HOOFDSTUK VIII.

HET CHRISTELIJK LEVEN IN DEN INDIVIDU.


De Zwitsersche Hervorming droeg een bij uitstek ethisch karakter. Het schrikkelijke zedenbederf dat onder alle standen heerschte, had het eerst bij Zwingli de gedachte aan de noodzakelijkheid eener hervorming opgewekt. Hoe diep hij den zedelijken nood van zijn volk en vaderland gevoelde, bewijzen de schilderingen het best, die hij telkens van dat algemeen bederf ons geeft. »Si Satanici pro Christianis diceremur haud sane aliis moribus, alio vitae nostrae usu et consuetudine opus esset atque ea quam nunc sectari solemus. Inspice enim si libet totum cleri ordinem, horum mores et vitam universam, et mirabor si quicquam aliud praeter avaritiam, superbiam, dolos, imposturam et hypocrisin deprehendes. Deinde, ad totius mundi contemplationem conversus, praeter vesanam quidvis committendi libidinem nihil comperies. Imo ea iam vitae nostrae consuetudo est, ut nos homines nedum Christianos esse obliti esse videamur”. 1) In dien toestand verandering te brengen en het leven en de zeden van zijn volk te verbeteren, dat was het doel, dat Zwingli beoogde. Al vroeg dacht hij over de oorzaak van dit algemeen zedenbederf na. En reeds in 1510 kwam hij tot het resultaat, dat hij in zijn gedacht: der Labyrinth ons meedeelt:

In uns ist gar ghein gottes lieb,
Die gar vil übels überhüb. 2) |106|

Van den aanvang af was het dus Zwingli duidelijk, waarin de oorzaak gelegen was van de schrikkelijke immoraliteit, die hij rondom zich zag. Het stond voor hem vast, dat het zedelijk leven zonder het godsdienstige niet bloeien kon. De zonde tegenover God en die tegenover den naaste dragen beide één zelfde karakter, dat van zelfzucht; zoowel het ongodsdienstig als het onzedelijk leven is voor Zwingli een dierlijk leven, een leven voor zichzelven. Maar het christelijk leven kenmerkt en openbaart zich daarin, dat het een leven is voor anderen, voor God en den naaste. De mensch is niet »sui juris”; hij behoort aan anderen toe, en moet daarom altijd zichzelven leeren verloochenen.

Allereerst is het een leven voor God. Christen is hij, die zichzelven en al het zijne Gode toewijdt. »Christianorum sacrificium est sese totos Deo dedicare et offerre, ut abnegent sese, abnegent affectus, Christoque commoriantur et simul cum eo crucifixi consepeliantur”. Dat is de grootste, Gode welbehaaglijkste offerande. De eisch der zelfverloochening houdt in een ernstig bestrijden der zonde, eene dooding des vleesches, maar ook een met geduld en lijdzaamheid dragen van het kruis, dat God oplegt. De verdrukkingen, beproevingen, tegenspoeden, zelfs de zonden, zijn voor de geloovigen niets dan opvoedingsmiddelen, door God hun toegezonden om hen te oefenen en bewijs leverend van zijne vaderlijke liefde. 3) |107| Alle dingen werken dengenen, die God liefhebben, ten goede mee. Van dit gezichtspunt uit beschouwt Zwingli geheel het christelijk leven. Iet is een leven van volkomen vertrouwen en van volle overgave aan God. Hoofdgedachte, die bij Zwingli telkens terugkeert, in het leven der Christenen is: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken? Vandaar, dat Zwingli over verzoekingen, aanvechtingen, twijfelingen zelden spreekt. Alleen den strijd tegen het vleesch, tegen de zonde, dien kent hij. Maar ook dan blijft het Godsvertrouwen ongeschokt. Het christelijk leven beweegt zich gelijkmatig, langzaam maar zeker wordt het ook door middel van den strijd geoefend, ontwikkeld, versterkt. Ontzaglijke tegenstellingen kent het niet, en is daarom ook niet rijk aan ervaringen. Maar het heeft tegelijk ook niets van dat angstige, in zichzelf gekeerde, bijna lichtschuwe, waarin het soms bij anderen voorkomt. Het vertoont zich altijd in het helderste licht, in de grootste klaarheid. Mystisch is het door en door, van rationalistische ondiepte niet te beschuldigen. Maar het drijft daarom niet op een duister en onbepaald gevoel, maar treedt aan het licht, en is gezond en krachtig, zonder eenige zweem van dweeperij. Het christelijk leven is bij Zwingli in één woord een echt menschelijk leven; de gemeenschap met God is de herstelling, de bevrediging van den mensch. Zelfs in zijne teederste en verborgenste uiting, in den omgang met God, |108| kenmerkt het christelijk leven, zooals Zwingli dat teekent, zich door eene klaarheid en helderheid, gepaard met eene innigheid en kinderlijk vertrouwen, als inderdaad niet zeer dikwerf gezien wordt.

