HOOFDSTUK X.

HET CHRISTELIJK LEVEN IN DE MAATSCHAPPIJ.


Uit het voorgaande hoofdstuk is ons gebleken, dat het christelijk leven, hoewel grootelijks onderscheiden van het burgerlijk leven, toch naar Zwingli’s gevoelen bestemd is om dit laatste niet op te heffen, maar te bevestigen en te hervormen. In dit hoofdstuk hebben wij na te gaan, hoe het christelijk leven inwerkt, en welke vernieuwende kracht het doet uitgaan op de verschillende kringen en betrekkingen, waarin het maatschappelijk leven zich openbaart.

Daardoor bovenal heeft de Reformatie den bloei van het zedelijk leven bevorderd, dat zij den grondslag en type aller andere maatschappelijke verhoudingen, het Huisgezin en wat daarvan de basis uitmaakt, het Huwelijk weer in zijn eere hersteld en gewijd heeft. De onzedelijke instelling van het coelibaat werd ook door Zwingli met kracht en ernst bestreden. Reeds in 1522 bepleitte hij de noodzakelükheid van de afschaffing dier instelling in zijne Supplicatio aan den Bisschop van Constanz en in zijne Amica Paraenesis aan den Bondsstaat. 1) Gedrongen door de schrikkelijke onzedelijkheid, waartoe het coelibaat aanleiding gaf, door de heiligheid van het geestelijk ambt, door de ernstige begeerte naar een rein en zedelijk leven, verzocht hij vrijlating van het huwelijk, ook voor de geestelijken. Bovendien toont hij aan, dat het coelibaat eene inzetting is van menschen, |135| in de eerste eeuwen der Christelijke Kerk niet bestond en een beletsel is voor de verbreiding van het Evangelie. Het is eene bron van allerlei onzedelijkheid, wijl het den mensch onmogelijk is de kuischheid te bewaren, tenzij het hem van God gegeven zij, en hem dus doet uitzien, om op ongeoorloofde wijze te genieten, wat naar de wet hem niet wordt toegestaan. 2) En dat niet alleen, het coelibaat heeft een ganschen nasleep van jammerlijke gevolgen; want de kinderen, uit eene ongeoorloofde gemeenschap geboren, worden veracht; hunne opvoeding wordt verwaarloosd; den toegang tot maatschappelijke betrekkingen zien zij zich dikwerf gesloten en daardoor tot een onzedelijk leven zich gedoemd. Dit alles is bewijs genoeg, »hujus pestis auctorem non alium esse nisi satanam, qui honesto quodam pudicitiae praetextu, quo magis nocere posset, hanc nobis commendare voluit”. 3)

Door dezen strijd tegen de heillooze instelling van het coelibaat en tegen de algemeen heerschende onzedelijkheid verklaart het zich zeer natuurlijk, dat de beschouwing van het huwelijk als »remedium salutare omnibus qui uruntur,” zooals Zwingli het noemt, bij alle Hervormers op den voorgrond staat. Geen hunner gelukte het, en ook Zwingli niet, om de zedelijke zijde en de hoogere natuur van het huwelijk volkomen tot haar recht te laten komen. Gelukkig acht Zwingli elk, die de gave der onthouding bezit, »cui divinitus datum est, ut ab uxore possit abstinere.” Maar zoo iemand is »albo |136| corvo rarior.” In het algemeen geldt als regel, dat op elk, die deze gave mist, de verplichting rust om in het huwelijk te treden. Beter is het, gelijk Paulus zegt, te trouwen dan te branden. »Dum duae res incidunt difficiles, una autem altera difficilior est, satius est, minus difficilem amplecti”. 4) Mag naar goddelijk, noch menschelijk recht, aan niemand de verplichting worden opgelegd tot volkomen onthouding, toch moet niet vergeten worden, »quod, tametsi castimonia libere erret, ipse tamen coitus minime debet vagari ac promiscuus esse sed lege fideque constringi et ad frugalitatem compelli, haud secus ac reliquus victus, qui ut liber est ita, ni parsimonia temperetur, furor fit et confusio, ne in porcos degeneremus.” Daarin is dan ook volgens Zwingli de monogamie gegrond, want hij laat er op volgen: »quod rerum omnium opificem iam inde ab exordio creationis voluisse videmus, quum Adam adjutricem foeminam unam tantum, non sylvam aut vulgus foeminarum ex costa finxit, quam et paulo post tali foedere iunxit ut patrem citius et matrem vir relinquat quam uxorem, duo enim coituros esse in carnem unam”. 5) Eenig bewijs, dat de monogamie in het wezen des huwelijks gegrond en daardoor geboden is, vinden wij bij Zwingli niet. Overal gaat hij echter van |137| de onderstelling uit, dat deze alleen geoorloofd is. Onder het Oude Verbond hadden velen wel meer dan ééne vrouw, maar dat heft voor ons het gebod der monogamie niet op. »Paucorum privilegia legem communem nequaquam infringunt.” Tot hunne verontschuldiging geldt, dat zij, ten minste Abraham, niet uit wellust of affecten dit gebod overtraden. Bovendien, »aliud iam tempus alios mores postulat.” En — wat Zwingli bij eenige moeilijkheid terstond bij de hand heeft — »omnia in figura illis contingebant”. 6)

Toch ontbreekt de hoogere beschouwing van het huwelijk ook bij Zwingli niet. Ernstig komt bij op tegen de onzedelijkheid en de »connubia spiritualia” der Wederdoopers. 7) Dat men zelfs ouders er voor verlaten mag, toont reeds, hoe groote waarde het huwelijk heeft in de oogen van God. Het is eerbaar en heilig naar het oordeel Gods en der menschen, en hoewel geen sacrament toch »sanctissima res, quae sacramenti nomenclatura non sanctior fit aut clarior sed obscurior et confusior,” beeld van Christus en Zijne gemeente, »foedus vitae fortunarumque omnium conjunctio et communis alea”. 8)

Daardoor is tegelijk de wederzijdsche verhouding van man en vrouw bepaald. Zij zijn verplicht alles voor elkander te doen en te dragen. Het huwelijk is een leven van wederkeerige toewijding. De man moet zijne vrouw liefhebben, beschermen, zich voor haar opofferen, gelijk Christus voor Zijne gemeente. De vrouw moet den man onderworpen zijn, matig en kuisch wezen en het huis wel bewaren. »Quibus fiat, ut conjuges deo sint |138| quam simillimi”. 9) In stee van schadelijk of ten minste hinderlijk, is het huwelijk veeleer bevorderlijk aan den dienst van God en aan het bereiken van ’s menschen bestemming. Zelfs het zinnelijke in het huwelijk trekt niet van God af. »Ustio a deo abstrahit, non actus conjugalis, si cum castitate et modestia fiat.” Want ook in het huwelijk moet kuischheid heerschen en aan de affecten maat worden gesteld. Nooit mogen wij zoo aan het vergankelijke en aardsche ons hechten, dat onze ziel van God wordt afgetrokken. Overigens moet aan ieder overgelaten worden, die levenswijze te kiezen, »quo totus et indivulsus deo possit haerere. Si potes plus Christo vacare in virginitate, virginitatem amplectere. Si te propius et vicinius Christo adhaerere putas in conjugio, duc uxorem”. 10)

Al wordt op den »consensus” het huwelijk gesloten, toch is niet deze, maar de trouw, »fides eaque vera et integra” het wezenlijke in het huwelijk. Daarop moet voornamelijk worden gelet. In de keuze eener vrouw mag men niet overhaast en onberaden te werk gaan. »Consideranda sunt multa, spectandi sunt mores, educatio, pudicitia, castimonia. Qui voluptatis tantum gratia uxores ducunt, aut ut carnis libidini satisfaciant, aut qui formam tantum attendunt, inhonesti sunt amatores, parumque a meretricio amore absunt et talia matrimonia parum feliciter coeunt, multaque non immerito habent incommoda quia haec tantum spectarunt quae caduca et instabilia sunt”. 11)

Eene meer verhevene beschouwing van het huwelijk |139| dan als »remedium vitandae scortationis” is er dus ook bij Zwingli aan te wijzen, maar heerschende wordt zij niet. Behalve uit de polemische bedoelingen en de tijdsomstandigheden, is dit bij Zwingli nog uit iets anders te verklaren. De Stoïsche leer van de affecten had te grooten invloed op hem geoefend, dan dat hij de huwelijksliefde op haar rechte waarde kon schatten. Zwingli geeft wel toe, dat er sommige affecten zijn, die door het geloof bestuurd volstrekt niet verkeerd zijn, zooals de liefde der ouders tot hunne kinderen, enz. Maar daaris toch altijd in die affecten iets buitensporigs en hartstochtelijks, dat eene eenigszins vrije verhouding des Christens tegenover ben niet toelaat en teruggedrongen en in de maat gehouden moet worden. Boven de liefde staat voor Zwingli dan ook de vriendschap. »Amor ex affectibus, amicitia ex virtute nascitur. Amor aliquando flagrat sed ad tempus tantum, amicitia constans et perpetuo. Si quem tibi eligis amicum, opus est ut prius et mores et vitam ejus sic explorata habeas, ut possis cum eo fortunas omnes et consilia tua communicare. Omnis amicita amor est, sed non omnis amor amicitia. Exempli gratia; coitur conjugium inter adolescentem et puellam aliquando, amor est; mox defervescente amore odium intereedit. Cur hoc? neuter alterius mores sapienter observavit sed affectu quodam juvenili in amorem mutuum rapti sunt. Amor saepe caecus est, |140| amicitia sapientia nititur.” Alleen in ware vriendschap is duurzame vrede mogelijk. 12) En al wordt nu deze vriendschap door Zwingli tot eene christelijke deugd gewijd, toch blijft haar verheffing boven de liefde »ein antiker Zug” in zijne ethiek, dien hij niet aan de Christelijke, maar aan de Stoïsche leer had ontleend.

