HOOFDSTUK IX.

HET CHRISTELIJK EN HET BURGERLIJK LEVEN.


Met hoeveel kracht Zwingli ook op persoonlijk christelijk leven aandrong, daarmede tevreden stelde hij zich niet. Zijn blik reikte verder. De godsdienst is voor hem niet iets innerlijks slechts, weggelegd in het binnenste heiligdom des gemoeds, maar een beginsel, dat ook naar buiten zich openbaart en vormend inwerkt op het geheele menschelijke leven. Veel meer dan Luther, zag Zwingli de beteekenis in van het sociale leven in zijn ganschen omvang. Misschien heeft geen der hervormers het beter dan Zwingli verstaan, dat het Christendom een zuurdeeg is, dat heel de maatschappij doordringt, een zout der aarde, eene macht, die niet rust voor dat zij de wereld beheerscht. Christus — sprak hij meermalen uit — is gekomen, om de wereld te verlossen niet alleen, maar om ze ook te vernieuwen en te heiligen. Zijne hervorming is van dit beginsel de toepassing. Zij droeg een patriotisch zoowel als een kerkelijk karakter. Beider belangen, van kerk en vaderland, waren hem éen. In het Evangelie zag Zwingli de bevrediging van het beangstigde geweten, maar evenzeer ook de rust van den Staat en van de maatschappij. De hervorming moet van binnen, van den mensch uit beginnen, maar dan ligt ook de gansche wereld voor haar ter bearbeiding open. »Nobis mutatis et renovatis, mundum mutari et renovari necesse est.” En Zwingli stelde bij zijne Reformatie zich ten doel, zoowel om door |123| de prediking der waarheid de burgerlijke gerechtigheid te herstellen, als zielen te winnen voor Christus. 1)

Toch wacht ons eenige teleurstelling, wanneer wij meenen dat Zwingli datgene, wat bij practisch zoo uitnemend verstond en in beoefening bracht, nu ook theoretisch zuiver aangeven en uiteenzetten zal. Duidelijk treedt dit aan het licht, als hij het karakter van het christelijk leven in onderscheiding van dat van het burgerlijk leven, of gelijk Zwingli zelf het noemt, de goddelijke en de menschelijke gerechtigheid bespreekt. 2)

De christelijke volmaaktheid bestaat, in de volkomene vervulling der »divina justitia,” en wijl deze niet een willekeurig gebod, maar de uitdrukking is van Gods wezen en natuur, in gelijkvormigheid aan God. »Tales nos esse vult, qualis ipse est.” Dat is voor den Christen het zedelijk ideaal. De inhoud dier goddelijke gerechtigheid kan alleen gekend worden uit Gods Woord. In de tien geboden hoofdzakelijk vervat, is zij, gelijk wij vroeger reeds zagen, door Christus in woord en daad volkomen verklaard en duidelijk gemaakt. Haar hoofdinhoud luidt: God lief te hebben boven al en den naaste als onszelven, hetgeen in het wezen der zaak met den inhoud der »lex naturae” overeenstemt en daarvan slechts de nadere beschrijving is. Zwingli spreekt daarmee de eenheid uit der ware godsdienst en zedelijkheid, welke onder alle volken, over de geheele aarde, dezelfde is; alwat daar buiten valt, |124| is afgoderij en zelfzucht. Het onderscheid tusschen de wetten dezer goddelijke gerechtigheid en alle andere geboden bestaat hierin, dat zij alleen ook op het innerlijk wezen des menschen betrekking hebben, zuiver geestelijk zijn van aard en op het hart en de gezindheid letten. Zij vorderen volkomen, uiterlijke en innerlijke, gerechtigheid van ons en regelen niet slechts de uitwendige daden, waarin de innerlijke gesteldheid des menschen zich openbaart, maar allereerst die innerlijke gesteldheid des harten zelve, de affecten, neigingen en hartstochten des menschen. De »divina justitia” eischt, dat wij onzen schuldenaren vergeven, niet slechts niet dooden maar zelfs niet toornen, niet twisten maar den rok geven aan wie den mantel neemt, de linkerwang toekeeren aan wie ons op de rechter slaat; zij verbiedt anderer goed te begeeren, een eed te zweren, een ijdel woord te spreken; zij gebiedt onze vijanden lief te hebben, te leenen, zonder iets weder te ontvangen, enz.