In zijne onmiddellijke verhouding tot God, openbaart het christelijk leven zich in het Gebed. Gelijk het geheele leven des Christens, rust ook het gebed op het geloof, dat er tevens door gevoed en versterkt wordt. Het is de eigenlijke werkzaamheid en uiting des geloofs, ja het geloof zelf is gebed. »Quoties fidem exercet homo, toties orat. Oratio esse non potest, ubi deo non in primis tribuimus quod est, ubi ad ipsum non ea cum fiducia adcurrimus qua solemus ad carnalem patrem”. Het ware gebed is eene verheffing der ziel tot, en eene samenspraak met God, een toevlucht nemen tot Hem, van wien al het goede nederdaalt. Ook in de beschouwing van het gebed onderscheidt Zwingli zich kennelijk van Luther en Calvijn. Het is voor hem niet zoozeer het krachtigst wapen in den geestelijken strijd, noch gebed in enger zin, bede; maar hij ziet daarin vooral de daad van het hart, dat God lief heeft, de uiting van het nieuwe leven zelve, datgene, waarin de mensch eerst volle rust en vrede en troost geniet. »Nec enim est consolatio maior, nulla quies gratior animae fideli, quam cum Deo familiariter colloqui et ex vera fide et spe mentem in Deum transferre”. Het is dus allereerst dankgebed, een loven en prijzen Gods; en het oefent op ons altijd een heiligenden invloed. Wanneer wij reeds wijzer en beter worden door de gesprekken en den vertrouwelijken omgang met een verstandig en edel mensch, hoeveel te meer, »si cum deo familiariter collocuti fuerimus. Haec lux omnia illustrat, nemo hanc accedet qui non melior discedat.” En daarom alleen zijn wij |109| zoo ellendig, blind, traag en koud van hart, wijl wij zoo zelden tot Hem gaan, onze gedachten niet voortdurend bij Hem zijn en wij ons niet met Hem gemeenzaam maken. Want wie de gewoonte heeft, dikwijls zich tot Hem te wenden en met Hem om te gaan als met zijn vriend, die neemt altijd in kracht en opgewektheid toe. 4)

Maar ook het gebed in engeren zin, als bede, ontbreekt bij Zwingli niet. Behalve toch dat het gebed is een »laudare et colere Deum,” is het ook eene »invocatio cum fiducia pro nostris necessitatibus.” Deze zijde van het gebed komt echter niet zoo duidelijk uit als de andere. Zelf zegt Zwingli, dat het dankgebed het ware, eigenlijke gebed is. Het gebed kan van twee zijden beschouwd worden, »est enim in oratione caro et spiritus.” In het eerste geval vragen wij iets van God, dat ons ontbreekt, en waar het vleesch begeerte naar koestert. In zulk een gebed is altijd eenige kwelling en onrustige bezorgdheid: »ut quum dicimus: Ah domine, cur permittis ut sic vexer, cur tam duram crucem mihi imponis, cur impiis tantum in nos permittis?” Dan eerst wordt dit een waar gebed, als de biddende dien klaagtoon varen laat en geloovig in het: Uw wil geschiede, berust. Dat moet in elk gebed de grondtoon wezen. »Hie Spiritus orationis est, haerere firmiter deo, seque totum in ejus voluntatem ut in fortissimam petram conjicere et resignare”. 5) De geloovige vraagt God om niets, dat tegen Zijn wil is, maar |110| vertrouwt dat hem gegeven zal worden, wat goed en nuttig voor hem is. Want God, het hoogste goed, geeft ook alleen wat goed is. »Cur ergo non committimus ei omnia? Cur petere audemus res, quae prosint an obsint ignoramus?” Het gebed moet ons juist leeren, alles aan God over te geven en onszelven te verloochenen. »Quod vero aliquando anxii sumus et cum deo quasi expostulamus quod quaedam non facit qitae nobis optimavidentur ex eo venit, quod deum non recte cognoscimus, naturamque non probe expendimus.” Zijn wil, die altijd heilig is en goed moet ons genoeg zijn. Al schonk hij ons wat wij begeerden, het zou ons toch onnut en schadelijk wezen. 6)

Vooral komt Zwingli op tegen al wat het gebed verontreinigen en in een blooten vorm kan doen ontaarden. In veelheid van woorden bestaat het niet, aan vaste vormen is het niet gebonden. Het gebed van den tollenaar »praestat omnium Nonnarum et Beguinarum multiloquio et battologia.” Op het hart alleen komt het aan. Het gebed met den mond alleen is een spotten met God. Er verdienste aan toe te kennen en »istam mentis cum deo conjunctionem prostituere” is God onteeren en Christus miskennen en strijdt ook met den aard van het gebed zelf. 7) Hoewel alles van Gods verkiezing afhangt, daardoor |111| wordt het gebed niet overbodig of onnoodig; God zelf gebiedt het en wekt er toe op. Het christelijk leven is geheel en al een gebedsleven. De Christen bidt zonder ophouden, maar niet »vocali oratione. Neque enim adeo usqne communis est et frequens mentis ardor cum verborum multitudine diu durans; in veritate autem spiritus possibile est hominem in pia meditatione diu perseverare; nempe quoties gloriam dei recolit, quum gratias agit pro beneficiis, quum necessitates corporis et animi recte expendit, quum se totum abjicit et misericordiae dei committit, quum quotidie ad novos conatus resurgit, novam vitam subinde meditans.” Ten slotte moet nog vermeld worden, dat elk gebed geschieden moet in den naam van Christus, in wien alleen God ons verhooren, en met wien Hij alles ons schenken wil. Voorts moet ook het gebed in dienst staan van den naaste; voorbede voor onze naasten, vooral de armen, is noodig, want wij zijn elkanders leden. 8)

