeft, en waarvoor hij arbeidt. Het is wel gemakkelijk het tegendeel te beweren, maar laat men, alvorens het aan anderen op te leggen, het zelf maar eens beproeven. Een voor alle tijden en plaatsen pasklaar gemaakt rechts-systeem is met de leidingen Gods niet bestaanbaar.”

Hierbij valt op te merken, dat Prof. Lohman in deze plaats de mogelijkheid niet ontkent om in systeem te formuleren de beginselen en geboden in Gods Woord geschreven, al ontbreekt de bereidverklaring om daartoe mede te werken, maar wel om het recht voor zijn tijd en zijn land af te leiden uit de Schrift, of een algemeen en voor alle tijden en plaatsen pasklaar gemaakt rechts-systeem door logische deductiën en combinatiën vast te stellen.

Op de beoordeeling van deze ontkentenis is van grooten invloed de onderscheiding tusschen de beginselen der rechtswetenschap en de rechtswetenschap zelve; men kan natuurlijk het recht voor zijn tijd en zijn land niet uit de Schrift afleiden, zonder rekening te houden met de geschiedenis en met rechtstoestanden waarvan de Schrift eerbiediging eischt. Wanneer dit echter in acht genomen wordt, dan komt de zaak anders te staan. Men moet dan erkennen, dat uit de Schrift zijn af te leiden de rechtsbeginselen, die tot grondslag van het recht ook voor zekeren tijd en zeker land moeten strekken, en dat ook de toepassing dier beginselen op de omstandigheden van tijd en |37| plaats niet aan het vrij goeddunken der menschen is overgelaten, maar wederom geschieden moet in overeenstemming met hetgeen Gods Woord daaromtrent leert. Met het oog hierop kan dus de juistheid der uitspraak, dat men het recht voor zijn tijd en land niet kan af'leiden uit de Schrift, geenszins absoluut worden erkend.

Slechts dit stemt de Commissie toe, dat het vaststellen van een voor alle tijden en plaatsen pasklaar gemaakt rechts-systeem door logische deductiën en combinatiën niet kan verlangd worden.

De woorden der Memorie van Bezwaren, waarin, naar het aan de Commissie voorkomt, deze onderscheiding niet wordt in acht genomen, geven echter, al is dit wellicht niet de bedoeling van de voorstellers, naar de letter gelezen, den indruk, dat het wel verlangd wordt. Er wordt daar gesproken van „een Staatsrecht, gelijk dat uit de Gereformeerde beginselen in algemeenen zin is op te bouwen.” Er wordt gezegd, dat dit het Calvinistische Staatsrecht is, hetwelk in vroeger eeuw praktisch beleefd is. Er wordt gezegd, dat het Staatsrecht, dat tot critiek in staat zal stellen, vooraf in samenhang moet zijn gedacht en uiteengezet. Het vermoeden ligt wel voor de hand, dat de voorstellers hier niet het oog hebben gehad op geformuleerd Staatsrecht, maar op gesystematiseerde beginselen van Staatsrecht, maar de gebruikte termen geven toch mede eenige aanleiding, dat verwarring tusschen Staatsrecht en beginselen in de Memorie van Prof. Lohman niet zelden te voorschijn treedt.

In den brief van 4 Februari 1896 echter spreekt Prof. Lohman zich klaarder uit, en maakt hij bezwaar tegen eene opsporing en uitwerking der Gereformeerde beginselen als grondslag van zijn onderwijs, in den geest als, overeenkomstig hetgeen boven is uiteengezet, naar het oordeel der Commissie door art. 2 der Statuten wordt gevorderd.

Is ook daartegen, gelijk tegen het 2de onderdeel der Memorie van Bezwaren, gericht de verwering van Prof. Lohman, dat hij niets doet, dan het vak onderwijzen, hetwelk hem door Curatoren is opgedragen? Dit moge twijfelachtig zijn, in ieder geval acht de Commissie zich verplicht om die verwering nog onder de oogen te zien. Zij wordt op blz. 77 der brochure ontwikkeld in deze woorden: „— ik heb hierbij alleen op te merken, dat de vakken die gedoceerd moeten worden, worden aangewezen door Curatoren. Toen mij, als Curator, na herhaalde vergeefsche pogingen, gebleken was, dat geen jurist zich als hoogleeraar verbinden wilde aan onze V.U., om de beide vakken: Nederlandsch Staatsrecht en Strafrecht te doceeren, en het duidelijk werd, dat een juridische faculteit, door slechts éen hoogleeraar bezet, en waar die vakken niet gedoceerd werden, in onze dagen eenvoudig onbestaanbaar was, heb ik mij bereid verklaard, het onderwijs in die beide vakken, hetwelk de Curatoren destijds noodig achtten, zelf te geven. Curatoren wisten dus wat ik |38| doceeren wilde en droegen mij dit op; eenig ander vak is mij nooit opgedragen. Zeker zou ik nimmer op mij genomen hebben een vak te doceeren, dat beantwoordt aan de omschrijving van de heeren aanklagers en dat mij voor een groot deel zelfs geheel onbekend is. Nu is het zeer wel mogelijk, dat Curatoren een dwaasheid begaan hebben door mij het onderwijs in die vakken op te dragen, alvorens het andere, door HH. aanklagers bedoelde vak gedoceerd werd; maar het gaat toch niet aan, mij, den benoemde, daarvan een verwijt te maken.”

Deze gansche beschouwing heeft echter niets met de vraag, die het hier geldt, te maken, en ontleent slechts een schijn van recht aan de tegenstelling tusschen Nederlandsch Staatsrecht en Staatsrecht in algemeenen zin uit de Gereformeerde beginselen opgebouwd.

Waar aan de Vrije Universiteit het onderwijs in het Nederlandsch Staatsrecht aan een Hoogleeraar wordt opgedragen, moet dat onderwijs rusten op de Gereformeerde beginselen, en hoe dat te verwezenlijken zij moet de Hoogleeraar onderzoeken. Dit is niet alleen onbetwistbaar volgens art. 2 der Statuten, maar ook door Prof. Lohman zelf erkend in de verklaring van 22 Maart 1895 En ook bij eene scherpe systematische formuleering der beginselen blijft dan de uiteenzetting der toepassing in Nederland onderwijs in het Nederlandsche Staatsrecht, al moet daarbij dan weer onderscheid gemaakt worden tusschen het Nederlandsch Staatsrecht zoools het in aansluiting aan de Gereformeerde beginselen moest zijn en zooals het werkelijk is, al moet dan schifting gemaakt worden tusschen hetgeen in ons geldend Staatsrecht met de Gereformeerde beginselen overeenstemt en er mede strijdt.

De leerstoel aan de Vrije Universiteit is er niet, om eenvoudig ons geldend Staatsrecht mede te deelen, zij het dan ook met eenige incidenteele critiek van sommige punten.

Voor de rechtswetenschap stelt Prof. Lohman, dat men de kennis van het recht moet opdoen uit de rechts-instituten en hunne ontwikkeling; en dan oordeelen of er ook iets in de H. Schrift voorkomt, of daaruit voortvloeit, dat, als ook voor onzen tijd geldende, critiek oefent op het bestaande recht.

Daartegenover moet naar de meening der Commissie erkend worden, dat het recht fundamenteel uit Gods Woord wordt gekend. Aan de onderscheiden gelegenheden van tijden en volken ontleent het slechts zijn specialen vorm en uitdrukking. Die speciale vorm dient steeds te worden getoetst aan en gewijzigd naar den eisch der aan Gods Woord ontleende rechtsbeginselen.

Onze Universiteit is gegrond op de overtuiging, dat de Gereformeerde beginselen zuiverder dan eenige andere beginselen deze fundamenteele rechtsbeschouwing uit Gods Woord doen kennen, en dat dus het bestaande recht aan deze moet worden getoetst, en aan de critiek daarvan moet worden onderworpen. Het doel is dus niet, ééne Constitutie, |39| één wetboek te ontwerpen voor alle tijden en alle volken geldend; wél de algemeene rechtsbeginselen uit Gods Woord naar de interpretatie der Gereformeerde beginselen in systeem te zetten. Ons Nederlandsch recht moet dan aan dit algemeene dien nationalen vorm geven, die door onze Vaderlandsche geschiedenis en ons vaderlandsch leven wordt geëischt, en zijne ontwikkeling moet ook in de toekomst in die richting worden geleid.

De Commissie kan dan ook tot geene andere conclusie komen, dan dat bij Prof. Lohman’s opvatting van de studie der rechtswetenschap en bij de door dien Hoogleeraar verdedigde methode van onderwijs, aan den eisch van art. 2 der Statuten niet wordt voldaan.


*

Resumeerende, is de Commissie van oordeel dat eene vaste en zekere conclusie ten aanzien van het onderwijs van Prof. Lohman alleen te trekken is uit de twee laatste punten n.l. zijne uitlegging van art. 2 der Statuten en zijne opvatting van de rechtswetenschap. Uit het onderzoek is het toch der Commissie gebleken dat Prof. Lohman onder de Gereformeerde beginselen in art. 2 niets anders verstaat dan Gods Woord of hoogstens Gods Woord naar de opvatting van de kerkelijke Belijdenisschriften, maar aan het Calvinisme wet eenige geschiedkundige maar geene dogmatische beteekenis toekent, en het daarom als grondslag van het onderwijs verwerpt. Voorts is zijne opvatting van de rechtswetenschap deze, dat de jurist eerst positief en op dezelfde manier als de ongeloovigen het bestaande menschelijke recht als een zeer omvangrijk en gecompliceerd samenstel van verschijnselen heeft te bestudeeren, om het eerst daarna te toetsen aan de ordinantiën Gods, die gekend worden uit de natuur der dingen en uit de Schriftuur, die zeer algemeen zijn van aard en liefst niet moeten worden gesystematiseerd.