Al deze geboden en verboden nu, die in de liefde tot God en den naaste gegrond zijn, worden door Zwingli zonder onderscheid letterlijk opgevat., Zij hebben voor allen bindende kracht, en mogen niet worden verzwakt. Het zijn geene »consilia,” zooals de Roomschen beweren, »Sed praecepta et mandata expressa et propria, quae a nobis deus requirit et ita omnino servari vult, ut ad illius conspectum nequaquam admittamur, nisi ea in nobis sit vitae innocentia, ea puritas, ea omnium actionum nostrarum integritas, qualem ipsius sancta voluntas a nobis postulat”. 3)

In deze opvatting van de christelijke volmaaktheid, is Zwingli’s verwantschap met de Wederdoopers duidelijk |125| merkbaar. Het was ook meer dan eene toevallige overeenstemming geweest, als hij vroeger gemeend had, »es wäre vil wäger, man toufte die kindli erst, so sy zu gutem alter kommen wärend”. 4) Zoo zeer was het zedelijk ideaal voor hem hetzelfde, als voor de Wederdoopers, dat hij met hen de gemeenschap van goederen voor den eenig waren toestand erkent. Van nature toch is alles gelijk. »Servat deus ordinem omnium rerum, eodem modo nascitur rex et pastor. Affectus vero hunc ordinem dei pervertunt et vitiant. In usu dissimilitudo est, non in natura.” God schiep alles met het doel, dat het algemeen eigendom zou zijn, maar ’s menschen boosheid en begeerlijkheid heeft alles tot privaat eigendom gemaakt. »Rerum proprietas ex perfidia et philautia originem habet.” Door het verachten van Gods gebod, dat de liefde tot den naaste gebiedt, »factum est ut omnia totius orbis bona, omnes fructus et universae opes in privatorum quorundam potestatem devenerint, qui sibi propria vindicant, quae deus libera esse voluit et omnium usul exposita.” Eisch der goddelijke gerechtigheid ware het dan ook, al onze goederen aan de armen te geven. De rijkdom staat bij Zwingli niet zeer hoog aangeschreven; hij ziet er altijd meer de schaduw-, dan de lichtzijde van. 5) Op zichzelve, in het afgetrokkene gedacht, bestaat de christelijke volmaaktheid voor Zwingli in hetzelfde, waarin ook de Wederdoopers het stelden.