Even koud als over de liefde, is Zwingli’s oordeel over de vrouw. Haar meer verleidelijk karakter staat reeds in verband met de wijze, waarop zij uit eene rib van Adam geschapen werd. »Quid enim non audebit femina spe fallendi maritum atque latendi, posteaquam nata videt eum tam altum dormisse, ut convelli latus non sentiret, costamque eximi?” Behalve dat zij listiger is dan de man, is zij ook »von natur blöd und begirig nüwer und hübscher dingen, zierden, kleidren und kleinoten.” Ondanks haar scherpzinnigheid en vlugheid van begrip, 13) wijsheid (sapientia) mag haar toch niet toegeschreven worden. Zij zijn gevoelig, spoedig tot medelijden bewogen en veel meer dan de mannen tot allerlei zonden geneigd. Gierigheid is haar meer eigen en draagt bij haar ook een gevaarlijker karakter. Voor genot en weelde meenen zij geschapen te zijn. Alleen de vreeze Gods kan haar van die gebreken genezen. Maar deze brengt bij haar weer het gevaar mede, dat zij in bijgeloof vervallen. Daarom moeten zü onderwezen worden en den man onderworpen zijn. Zelfs de deugd is bij de vrouwen |141| te zwak, om aan de affecten weerstand te bieden en haar van de zonde terug te houden. De overheersching van het gevoel in de vrouw bracht Zwingli, die helderheid en bezonnenheid voor alles eischte en in alle affecten iets onbehoorlijks zag, tot zulk een ongunstig oordeel. Gelukkig voegt hij er bij: »de mulieribus in genere locuti sumus; reperiuntur enim inter eas honestae quaedam piae et fortes, magnanimae, sapientes, ut videmus in Sara, regina Sabaeorum et Abigail.” Maar dan is het juist het heldhaftige en het verstandelijke in haar, dat hem een gunstiger oordeel vellen doet. Zelfs wordt de verhouding van den geest en het vleesch door Zwingli vergeleken bij die van man en vrouw. 14)

Wat de graden van bloedverwantschap betreft, die het huwelijk verhinderen kunnen, daarin is Levit. XVIII voor Zwingli ten richtsnoer. Maar hoewel hij toestemt, dat de Mozaïsche wet het huwelijk met ooms of broeders vrouw verbiedt (patet ut lex huc tendat, ut mortuo fratre aut patruo non liceat ejus uxorem attingere), toch meent hij, »per caritatem nepoti patrui defuncti uxorem non esse adimendam,” en laat voorts aan elk over, dit zijn gevoelen aan te nemen of te verwerpen. Het peter- en meterschap mag den echt noch verhinderen noch ontbinden, wijl de Schrift daarvan niets gebiedt; echter moet het geven van ergernis vermeden worden. 15)

Hoezeer Zwingli op zedelijke hervorming van het huiselijk leven en op bewaring van het heilig karakter des huwelijks bedacht was, kan blijken uit de bepalingen, die hij dienaangaande zelf maakte en in Zurich invoerde. |142| Volgens die bepalingen moest elk huwelijk voor het in 1525 ingestelde »Chor- und Ehegericht” worden voltrokken in bijzijn »zweyer frommer eersamer unterworfner mannen.” Toestemming der ouders of voogden is vereischte, tenzij hij die huwen wil den leeftijd van 19 jaren bereikt hebbe. Tot het huwelijk dwingen is ongeoorloofd. Het mag aangegaan worden, als de jongeling 16, en het meisje 14 jaar oud is. Wie een meisje onteert, moet haar ten huwelijk nemen, of zoo zijne ouders zich hier tegen verklaren, haar eene vergoeding geven naar de bepaling der Overheid. Elk huwelijk moet na voltrekking voor het »Ehegericht,” kerkelijk ingezegend worden. Zwingli’s »Liturgisches” bevat ook »ein segen über die, so sich eelich verpflichtend.” Echtbreuk werd door de Overheid streng gestraft. 16)

Daarentegen werden de redenen, welke Zwingli voor Echtscheiding voldoende acht, door hem verder dan in eenige andere kerkordening uitgebreid. Hij gaat uit van het beginsel, dat Jezus in het verbod, zijne vrouw te verlaten anders dan om hoererij, niet de eenige, maar bij wijze van voorbeeld, slechts eene van de vele »causae divortii” noemt. Jezus veroordeelt wel de roekelooze echtscheiding der Joden, maar niet alle echtscheiding, en bepaalt in de hoererij »terminum, infra quem nemo uxorem repudiare debet.” Maar andere oorzaken, die met die zonde gelijk staan of haar te boven gaan, zooals »proditiones, veneficia, parricidia” sluit hij daarbij niet uit 17). De door Zwingli opgestelde Zurichsche »Chorgerichtsordnung,” noemt dan ook onder de oorzaken van |143| echtscheiding niet alleen echtbreuk, impotentia, maar ook levensgevaarlijke daden of handelingen van een der echtgenooten, en zelfs geheel onschuldige dingen, ziekte b.v. die tijdens het huwelijk een hunner overkomen, terwijl deze dan nog slechts bij wijze van voorbeelden genoemd worden en het aan de Overheid overgelaten wordt, deze verder uit te breiden. 18) Voorts is ook, wijl een geloovige geen ongeloovige mag huwen, scheiding, wanneer zulk een huwelijk bestaat, niet verplicht, maar geoorloofd. 19)

Weinig spreekt Zwingli verder over het huisgezin en de onderlinge verhouding van ouders en kinderen, des te meer over het onderwijs en de opvoeding der kinderen. De verwaarloozing daarvan acht hij een zeer ernstig gebrek van zijn tijd. Velen leggen er zich op toe, zegt hij, om roem te verwerven en hun geslacht tot aanzien te brengen, maar onze kinderen »imaginem dei et nostram veram ac vivam,” verwaarloozen en verachten wij. In dien toestand werd door Zwingli groote verandering gebracht, en in de regeling van het onderwijs komt zijn organiseerend talent niet het minst voor den dag. Niet alleen het onderwijs der kinderen, maar ook van het volk, en vooral het hooger onderwijs werd door hem met zorg behartigd. 20) Grondbeginsel van Zwingli was, dat het onderwijs tevens |144| opvoeding moet wezen. »Non satis est si doceant pueros scribendi artem aut legendi, sed oportet insuper et moribus eos instituere bonis et totam vitae rationem ordinare.” Daaraan is alles gelegen. Want het menschelijke gemoed is gelijk aan een tuin, die, niet goed bearbeid, allerlei onkruid voortbrengt. Vooral van de ouders wier plicht het is hunne kinderen wel op te voeden, hangt veel af. »Vineta et tenera quaeque quae flagella et brachia habent temere quaeque occurrentia apprehendunt seque illis accommodant et aptant ut vitis palo. Arbor aut palus puerorum genuinus parens est.” De kinderdoop wordt door Zwingli verdedigd ook daarmede, »dass es ouch besundere gute stück sind, die us dem kindertouf folgend. Das erst ist, das wir alle in einer christlichen leer erzogen werdind. Das ander ist, dass die kinder genötiget werdend christenlich von jugend uf ze leben und die elteren sy christenlich ze erziehen”. 21)