Alle andere bezwaren, die door de voorstellers der enquête tegen Prof. Lohman zijn ingebracht en boven besproken zijn, kunnen tot dit door Prof. Lohman ingenomen standpunt worden herleid. Zijne verdediging van het collegebezoek aan de ongeloovige universiteiten, zijn oordeel over het onschadelijk en neutraal karakter van het onderwijs in de examenvakken aan die universiteiten, zijne erkenning van de positieve methode, welke in deze wetenschappen moet toegepast worden; zijne afkeuring van den Calvinistischen naam in de wetenschap en de politiek; zijn voorkeur voor den naam Gereformeerd op kerkelijk, voor dien van anti-revolutionair op politiek terrein; zijne critiek over Calvijn en het Calvinistische volk; zijne onbeslistheid in zake het beginse der doodstraf hangen min of meer met zijne opvatting van de Gereformeerde beginselen en van de rechtswetenschap saam en krijgen daar door beteekenis. |40|

Daarom kan het ook de bedoeling van de voorstellers der enquête niet zijn, en evenmin de taak der Commissie om op ieder der genoemde punten eene bijzondere conclusie te nemen ten aanzien van het onderwijs van Prof. Lohman. Zelfs is verschil mogelijk, of elk van deze punten op zich zelf tot zoodanige conclusie recht geven zou. Veeleer is er alleen eene beslissing noodig te dezen opzichte of het onderwijs van Prof. Lohman principiëel aan den eisch van art. 2 voldoet.

En dan verdient het de aandacht, dat niet de voorstellers der enquête noch ook de Commissie in de eerste plaats, maar Prof. Lohman zelf het uitspreekt, dat hij in zijne uitleggging van art. 2 en in zijne opvatting van de rechtswetenschap niet aan den eisch van art. 2 voldoet noch voldoen kan, indien n.l. de boven gegeven uitiegging van de Gereformeerde beginselen de juiste is. Immers Prof. Lohman zegt: „Intusschen acht ik het voor de toekomst zelve van onze Hoogeschool zeer wenschelijk, dat duidelijk en onomwonden worde uitgesproken, of het door mij verdedigd standpunt ten aanzien van de beteekenis van art. 2 al dan niet wordt aanvaard als het juiste. Indien de vereeniging dat niet het juiste oordeelt, dan behoort de vergadering reeds deswegens alleen een afkeurend oordeel over mij uit te spreken; al oordeelde zij overigens alle ingebrachte grieven ongegrond” (bl. 70, 71).

Hij verklaart: „Voor mij als jurist staat vast dat men langs dezen weg” (n.l. dien welke in de publicatie van den Senaat wordt aangegeven) „niet een voor juristen en staatslieden bruikbaar gebouw zal optrekken, maar dat langs dezen weg veeleer het pad der wetenschap, althans voor den jurist, moeilijk en onbegaanbaar zal blijken,” bl. 59 van de brochure. Verg. boven bl. 34.

Hij oordeelt, dat de historische technische opvatting van de Gereformeerde beginselen, gelijk die ontwikkeld wordt in de stellingen van den Senaat en ook in bovenstaand rapport wordt voorgestaan, getuigt van wantrouwen in de Schrift, de vrijheid van onderwijs en wetenschap vernietigt, de wetenschap onmogelijk maakt, aan Calvijn en het Calvinistische volk een onbehoorlijk gezag toekent, tot volksvergoding en volkssouvereiniteit leidt, het volk maakt tot keurmeester van het onderwijs, en de orde omkeert welke God heeft gesteld (bl. 59-61 der brochure).

Indien nu art. 2 naar de overtuiging der Commissie geen andere interpretatie dan de in het Rapport aangenomen toelaat, zijn het noch de voorstellers der enquête noch de Commissie, maar is het Prof. Lohman zelf, die zijnerzijds een principiëel verschil tusschen art. 2 naar deze uitlegging en zijn onderwijs constateert. Hoe gaarne de Commissie nu eene andere conclusie had willen trekken, zij is door haar onderzoek tot geene andere conclusie kunnen komen dan die, welke door Prof. Lohman zelf van te voren reeds aangewezen was. Want wel zijn de beschuldigingen ernstig, die door Prof. Lohrnan tegen de bedoelde |41| uitlegging van de Gereformeerde beginselen in art. 2 worden ingebracht, maar zoolang art. 2 luidt gelijk het luidt, is er, naar het oordeel der Commissie, geen andere interpretatie mogelijk. Zelfs al waren de beschuidigingen juist (des neen), dan zou toch ter wille der bezwaren aan den tekst en aan de exegese van art. 2 geen geweld mogen worden aangedaan. De Commissie heeft niet met het jus constituendum 2) maar met het jus constitutum 3) te doen. En art. 2 laat geen andere verklaring toe dan dat onder de Gereformeerde beginselen die uitgangspunten van ons wetenschappelijk denken worden verstaan, welke in de Calvinistische reformatie uit Gods Woord afgeleid en met meer of minder heldere bewustheid op alle terrein van het leven toegepast zijn. Gelijk art. 2 de theologie bindt aan Gods Woord naar de opvatting der Gereformeerde belijdenisschriften, zoo legt het den grondslag voor alle onderwijs in datzelfde Woord Gods, zooals het zijne interpretatie vond in het historisch leven der Gereformeerde Christenheid. Daarom is er in dat art. niet van Gods Woord maar van de Gereformeerde beginselen sprake. Daarom hebben velen zich teruggetrokken, die eerst mede ijverden voor de stichting eener Christelijke universiteit. Daarom is de Vrije Universiteit geene algemeen Christelijke maar eene Gereformeerde school.

Dankbaar erkent de Commissie, dat Prof. Lohman sedert zijne benoeming tot Hoogleeraar kerkelijk en confessioneel naderbij is gekomen. Maar de verwachting, dat hij ook op het gebied van de wetenschap en het onderwijs hoe langer hoe meer inleven zou in de Gereformeerde beginselen, heeft zich niet bevestigd. Wel gaf de verklaring van 22 Maart 1895 daar goede hope op. En nog zou de Commissie niets liever zien dan dat Prof. Lohman tot het standpunt, in die verklaring ingenomen, terugkeerde en op den daar ingeslagen weg wilde voortgaan. Het ware der Commissie aangenaam geweest, wanneer het haar had kunnen gelukken, om gelijk art. 11 van het Huishoudelijk Reglement, zoo het bereikbaar is, wil, aan de voorstellers der enquête door minnelijke schikking voldoening te geven.

De uitkomsten van haar onderzoek leverden echter tot haar leedwezen geen gegevens daarvoor op. Wegens de mogelijkheid van misverstand heeft zij door haar schrijven van 13 Januari 1896 aan Prof. Lohman nog eene poging gedaan om zoodanige gegevens te verkrijgen. Echter te vergeefs. Het antwoord van 4 Februari 1896 heeft, gelijk boven is uiteengezet, integendeel de principiëele tegenstelling nog verscherpt.

De Commissie kan daarom op dit öogenblik niets anders dan uitspreken, dat Prof. Lohman zijn standpunt, dat hij ten opzichte van art. 2 in zijn onderwijs inneemt, veeleer in antithetischen zin heeft uitgewerkt en gehandhaafd. Hoe smartelijk het zij, dit te constateeren, |42| het kan toch uitgesproken worden zonder boozen hartstocht. Het is een principiëel, geen persoonlijk verschil; een verschil in de uitlegging en toepassing van art. 2 der Statuten, dat de volle waardeering van Prof. Lohmans persoon en arbeid geheel onaangetast laat.

Maar daarom blijft het toch een verschil, dat art. 2 der Statuten en daarmede den grondslag der Vrije Universiteit betreft. En voor de ongeschonden handhaving van de beginselen waarop de Stichting rust, hebben alle leden der Vereeniging te waken. Alle persoonlijke consideratie moet ten slotte wijken voor het belang der Universiteit, voor het Gereformeerd karakter der School, voor de waarheid, welker handhaving in deze stichting aan de Gereformeerden in den lande toebetrouwd is.

Dit alles overwegende ziet de Commissie zich genoodzaakt om als slotsom van haar onderzoek aan de Algemeene Vergadering de volgende motie voor te stellen:

De Algemeene Vergadering, gehoord het Rapport der Commissie spreekt uit dat op het standpunt van Prof. Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman de Gereformeerde beginselen naar den eisch van artikel 2 der Statuten als grondslag van zijn onderwijs niet tot hun recht komen, verklaart, dat de ingevolge besluit der Jaarvergadering van 27 Juni 1895 benoemde Commissie hare taak heeft ten einde gebracht, en besluit afschrift dezer motie te doen toekomen aan de Colleges, van Directeuren en Curatoren.


Namens de Commissie van Enquête voornoemd,


Het Moderamen,


H. Bavinck, Pres.

B. van Schelven, Vice-Pres.

Th. Heemskerk, Secr. |43|


*

Bijlage A.


Aan de Algemeene Vergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, te houden te ’s-Gravenhage op Donderdag 27 Juni 1895.


De ondergeteekenden, allen leden der vergadering van de Ver. voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, zouden het niet zeer natuurlijk achten, indien in deze vergadering geen woord gesproken werd over zeker gerezen vermoeden, dat de naleving van Art. 2 onzer Statuten reden tot bedenking geeft.

Het bestaan van zekere spanning op dit punt, in de Pers reeds uitgesproken, behoeft hier te minder verzwegen te worden, nu de hoogleeraren (zie Verslag blz. XXI) dit zelven erkennen in de woorden: „ontwaard hebbende, dat in den kring van de vrienden der Vrije Universiteit onzekerheid is gerezen, of wel alle onderwijs in hare scholen beantwoordde aan Art. 2 der Statuten”, en nu HH. Directeuren dit punt uitvoerig in hun verslag behandelen (Verslag blz. XX—XXII).

Nu zullen alle leden onzer vereeniging, en wel allermeest de hoogleeraren, de curatoren en de directeuren onzer Vrije Universiteit, zonder twijfel met ondergeteekenden oordeelen, dat onze Hoogeschool op het punt der naleving van Art. 2 der Statuten, hetwelk alle onderwijs bindt aan de Gereformeerde beginselen zelfs niet verdacht moet kunnen worden, dewijl het hier hare eere geldt in den eigenlijksten zin des woords; de eere ook der belijders van de Gereformeerde religie, aan wier belijdenis Art. 2 der Statuten zich bindt, en die daarom aan deze Hoogeschool hand en hart geven. De eere geldt het hier niet minder van de mannen die aan deze Hoogeschool arbeiden, en die wat hunne beginselen en hun onderwijs aangaat, het vertrouwen van het Gereformeerde volk in den lande niet kunnen missen. Maar het geldt hier boven alles de eere van Hem, die ons de Gereformeerde beginselen door de opening van Zijn heilig Woord geleerd heeft en Wiens eere in de uitwerking dier beginselen in het onderwijs onzer Hoogeschool gezocht moet worden.