Toch was Zwingli er ver van af, om den werkelijken |126| toestand tegen dat zedelijk ideaal prijs te geven, en zijne practische natuur komt wel daarin het meest uit, dat hij in weerwil van zijn beginsel, het streven der Anabaptisten met kracht en heftigheid bekampt. Wat aan den eisch der »divina justitia” getoetst, ongeoorloofd of althans onvolkomen bleek, trachtte hij volgens de »humana justitia” te handhaven. Want hij begreep zeer goed, dat deze absolute geboden der goddelijke gerechtigheid in het openbaar, maatschappelijk leven en onder menschen niet als verbindende wetten konden worden ingevoerd en toegepast. Deze »divina justitia” toch kan niemand bereiken. Haar voorschriften volbrengen is onmogelijk. De christelijke volmaaktheid is een hier op aarde onbereikbaar ideaal; elk mensch, ook de vroomste en heiligste, blijft met verkeerde neigingen en hartstochten behept. 6) Boven,dien zijn er vele goddelooze menschen, die zoo weinig aan die goddelijke gerechtigheid en haar bevelen zich storen, dat zij zelfs in hun uitwendig gedrag er geen gehoor aan geven, en niet alleen God niet vreezen, maar ook den naaste het zijne ontrooven en hem dooden. Zoo zou de burgerlijke samenleving dreigen ontbonden en vernietigd te worden, en het recht van den sterkste gaan heerschen. Dit voorziende, heeft God nog andere wetten |127| gegeven, die alleen de uiterlijke daden des menschen regelen, en de handhaving daarvan aan de overheid opgedragen. Deze »humana justitia” nu, zoo genoemd, »non quae ab homine sit inventa aut dictata sed ea qua se deus ad humanam infirmitatem attemperat,” maakt het burgerlijk en maatschappelijk leven mogelijk en tot plicht. Want even goed als de goddelijke, rust ook deze menschelijke gerechtigheid op goddelijke instellingen en wetten, en moet dus evenzeer als gene door ons opgevolgd worden. Ja, meermalen spreekt Zwingli het uit, dat het Evangelie van Christus de burgerlijke samenleving niet ontbindt, maar haar bevestigt en haar ordeningen handhaaft. De »divina justitia” zelve dwingt ons, om de wetten der »humana justitia” te gehoorzamen, en doet ons haar juist met ijver en nauwgezetheid betrachten. Vandaar, dat er van de prediking der goddelijke gerechtigheid,ook al maakt zij de armoede en de onvolkomenheid der menschelijke gerechtigheid openbaar, voor de burgerlijke instellingen en rechten niets te vreezen, maar alleen zegen te verwachten is. 7)

Zoo houdt dan ook Zwingli het recht der burgerlijke samenleving en hare ordeningen en instellingen tegenover de Wederdoopers staande, en toont aan, dat het betalen van rente, pacht en tienden plicht is. Ja, hoewel |128| erkennend, dat de eigendom door de zonde in de wereld gekomen is, en met den eisch der »divina justitia” in strijd is, toch wil hij niet, dat hij daarom afgeschaft wordt. Voor zichzelven zou Zwingli het met blij gemoed kunnen dragen, dat alles gemeen was. 8) Maar God laat het toe, dat wij alles tot privaat eigendom maken, »ea tamen ratione ut debitores ipsius constituamur, simulque injungit ut opes has terrenas et caducas ex verbi sui praescripto et legibus usurpemus”. 9) Behalve de zuiver geestelijke geboden, gaf God immers nog »nidrere gsatz: du sollt nit stelen, du sollt bezalen, die bist du ouch schuldig ze halten. Hie sichst du ouch, dass uns gott die zemmengeschütten gemeinschaft nit gebüt; denn wo dem also, könnte nieman stelen, denn es wäre alles gemein; wo gemein ist, da ist das gemein eins jeden. Darum hat ouch gott fürsehen, dass keiner eim andren sins neme, und hat gesprochen: du sollt nit stelen. So folgt ouch, dass ’s eigentum ist, obglych dasselb mit gott nit ist, denn wir sind allein schaffner. Wer erkennt aber um eigentum? Der richter. Hierum, alldiewyl der richter etwas für eigentum erkennt, sollt du es darfür halten”. 10) Evenzoo weerspreekt Zwingli zijne vroegere meening, als hij zegt, dat Jezus’ gebod aan den rijken jongeling, om al zijne goederen den armen te geven, geen rechtstreeks gebod is, maar eene »probatio, hyperbolica locutio.” Iemand, zegt hij elders, kan een goed Christen wezen, ook al is hij rijk. »Omnia abjicere non est opus virtutis aut perfectionis.” Het voorbeeld van Nicodemus leert ons, »opes et potentiam cum fide jungi posse et magnum decus |129| addere credentibus. Nihil impediunt opes, si oculus simplex et animus fidelis fuerit.” En in een brief aan Berchtold en Franciscus te Bern schreef hij: de Wederdoopers verwarren de gemeenschap van goederen met de ondersteuning der armen. Deze laatste is plicht en mag niet nagelaten worden, maar »communitatem non possumus nec debemus exigere”. 11)