Vooral komt hier in aanmerking het keurig boekske, dat Zwingli aan zijn stiefzoon, Gerold Meyer, schreef en de vraag beantwoordt: »quo pacto adolescentes formandi sint”. 22) Het behandelt in drie hoofstukken de wijze, waarop het gemoed des jongelings onderricht moet worden in die dingen welke op God, op hemzelven en op anderen betrekking hebben. Meer dan eenig ander, is dit geschrift geschikt, om ons Zwingli’s karakter en zijne verhouding tot de wereld te doen kennen. Christelijke en humanistische levensbeschouwing vormen hier een schoon harmonisch geheel. Allereerst moet de geest des |145| jongelings op God gericht worden, en tot ware vroomheid worden opgevoed. Dit is onmisbare voorwaarde. Maar dan versmaadt Zwingli niets, wat tot ontwikkeling dienen kan. Het woord van God zij echter bij alles ten richtsnoer; en om dat beter te verstaan en ook om zichzelve moeten de talen beoefend worden, want deze zijn eene gave Gods. Door recht verstand der Schrift, zal men ook altijd beter Christus leeren kennen, die het voorbeeld is, waarnaar de jongeling in heel zijn leven en gedrag, in spreken, zwijgen, zelfbeheersching enz. zich vormen moet. Voor onmatigheid in het gebruik van wijn, van spijze en kleeding moet bij zich wachten, bezadigd zijn in zijne liefde, niet jagen naar geld of roem, maar kennis vergaderen, de wetenschap, ook de mathesis en de muziek beoefenen. Zelfs oefening in de wapenen is niet af te keuren, als het geschiedt met het doel, om het vaderland te beschermen. Voorts moet heel ons leven een leven zijn voor anderen, een treuren niet de treurenden en een blijde zijn met de blijden. Eene bruiloft en andere feesten bij te wonen is goed op zijn tijd, maar men zorge altijd, van zulke gezelschappen iets goeds weg te dragen. Spelen, die leerzaam zijn, zooals schaakspel en allerlei lichaamsoefeningen zijn, ook ter ontspanning, zeer nuttig. Dobbel- en kaartspel echter zijn ongeoorloofd. Zwemmen heeft minder nut, hoewel het wel eens aangenaam is, »piscem fieri” en het soms goed te pas komt, zooals het voorbeeld van Cloelia leert. Bovenal moet al ons spreken en ons geheele gedrag het karakter der waarheid dragen. «Quid multa? huc omne studium accelerandum est, ut Christum adolescens quam purissime hauriat, quo hausto, ipse sibi regula erit.” Mocht Zwingli elders den indruk geven, dat het christelijk leven in |146| eene meer of minder vijandige houding staat tegenover het burgerlijke en maatschappelijke leven, en valt het ook niet te ontkennen, dat zoowel Calvijn als Zwingli veel meer op beperking en dooding, dan op wijding en heiliging van het natuurlijke den nadruk leggen, het laatste ontbreekt toch bij geen van beiden en Zwingli’s geschrift aan Gerold Meyer leert dit te zijnen aanzien zeer duidelijk. Vrij staat de Christen tegenover de wereld. Positief werkt hij op haar in en eigent zich toe alwat waar is en goed en schoon. De tegenstelling van den geest en het vleesch is hier verzoend, de christelijke vrijheid hersteld. Ondanks de onmiskenbaar groote verwantschap met de Stoa, in den grond heeft hij haar moraal overwonnen. Van de voorname minachting, waarmede de Stoïsche wijze op alles neerziet, is bij Zwingli geen spoor te vinden. Liet hij zich soms verleiden tot uitdrukkingen, die van eene verachting van al het uiterlijke schijnen te getuigen, toch schreef hij ook: »Christianus homo non debet esse tam durus tamque severus, ut Stoice omnia et rigide ad vivum resecet sed aliquando divino spiritu quem hausit consulat malis, is autem spiritus benignus est, commodus, mansuetus.” En elders: »pessimi sunt, qui omnem humanum sensum exuerunt, crudeliores et ferociores feris facti, qui cives, rempublicam, patriam, liberos denique pro pecunia vendunt ac produnt, nihil quam humanum sanguinem sitientes”. 23) En een blik op zijn persoon en leven kan leeren, hoe oneindig ver zijn zedelijk ideaal van de apathie van den Stoïschen wijze verwijderd was. In weerwil dat hij soms zegt, dat de ziel eerst volkomen vrij wordt wanneer zij van het lichaam is ontslagen, toch |147| erkent hij de roeping volledig, die de mensch ook voor dit aardsche leven heeft. Ja, veel minder nog dan van de beide andere Hervormers is zijn oog op het »Jenseits” gericht. De taak voor dit leven hem opgelegd, houdt hem zóó zeer bezig, dat zijn geest zich slechts zelden in de gedachte over het toekomstige vermeien kan. Er is hem veel meer aan gelegen, dit leven reeds te wijden aan God, gelijk alles dan eerst goed is en aan zijne bestemming beantwoordt, wanneer het in den dienst van God wordt besteed.

Ook in de wijze, waarop Zwingli over de Wetenschap spreekt, komt dit duidelijk uit. Deze wordt door hem op grooten prijs gesteld, zij is eene gave Gods, heeft groote waarde en wordt eerst door misbruik schadelijk. Opdat zij beantwoorde aan het doel, waartoe zij gegeven is, moet zij in dienst staan van de ware wijsheid, welke bestaat in God te kennen en lief te hebben. Wanneer zij van deze wijsheid niet vergezeld is, is ze schadélijk. Geleerdheid is niet genoeg, indien zij niet met geloof gepaard gaat. »Non enim est venenum aliud praesentius quam eruditio sine pietate.” Wie haar misbruiken tot verwerving van eer en roem, handelen evenals iemand, die »pro hera et legitima uxore ancillam accipit et cum ea adulteratur.” Zij mag overal gezocht worden, in de geschiedenis, in de wijsbegeerte, in de wetten, enz. Zwingli verzet zich tegen zulke critici, »quibus ipsa mundities immunda est, quique arbitrantur, flagitium summ um esse, si gentilem poetam legas.” Het is bekend, hoe hij zelf evenzeer de studie der Klassieken als die der Schrift behartigde, en haar aan elk aanbeval, zoo om daardoor de Schrift beter te leeren verstaan, als ook om uit de woorden en daden der ouden voordeel te trekken »ad bene honesteque vivendum.” |148|

Maar Zwingli wil niets weten — en zijn eigen voorbeeld bewijst dit — van eene geleerdheid, die alleen in veelweterij bestaat. Ook de wetenschap heeft bij hem een practisch doel; zij is er om het leven en voor het leven. »Haec est vera eruditio, quum holo ex divinis et humanis litteris quaerit ac investigat honesta necessaria, utilia quaeque quae in se derivet et deinde utatur in aliosque transfundat ut et illos eruditos faciat”. 24)

Ten aanzien van de verhouding, die Zwingli aannam tegenover de Christelijke Kunst, rust op hem eene zware beschuldiging. Het verwijderen der beelden uit de kerken, het afschaffen van gezang en orgel wordt door velen aan gebrek aan kunstzin toegeschreven of geweten aan een overdreven rigorisme, dat donker afsteekt bij de bezadigdheid en de kunstwaardeering van Luther en zelfs in strengheid den ijver van Calvijn overtreft. Maar Zwingli zelf was een hartstochtelijk minnaar van de muziek, bespeelde niet minder dan zeven instrumenten en moest er zich veel spot en laster om getroosten. Hij oordeelde daarenboven, dat er geen mensch is, wien het gevoel voor haar ten eenenmale ontbreekt. »Mirum est, nullius disciplinae rationem tam profunde omnium animis immersam atque innatam esse atque hujus (musices). Nulli enim tam stupidi sunt qui ea non capiantur etiamsi artem prorsus ignorent.”

Maar als van alles, wilde Zwingli ook van de muziek en van de kunst in het algemeen, dat zij aan de phantasie en aan het gevoel geene heerschappij zou verleenen ten koste van de klaarheid en bezonnenheid des verstands. Ook de muziek is den menschen gegeven »ad moderandum |149| et demulcendum feros affectus, non ad magis ac magis extimulandum concitatos”. 25)

Vóór alle dingen eischte Zwingli waarheid, ook in de kunst. De latijnsche mis- en koorzangen schafte hij af ook daarom, dat men niet verstaat wat men zingt en mond en hart dus niet in overeenstemming kunnen zijn. Zuiver aesthetisch waardeeren, iets alleen om den vorm prijzen, dat kon Zwingli niet. Indien het schoone niet de openbaring was van het ware en goede, kon bij het ook niet schoon vinden. Hij legde altijd te veel nadruk op het innerlijke, het wezen, om aan het uiterlijke, den vorm, iets te hechten, tenzij het daarmee in volkomen overeenstemming was. Hoewel zelf minnaar van muziek en zang, bij het inrichten der godsdienstoefeningen liet hij zijn individueelen smaak niet heerschen, maar schafte alles af, opdat de macht van het zinnelijke het geestelijke niet terugdringen, en de mensch niet aan het uiterlijke zou blijven hangen. 26)