De gerezen onzekerheid moet daarom, naar het oordeel van ondergeteekenden, op het punt waarop zij bestaat, zóó radicaal worden weggenomen, dat de hoogleeraar omtrent wiens onderwijs twijfel rees, geheel en volkomen van elke verdenking gezuiverd worde, of wel dat, zoo er eenig kwaad mocht blijken te bestaan, de eisch van Art. 2 der Statuten gehandhaafd worde.

Wanneer dan ook ondergeteekenden in deze vergadering er, hoe noode ook, nochtans om der conscientie wille toe komen om hunne ongerustheid uit te spreken met betrekking tot het onderwijs van prof. Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman, plaatsen zij zich daarbij, gelijk het behoort, |44| op het standpunt, dat ook over het onderwijs van genoemden hoogleeraar geen ander dan een goedkeurend oordeel mag gaan, zoo lang het tegendeel niet gebleken is. Maar verschijnselen, die aangaande het onderwijs van dien hoogleeraar twijfel wekten, behooren dan ook onderzocht te worden; en ondergeteekenden achten, dat de verklaring van hoogleeraren (zie blz. XXI van het Verslag) niet van de verplichting tot zoodanig onderzoek kan ontheffen.

Onderscheidene zulke twijfelwekkende verschijnselen nu deden zich naar het oordeel van ondergeteekenden voor, op enkele waarvan zij meer in het bijzonder de aandacht hunner medeleden vestigen.

1º. In de Jaarvergadering te Groningen, in 1892, is door prof. Lohman blijkens het dertiende jaarverslag blz. XLII woordelijk het volgende beweerd: „De colleges, die men met het oog op de examens bezoekt, komen met het geloof in geenerlei aanraking; daarin wordt alleen de geschiedenis en het verband van tal van wetsbepalingen uiteengezet. Evengoed als een ongeloovige ons de wetten, welke in de physieke wereld gelden, of de indeelingen, die de mensch op het gebied van botanie of anatomie pleegt aan te nemen, kan uitleggen, kan een ongeloovige ons vertellen, welke is het verband der wetsbepalingen die betrekking hebben op het huwelijk, den eigendom, de overeenkomsten of grondwettige instellingen.” Prof. Lohman verklaarde blijkens genoemd verslag dan ook, dat er „niets van aan is, dat de hoogleeraren aan de openbare universiteiten zich schuldig maken aan de bestrijding van den Christus”.

Bij een schrijven dd. 4 Oct. 1892, opgenomen in De Heraut Nº. 773, verklaart de hoogleeraar Lohman van de vakken: encyclopaedie der rechtswetenschap, grondbeginselen der Staathuishoudkunde, het Strafrecht en het Nederlandsche Staatsrecht het volgende: „Op de vier door mij genoemde colleges kan zonder eenigen twijfel ook eenigen tijd aan philosophische beschouwingen worden gewijd. Evenwel zeer weinig, juist omdat ook in die vakken het onderling verband der wetsartikelen steeds op den voorgrond treedt. De hoogleeraar moge enkele colleges wijden aan een zeer cursorische mededeeling van enkele rechtsphilosophieën, geheel de aandacht en bijna al de tijd wordt gewijd aan de kennis van het positieve recht; de kennis van onze staatsinstellingen en van de bepalingen en beginselen van ons strafwetboek.” En in Nº. 775 van De Heraut zegt de hoogleeraar: „Het is ten eenemale onmogelijk, de vakken waarvan ik in mijn rede en in mijn brief heb gesproken, goed te doceeren, en daarbij rekening te houden met de diepere beginselen des rechts.

Op die colleges komt niet het recht, maar alleen de wil van den wetgever ter sprake; een zuiver menschelijke ordening, enkel uit positief-rechtelijke gegevens kenbaar. Voor zoover ons recht gecodificeerd is, — en dit is met bijna geheel ons recht het geval, — is op die colleges de eenige taak van den rechtsgeleerde, de beginselen van die codificatie te vinden en uiteen te zetten. Noch Gods Woord, noch eenige philosophische beschouwing kan daarbij van invloed zijn. Brengt men die daarbij te pas, dan gaat men buiten zijn eigenlijk onderwijs.” |45|

Indien ondergeteekenden niet onjuist zien, dan oordeelt de hoogleeraar Lohman dus, dat het op de colleges te geven onderwijs in het verband der genoemde wetten en staatsinstellingen en in de beginselen van het strafwetboek, het onderwijs dus in het Staatsrecht en in het Strafrecht, de vakken die aan prof. Lohman ter onderwijzing zijn opgedragen, met de belijdenis of bestrijding van den Christus, met den grondslag van beginselen in het algemeen, en dus ook met den grondslag der Gereformeerde beginselen niets te maken heeft. De grondslag der Gereformeerde beginselen heeft volgens prof. Lohman voor het onderwijs in deze vakken geene beteekenis. Zulke vakken worden naar de verklaring des hoogleeraars in De Heraut van 16 Oct. 1892 aan onze Vrije Universiteit alleen onderwezen, „omdat er anders niet één enkel student in de rechtsgeleerdheid bij ons zal komen studeeren”.

En blijkens verklaring in datzelfde nommer van De Heraut is volgens prof. Lohman „de mogelijkheid dan ook niet uitgesloten, dat de stichting van onze juridische faculteit eene vergissing geweest is.”

Om al deze redenen meenen ondergeteekenden, dat er grond bestaat voor het vermoeden, dat ook het onderwijs van prof. Lohman in het Staatsrecht en in het Strafrecht er niet op zal zijn aangelegd, om geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen te staan. En dat daarom onderzocht behoort te worden, of onze vereeniging met betrekking tot dit onderwijs in hare Universiteit aan den eisch van Art. 2 harer Statuten voldoet.


2º. Blijkens de achtereenvolgende jaarverslagen onzer vereeniging en de regeeringsverslagen over het onderwijs, die ons zeggen, wat op zijne colleges over het Staatsrecht door prof. Lohman behandeld is, heeft deze hoogleeraar wel onderwijs gegeven in het voor ons vaderland thans geldende Staatsrecht, waarbij tegelijkertijd zekere critiek op onze staatsinstellingen is uitgeoefend; maar colleges in het Staatsrecht, gelijk dit uit de Gereformeerde beginselen in algemeenen zin is op te bouwen, werden door prof. Lohman niet gegeven. Dit Calvinistische Staatsrecht is voor de juridische studenten onzer Vrije Universiteit als systeem niet in boeken te vinden. Het is in vroeger eeuw wel practisch beleefd, maar nooit als stelsel uiteengezet. Dit voor het eerst te doen is blijkens Art. 2 der Statuten juist een deel der taak van onze vereeniging. En tot dusverre ontvingen onze studenten in de rechten hierin nog geen onderwijs.

Aan deze opmerking zij nog een tweede toegevoegd. Dat ondergeteekenden zich niet wel kunnen voorstellen, hoe critiek van uit het Gereformeerde of Calvinistische Staatsrecht op het Staatsrecht van ons land kan worden uitgeoefend, indien het Staatsrecht, dat tot critiek in staat zal stellen, niet vooraf in samenhang ingedacht en uiteengezet is.

Het ontbreken van zoodanig onderwijs in het Staatsrecht, waarbij het Gereformeerde Staatsrecht als zoodanig en als stelsel in zijn samenhang wordt uiteengezet, doet na zoo tal van jaren naar het oordeel van ondergeteekenden de vraag rijzen, of ten opzichte van het onderwijs in het Staatsrecht wel aan Art. 2 der Statuten voldaan is. |46|


3º. In het jongste jaarverslag, op blz. LXV, wordt meegedeeld, dat prof. A.F. de Savornin Lohman in den cursus, die voorafging, behandeld heeft „de beginselen van ons Staatsrecht, zooals die zijn nedergelegd in de Grondwet en andere organieke wetten, en deze steeds getoetst aan de beginselen van het Antirevolutionair Staatsrecht.”

Dit lezende vragen ondergeteekenden zich af, of Art. 2 van de Statuten het onderwijs dan uitsluitend en geheel wil doen rusten op de Antirevolutionaire beginselen; en daar dit niet zoo is, scheen het hun vreemd toe, dat in een officieel verslag het woord „Gereformeerde”, hetwelk door onze Statuten is aangegeven, vervangen is door het woord „Antirevolutionaire”.

Dit zou echter minder bezorgdheid hebben gewekt, indien duidelijk gebleken ware, dat de hoogleeraar Lohman het woord „Antirevolutionair” zóó verstond, dat het eensluidend voor hem was met „Gereformeerd” of „Calvinistisch”. Het tegendeel schijnt echter eerder het geval te zijn. De hoogleeraar Lohman is hoofdredacteur van het dagblad De Nederlander, en nog onlangs, zoo vóór als na de verklaring der hoogleeraren van 22 Maart 1895 (in het Verslag op blz. XXI abusievelijk als 22 Maart ’94 vermeld), is in het dagblad De Nederlander eene vrij warme polemiek gevoerd tegen hen die „Antirevolutionair” hier te lande als eensluidend met „Calvinistisch” wilden doen gelden. Men moeht volgens den redacteur van genoemd dagblad niet zeggen, dat „Antirevolutionair” hetzelfde was als „Calvinistisch”; of als men dit zeide, was de vraag wat „Calvinistisch” is, te beoordeelen naar het Antirevolutionair Program.