Kennelijk was het dus Zwingli’s streven tegenover de Wederdoopers het burgerlijk leven met zijne instellingen te handhaven. Maar het zedelijk recht daarvan aan te toonen en een zedelijken grondslag daarvoor te winnen, gelukt hem slechts onvolkomen. De »humana justitia” toch, welke bij Zwingli de menschelijke maatschappij en haar ordeningen en verhoudingen in stand houdenen rechtvaardigen moet, is wel door God ingesteld, maar is, wijl zij alleen op het uiterlijke ziet, arm, gebrekkig en zwak, en heeft waarde alleen in het oog des menschen, die niet kan oordeelen over het hart, en met het uitwendiope zich tevreden moet stellen. Ook wie aan haar volkomen voldoet, is nog volstrekt niet rechtvaardig in de oogen van God. Tusschen de goddelijke en de menschelijke gerechtigheid is even groot verschil, als tusschen God en den mensch. Van de »humana justitia” geldt, wat Ezechiël van de ceremoniën zegt: het zijn geboden die niet goed zijn en rechten, waarbij men niet leven kan. Zij is eene straf eer dan eene weldaad. 12)

Door de goddelijke en de menschelijke gerechtigheid zoo scherp te scheiden en tegenover elkander te stellen, wordt het Zwingli onmogelijk, deze laatste als zedelijk goed in het licht te stellen. Wel zegt bij meermalen dat de »divina justitia” de »humana” niet opheft maar |130| bevestigt, doch deze gedachte vast te houden en uit te werken gelukt hem niet. Altijd dringt het zich weer aan hem op, dat het volbrengen van gene, deze overbodig maakt. Indien wij, zoo zegt hij herhaaldelijk, de twee groote geboden der wet volbrachten, waren alle andere wetten overbodig. De »humana justitia” blijft het karakter dragen van een noodzakelijk kwaad, dus altijd toch van een kwaad. Haar bestaansrecht is voor Zwingli niet zoozeer gelegen in haar goddelijke instelling en bedoeling, als wel in haar noodzakelijkheid voor de instandhouding der maatschappij, in het gevaar, dat het sociale leven anders onmogelijk worden zou; zij is een kwaad, noodig om iets nog ergers te verhoeden. 13) Wetende, dat wij de volmaaktheid toch niet kunnen bereiken, en niet zonder affecten kunnen zijn, heeft God met de instelling dezer menschelijke wetten, zich naar onze zwakheden geaccommodeerd. »Deus se nostris infirmitatibus nonnihil accommodat. Leges humanae justitiae ad nostram imbecillitatem moderatae sunt”. 14)

De werkelijkheid was daarom het eenige standpunt, van waaruit Zwingli de Wederdoopers met goed gevolg bestrijden kon. De noodzakelijkheid der »humana justitia” voor de menschelijke samenleving wordt door hem dan ook ten sterkste bepleit; daarop beroept hij zich tegenover hunne idealistische eischen. »Toto coelo errant Catabaptistae, qui in tanta consceleratione, quae hodie tantum non regnat, abolitas volunt omnes leges, abolitum volunt magistratum; si veterem possent restituere innocentiam, legibus quidem nihil opus esset; antequam vero illam restituunt, sinant nobis leges integras.” Tegelijk laat |131| Zwingli niet na, hen krachtig te doen gevoelen, hoe weinig hun eigen onzedelijk leven aan het ideaal, dat zij zich stellen, beantwoordt. Zoo er geene wetten en geen magistraat waren, zouden zij juist om hunnentwil moeten ingesteld worden. 15)