Ditzelfde leidde hem bij het verwijderen der beelden. Niet dat hij ze op zichzelve afkeurde. Integendeel, »imagines, quae non prostant ad cultum aut ubi cultus futuri nullum est periculum, tam abest ut damnem, ut et pictoriam et statuariam Dei dona esse agnoscam”. 27) |150| Maar dit doet hem op verwijdering der beelden aandringen, wijl altijd het gevaar van vereering dreigt en het beeld, in stee van tot God op te voeren, ons van Hem aftrekt, en maakt dat wij aan het schepsel blijven hangen. En elke vereering van het schepsel, zelfs van Christus naar Zijne menschelijke natuur, is afgoderij. Het zinnelijke is door de zonde, wier karakter de huichelarij is, niet meer het adnequate orgaan van het geestelijke; het vleesch is zelfzuchtig en trekt ons nederwaarts. Daarom moet al dat zinnelijke zoo veel mogelijk verwijderd worden; alle »Vermittelungen” tusschen Gods Geest en den geest des menschen zijn hindernissen. Ook al was Zwingli voor zichzelven niet tegen de kunst, zijne beschouwing van het verband tusschen het innerlijke en het uiterlijke, het vleesch en den geest, bracht toch mede, dat hij ze niet op die waarde schatte als Luther en althans aan een opnemen en dienstbaar maken van de kunst aan den cultus niet denken kon. De cultus moest zoo eenvoudig mogelijk zijn, dacht Zwingli, maar hij was mild genoeg, om aan andere gemeenten haar gevoelen te laten. »Der mitloufenden ceremonien halb, schrijft hij in de voorrede van zijne liturgie van het Avondmaal, möchtind wir villycht etlichen ze vil, etlichen ze lützel gethon haben geachtet werdend. In disem aber habe ein iedliche kilch ir meinung; dann wir desshalb mit nieman zanken wöllend. Dann was schaden und abfürungen von gott us vile der ceremonien bishar erwachsen sygind, wüssend alle glöubigen one zwyfel wol. — — — — Indem wir aber andrer kilchen mee ceremonien (als villycht inen füglich und zu andacht fürderlich), als da sind gesang |151| und anders, gar nit verworfen haben wellend, dann wir hoffend alle wächter an allen orten sygind dem herren ze buwen und vil volks ze gewünnen allweg geflissen”. 28)


Den engeren kring van het huisgezin en van het intellectueele leven verlatend, hebben wij vervolgens na te gaan, hoe Zwingli de beginselen zijner ethiek toepast op den Staat en de Kerk.

Met de beide andere Hervormers gaat Zwingli uit van de stelling, dat de overheid er alleen is om de zonde. Indien wij naar den eisch der twee groote geboden God liefhadden boven al en den naaste als onszelven, dan ware zij onnoodig. Zoolang wil echter die geboden niet allen volbrengen, mag zij niet afgeschaft wbrden. »Tunc tandem abolendus magistratus, quum flagitia sic erunt abolita ut nemo peccet neque lingua neque facto. Hoc autem in alio mundo eveniet, huic enim negatum est tanta innocentia frui”. 29) Dat neemt niet weg, dat de overheid bestaat bij goddelijk recht. Want juist wijl wij de »divina justitia” niet kunnen volbrengen, heeft God eene lagere soort wetten gegeven, en de overheid aangesteld om haar te handhaven en haar overtreding te straffen, »ne humana conversatio et mutuus ille communisque omnium nostrum convictus in latrocinium quoddam degeneret et mutuis caedibus dehonestetur”. 30) Tegenover de Roomsche geestelijken, die beweerden dat met hunne |152| macht ook die der overheid viel, en tegenover de Wederdoopers wordt dit »droit divin” door Zwingli streng gehandhaafd. Alle overheid is van God. Wie haar weerstaat, weerstaat Zijne ordening. Ook de kwade overheid, zooals Pharao, bestaat bij goddelijk recht en wordt ons dan gegeven tot straf voor onze zonden. 31) Het is onverschillig, welke regeeringsvorm in een land bestaat, alle overheid, monarchale of republikeinsche, heeft hare aanstelling van God. De eene vorm is echter boven den anderen te verkiezen. Zwingli zelf, op eene groote mate van burgerlijke vrijheid gesteld, spreekt onverholen zijn afkeer uit van de monarchie. Het scheen hem al te gevaarlijk voor de vrijheid, dat alle macht bij één persoon berust, die door vleierij bedorven, licht dwalen en in een tiran ontaarden kan, en bovendien, zoo het eene erfelijke monarchie is, nog door een zoon of bloedverwant kan opgevolgd worden, wien alle geschiktheid tot regeeren ontbreekt. Evenals Calvijn, kiest dan ook Zwingli zeer beslist voor de republiek, en wel zulk eene, waar de edelsten regeeren, voor de aristrocatie. Daar toch is minder strijd tuaschen het algemeen belang en dat der overheid, bestaat meer kans op billijkheid en gerechtigheid en minder gevaar, dat de overheid haar macht misbruikt. 32)

Als goddelijke instelling, heeft de overheid op gehoorzaamheid aanspraak; en deze moet haar betoond worden, niet om de straf, maar om des gewetens wille. Die gehoorzaamheid houdt echter op, wanneer de magistraat iets beveelt, wat met Gods gebod strijdt. Dan moet Gode meer |153| gehoorzaamd worden dan den menschen. Maar zelfs als de overheid vervolgt en ter dood brengt, is tegenstand ongeoorloofd en moet dat om Gods wil gedragen worden. Voor Christus te sterven, blijft nimmer zonder vrucht; geen Nero zelfs kan het Evangelie uitroeien. 33)

In weerwil van deze uitspraak, is Zwiugli er echter ver van af, alleen lijdelijk verzet te leeren. Door geen der Hervormers is het recht tot opstand en tot afzetting van de overheid zoo luide gepredikt als door Zwingli. Ook Calvijn sprak dat recht uit, en kende het toe aan wie er in een Staat, zoo veel als de Ephoren te Sparta, regeerden als »populares magistratus ad moderandum regum libidinem constituti”. 34) Zwingli kent het recht toe aan het volk. Wel drukt hij zich soms voorzichtiger uit, en zegt hij, dat eene kwade overheid gedragen moet worden »donec divina gratia nos liberare dignetur” en later in zijn commentaar: in zulk een geval moet God worden gebeden, »ut nobis tandem Mosen aliquem alleget, qui a servitute in veram libertatem adserat”. 35) Maar tot deze afwachtende houding bepaalt hij zich niet. Als vorsten hunne roeping vergeten, in plaats van het algemeen belang hun eigen belang zoeken, voor oorlogen en verkwistende levenswijze belasting op belasting heffen, en hun volk berooven en dooden, dan mag het volk bedenken, dat zij wel aangesteld zijn om de boozen te straffen, maar niet om de goeden te onderdrukken, en mag het niet gedwongen worden, altijd maar aan hun eischen te voldoen. En als zij nog verder gaan en in strijd handelen met de voorschriften van Christus, dan moeten zij in |154| Godes naam worden afgezet, opdat niet heel het volk, als Israel om Manasse, om hunnentwil gestraft worde. Dan lijdelijk te blijven, zou zijn, hunne misdaden goedkeuren en bewijs leveren, dat het volk even bedorven en diep gezonken was als zijn vorsten. Niet slechts ter wille der vrijheid, om van den onderdrukker verlost te worden, maar vooral om Gods ongenoegen en straffen zich niet op den hals te halen, daarom is volgens Zwingli verzet tegen een misdadigen vorst geoorloofd, ja zelfs roeping en plicht. Elk vorst, hoe machtig ook, is dienaar, een instrument in de hand van God, en »instrumenta propter usum sunt non propter se et nisi usui serviant nihil sunt.” Een slecht vorst is een dienaar Gods ja, maar zooals ook Satan een dienaar Gods is, die altijd verleidt en ten verderve voert. Tegen zulk een is verzet plicht en afzetting geoorloofd. 36) Toch wil Zwingli niet, dat dit door elk privaat persoon of met geweld geschiede, maar »cum modestia et timore Dei,” door de stemmen van hen, door wie zulk een vorst verkozen is. En indien het een erfelijk vorst is, dan mag hij afgezet worden bij stemming van het geheele volk of van de meerderheid. »Deo fit auspice.” Indien zij dat niet willen, »ferant iugum tyranni et cum eo denique pereant”. 37)