Zoo zocht De Nederlander de opvatting van „Antirevolutionair” als „Calvinistisch” in haar nummer 420 met een woord van Groen van Prinsterer uit zijne laatste levensdagen te verzwakken. In Nº. 426 gaat die verzwakking nog verder door de bewering, dat Groen als hij op de Calvinistische reformatie wijst, „eenvoudig wijst op een historisch feit, op onze geschiedenis, waarmee hier te lande ieder, ook de Lutheraan, ja ook de Roomsch-Katholiek te rekenen heeft, en — zoo hij verstandig is — ook rekent.” Tegenover de Revolutie plaatste Groen van Prinsterer niet het Calvinisme maar het Evangelie, zoo spreekt De Nederlander in dit Nº. 426 en citeert daarbij; „dat het Antirevolutionair beginsel geen ander is dan het Christelijk beginsel.” En in Nº. 483 (29 April 1895) worden nog eens voor het staatkundig terrein de tegenstellingen „Calvinistisch of niet-Calvinistisch”, „Gereformeerd of niet-Gereformeerd” verworpen en geconcludeerd: „niet Calvinistisch . . ., maar Antirevolutionair”.

Ondergeteekenden meenen uit een en-ander te moeten afleiden, dat wanneer de hoogleeraar Lohraan de wetten toetst aan het „Antirevolutionaire Staatsrecht” er grond is voor de vraag, of deze hoogleeraar in zijn onderwijs aan den eisch van Art. 2 der Statuten beantwoordt.


4º. Te ernstiger wordt die vraag, wanneer ondergeteekenden letten op sommige publieke uitlatingen van den hoogleeraar Lohman uit den laatsten tijd, die de bron van het recht zelve raken. |47|

Zoo gevoelen zij, zich gedrongen de aandacht te vestigen op de beschouwing voorkomende in Nº. 513 van De Nederlander, in een stuk, getiteld: „Kerk en Politiek.” Gewezen wordt daarin op het voorbeeld van een landman, die niet aan Gods Woord, maar aan de wetten der natuur vraagt, hoe hij ploegen en zaaien moet, en die nu van achteren, als de koeien op Zondag toch melk geven, de verzorging van die melk met het Sabbatsgebod in verband heeft te brengen. Met een beroep op dat voorbeeld wordt dan de stelling verkondigd, dat zoo ook bij de staatsrechtelijke en staathuishoudkundige vraagstukken te werk moet worden gegaan naar de zekere wetten, volgens welke zich eene historische verschijning ontwikkelt, terwijl dan die wetten, nadat ze in Staat en Maatschappij zelve gevonden zijn, met Gods Woord in verband zijn te brengen. Woordelijk heet het daar: „Maatschappij en Staat worden niet opgebouwd naar stelsels uit het menschelijk brein voortgekomen; zij zijn historische verschijningen, die zich ontwikkelen naar zekere wetten, en die wetten kunnen, evenals die der natuur in haar gewone werking door menschelijk overleg een weinig worden gewijzigd; die ter zijde stellen kan men niet . . . Hij, die de maatschappelijke wetten opspoort, heeft ze met de uitspraak van Gods Woord in verband te brengen”.

De ondergeteekenden spreken niet zonder bekommering, maar toch met bescheidenheid uit, dat deze beschouwing hun voorkomt heel iets anders te zijn dan die van een Staatsrecht en Staathuishoudkunde, die geheel en uitsluitend rusten op den grondslag der Gereformeerde beginselen; heel iets anders dan wat onze Vrije Universiteit, overeenkomstig Art. 2 onzer Statuten, uit Gods Woord aan de verderfelijke pantheïstisch-naturalistische rechtsphilosophie van onzen tijd heeft over te stellen.

Ook nog op een ander bepaald punt, waarover de hoogleeraar Lohman in De Nederlander zich uitliet, eischt de conscientie van ondergeteekenden en het recht der Gereformeerde beginselen eenige bedenking. Wij bedoelen de artikelen over de doodstraf in De Nederlander van 18 en 19 September 1894. De schrijver verklaart daar, dat hij de beantwoording van de vraag, „of God de doodstraf gewild heeft voor alle volken in alle tijden, wenscht uit te stellen, totdat eenmaal de Overheid weer tot het rechte inzicht komt, dat straf is vergelding”. Dat antwoord staat volgens den schrijver niet vast. Wel zou hij „op invoering van de doodstraf aandringen”, wanneer deze straf „alleen verdedigd werd door hen, die gelooven aan Goddelijke inzettingen,” omdat „die wederinvoering dan toch bewijzen zou, dat men tot de erkenning en eerbiediging dier inzettingen terugging”. Slechts uit utiliteitsredenen zou de schrijver dan weder voor invoering van de doodstraf pleiten. Een grond, die ons nu juist niet naar den grondslag der gereformeerde beginselen heenwijst. Uit overtuiging komt de schrijver niet voor de doodstraf op. Die overtuiging bestaat bij hem niet, gelijk blijkt uit de toegevoegde woorden: „zelfs al koesterden wij eenigen twijfel, of God nu juist deze wijze van strafoefening voor alle tijden en volken heeft vastgesteld.” De Schriftuurplaats Gen: 9 : 6, door de goed Gereformeerden steeds in verband met Rom: 13 : 4 erkend als een Goddelijk gebod voor de overheden in |48| alle tijden, waarbij de doodstraf verplichtend gesteld is, zet de schrijver op zijde met de opmerking: „Wij meenen, dat men het bekende woord uit Genesis zeer bekrompen opvat, als men daarin eene wijze van strafoefening (namelijk de doodstraf) wil lezen, in plaats van den grond der straf.”

Ondergeteekenden wijzen er daarbij op, dat en Vrije Universiteit en daarmee onze vereeniging er aansprakelijk voor is, wanneer nog pas de heer J. Domela Nieuwenhuis, hoogleeraar in het Strafrecht te Groningen, in De Nieuwe Sprokkelaar van 21 Juni l.l. tegen het Gereformeerde gevoelen aangaande de doodstraf zich op het gevoelen van zijn geachten ambtgenoot Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, kan beroepen met deze woorden: „Ik beroep mij in de eerste plaats op een man, wien door U de naam van geloovig Christen wel niet zal worden ontzegd.”

Het is daarom, met het oog op deze gewichtige uitlatingen van prof. Lohman dat ondergeteekenden moeten aandringen op onderzoek naar den inhoud van zijn onderwijs, opdat het blijken moge, wat daarin van de naleving van Art. 2 onzer Statuten te oordeelen zij.


5º. Eindelijk zij hier nog bijgevoegd, dat niet slechts sommige uitlatingen van den hoogleeraar Lohman over de bron van het recht, maar ook zijne bespreking van de Calvinistische of de Gereformeerde beginselen zelve naar het oordeel van ondergeteekenden reden tot ernstige ongerustheid geeft.

Reeds wezen ondergeteekenden er op, dat de hoogleeraar Lohman in De Nederlander met meerdere of mindere duidelijkheid een „Antirevolutionair” beginsel verdedigt in onderscheiding van het Calvinistische. Zie hierbij nog een citaat gevoegd uit No. 215, van,dezen inhoud: „Het Antirevolutionair beginsel sluit de Gereformeerden niet uit, maar anderen evenmin, misschien nog minder.” „Op staatkundig gebied nu heeft de heer Groen steeds het Antirevolutionaire beginsel verdedigd, en niet het Calvinisme.” „Thans echter schijnt men, om goed Antirevolutionair te wezen, Calvinist of, wat feitelijk op ’t zelfde neerkomt, „Gereformeerd te moeten zijn.”

Spreekt hieruit eer weerzin dan liefde tegenover de Calvinistische of Gereformeerde beginselen — hoe groot de sympathie van den hoogleeraar voor Calvijn is, blijkt uit een teekening, in No. 478 van Calvijn gegeven in de volgende trekken: „Calvijn geeft (n.b.), geleid door het voorbeeld der Israelieten, aan de alleenheerschappij den voorrang”, terwijl die Calvijn „zijn begunstiging van de aristocratie dan ook bij elke gelegenheid in de sterkste uitdrukkingen uitsprak”; en voorts „steeds op een afstand van het volk is gebleven; de kunst niet verstond, om in zijn taal (de taal van het volk) te spreken; en slechts in de hoogere kringen zich thuis gevoelde”.

In No. 480 blijkt dan ook, hoe weinig prof. Lohman met de gevoelens van Calvijn op staatkundig gebied vereenigd is, als hij op de vraag: „Calvinistisch of Antirevolutionair?” antwoordt: „In Calvijns aristocratische gevoelens deelen wij niet.” „Het door Calvijn gelegde verband tusschen Kerk en Staat is gansch verwerpelijk.” „Het eigenaardige van |49| Calvijn was niet zijn democratische, maar zijn theoeratische richting . . . Wenscht men nu dat theocratische element op politiek gebied op den voorgrond te stellen?”

Uit No. 483 blijkt verder, dat ook noch de Calvinisten, noch het Calvinisme voor hem in den strijd en vraagstukken van dezen tijd van groote waarde zijn, als de hoogleeraar daar te lezen geeft: „Is de strijd tegen onzedelijkheid en ontucht niet het krachtigst aangebonden door diegenen, die nu juist niet bij voorkeur Calvinisten worden genoemd?” „Bestaat er onder die kringen, die zich bij voorkeur „Calvinistisch” achten, in het algemeen gesproken wel eenige ijver tegen de jenever?” „Men stelt tegenwoordig in vele quaestiën belang, vrijhandel of protectie, munt-quaestie; arbeidscontract; pensionneering; woning-quaestie; land-nationalisatie; coöperatie enz. . . . Zekerlijk, er bestaat over elke dier quaesties groot verschil van gevoelen; maar valt dat verschil samen met Calvinistisch of anti-Calvinistisch?”

Laat men dan ook op dit terrein zijn kracht niet zoeken in eene leuze die op dit terrein geen beteekenis heeft. Door dat te doen zou men politieke bedoelingen van wereldlijken aard hechten aan een kerkelijken naam.”

Gelijk hier duidelijk blijkt, heeft het Calvinisme voor den schrijver op heel het gebied der staathuishoudkunde geene beteekenis; slechts kerkelijk kunnen de Gereformeerde beginselen verstaan worden, maar daarom juist moeten ze van het staatsrechtelijk en staathuishoudkundig terrein als contrabande geweerd worden. En de schrijver besluit dan ook: „Niet Calvinistisch . . . . maar Antirevolutionair.”