Hoezeer Zwingli nu echter ook van de onbereikbaarheid der christelijke volmaaktheid en van de noodwendigheid der »humana justitia” overtuigd was, hij kon zich toch niet onttrekken aan de vraag, of dan toch niet naar het hoogste ideaal, de volbrenging der »divina justitia” moest gestreefd wor den. Zwingli kan daarop natuurlijk slechts een bevestigend antwoord geven, want met deze alleen kunnen wij voor God bestaan. Maar daar elke stap in deze richting eene toenadering tot de Wederdoopers is, haast hij zich er bij te voegen: »Interim tamen nostrae infirmitatis conscius Christus nonnihil concedit nostrae infirmitati, admonens ut si non omnino, ad summum praestare quae perfectissima sunt possimus nee omnibus affectibus esse liberi, modum tamen quendam servemus, nec immodestius erumpamus — — Quasi diceret, scio infirmitatem vestram, scio vos non posse omnino esse sine affectu, scio quam sit impetuosus irae impetus, at operam date ne se notis quibusdam prodat foris. Quodsi fit, iam curate ne in factum, hoc est in laesionem erumpat”. 16) Zoo |132| wordt de strenge eisch van het zedelijk ideaal in theorie volgehouden, maar in de practijk verzwakt. De »divina justitia” blijft zuiver ideaal. Bij Luk. 6 : 29 wordt door Zwingli opgemerkt: »hic virtutem veram describit Christus in se ipsa scilicet et propria specie, non in subjecto existentem sed nudam. Quemadmodum de Platone dicitur quod rempublicam finxerit aut laudarit, sed quae hactenus nondum sit visa existere.” De Roomschen, die deze uitspraak van Jezus voor een »consilium” houden, bestrijdt hij. Daarentegen dwalen de Wederdoopers volgens Zwingli hierin, »quod omnes sine exceptione damnant, quotquot haec non ad unguem et perfectissime exprimant et praestent.” De goddelijke gerechtigheid kan niet verwerkelijkt worden. Onze taak is, haar »quam proxime accedere.” »Modum servare” is het doel, waarnaar in dit leven gestreefd moet worden. »Sit justus justitia humana, si non potest divina. Quodsi non possumus omnia cavere peccata, caveamus tamen a pessimis”. 17)

Terwijl Zwingli dus de dualistische moraal der R. Kath. Kerk verwerpt, dreigt voor hem van eene andere zijde toch weer het gevaar, de onderscheiding van eene hoogere |133| en lagere moraal toe te laten. Niet ongelijk aan de Stoïsche wijsgeeren. Ook zij, het zedelijk ideaal in eene onverzoenbare tegenstelling met de werkelijkheid plaatsend, zagen zich genoodzaakt, te onderscheiden tusschen de »media officia,” die voor alle menschen, en de »recta, perfecta” die alleen voor den wijze golden. Alleen ontkende Zwingli, evenals Cicero, dat er zulk een wijze of vrome hier op aarde gevonden werd. Dezelfde tegenstelling, welke wij in Zwingli’s anthropologie opmerkten en die vooral bij den geloovige in den strijd tusschen vleesch en geest uitkomt, treffen wij ook hier aan. Gelijk de geest staat tegenover het vleesch, zoo vormen ook ideaal en werkelijkheid een scherp contrast. Zoolang Zwingli de verwezenlijking van het zedelijk ideaal niet in, maar buiten en tegenover het burgerlijk leven zich dacht, konhij voor dit laatste moeielijk iets beters dan het twijfelachtig recht van een noodzakelijk kwaad vindiceeren. Toch zagen wij ook betere elementen bij Zwingli. De gedachte, dat het christelijk leven bestemd is om heel het burgerlijke en sociale leven te doordringen, is niet alleen door hem ook uitgesproken, maar tot grondslag van alle zijne hervormingen gelegd. De practische richting van Zwingli behoedde hem voor de dwaling der Wederdoopers, hoewel het hem niet helder voor den geest stond, waarin die dwaling gelegen was, en hij dus theoretisch ook niet volkomen voor haar zich wachten kon. Bij Zwingli komt het duidelijker uit dan bij de andere Hervormers, maar ook van dezen geldt, gelijk Zeller opmerkt, 18) dat zij de zedelijke waarde van zulke burgerlijke en maatschappelijke verhoudingen, wier rechtmatigheid zij voor het eerst weer uitspraken, theoretisch niet altijd zuiver wisten aan te toonen.