De plichten, welke de overheid te vervullen heeft, zijn tweeërlei: de goeden te beschermen en de kwaden te straffen. Daartoe moet zij weten, wat goed en kwaad is, en deze kennis kan zij alleen verkrijgen uit de goddelijke |155| wetten, wier korte inhoud is de »lex naturae.” Het is bepaald Zwingli’s bedoeling, dat alle wetten, ook die van den Staat, in deze wet der natviur gegrond en daaraan conform moeten zijn; 38) zoo weinig is hem het onderscheid der »Rechts- und Sittengesetze” duidelijk. Hij geraakt daardoor terstond in moeilijkheden. Want deze »lex naturae” is nooit te bereiken, noch voor den enkele noch voor den Staat; en daar de overheid bovendien alleen over het uiterlijke, de daad oordeelen kan, zoo kunnen haar wetten uitteraard nooit met die goddelijke wet overeenstemmen. Er blijft dus niets anders over, dan te zorgen, dat de overheid »humanam justitiam administret et servet quantum fieri potest, ut quam proxime ad divinam legem eam omnesque leges suas dirigat”. 39) Gods wil en wet is ook voor den Staat de hoogste norma. HetEvangelie is bij Zwingli niet alleen voor den enkele bestemd, maar is ook het wetboek der overheid. Maar daar de wet Gods alleen door den geloovige goed gekend en uitgelegd kan worden, zoo is het voor de overheid, indien zij goede wetten wil geven, noodig dat zij zelve geloovig en vroom zij, en God vreest. 40) Dit. is voor de overheid zulk een vereischte, dat zij anders geene goede overheid zijn kan. »Adime magistratui timorem Dei, tyrannum reddidisti; insere tyranno timorem Dei, iam suapte sponte liberius ac fidelius faciet quod lex jubet quam ullus terror efficere potuisset”. 41) Zwingli bestrijdt daarom ook de |156| Wederdoopers, volgens wie de Christen geen overheidsambt mag bekl eeden, en stelt tegen hunne bewering de roeping des Christens ook op dit gebied. »Non debent Christiani detrectare imperium sed operam dare ut sit quam piissimum et aequissimum sub quo degimus”. 42) Hij handhaaft tegenover hen het recht der overheid en door hunne consequenties soms van het minder juiste zijner eigen beginselen overtuigd, komt hij dikwerf op vaster bodem te staan. Als de Anabaptisten uit Jezus’ woord: Mijn rijk is niet van deze wereld, concludeerden: dus past den Christen geen overheidsambt, leidt Zwingli daaruit af: »ergo Christus de ordine reipublicae et magistratus qui a patre olim institutus est, nihil immutat.” En al de wetten en rechten, die God over de overheid vroeger gegeven heeft blijven door Christus gehandhaafd. De goddelijke wetten zelve dwingen ons, aan de »humana justitia,” al is die gebrekkig, te gehoorzamen. Christus zelf beval, den Keizer te geven wat des Keizers is, en weigerde in eene rechtszaak uitspraak te doen. Hij kwam niet, »ut regnum in hoe mundo sibi compararet, sed ut qui dominus omnium erat, sese omnibus subjiceret”. 43) De magistraat heeft van het Evangelie niets te vreezen. Integendeel, »magistratus publicus firmatur verbo et facto Christi.” Daar is geen rustiger, gelukkiger en langduriger regeering, dan die luigtert naar het Evangelie en alles regelt naar de voorschriften van Christus. Daaruit volgt, dat de magistraat niet beter zijn eigen belang en tevens dat van het volk behartigen kan, dan door de zuivere kennis van God onder het volk te verspreiden en Zijn Woord vrij te laten |157| prediken. Want het is niet genoeg goede wetten te hebben; er moeten bovenal goede burgers zijn, die ze volbrengen. 44) En dan eerst zal de overheid goed zijn, wanneer het eene Christelijke overheid is, en dan eerst haar roeping verstaan en haar plichten vervullen, wanneer zij in alles luistert naar Gods Woord.

Wat nu de plichten der overheid tegenover de goeden betreft — deze bestaan alle daarin, dat zij hen beschermen moet. Tegenover hen heeft de overheid eene zuiver negatieve houding aan te nemen. Voor de goeden op zich zelven is zij onnoodig, zij is er alleen om de kwaden. De Staat verliest naar die mate zijne rechtstreeksche heerschappij, als de zonde afneemt en minder wordt. Voor den geloovige toch is niet slechts de zedelijke, maar ook de burgerlijke wet afgeschaft. Hij gehoorzaamt voortaan vanzelf, of om geene ergernis te geven. »Qui in omnibus indivulse deo haerent, et spiritui ejus obtemperant, magistratu nullo egent, attamen parent ne offendant, cujus rei exemplum in Christo hic propositum est qui fuit spiritualissimus”. 45) Omdat echter en voor zooverre zij hier op aarde niet volmaakt worden, is de Staat ook rechtstreeks voor hen noodig. Maar toch bovenal is het de roeping der overheid, hen te beschermen. Dat is haar gewichtige taak, en zij heeft wel te zorgen, dat zij die ter harte neme en den goeden niet tot vreeze zij, opdat zij niet afzetting zich waardig make. De magistraat verliest voor de geloovigen het karakter van magistraat; hij is voor hen geen gebieder meer, als een broeder heeft hij zich jegens hen te gedragen, en niet zoo zeer daarop zich toe |158| te leggen, »ut in sceleratos animadvertat, quam ut bonos a vi et injuria servet ac vindicet, ne in impietatem aut scelus ruant, magis anxius pro animabus subditorum quam pro eorum rebus”. 46)

De plichten der overheid tegenover de kwaden bestaan in het bedwingen en straffen hunner misdaden. Allen te sparen, ware even onbillijk als niemand te sparen. De overheid heeft het »jus gladii,” maar mag daarvan nooit gebruik maken uit toorn of affecten, want dan wordt zij moordenares. Strenge toepassing wordt door Zwingli niet verlangd. Hij beschouwt de straf meer als noodzakelijk om de rust en de veiligheid te bewaren en de goeden te beschermen, dan als handhaving der gerechtigheid. De overheid heeft de kwaden te bedwingen, en de doodstraf is het uiterste middel. »Si sine gladio fieri potest, fiat in his nempe, de quibus spes melior arridet, sin minus, non fert gladium frustra. Satius est, morbidum et infectum, membrum quod nulla cura refici potest, tollere et resecare, quam ferre ut totum corpus pereat”. 47)

De macht van den Staat strekt zich uit tot onze goederen en zelfs tot onze lichamen; de overheid heeft recht, van ons gehoorzaamheid, belastingen, diensten te vorderen. Maar die macht heeft haar grens in het geweten. »Nec quidquam imperii in mentes et conscientias hominum magistratui concessum est”. 48) Wijl het geloof alleen door God kan geschonken worden, is dwang ongeoorloofd en onnut. Christus zelf »hat sin leer und glouben nit mit gwalts hülf ufgebracht sunder mit dem lyden,” en wil |159| ook niet, dat wij dit zullen doen. Dwing ze, om in te gaan, moet verstaan worden in den zin van »vehementer urge. Neque enim verisimile est, cum qui negavit regnum suum esse de hoc mundo, hic sui oblitum imperasse, ut increduli ad se cum imperio cogerentur aut satellitum vi, sed invitantium indefatigato studio”. 49) Het 65ste der Artikelen luidt: »qui errorem non agnoscunt nec ponunt, deo sunt relinquendi, nec vis corporibus illorum inferenda, nisi tam enormiter ac tu ultuose se gerant, ut parcere illis magistratui salva publica tranquillitate non liceat.” Zwingli is er voor, in zulk een geval hun pythagorisch stilzwijgen op te leggen, nadat zij nl. gehoord en met Gods Woord weerlegd zijn. 50) Aan de dwaling even veel recht te laten, als aan de waarheid, dat wilde hij niet. Zelfs gaat hij elders verder, en acht ook dwaling strafbaar voor de overheid. Zwingli maakt onderscheid tusschen tot het geloof dwingen en Godslasteraars straffen. Het eerste is altijd ongeoorloofd, maar iets anders is het »blasphemantes fidem et nomen dei, venenumque falsae doctrinae spargentes punire et coercere, aut abducentes a deo, et vera pietate e medio tollere.” Dit acht Zwingli wel geoorloofd en beroept zich daarbij op O. Testamentische voorbeelden. 51) De gewetensvrijheid werd dus ook door Zwingli niet uitgesproken. De nauwe vereeniging van godsdienst en politiek, het gezag, dat aan het O. Test. toegekend werd, en de bepaald Zwingli eigene gedachte, 52) dat geen volkseenheid zonder godsdiensteenheid mogelijk |160| was, was oorzaak dat de ketterij ook als politieke misdaad en dus strafschuldig beschouwd werd. Toch werden de Wederdoopers in Zurich, naar Zwingli zelf zegt, niet om hunne ketterij gestraft. Hunne geschriften werden niet verboden, gelegenheid tot dispuut hun toegestaan, en slechts de houding, die zij aannamen tegenover Staat en Kerk, hun als schuld aangerekend. Na de tweede disputatie, 20 Maart 1525, besloot de Senaat, de straf der verdrinking toe te passen op wie iemand herdoopte. Zwingli, dit verhalende, voegt er bij: »haec forsan paulo fastidiosius tibi obtrudo, optime lector, sed traxit me nullus plane aestus aut affectus, sed fidelis pro ecclesiis vigilantia ae sollicitudo.” Op de beschuldiging van Faber, dat hij (Zwingli) leerde, dat men niemand om des geloofs wil straffen mag, en toch de Wederdoopers strafte, antwoordde Zwingli: »es ist by uns kein taufer nie mit marter angfochten, dass er diss oder jens gloubte. Es sind villycht einer oder zween mit marter versucht um andrer dingen willen, in denen sy verdächtig gewesen”. 53)

Hoewel Zwingli echter hierin niet geheel vrij te pleiten is, 54) en in de boven aangehaalde plaats de ketterstraf goedkeurt, toch ligt in zijne beginselen de vrijheid des gewetens opgesloten, en het lag slechts aan de tijdsomstandigheden, dat hij ze zelf niet duidelijk uitsprak. Dit kon eerst, toen in één Staat meer dan ééne confessie en godsdienstige richting ontstond, en zoo het probleem zelf in de werkelijkheid aan de orde werd gesteld. |161|