In No. 495 wordt door De Nederlander zelve gewag gemaakt van den indruk, door No. 483 teweeggebracht, als zou de schrijver „zich het Calvinisme schamen”, en de beginselen „daarin opgesloten, niet als de zijne aanvaarden”. De redacteur verklaart echter, dat „niets verder van zijne bedoeling lag”. Hij erkent, dat het Antirevolutionair Program uit de Calvinistische beginselen is voortgekomen; en „de beginselen van Calvijn achten wij voor de ontwikkeling van Neerlands volk vooral van de gróotste beteekenis”. „En juist daarom verdedigen wij ook de noodzakelijkheid eener Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag. Want ook wetenschappelijk moeten die beginselen tot ontwikkeling worden gebracht. Op elk gebied moet de kracht van Gods Woord openbaar worden. En onder dat Woord Gods verstaan wij hetzelfde wat Calvijn daaronder verstond, al komen wij op grond van datzelfde Woord tot enkele conclusiën, die van Calvijns gevoelen afwijken.”

Mogen al deze laatste woorden naar veler hart zijn, ondergeteekenden meenen het niet onopgemerkt te mogen laten, dat de schrijver hiermee noch zijn oordeel over Calvijn, noch dat over de Calvinisten, noch ook dat over de beteekenis van het Calvinisme voor de staatsrechtelijke en staathuishoudkundige vraagstukken herroepen heeft. Zoowel voor de historische ontwikkeling van ons volk, als voor de wetenschap heeft de schrijver denzelfden Bijbel als Calvijn, maar zijn eigen conclusiën, terwijl hij voor de wetenschap niet van het licht maar van de kracht van Gods Woord die openbaar worden moet, gewaagt.

Al meenden dan ook ondergeteekenden hier op de uitspraak in No. |50| 495 van De Nederlander te moeten wijzen, toch mogen zij het niet verhelen, dat hunne ongerustheid ten opzichte van overeenstemming van den hoogleeraar Lohman met de Calvinistische of Gereformeerde beginselen voor de staatrechtelijke en staathuishoudkundige wetenschappen en vraagstukken niet is weggenomen; waardoor vanzelf hun oordeel over de voldoening van het onderwijs van genoemden hoogleeraar aan Art. 2 der Statuten onzer vereeniging zeer gedrukt wordt. Een gedruktheid, die te sterker wordt, wanneer zij de onvastheid opmerken, waarmee de hoogleeraar zich over het beheerschend principe uitdrukt dat als richtsnoer voor de staatkunde en dus ook voor het Staatsrecht gelden moet. Nu eens wordt dit richtsnoer gezocht in het „algemeen Christelijke”, dan in het „Protestantsch-nationale”, dan in het „Evangelische”, dan weer in het „Gereformeerde” of „Calvinistische” (zie No. 420, 483, 439 en 495 van De Nederlander). Een onzekerheid, die nog klimt, als in De Nederlander No. 501 en 416 eenerzijds verklaard wordt, dat aan Art. 36 der Gereformeerde belijdenis onvoorwaardelijk is vast te houden, nadat het in No. 445 was voorgesteld als kon dit niet, en verder in die artikelen zelven de letter en geest van een zeer bekende zinsnede in dat artikel wordt weersproken. Wel ontkennen ondergeteekenden niet a priori, dat hier vastheid van overtuiging naar den eisch der Gereformeerde beginselen zijn kan, maar zij zien die niet en achten het daarom zeer gewenscht, dat hierover helderheid ontstaan moge, dewijl het naar hun oordeel voorhet geven van hooger onderwijs naar den eisch van Art. 2 der Statuten onzer vereeniging een eerste vereischte is, dat hij, die dit onderwijs geeft, vastheid van overtuiging bezit omtrent hetgeen in dat art. onder Gereformeerde beginselen te verstaan zij.


*

Het is om al deze redenen, en op de aangevoerde gronden, dat ondergeteekenden, zonder in het minst te willen miskennen, dat de heer prof. Jhr. A.F. de Savornin Lohman ook op staatsrechtelijk gebied veel uitnemends gesproken en gedaan heeft, ook naar den eisch van onze beginselen en naar hun hart, — dat zij meenen gebruik te moeten maken van het recht hun bij Art. 11 van het Regl. voor de Algemeene Verg. toegekend, |51|

om voor te stellen, dat eene Commissie van Enquête benoemd worde om onderzoek te doen naar de zaak, waarvan zij achten hiermede de vereischte schriftelijke en nauwkeurige opgave gedaan te hebben.


’s-Gravenhage, 27 Juni 1895.



(Was geteekend.)


P.A. Tukker, Delft.
J. Hermans, Amsterdam.
C.L.F. van Schelven, Wageningen.
W. Booker, Zaandam.
J. de Haas, Amsterdam.
J. Dirkmaat Wz., Broek o/LDijk.
Jan Wagenaar Klz.,
J . Teves, Wetsinge.
Ds. Nieborg, Reeuwijk.
J. Bouwes, Appingedam.
G.A. Diepenhorst, Strijen.
J.C. Sikkel, ’s-Gravenhage.
H.H. van Dijk, Utrecht.
W.A. Vrolijk, Rotterdam.
D. van Lonkhuyzen, Wageningen.
R. Versluys Jr., Amsterdam.
Jn. van Zanten, Zeist.
W. Mulder, Maassluis.
G.J. Harmsen, Arnhem.
G. van Dobben, Alfen.
A.G. Honig, Zeist.
J.P. Chardon, Delft.
C.W.J. van Lummel, Delft.
C.W. Bolman, Leeuwarden.
R.J.W. Rudolph, Leiden.
H.M. Derksen, Gouda.
K. le Cointre, Middelburg.
J. Osinga, Gouda.
W. Lijberse, Arnhem.
W. van Deth, Brussel.
M. van Muiswinkel, Zwammerdam.
C. Batelaan, Bodegrave.
J.J.F. v.d. Bergh, ’s-Gravenhage.
Arie Verduyn, Oudshoorn.
Ds. J. Langhout, Haarlem.

*

Vermits Prof. Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman zijne Memorie van Antwoord (met bijlagen) zelf het licht heeft doen zien, is deze niet als bijlage bij dit Rapport opgenomen. |52|


Bijlage B.


Kampen,
Amsterdam,
13 Januari 1896.

Den Hooggel. Heer
Prof. Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman.



Hooggel. Heer!


Naar aanleiding van uwe bij de Commissie van Enquête, benoemd krachtens besluit van de jaarvergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, dd. 27 Juni 1895, ingezonden Memorie, veroorloven wij ons namens de Commissie van Enquête U nog eenige verduidelijking te vragen van uwe opvatting omtrent de beteekenis van de Gereformeerde beginselen als grondslag van het onderwijs in de andere vakken dan die der Godgeleerdheid volgens Art. 2 der Statuten.

De redenen, waarom deze opvatting ons niet volkomen duidelijk is, zijn de volgende:

1º. In de verklaring der Hoogleeraren dd. 22 Maart 1895, ook door u onderteekend, wordt door de Hoogleeraren gezegd: 1e dat zij elk voor zich en gezamenlijk hunne roeping erkennen, om het door hen gegeven onderwijs geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen te doen rusten; en 2e dat de vraag, hoe dit voor het onderwijs in het algemeen en voor de onderscheidene vakken te verwezenlijken zij, onder inroeping van de hulpe Gods, van nu voortaan een onderwerp van hun gemeenschappelijk onderzoek zal uitmaken.

2º. Ons is gebleken uit de notulen der Commissie uit den Senaat, dat uw tegenstemmen tegen de door den Senaat aangenomen stellingen alleen de beteekenis heeft van een non liquet.

3º. Maar in Uwe Memorie, bl. 48-70, ontwikkelt Gij de gedachte dat alleen de Formulieren van Eenigheid verbindend zijn ook voor de andere wetenschappen dan de Godgeleerdheid.

Kwalijk kan, niettegenstaande deze sub 3º. genoemde opvatting, verondersteld worden, dat door U zou worden voorbijgezien het in Art. 2 der Statuten onderscheidenlijk vermelden van de Geref. beginselen, die gelden voor geheel het onderwijs, en mitsdien ook voor elk onderdeel daarvan, en van de Formulieren van Eenigheid, waarin in bijzonderheden en gedetailleerd is geformuleerd hetgeen uit die beginselen voor het theologisch onderwijs voortvloeit. Die onderscheiding wettigt, naar ons dunkt, de gevolgtrekking, dat de Gereformeerde beginselen, die het geheele onderwijs dragen, nog meer inhouden dan hetgeen in die drie Formulieren is uitgewerkt; en dat om de gevolgtrekkingen voor het niet theologisch onderwijs na te speuren, ook het oog moet gevestigd worden op het tijdperk der historie, waarin het Calvinisme begonnen |53| is om die beginselen te realiseeren, natuurlijk niet zonder tevens deze toepassing te toetsen aan Gods Woord.

Het zou ons aangenaam zijn, daarover Uwe meening nader te mogen vernemen. Daar de notulen der Commissie uit den Senaat eerst sinds kort in ons bezit zijn, hebben wij niet eerder met onze vraag tot u kuünen komen.