1. Cf. Hundeshagen, Stud. und krit. 1862 pag. 638. H. Lang, Religiöse Charaktere, I, pag. 120; pag. 101-183 is eene verhandeling over Zwingli.

2. Bron voor dit hoofdstuk is vooral Zwingli’s geschrift: De divina humanaque justitia, I, 437-480 en zijne commentaren op de Bergrede bij Mattheus en Lukas.

3. I, 447. VI, 1. 586-588.

4. II, 1. 245.

5. I, 470. VI, 1. 607. 625. Dat het menschelijk geslacht uit één paar ouders geboren is, »ist ouch allein von einigheit wegen beschehen,” opdat de een zich niet boven den ander verheffen en er geen twist ontstaan zou. II, 2. 288.

6. Merkwaardig is, wat Zwingli aangaande zichzelven meedeelt: als hij kwam aan de bede: vergeef ons onze schulden enz., moest bij altijd »terga vertere et retrocedere,” en denken: »si tu non carior esses deo quam tibi sit hostis tuus, recte laetari non posses. — — — Post multam tum accusationem tum excusationem conscientiae meae miserae cum pudore cogebar discedere victus et captivus in solam misericordiam dei me conjiciens et hisce verbis veniam deprocans: Domine, non ausim hanc apponere conditionem ut non secus mihi remittas quam ego proximo.” I, 319.

7. Om dat aan te toonen, schreef Zwingli juist zijn boek De divina humanaque justitia. In de voorrede zegt hij: »videbis in hoc opusculo, Evangelium J.C. cum magistratus auctoritate et potentia nequaqum pugnare, neque tumultus et seditionum turbas propter temporaria, et externas opes parere; quin potius magistratus imperium stabilire, eundem certis et infallibilibus regulis dirigere plebemque cum illo vere conciliare, si quidem christiane et pie secundum leges a Christo domino praescriptas munus suum administraverit.” I, 439.

8. III, 296.

9. I, 473.

10. II. 1. 390.

11. VI, 1. 521. 654. VI, 2. 50. VIII, 56.

12. I, 449-456.

13. Cf. Zeller, das theol. System Zwingli’s, pag. 185.

14. VI, 1. 587. 588.

15. VI, 1. 586. 588. III, 297. Elenchus contra Catabaptistas III, 357 vlg.

16. Comm. in Matth. 5 : 22. In summa: tria docet Christus. Primum quod est perfectissimum ut sine affectu simus irae. Hoc vero quum impossibile esse novit, sese nostrae imbecillitati attemperans praecepta alia ponit, quae cohibeant affectuum impetum effrenum ne impudentius erumpat. Si ab ira vobis omnino temperare non potestis, quod tamen maxime urgeo, hoc tamen curate ne signa irae et rancoris, ne |132| contumeliosa verba effundatis. Quodsi affectus irae vos et huc impulit, manum tamen cohibete ne ferociat et saeviat. Mallem ego vos omnino puros esse et sine omni affectu et hoc lege mea requiro, tales discipulos volo et amo. Verumtamen non abjiciam vos etiamsi primis assultibus cesseritis, modo ne quid petulantius et impudentius, modo ne frena affectibus nimium laxetis. Modus servandus in omni re. VI, 1. 225.

17. V, 188. VI, 1. 548. 560. VI, 2. 61. cf. VI, 1. 237: Tametsi hoc (zijne goederen den armen te geven) perfectissimum et absolutissimum (deze superlativi zijn verdacht) esset, non tamen omnibus competeret. Modum ergo quendam in his temporariis robus praescribit Christus ne quid nimis, ut qui perfectissima assequi non possunt, saltem media quadam via incedant.

18. Das theol. System Zwingli’s, pag. 189.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000