Behalve het recht der straf, wordt ook dat van den Oorlog door Zwingli verdedigd. Zeker ware deze onnoodig, wanneer wij allen Gods geboden volbrachten. Maar zoolang die volmaaktheid niet is verkregen, moeten wij den oorlog gebruiken, om de boozen te bedwingen, de waarheid, den godsdienst, het vaderland te beschermen, en in vrede te kunnen leven. De geboden van Christus, zeventig maal zevenmaal te vergeven en de linkerwang toe te keeren, aan wie ons op de rechter slaat, worden door Zwingli in dit verband, bij het verdedigen van den oorlog, niet in absoluten zin opgevat, immers dan had Jezus zelf er niet aan bpantwoord. Die voorschriften gelden alleen private personen, maar niet den Staat, wiens roeping is, de gerechtigheid te handhaven en het land te verdedigen. Christus noch zijne Apostelen hebben den oorlog verboden. 55) Niettemin zag Zwingli de rampen en ellenden van den oorlog goed in. Alle krachten spande hij in, om zijne medeburgers van de onrechtvaardige oorlogen in dienst van vreemde, vorsten, van paus en bisschoppen soms, wien het oorlogvoeren in het geheel niet past, terug te houden. Alleen om soldij ten strijde te gaan, en een onschuldig volk te berooven en te vermoorden, dat is wreed, onmenschelijk, met alle ware vroomheid in strijd. Zulk een oorlog is niets dan roof en moord; wie daaraan deelneemt staat schuldig aan het vergoten bloed. 56) Oorlog is nooit anders dan in den uitersten nood geoorloofd; »ultimum remedium”. Eerst |162| als wij alles in het werk gesteld hebben, om onzen vijand te winnen, maar bij voortgaat de rust te verstoren, dan is oorlog plicht. Want het is de roeping der overheid, »ut a populo sibi commisso omnem injuriam quantum poterit vel bello repellat, si alia ratione fieri non possit.” Als de waarheid, de gerechtigheid, de vrijheid, het vaderland worden aangevallen, dan moeten de wapenen worden opgevat. Wie dan weigert, »non bonus civis est nec christianus sed nequam et impius, quum et fide in deum et caritate in proximum careat.” Zoo geldt als regel dan, dat geen oorlog geoorloofd is uit heerschzucht en andere onedele beginselen, maar alleen, wanneer God het gebiedt, d.i. wanneer geloof en liefde beide het voorschrijven. 57)

Evenals de oorlog, zou ook de Eed onnoodig wezen, indien wij volmaakt waren. Nu echter is hij juist door de liefde tot God en den naaste geboden. Christus heeft alleen het lichtvaardig eedzweren in het dagelijksch leven, en het zweren bij eenig schepsel verboden, maar niet den eed, die door de overheid afgenomen wordt. 58) De eed is van zóó groot belang, dat wie hem verwerpt, alle ordeningen omkeert. »Jusjurandum tolle, iam omnem ordinem solvisti. Qui juramentum e medio tollere conantur, omnem obedientiam, qua vel magistratibus publicis, vel privatim proximo devincti sumus, tollunt, ut deinde fronte posita licenter in omne facinus erumpant.” Want de eed is eene aanroeping Gods, een beroep op Hem, wanneer menschen ten einde raad zijn, en een, indien men bedriegt, zich verbinden tot de zwaarste straf der |163| goddelijke wraak, eene heilige zaak, »species religionis,” een heilig anker, waartoe men de toevlucht neemt, wanneer menschelijke wijsheid te kort schiet. Die dus in ernstige en moeilijke gevallen een eed aflegt of eischt, zegt als het ware: »vide frater, ambo mortales sumus, mendaces et fallaces. Tu dicis te metuere et colere deum et ego hunc eundem metuo et colo. Adstringemus ergo nos sacrosancto juramento illi summo aeterno, vero et incommutabili deo qui nec fallit nec falli potest, ut qui fallat fidem in deum fregerit gravissimaeque se poenae subjecerit.” De heiligheid van den eed vordert, dat bij nooit roekeloos mag afgelegd worden, maar alleen bij zeer gewichtige gelegenheden, dan, wanneer de eere Gods en het belang des naasten het eischen. Tegen misbruik moet ernstig gewaakt worden; in het dagelijksch leven zij ons eenvoudig woord genoeg. Meineed is de zwaarste misdaad en eischt strenge straf. »Nam pejerare aliud nihil est quam deo qui est veritas et justitia ad mendacium, ad fraudem, ad injustitiam abuti. Qui pejerat, dominum prodit”. 59)


De toepassing, die Zwingli van zijne ethische beginselen op de Kerk maakt, levert voor de ethiek weinig stof. De zelfstandigheid en de vrijheid, welke Zwingli aan den enkelen geloovige toekent, kan de vraag doen rijzen, hoe zoo eene kerkelijke gemeenschap, eene gemeente tot stand komen kan. Maar de H. Geest, zegt Zwingli, die in de harten der geloovigen woont, is in allen dezelfde, blijft altoos zichzelf gelijk, en leert allen hetzelfde. |164| Gelijk de leugen zich kenbaar maakt door twist en verdeeldheid, openbaart de Geest der waarheid zich in eenheid en vrede. Van alle separatisme en sectarisch wezen heeft Zwingli een diepen afkeer. De gemeenschap te verlaten, op zichzelf te gaan staan en zoo de van nature bestaande gelijkheid op te heffen, dat acht hij eene van de grootste zonden. »Deo nihil odiosius quam sectae”. 60) Door die zelfstandigheid der geloovigen, die tegelijk eene gemeenschap vormen, komt Zwingli vanzelf tot de autonomie der enkele gemeente.

Theoretisch wordt het onderscheid tusschen Staat en Kerk door Zwingli goed vastgehouden, en de autonomie der kerk duidelijk uitgesproken. Maar de door Zwingli niet gezochte, maar door de omstandigheden hem geboden, nauwe vereeniging van godsdienstige en politieke belangen, de oproeren en muiterijen van het volk, de hardnekkige strijd der Wederdoopers deden het wenschelijk schijnen, deze autonomie niet aanstonds in de werkelijkheid toe te passen. De kerk draagt »tacito consensa” al hare macht in uitwendige zaken, waarbij ook gerekend wordt het afschaffen van de mis, de beelden enz. over aan den Staat, echter zoo, dat deze handelt in haar naam, en alleen voor zooverre bij zich laat leiden door Gods Woord, en dus een Christelijke Staat is. 61) De kerk is dus, zooals Zwingli die in Zurich organiseerde, geen op zichzelf staand lichaam met zelfstandige inrichting en bestuur, maar de Staat zelf, van eene bepaalde zijde beschouwd. Zooals een Christen niets anders is dan een |165| goed burger, zoo ook is »urbs christiana nihil quam ecclesia christiana”. 62) Staat en kerk hebben denzelfden omvang, de eenheid des geloofs strekt zich uit tot de eenheid des volks. 63)

Staat en kerk eischen beide hetzelfde en komen in het uiterlijke geheel overeen. »Requirit civitas, ut rem publicam colas non privatam, ut communia habeantur pericula atque etiam fortunae, si usus postulet, ut nemo sibi sapiat, ut nemo extollatur, ut nemo factiones excitet.” Datzelfde eischt ook de kerk. »Sed quod ad interiorem hominem attinet, immensum est, discrimen.” De staat let alleen op het uiterlijke, de kerk ook op het innerlijke. 64) Gene vertegenwoordigt de menschelijke, deze de goddelijke gerechtigheid. Beide zijn op Gods ordeningen gegrond, maar de staat toch alleen, omdat en zoolang de zonde heerscht. Zoolang de kerk niet volmaakt is en allen nog niet door Gods Geest zich laten leiden, is de staat ter beteugeling der boozen noodzakelijk. Naar haar uitwendige zijde is de kerk geheel onderworpen aan den staat. Al datgene, waarin de kerk zich anders als eene eigen instelling openbaart, is opgedragen aan de overheid. Maar des te sterker zoekt Zwingli hare voortreffelijkheid boven den staat daarin aan te wijzen, dat haar de H. Geest geschonken is en in haar werkt, dat zij Gode ter eere leeft en volkomene reinheid des levens eischt. Dat |166| is het eigenlijk gebied, waar zij heerscht niet door uitwendige, maar door zuiver geestelijke middelen, door de macht van haar geest. De Kerk is bij Zwingli, op zich zelve beschouwd, wat men tegenwoordig noemt, eene belijdende gemeente, een organisme, geen instituut.