In verband met het bovenstaande zouden wij vervolgens gaarne eenige nadere toelichting ontvangen van de opvatting van het recht, door U ontwikkeld op bl. 48-49 van Uwe Memorie. Daar wordt het recht genoemd een „zeer omvangrijk en zeer gecompliceerd samenstel van verschijnselen”, een „historisch verschijnsel”, „waarop ook de menschen meer of minder bewust invloed hebben uitgeoefend”, een „menschelijk recht, datgene waarmee de rechtsgeleerde in aanraking komt”. En wel wordt daarnaast door U aangenomen en erkend een „onveranderlijk” recht, „ordinantiën Gods, die wij kennen uit de natuur der dingen en uit de Schriftuur”, „absolute, te allen tijden overal geldende beginselen en geboden”, bl. 50, waaraan het eerstgenoemde recht getoetst moet worden, en waarvan het de „toepassing” is. Maar daaruit ontvingen wij toch deze voorstelling, dat het recht eerst moet bestudeerd worden gelijk het zich historisch ontwikkeld heeft, en dat daarop dan later weer moet geoefend worden de critiek der H. Schrift. Volgens. Art. 2 der Statuten zijn echter de Geref. beginselen de grondslag van alle onderwijs en schijnt mitsdien het recht te moeten worden omschreven als een samenstel van ordinantiën, welke God als Schepper en Souverein voor alle verhoudingen onder menschen en tegenover zaken verordineerd heeft en welke gekend worden uit Zijne openbaring in de Schrift en in de natuur. Daar echter de kennis der ordinantiën anders wordt gedacht in andere kringen en anders in den Geref. kring, is het ongetwijfeld de bedoeling van Art. 2 der Statuten, dat degene, die zijn onderwijs wil doen rusten op Ger. beginselen, de opvatting van deze ordinantiën Gods, gelijk deze theoretisch en practisch zich in den Geref. kring ontwikkeld heeft, heeft na te gaan, de waarheid dezer opvatting heeft te toetsen aan de Schrift, en voor zooverre deze opvatting waarheid blijkt, van daar uit critiek heeft te oefenen op het bestaande recht en de toekomstige ontwikkeling er van in deze richting heeft te leiden.

Eenige nadere verduidelijking en uiteenzetting van hetgeen door U wordt verstaan onder het recht, bepaaldelijk wat de verhouding van het menschelijk en het Goddelijk recht, de methode voor de kennis van dit laatste, en zijne verhouding tot de Geref. beginselen in Art. 2 der Statuten, betreft, zou ons daarom hoogst aangenaam wezen.

Eindelijk is ons van andere zijde medegedeeld, dat elke poging om in den kring der Hoogleeraren aan de Vrije Universiteit door gemeenschappelijke bespreking tot eenheid van grondbeschouwing te geraken aangaande de in Art. 2 vermelde Geref. beginselen en hunne toepassing op de verschillende vakken van onderwijs, daardoor verijdeld werd, dat Uwerzijds nimmer het initiatief tot zulk een principieel debat genomen werd, noch ook, waar het aan de orde was, Uwerzijds werd gesteund. |54|

Gaarne geven wij U hiervan bericht, ten einde U in de gelegenheid te stellen, ons mede te deelen, wat U naar aanleiding daarvan wenschelijk zal voortkomen.

Wij meenen, Hooggel. Heer, deze vragen U te moeten doen, zoowel om het gevaar te voorkomen van een verkeerde opvatting van Uw standpunt, alsook omdat wij oordeelen onzerzijds niets onbeproefd te moeten laten om zoo mogelijk door nadere gedachtewisseling in de zaak, waarover het onderzoek der Commissie loopt, tot onderlinge overeenstemming en eene oplossing in der minne te geraken; terwijl aan den anderen kant ook de Commissie op eene duidelijke uiteenzetting van Uw standpunt aanspraak mag maken.

Het zal ons aangenaam zijn, Uw antwoord zoo spoedig mogelijk liefst, indien dit kan, vóór 10 Februari a.s., te mogen ontvangen.

De bedoeling der Commissie is aan dit schrijven en aan Uw antwoord geene publiciteit te geven, zoolang althans de werkzaamheden der Commissie niet zijn volbracht.


Hoogachtend enz.


w.g. H. Bavinck, Voorzitter.
Th. Heemskerk, Secretaris. |55|


*

Bijlage C.


Amsterdam, 4 Februari 1896.


Aan de Commissie vna Enquête, benoemd in de jaarvergadering van de Vereeniging voor H.O. op G.G., dd. 27 Juni 1895.


Mijne Heeren!


Door U wordt mij gevraagd, mijne meening over de beteekenis van artikel 2 der Statuten te verduidelijken.

Ik veroorloof mij daaromtrent op te merken, dat volgens art. 2 mijn onderwijs moet beantwoorden aan de daarbij gestelde eischen, en dat het derhalve er minder toe doet, hoe ik over dat artikel denk. Het zou kunnen zijn, dat ik in Uwe oogen een volkomen juiste explicatie gaf van dat artikel, en dat toch mijn onderwijs daaraan niet beantwoordde. Ook het omgekeerde is denkbaar; mijn onderwijs zou bevredigender kunnen zijn dan mijn explicatie van dat artikel. Het zal ten slotte de vraag zijn, of mijn onderwijs beantwoordt aan Uwe opvatting van artikel 2.

Nu ik evenwel zelf, schoon onverplicht, mij in mijn Antwoord over dat artikel heb uitgelaten, en sommige uitdrukkingen door mij daarin gebezigd U niet duidelijk toeschijnen, wil ik aan Uwe beleefde uitnoodiging om daarover nog nader mij te verklaren wel voldoen.

Art. 2 geeft den grondslag aan, waarop alle onderwijs in de scholen der Vereeniging gegeven berusten moet. „De Vereeniging staat geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen, en erkent mitsdien als grondslag voor het onderwijs in de G.G.” F. enz.

Een grondslag, een fundament is uit zijn aard iets vaststaands, iets onwrikbaars. Indien ik zeide, dat Gods Woord zal zijn de grondslag van mijn onderwijs, „echter niet zonder het te toetsen aan” (de uitdrukking door U in Uw schrijven gebezigd) iets anders, dan gevoelt een ieder dat niet Gods Woord maar „iets anders” de grondslag is. Mijn onderwijs kan niet staan, niet steunen op beginselen, die elken dag door mij zelven, als in strijd met Gods Woord, zouden kunnen worden ten zijde gesteld.

Een „echt Gereformeerd” man (over deze uitdrukking zie mijn Antwoord bl. 54) kan en mag het artikel 2 niets anders verstaan dan in dezen zin, dat alle wetenschap uitgaat van de kennisse Gods, gelijk wij Hem kennen door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld, en nog klaarder en volkomenlijker door Zijn heilig en Goddelijk Woord.

Men had in artikel 2 der Statuten evengoed kunnen schrijven: alle onderwijs berust op Gods Woord. Doch door te gewagen van „Gereformeerde beginselen” heeft men „ter voorkoming van misverstand” |56| allen willen uitsluiten, die op de eene of andere wijze tornen aan de Schrift als grondslag van ons weten, of naast de scheppinge Gods en Zijn Woord nog iets anders aan de wetenschap ten grondslag willen leggen. Zoo verstond het ook Dr. Kuyper zelf (zie mijn antwoord blz. 66) en De Heraut van 24 Nov. j.l., waarin hij dat standpunt nog handhaaft. Indien — om alle dubbelzinnigheid af te snijden voeg ik dit er bij — het onderzoek der geschiedenis en der Schriftuur mij leidde tot conclusiën, die meer in den gedachtengang pasten van Luther dan in dien van Calvijn, dan zou ik krachtens art. 2 der Statuten gerechtigd en verplicht zijn die resultaten in mijn onderwijs mee te deelen, althans voor zooyer zij niet in strijd zijn met de Belijdenis der Gereformeerde kerken, en ook dit nog alleen maar, dewijl ik, bij wijze van accoord van gemeenschap, door onderteekening der Statuten vooraf verklaard heb het met die Belijdenis eens te zijn. Men is niet Gereformeerd, omdat men het eens is met Calvijn of in der Gereformeerden zienswijze is ingedrongen, maar men handelt Gereformeerd, zoodra men enkel steunt op Gods Woord en zich door dat Woord laat bezielen. Alzoo handelende, zal men ook indringen in de gevoelens der Gereformeerden, der echt Gereformeerden althans. Historische onderzoekingen daarentegen noch dogmatische overtuigingen van wien ook kunnen ooit den grondslag uitmaken, waarop het onderzoek naar de waarheid gebaseerd moet worden.

Indien men hiertegen te gemoet voert, dat op die wijze alles op losse schroeven komt te staan en het onderwijs aan onze V.U. een vasten grondslag zal ontberen, dan antwoord ik in de eerste plaats, dat een Gereformeerd man nu eenmaal dit standpunt heeft ingenomen. Maar bovendien klinkt die tegenwerping mij òf als ongeoorloofd wantrouwen in de leidingen Gods met de menschen in de ooren, òf als toekenning van een gezag aan de wetenschap, dat aan deze niet toekomt.

De Heere toch gaf ons Zijn Woord, waaraan Hij ona wilde binden, maar liet ons ook vrijheid om te dwalen. Onze Gereformeerde vaderen en theologen hebben dan ook, zoo althans beweert ook Dr. Kuyper, op uiterst gewichtige punten gedwaald; o.a. ten aanzien van de juiste verhouding van Kerk en Overheid. Maar God, die de dwaling toelaat, brengt ons, mits wij eerlijk aan Zijn Woord wenschen vast te houden en getrouwe discipelen zijn van Jezus Christus Zijnen Zoon, altijd weer op het rechte pad; zij ’t ook vaak na bitter leed, dat ons rechtvaardig overkomt, omdat de zonde zelve de oorzaak is van ons misverstaan ook van ’s Heeren Woord. God heeft echter nimmer aan de wetenschap van gewone menschen eenig bijzonder gezag toegekend. De wetenschap, bepaaldelijk het Hooger onderwijs heeft niet, zooals het lager onderwijs, ten doel de menschen op te leiden, maar de feiten te onderzoeken, in hun onderling verband te beschouwen, en daarop naar menschelijk inzicht conclusiën te bouwen. Zij treedt slechts op als feilbare onderzoekster; als leidster en raadgeefster; niet als gezaghebbend. Tegenover de uitkomsten van haar onderzoek mag elk man de uitkomsten stellen van zijn onderzoek, verkregen door aanwending van zijn verstand en zijne ervaring. Slechts wie de geestelijke leiding der Roomsch-Katholieke kerk aanvaardt kan dit betwisten. Op wetenschappelijk gebied |57| behoort ieder eerlijk man zijn individueele vrijheid ten volle te handhaven en mag zich aan de uitspraken der Heilige Schrift alleen dáárom gebonden achten, omdat hij aan hare Goddelijke ingeving gelooft. Het toekennen van eenige, ook maar de minste bindende kracht aan de resultaten der menschelijke wetenschap acht ik ongeoorloofd, en aanmatiging is het in mijne oogen, de resultaten der wetenschap aan iemand te willen opleggen. Hetgeen Dr. Kuyper in het straks aangehaalde nummer van De Heraut daartegenover stelt, acht ik slechts een spelen met woorden. Iets bindt of iets bindt niet, iets is een steun, of het is geen steun. De meerdere of mindere voorzichtigheid waarmee men te werk gaat om iets niet als band of steun te aanvaarden, ligt ganschelijk buiten dit geding.

Tot dusver heb ik uiteengezet, wat naar mijne overtuiging „staan op de Gereformeerde beginselen” beteekent en voor een Gereformeerd man alleen beteekenen kan. Ik zie dan ook telkens, dat mijn tegenstanders moeten toegeven, dat Gods Woord alleen en uitsluitend de grondslag is van het onderwijs aan onze V.U. Daarmee zou de quaestie uit zijn.

Niettemin tracht men nog iets anders in het artikel te schuiven. Men leest het artikel, alsof er stond, dat het onderwijs aan de V.U. rekening moet houden met de Gereformeerde beginselen. Die beginselen zijn wel niet de eigenlijke grondslag, maar als het ware eene tusschenverdieping, waarop men verder bouwen moet, tenzij bewezen zij, dat die tussohenverdieping niet behoorlijk is gefundeerd.

Ook de 17 stellingen maken m.i. de eenvoudige waarheid troebel. Ik althans kan mij zoo’n tweeslachtig iets, dat wel fundament, maar toch weer geen fundament is, niet voorstellen.

Er staat volstrekt niet in artikel 2, dat het onderwijs rekening moet houden met de Gereformeerde beginselen, daarvan studie moet maken, en, behoudens critiek, die beginselen moet verdedigen.

Dit is ook volkomen correct. Het meer of minder rekening houden met menschelijke, dus ook met Gereformeerde beginselen staat in nauw verband met het vak dat men doceert. Alle onderwijs berust op feiten. Ook het natuurkundig onderwijs. Maar niet alle onderwijs komt met abstracte beginselen in aanraking. Het eene meer dan het andere. Te recht schrijft b.v. Dr. Den Houter, in zijne niet uitgesproken doch uitgegeven rede, welke ten zeerste juist van Gereformeerden kant is geprezen, o.a.: „een ontleedkundige die den Heere vreest zal niets anders vinden dan hetgeen vóór hem reeds honderd anderen, die met God in hun wetenschap niet rekenden, gevonden hebben; dezelfde organen en weefsels doen zich aan beiden voor, en kunnen door beiden met onpartijdigheid worden beschreven.”

Om alle misverstand af te snijden, wil ik terstond verklaren, dat de door mij onderwezen vakken op meer dan één punt wèl met specifiek Gereformeerde beginselen in aanraking komen. Ik heb daarom ook steeds kennis genomen, voor zooveel ik daartoe in staat was, niet enkel van de gevoelens van andersdenkenden in ’t algemeen, maar in de eerste plaats van die der Gereformeerden; o.a. van die van onze Gereformeerde kerken, zooals die in hare belijdenisschriften te vinden zijn; van die van Calvijn, te vinden in het laatste boek van zijn |58| Institutie, en vooral van die van Mr. Groen van Prinsterer. Ik zeg „vooral” van die van laatstgenoemde, omdat de staatsordeningen van den tegenwoordigen tijd meerendeels eerst in deze eeuw een vroeger onbekenden vorm hebben aangenomen, zoodat de kennis van onze hedendaagsche staatsrechtelijke verhoudingen voor een zeer groot deel geput moet worden uit gegevens, die aan vroegere auteurs ten eenemale onbekend waren.

Ik wil intusschen geenszins a priori verzekeren, dat ik met de gevoelens van vroegere auteurs over òns Staats- en Strafrecht voldoende rekening gehouden heb. Men gelieve mij aan te toonen, op welke punten dat onvoldoende in mijn onderwijs blijkt en hoe daaraan kan worden te gemoet gekomen; gaarne zal ik alsdan, als een dankbaar discipel, met de meerdere wijsheid en geleerdheid van anderen mijn voordeel doen. Dat aan mijn onderwijs veel ontbreekt, zal ik de laatste zijn om te ontkennen.

Dit alles evenwel staat, omdat het niet het fundament van mijn onderwijs raakt, buiten de quaestie, buiten art. 2 der Statuten.

Het is ook uit dit oogpunt, dat ik de 17 stellingen beschouw, waarvan ook door U gewag wordt gemaakt. Voorzeker bevatten die stellingen veel voortreffelijks ten aanzien van de wijze van onderzoek van sommige vakken; hoewel naar mijne meening volstrekt niet van alle; b.v. om geen andere te noemen, van botanie, van anatomie enz. Elk vak heeft zijn eigene methode. Ik laat dit echter, als hier niet ter zake dienende, in het midden.

Maar die stellingen gaan gepaard aan eene inleiding en aan eene wordingsgeschiedenis, welke den onbevangen lezer doet inzien, dat zij bedoelen de resultaten van het langs den daarin beschreven weg gedane onderzoek te doen strekken tot fundament of basis van het aan de V.U. te geven onderwijs; tot officieele uitlegging van art. 2, waaraan ieder onzer statituair gebonden is. Hadden zij die bedoeling niet, dan ware het zekerlijk onzinnig op grond van verschil van gevoelen over die stellingen te beweren, gelijk de hoogleeraren Rutgers en Kuyper doen, dat er tusschen ons een „diepgaand verschil” van gevoelen is, en dat zij om dit geschil den aanval op Seinpost goedgekeurd, ja noodzakelijk hebben geacht, ten einde te voorkomen dat de V.U. van haar grondslag werd afgerukt (Heraut Nº. 933). En het was die kennelijke bedoeling der 17 stellingen, die mij verbood die stellingen te aanvaarden. Ik heb verder niets meer te voegen tot hetgeen ik in mijn Antwoord blz. 44-62 heb uiteengezet.

Of iets mij zal kunnen bewegen, na de ondervonden bejegeningen terug te komen op mijn voornemen om mijn ontslag als hoogleeraar te nemen, weet ik niet; maar elke poging om mij van het hier ingenomen standpunt, ’t welk met mijne innigste geloofsovertuiging in verband staat, af te trekken, kan slechts dienen om mij in dat voornemen te versterken.


Op de in de 2e plaats mij gestelde vragen valt het mij moeilijker te antwoorden. Wat ik mijn taak als rechtsgeleerde acht te zijn, heb ik uitvoerig uiteengezet op blz. 48-51, 52-54 van mijn Antwoord. |59|

Ik had daarbij dat deel van de rechtswetenschap op het oog, dat ik geroepen ben te onderwijzen. Dat deel der rechtswetenschap kan, behoort althans, m.i. op geen andere wijze te worden onderwezen als door mij geschiedt. Ik onderzoek en beoefen het bestaande Staatsrecht; met het oog altijd op het Nederlandsche Staatsrecht; en toets dit voortdurend aan de eischen van Gods Woord. Met opzet onthoud ik mij daarbij steeds van het geven van definities, omdat, blijkens de ondervinding, gewoonlijk elke definitie onvolledig is en alleen datgene bevat wat hij, die ze geeft, er vooraf in gelegd heeft. Zoo wordt dan onwillekeurig menschelijke wijsheid de grondslag van ons verder onderwijs. Ik daarentegen meen, dat alle onderwijs moet uitgaan van feiten. God gaf ons in Zijn Woord niet eene enkele definitie. Het Woord zelf bindt ons, juist omdat het is een feit: n.l. de openbaring Gods. Ook de natuur, waartoe in dit verband ook de historie behoort, plaatst ons enkel voor feiten. Deze eerlijk te onderzoeken, en dan daarop stellingen of leeringen te bouwen is m.i. de taak van den hoogleeraar die mijne vakken onderwijst.

Ik ontken niet, dat ook langs een anderen, evenzeer wetenschappelijken, m.i. echter min of meer gevaarlijken weg het recht, in meer algemeenen zin, bestudeerd kan worden. Philosofen hebben dat ondervonden, en zij zullen dan ook zeer gemakkelijk de door u gestelde vragen kunnen beantwoorden. Ik onthoud mij echter, hoezeer gaarne kennis nemende van philosophische beschouwingen, van het ontwerpen van philosophische stelsels en heb de door U gestelde vragen nimmer behandeld op mijn colleges. Zij vallen derhalve buiten het terrein van het onderzoek waaraan ik mij heb onderworpen: n.l. het onderwijs dat ik aan de studenten verstrek.

Om evenwel ook hier alle dubbelzinnigheid te vermijden, wil ik wel verklaren, dat, indien art. 2 der Statuten mij verplichtte, eerst na te gaan de opvatting van de ordinantiën Gods, gelijk deze theoretisch en practisch zich in den Gereformeerden kring heeft ontwikkeld; dan de waarheid dier opvatting te toetsen aan de Schrift, en voor zoover deze opvatting waarheid blijkt (met „blijkt” zal wel bedoeld worden „toeschijnt aan den individueelen onderzoeker”), „van daar uit critiek uit te oefenen op het bestaande recht en de toekomstige ontwikkeling er van in die richting te leiden”, ik volstrekt niet zou weten, hoe ik mijne colleges over Nederlandsch Staats- en Strafrecht zou moeten inrichten. Moest ik beginselen doceeren van het Gereformeerde kerkrecht, dan ware deze methode van arbeiden de vanzelf aangewezene; maar hoe men langs dien weg ooit kan komen tot de kennis en de critiek van het recht dat leeft in de Nederlandsche maatschappij, is mij volkomen duister.


Wat de 3e vraag betreft, mag ik mijne verwondering niet verzwijgen, dat ik hier geplaatst word tegenover eene anonieme aanklacht.

Het ware wellicht het best hierover het stilzwijgen te bewaren.

Doch ik schroom niet mijnerzijds, mij zelfs tegen anonieme beschuidigers te verweren.