Dit komt het sterkst uit in Zwingli’s oordeel over den Kerkelijken Ban. Theoretisch wordt het recht, om dien uit te oefenen, toegekend aan de gemeente. Hij is het uiterste middel der Kerk, om openbare zonden te bestraffen, en moet toegepast worden bij zulke zouden, die »veluti contagio quaedam offendunt et totum corpus inficiunt.” Naar Jezus’ bevel moet hij van eene vermaning, eerst zonder, dan met getuigen, voorafgaan; de gemeente beslist ten slotte, of hij uitgeoefend moet worden of niet. Voor God geldt niemand als geëxcommuniceerd, dan op wien de ban naar den regel van Christus toegepast is. 65) »Der bann ist nüzid anders weder ein ussatz und usschliessen des bösen glids, das vorhin vor gott schon verworfen ist und mit sünden verwürkt; ein eröffnung des bösen, der die ganzen kilchen verärgern mag.” De wederopneming bij berouw en bekeering moet altijd open blijven; »widerum yngenommen werdend die, die vorhin von gott begnadet sind”. 66) De ban is van groot belang, een uitnemend middel, om misdaden te keer te gaan en goede zeden onder de Christenen te bevorderen. Volgens een voorstel van Zwingli aan den raad van Zurich, moest de ban, bestaande in uitsluiting van het avondmaal en van de kerkelüke en burgerlijke gemeenschap, toegepast worden op allen, die aan echtbreuk, hoererij, Godslastering, dronkenschap, moord, meineed, diefstal, beeldendienst, |167| gierigheid, woeker en bedrog zich schuldig maakten. 67)

Maar bij deze theorie blijft het. Eene enkele maal slechts werd aan grove zondaren het avondmaal ontzegd. Overigens werd de excommunicatie in Zurich nooit toegepast. Door de omstandigheden gedwongen, om de kerk te plaatsen in de bescherming van den Staat, kwam Zwingli later tot een ander gevoelen over den ban. Hij berispte de Wederdoopers, dat zij om elke lichte zaak excommuniceerden, ook om zulke misdrijven, die aan de overheid moesten overgelaten worden. Strenge toepassing van den ban keurde hij af, omdat deze toch altijd maar uitwendige zonden treffen kan en andere menschen, die in hun hart veel slechter zijn, vrij laat. De strengere praxis van Oecolampadius vond dan ook bij Zwingli geene instemming. De Apostelen hebben de uitoefening van den ban aan de gemeente opgedragen, omdat zij onder eene heidensche overheid leefden; nu echter zijn de omstandigheden veranderd en is het de taak der christelijke overheid, de zonden te straffen en tegen te gaan. 68)

Daarvan ging Zwingli dan ook uit bij al de maatregelen van tucht, die hij in Zurich nam, en welke alle, vooral het in 1530 ingevoerde en streng gehandhaafde »Sittenmandat”, 69) het bewijs leveren, hoezeer hij bevordering van een waarlijk christelijk leven zich ten doel stelde.

Ten slotte moet nog gelet worden op de beteekenis, welke Zwingli hecht aan het Kerkelijk Ambt. Hij gaat |168| uit van de gedachte van het algemeene priesterschap der geloovigen. Er is in de gemeente geen andere macht, dan die zij zelve heeft. Het ambt der geestelijken is geen »dignitas nee potestas quaedam nec etiam magistratus sed evangelicae doctrinae dispensatio”. 70) In zijn geschrift Von dem Predigamt 71) bespreekt hij de Ef. IV : 11-14 genoemde bedieningen. Tusschen het ambt der Apostelen en dat der Evangelisten maakt hij dit onderscheid, dat genen zonder uitrusting uitgezonden zijn en bepaald onder Heidenen arbeidden, dezen eene vaste gemeente tot standplaats hebben. Het ambt der Profeten, dat onder het O. Test. bestond in voorspelling en ook in het uitroeien, verbreken en verstoren van al wat tegen Gods wil opgericht is en in het planten en bouwen van wat Gode behaagt, bestaat onder het N. Test. vooral in het uitleggen der Schrift. Om het groote belang, dat het volk en de overheid en ieder mensch heeft bij de kennis der Schrift, werd den 19den Juni 1525 in Zurich een begin gemaakt, om iederen morgen één uur voor het volk, één uur voor geleerden de Schrift te verklaren. Deze samenkomsten droegen den naam van Profetie en werden later ook te Bern, Bazel en St. Gallen gehouden. Zwingli hechtte daaraan groote waarde. De profeet is in de kerk, wat de overheid is in den staat, noodig om haar in stand te houden, want de leer is het fundament der kerk, zonder welke zij niet kan bestaan. De plichten der profeten bestaan daarin, dat zij de waarheid allereerst zelven kennen en verstaan, en dan prediken, leeren, verdedigen, niet met het zwaard, maar door hun woord en |169| hun gebed. Zij zijn zóó noodig, dat zonder hen overheid en volk niet goed kunnen zijn; »ubi propheta nullus est, nihil efficiet magistratus, nec pius unquam erit populus” Het ambt van den profeet staat boven dat der overheid; »quamvis neque propheta magistratui neque magistratus prophetae debeat religione cedere, primas tamen ea in re propheta tenet, quia praeceptorum primum munus est docere, posterius ea quae non recte intellecta aut coepta sunt emendare”. 72)

Behalve deze zijn er nog het predik- en het herdersambt, welke in eene kleine gemeente kunnen samengaan. 73) Tot geen dezer ambten mag iemand zich naar eigen believen opwerpen. Daarom berispt Zwingli de Wederdoopers zoo scherp, wijl zij aan de gemeenten zich opdringen en nieuwigheden invoeren buiten hare toestemming. Want evenals in zaken des geloofs, berust ook in het verkiezen en afzetten van een leeraar de beslissing bij de gemeente, echter »mit rat etlicher frommen wol verständigen bischofen oder christen”. 74) In de practijk is dit door Zwingli niet altijd volgehouden.

Het toezicht op de leer en het leven der geestelijken en ook van hunne huisgezinnen werd door Zwingli opgedragen aan eene Synode, die in 1528 ingesteld werd en jaarlijks twee malen bijeenkwam. 75)

De plichten, die op den geestelijke tegenover de gemeente rusten, zijn door Zwingli in zijn geschrift over den »Pastor” helder en grondig aangewezen. 76) Het zijn |170| vooral ethische eischen, die aan den herder gesteld worden. Hoofdvereischte is, dat hij zelf vroom zij en, Christus navolgende, een goed voorbeeld geve aan de gemeente, opdat deze door zijn leer en leven gesticht en gebouwd worde. De pastor moet zijn ambt stellen boven vader en moeder, zichzelven verloochenen, alle hoop en vertrouwen vestigen op God, en dan, boete en bekeering predikend, vooral aandringen op reinheid des levens. Het is de zedelijke bekwaamheid, welke Zwingli vooral in don herder, veel meer dan de dogmatische, verlangt; op diens persoonlijkheid en leven komt het in de eerste plaats aan.

De verhouding, waarin de herder tot de gemeente staat, is zoo anti-hierarchisch mogelijk. Hij heeft haar niet te beheerschen, maar te dienen en zich voor haar op te offeren. Een vader moet hij voor haar zijn, die allen met liefde leidt, en ook hen, die overtreden en in zonden vallen, wel ernstig en zonder schroom, maar toch zacht en liefderijk bestraft. Zelfs zijn leven moet de herder voor zijne schapen over hebben. Gelijk.de valsche herder daaraan kenbaar is, dat hij eigen meeningen leert in plaats van Gods Woord, en alleen voor zichzelven, voor roem en genot leeft; zoo wordt de ware herder daarin openbaar, dat hij alleen op God vertrouwt, alleen Zijn Woord predikt en het belang en het welzijn zijner gemeente zoekt.

Maar zoo bescheiden en vol toewijding de pastor moet zijn tegenover de gemeente, zoo sterk en dapper en niets ontziende moet hij zich stellen tegenover de overheid. Gelijk er te Sparta Ephoren en te Rome Tribunen waren, om de overheid in het misbruiken harer macht te keer te gaan, zoo heeft God ook onder zijn volk de herders aangesteld, om te waken, en haar misdaden haar voor te |171| houden. Vrees mag hij daarbij niet kennen, maar steunende op God, moet hij haar bestraffen, evenals Nathan en Elia en Johanues de Dooper. Op dezen plicht van den herder legt Zwingli allen nadruk. De pastor moet profeet zijn, de waarheid verkondigen, en onderwijzen wat goed en kwaad is. Als de overheid aan allerlei misdaden zich schuldig maakt en het volk komt er niet tegen op en duldt dat, en keurt het stilzwijgend goed, dan moet de profeet hun allen, volk en overheid, in het aangezicht weerstaan, tegen hunne gruwelen de stem verheffen, en liever het leven verliezen, dan dulden, dat Gods geboden overtreden en misdaden voor deugden gehouden worden.