Daarom verklaar ik in de eerste plaats: dat het volkomen waar is, dat ik nimmer het initiatief heb genomen om een principieel debat uit |60| te lokken, ten einde tot eenheid van beschouwing te geraken aangaande de in art. 2 vermelde Gereformeerde beginselen en hunne toepassing op de verschillende vakken van onderwijs; om de eenvoudige reden dat daaraan bij mij niet de minste behoefte bestond. Voor het onderwijs in mijne vakken behoefde ik geen nadere explicatie van art. 2 en hield mij aan de opvatting steeds èn toen ik curator èn toen ik hoogleeraar werd openlijk door mij voorgestaan. Gevoelde ik op een bepaald punt behoefte aan den raad van theologen of collega’s, b.v. in de eeds-quaestie, dan heb ik dien gevraagd. Eene bijzondere aanleiding om over de beteekenis van art. 2 te disputeeren heeft zich overigens bij mijn weten niet voorgedaan. Uit de door mij op blz. 26/7 van mijn Antwoord aangehaalde loftuitingen van Dr. Kuyper blijkt ook genoegzaam, dat er nog op 29 October 1893 van principieel verschil over de opvatting van art. 2 geen sprake was. Anders toch verdienden zulke loftuitingen eene qualificatie die ik niet nader behoef aan te duiden. Van een principieel verschil heb ik eerst vernomen, nadat ik op politiek terrein tegenover Dr. Kuyper kwam te staan. Ook hierbij verwijs ik naar mijn Antwoord; speciaal blz. 28/30, 41.

In de tweede plaats verklaar ik, „dat nimmer, waar zulk een principieel debat aan de orde was, dit mijnerzijds is gesteund”, voor eene pertinente onwaarheid. Nimmer heb ik, in den kring der professoren, eenig debat tegengehouden; steeds met de meeste inspanning gevolgd, en daaraan naar de mate mijner krachten deelgenomen.


Gaarne neem ik nota van Uwe bedoeling, aan Uw schrijven en mijn antwoord geen publiciteit te geven, zoolang althans de werkzaamheden der Commissie niet zijn volbracht.

Vergunt mij evenwel, mijne heeren, het volgende onder Uwe aandacht te brengen.

Reeds den 27sten Juni van het vorig jaar ben ik in eene zeer talrijke vergadering van personen aan wie geene geheimhouding was opgelegd, ten aanhooren van honderden uit geheel het land saamgekomen, in mijne qualiteit van hoogleeraar aangevallen door 35 mannen, in geheim overleg met twee mijner collega’s, die, hoewel ik in voortdurende aanraking met hen was, mij niet vooraf hebben gewaarschuwd en waartegen ik destijds mij dus niet verdedigen kon.

Daarmee nog niet tevreden zijn enkele dier 35 heeren voortgegaan met mijn onderwijs aan te vallen en verdacht te maken in onder het volk verspreide bladen.

Het Curatorium nam het niet voor mij op.

In het blad waarvan ik hoofdredacteur ben heb ik de bespreking niet willen toelaten.

Maar ik heb, om althans het „hoor en wederhoor” mogelijk te maken, èn de beschuldiging èn mijn antwoord tegelijkertijd in het licht gegeven. Hiermede deed ik niets anders dan gebruik maken van hetrecht dat elk beschuldigde bezit. —

Mijn ambtgenoot, Dr. Kuyper, heeft blijkens de door Ds. Littooy ontlokte bekentenis, in overleg met een anderen ambtgenoot, Dr. Rutgers, den aanval op Seinpost vooraf goedgekeurd, en zelfs, — met het |61| oog inzonderheid op het gevaar voor afsnijding van den leeftocht der V.U., waaronder verstaan wordt de onthouding van contributiën, waardoor alle katheders gelijkelijk gevaar loopen, — noodzakelijk geacht. (Zie Heraut Nº. 933.) Hij staat dus op ééne lijn met mijn 35 beschuldigers en is zelfs geldelijk belanghebbende. Bovendien heeft bij op de samenstelling Uwer Commissie zijn invloed kunnen uitoefenen, een voorrecht dat den onverwacht aangevallene niet ten dienste stond. Niettegenstaande dit alles heeft hij het over zich kunnen verkrijgen, in tal van artikelen mijn Antwoord te bestrijden, nog wel nadat hij eerst zelf, en te recht, had opgemerkt (Heraut Nº. 923), „dat de bespreking der quaestie, juist wijl er eene commissie van onderzoek is benoemd, behoort te blijven rusten”. Voorts heeft hij in De Heraut — die natuurlijk tienmaal meer lezers heeft dan eene brochure — de akte van beschuldiging in haar geheel doen overdrukken, maar van mijne verdediging zelfs niet bij uittreksel melding gemaakt, behalve van enkele zinsneden die hij meende te kunnen weerleggen.

Ik moet natuurlijk mijnerzijds thans zwijgen.

Maar tegenover een beschuldigde is dergelijke handelwijze, als tegenover mij, zonder iemands tegenspraak, gepleegd wordt, in hooge mate unfair, ja ongehoord. Openlijk aangevallen; door tal van personen, waaronder twee ambtgenooten; zelfs gedurende het geding vervolgd, sta ik alleen; onverdedigd; onmachtig om mij te verweren in het openbaar.

Zelfs naar de meest gewone rechtsbegrippen en tegenover een gewoon misdadiger wordt zulk eene houding ten strengste afgekeurd. Zij is te ondraaglijker, omdat men ze zich tegen een publiek persoon veroorlooft.

Ik ben overtuigd, dat reeds alleen het wijzen op dezen onhoudbaren toestand voor U voldoende zijn zal om noodelooze verlenging van dit geding te voorkomen.

Ten slotte veroorloof ik mij, ter voorkoming van alle misverstand, te verklaren dat, hoewel ik niet door ontijdige publiceering van stukken het onderzoek wil bemoeielijken of eenige handeling verijdelen, ik niettemin alle stukken, zoowel die welke van mij uitgaan als die welke tot mij gericht zijn, beschouw als bestemd voor publiciteit. Het moge in sommiger oog een handhaven der eere Gods zijn mijn onderwijs aan de V.U. verdacht te maken, en mij, quasi ter wille van de Gereformeerde beginselen, waarvoor ik anders meende op kerkelijk en wetenschappelijk gebied toch wel eenige liefde te hebben betoond, als gevaarlijk voor de V.U. te verwijderen, — voor mij is de overtuiging dat Gods Woord gansch alleen de grondslag behoort te zijn van mijn onderwijs, eene belijdenis des geloofs, waarvoor ik niet alleen ten tweeden male bereid ben mij groote moeilijkheden op mijn levenspad te getroosten, maar die ik ook gaarne ten aanhooren van geheel de wereld begeer af te leggen. Het geldt hier niet eene personen-, maar een beginselquaestie.


Met hoogachting enz.


w.g. A.F. de Savornin Lohman. |62|


*

Bijlage D.


Delft, 12 December 1895.




Aan de Commissie van Enquête, benoemd krachtens het besluit van de jaarvergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag, gehouden op 27 Juni 1895.



Mijne Heeren!


Op Uwe missive dd. 30 October 1895, diene voor antwoord het volgende:

1º. dat voor zooveel 34 der onderteekenaren aangaat, prof. Lohman zich onthouden heeft van het leveren van eenig bewijs, hetwelk hij, als aanbrenger van zoo booze aanklacht van onoprechtheid, te leveren had; ja, dat hij dit voor die onderteekenaren zelfs niet poogde;

2º. dat hij poogde bewijs te leveren tegen Ds.Sikkel en Dr. Kuyper; dat van deze twee alleen de eerste ons aangaat, en dat zij derhalve Dr. Kuyper er buiten laten; dat wat Ds. Sikkel aangaat, de vraag of hij iets anders bedoelde, dan hij voorgeeft, een zaak des harten van den verborgen mensch is, waarover noch prof. Lohman, noch iemand oordeelen kan, zoodat elke bewijsvoering daarvoor met ondoeltreffendheid geslagen is;

3º. dat wij, voor zooveel Ds. Sikkel aangaat, de aanklacht van onoprechtheid met verontwaardiging verwerpen;

4º. dat de leden der Vereeniging niet bij het onderwijs tegenwoordig zijn en er dus niet over oordeelen kunnen, zoodat ongerustheid bij hen alleen kan gewekt worden door loopende geruchten uit de studentenwereld, of door het publiek optreden van een hoogleeraar; dat zulke geruchten wel reeds vroeger liepen, maar te onbestemd waren om er op in te gaan;

dat daarentegen, toen in het publiek optreden van den heer Lohman als redacteur een streven en bedoelen uitkwam, dat, naar hunne overtuiging, niet de Calvinistische lijn volgde, zij te nauwkeuriger gelet hebben op wat hij over de beginselen schreef, en toen het hun bleek, dat hier veel in was, dat niet uit den Calvinistischen geest was, de vraag wel bij hen moest opkomen, hoe het dan met zijn onderwijs zou staan, en dus dit tot het indienen van hun verzoek geleid heeft; dat als een hoogleeraar in de Theologie op den kansel leeraart of in bladen dingen schreef, welke tegen de beginselen ingingen, zij daaruit dadelijk de conclusie zouden trekken, dat zijn onderwijs reden tot beduchtheid gaf;

dat ware de heer Lohman leeraar in de scheikunde geweest, zijn optreden als politiek publicist zeker geen conclusie tot zijn onderwijs zou gewettigd hebben, dat echter aan den heer Lohman, die hoogleeraar |63| in het Staats- en Strafrecht is, niemand kan noch mag toedichten dat hij een man met twee aangezichten is, en men dus wel moet gelooven, dat hij op zijne colleges in gelijken zin zich uitliet;

dat het feit, dat dit zoo was, uit het jongste geschrift van den heer Lohman ten duidelijkste blijkt, zoodat zij door dit boek hun verzoek ten volle gerechtvaardigd achten, sterker zelfs dan zij hadden vermoed.


Uit naam en op last der 35 onderteekenaren van het voorstel tot benoeming eener Commissie van Enquête,


(w.g.) P.A. Tukker.




1. In de brochure is abusievelijk de naam van een der voorstellers (W. Mulder te Maassluis) als mede-onderteekenaar weggelaten, en het aantal der voorstellers op 34 gesteld.

2. Het recht zooals het moest zijn.

3. Het recht zooals het is.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004