Deze plichten van den herder tegenover de overheid vloeien vanzelf voort uit de verhouding, waarin Zwingli de Kerk plaatste tot den Staat. Wijl de Kerk alle zelfstandigheid mist en elken maatregel van tucht en verbetering des levens aan de overheid heeft afgestaan, is er te meer aan gelegen, dat deze zelve vroom en christelijk zij, haar roeping begrijpe en de tucht handhave. Taak van den herder is het dus, op het gedrag en de daden der overheid te letten en haar tot trouwe waarneming harer plichten aan te sporen. 77)

De Oud-testamentische profeet is het ideaal van den herder, gelijk hij het ook was voor Zwingli zelven, die door Bullinger niet ten onrechte met een Jesaia en Jeremia werd vergeleken.




1. III, 17. I, 39. In datzelfde jaar trad Zwingli in het huwelijk, maar hield dit tot 1524 geheim.

2. Openhartig zegt Zwingli van zichzelven: »Nos satis infeliciter hactenus experti hoc donum (castitatis) esse negatum, diu nobiscum deliberavimus quonam pacto tam inauspicato coeptae castitati mederemur”. III, 20. cf. VII, 54-57.

3. I, 54.

4. I, 54. III, 22. 277. VI, 1. 516: Carnis ustionem et pruritum semper sentire et vivere absque remedio res est longe difficilima. Amplectendum igitur quod minus incommodum est, utcunqüe et suam molestiam habeat, nempe uxor ducenda quantumvis sit morosa.

5. III, 21 cf. VI, 1. 343: Deus, qui cuncta creavit, in usum ea hominum creavit, non ut in his voluptuarentur, aut iis abuterentur sed ad necessitatem. Feminam itaque in adjutorium homini dedit, non ad luxum, ut hac una, uxore scilicet, contentus, alias ne appetat quidem.

6. V, 63. 109. 132. VI, 2. 153.

7. III, 382 vlg.

8. I, 52. 466. III, 231. 275.

9. III. 231. VI, 1. 344.

10. VI, 2. 157, 233.

11. V, 109. VI, 1. 344. cf. IV, 154, waar bij aan zijn stiefzoon den raad geeft: »amare dum incipit adolescens, animi sui tirocinium exhibere debet; ac dum alii viribus et armis |139| per tumultum lacertos suos explorant, hic noster omne robur huc vertet, ut se ab amoris insania tueatur, cumque amandum prorsus esse viderit, caveat ne depereat, sed talem eligat ad amorem, cuius se ferre mores in perpetuo matrimonio posse confidat, eique congressum suum usque ad connubium tam illibate custodiat, ut praeter hanc ex omni mulierum virginumque corona nullam noverit.”

12. VI, 1. 603: Deus principium et fundamentum est verae et perpetuae amicitiae. VII, 282: An non arctius cohaerebunt qui in Christo connexi, quam quos carnis affectus conjunxit.

13. En zelfs deze heeft nog weinig waarde: »astutia seu acumen mulierum spicarum aristis simile est, quae aciem quidem habent sed admodum imbecillem; pungunt non perforant.” VI, 1. 308.

14. III, 630. II, 2. 296. VI, 1. 308. 591. cf. Spörri, Zwingli-studien, pag. 105.

15. I, 175. III. 619. II, 2. 345. 357.

16. II, 2. 229. 358. VI, 1. 517. cf. Mörikofer, Ulrich Zwingli, I, pag. 260. II, pag. 43-45. 287.

17. VI, 1. 228. 345. VII, 316.

18. Item grösser sachen denn eebruch, als so eines das leben verwurkte, nit sicher vor einandren wärind, wütende, unsinnige, mit hüry tratzen, oder ob einer das ander unerloubt verliesse, lang us wäre, ussätzig und derglychen, darin nieman von unglyche der sachen kein gwüss gsatz machen kann; mögend die richter erfaren und handlen wie sy gott und gestalten der sachen werdend underwysen. II, 2. 359.

19. VI, 1. 345. 517. VI. 2. 155.

20. Tichler, H. Zwingli, I. pag. 323 vlg. Christoffel, Huldreich Zwingli, pag. 9. 96. 97. 150.

21. I, 260. VI. 1. 216. 326. 334. 347. 558. 672. V, 166. II, 1. 300.

22. IV, 149-158. Over de aanleiding tot dit geschrift zie: Mörikofer, I, pag. 204.

23. V, 126.192

24. IV, 162. VI, 1. 281. 305. 376. 556. VII, 305.

25. V, 604. II, 1. 2. II, 2. 441. cf. Mörikofer, U. Zwingli. II, pag. 91-95.

26. I, 383-385, vix centesimus eorum qui quotidie canunt psalmos intelligit. Lingua et mens in oratione breviter consonant, brevius vox et mens in canendo. cf. Spörri, Zwinglistudien, pag. 111. Ebrard, Dogma vom h. Abendmahl, II, pag. 58.

27. IV, 15. cf. Antwurt an Valentin Compar, II, 1. 1-62. aldaar zegt hij, pag. 20, van zichzelven, »dass mich die bilder wenig verletzen mögend, dass ich sy übel sehen mag (wegens |150| kortzichtigheid), ouch das ich für andre menschen lust hab in schönem gmäld and stehnden bilden.”

28. II, 2. 233.

29. I, 361. 381. III, 296. 302. cf. VI, 331: quandoquidem homo ex animo et corpore constat, corpus magistratui subjectum est, spiritus divino spiritu regitur. Nam donec non sumus spirituales, parere debemus magistratui donec spiritus plene in nobis obtineat et regnet.

30. I, 452.

31. III, 305. I, 363.

32. V, 483-489.

33. I, 369. 464.

34. Instit. IV, 20 : 31.

35. I, 470. III, 305.

36. I, 379. III, 301. 307. VI, 1. 332. 567. 604. VIII, 493. In Jezus woord: indien uw oog u ergert enz. verklaart Zwingli oog door rex, princeps, episcopus etc. VI, 1. 228. 336. 513.

37. I, 381. VI, 1. 332.

38. I. 370. 373.

39. I, 374. VI, 1. 517 jura gentium aut civilia tum bona et honesta sunt, quum ad jus naturae quam proxime accedunt.

40. I, 373.

41. III, 297. VIII, 179: tolle a magistratu religionem, tyrannus est, non magistratus.

42. III, 305. V. 263.

43. I, 361. 364. III, 402. VI, 1, 563. VIII, 55.

44. I, 360. 373. 374. 439. 465. III, 297.

45. VI, 1. 332.

46. I, 374.

47. I, 375. VI, 1. 228. 562.

48. I, 472. 473

49. II. 1. 409, II, 2. 309. 1, 362. 684. III, 68.

50. I, 433.

51. VI, 1. 274. VIII, 178.

52. Es mag das cbristlich burgrecht zweyerley leer nit erlyden. II, 3. 75.

53. II, 2. 9. II, 1. 259. III, 364. II, 2. 435, 451. VIII, 91 zegt Zwingli: »Pro Catabaptistis ipse quoties coram senatu cum ipsis actum est, anxie oravi, et precibus nostris factum est, ut senatus tam cunctanter cum eis egerit.”

54. Mörikofer, U. Zwingli, II pag. 69-75.

55. VI, 1. 562 vlg.

56. Zie Zwingli’s geschrift: Ein göttlich vermanung an die eidgnossen, dass sy sich vor frömden herren hütind und entladind. II, 2, 286. cf. I, 102. 376. 364, etc.

57. VI, 1. 562 vlg. V, 58. 260.

58. I, 440, 448, V, 97. 105.

59. III, 407 vlg. V, 97 vlg. 105, 272. VI, 1. 229. VI, 2, 286.

60. VII, 269. Zijn verlaten van de R. Kath. Kerk rechtvaardigde hij altijd daarmede, dat hij slechts het oude, waarvan zij afgeweken was, herstelde.

61. III, 339. 341. VIII, 177. 178.

62. VI, 1. 6. VIII, 183.

63. Constat spiritu et corpore ecelesia et respublica perinde atque homo carne et animo. Ut enim innumerabiles humani corporis portiunculae uno animo et connectuntur ut servantur; sic ecclesia, sic populus uno spiritu, in unum sensum ac mentom et deinde in unum quoque corpus, quantumvis immane coit. VI, 1. 2.

64. III, 296.

65. I, 348-355. III, 304. 390.

66. II, 1. 84.

67. II, 2. 353.

68. VIII, 54. III. 390. VIII, 402. 510. cf. Christofel, Huldreich Zwingli, pag. 138-140. Tichler, Huldreich Zwingli II, pag. 379.

69. Zie: Mörikofer, Ulrich Zwingli, II, pag. 283-293.

70. I, 251. 358. 460. III, 203. 276.

71. II, 1. 304-336.

72. VI, 1, 2, 3. 367. 375. 550. VI, 2. 178.

73. II, 1. 326.

74. II, 1. 332.

75. Mörikofer, Ulrich Zwingli, II, pag. 118.

76. Pastor, quo docetur quibus notis veri pastores a falsis discerni possint et quid de utrisque sit statuendum. I, 656-708.

77. I, 656-708. IV, 162. VI, 1. 281. 305. 376. 556. VIII, 305.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000