Maar het christelijk leven bestaat niet slechts in een leven voor God, maar ook evenzeer voor den naaste. De eisch der zelfverloochening geldt ook in betrekking tot den medemensch. Daarom juist dat de Christen leeft voor God, leeft hij ook voor den naaste. Want beide, de liefde tot God en tot den naaste zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden; de eene kan niet bestaan zonder de andere. 9) Het is ééne liefde, die, vrucht des geloofs, |112| God en den naaste tegelijk tot voorwerp heeft. »Cognitio Dei fidem auget, fides auget caritatem in deum et proximum.” In de vervulling van die beide bestaat heel de godsdienst. De liefde tot God gaat voor, maar uit haar wordt die tot den naaste geboren. Indien wij weten, dat wij niet onszelven maar Gode toebehooren, »iam et proximi non esse non possumus”. 10)

Het nauw verband, dat Zwingli aanneemt tusschen de liefde tot God en tot den naaste, toont op nieuw, hoe weinig hij dacht aan eene scheiding van godsdienst en zedelijkheid. Van welken aard nu dat verband is, en op welke wijze »ex caritate dei caritas in proximum nascitur”, wordt door Zwingli verschillend en niet altijd even duidelijk aangegeven. Het is eene schoone en rijke gedachte, als hij zegt, dat de herstelling onzer ware verhouding tot God, tevens eene herstelling is van onze verhouding tot alle schepselen. »Patre offenso offensa est tota familia. Creator quum offenditur, quis non videt offendi omnes creaturas. Quum igitur vere conversi sumus ad patrem, benefaciamus et reconciliemur omnibus creaturis”. 11) De liefde tot God en die tot den naaste zijn niet twee, maar ééne, en de liefde, aan onzen medemensch betoond, is eene middellijke liefde jegens God. God acht de liefde, die den naaste bewezen is, zóó als ware ze Hem zelven bewezen, ja zij is ook Hem zelven bewezen. »Quod enim in proximi commodum fit, Deo praestitum esse scriptura indicat.” Zoodat God zich ook door ons niet bemind rekent, tenzij wij ook den naaste heminnen. Onze naaste moet bemind worden in en om God, uit liefde tot Hem. |113| Hij heeft de liefde tot den naaste geboden, en de zonden, tegen onzen medemensch begaan, zijn daarom zonden, wijl ze strijden tegen Gods bevel. 12) God is »das einzig gut, das unbetrogen ist,” en daarom mag alleen op Hem vertrouwd worden. Maar Hij laat ons het goede dikwerf toekomen door den naaste. »Dass uns aber gott gutes durch den nächsten zufügget beschicht us der, ordnung dass, syntemal uns gott die liebe sin selbs also empfolen hat, dass er sich nit rechnen will liebgehalten werden, wir liebbabind dann ouch den nächsten, wir mit einer liebe gott als den brunnen und ursprung des guten und den menschen, durch den er uns als durch ein känel und ror das gat zuflözt, umpfahind”. 13)

Eene andere wijze, om het verband tusschen beide aan te toonen, ontleent Zwingli aan zijn Godsbegrip. Sigwart heeft op het verschil gewezen, dat daarin tusschen Calvijn en Zwingli bestaat. 14) Bij Calvijn is God de Verhevene en de Heilige, die in alles zijne eer zoekt, tot wiens verheerlijking alles moet dienen. Bij Zwingli daarentegen is God de Algoede, die alles schiep, opdat het Hem genieten zou. Bij genen is de eere Gods, bij dezen de zaligheid en het geluk der schepselen het einddoel. God is alles voor zijne schepselen, en daarom ook »summum bonum”. »Deus nihil facit sui commodi sed aliorum”. Hij zoekt nooit zichzelven, maar deelt zich aan al zijne schepselen mede. Daarin nu ligt eene drangreden voor onze liefde tot den naaste. Want God wil, dat wij zullen zijn, gelijk Hij is. Wie Hem liefheeft, volgt Hem na, wordt Hem gelijk, geeft zichzelven aan anderen en |114| heeft den naaste lief. God is dan in hem, en waar God is, daar is ook zijn geest en zijne gezindheid. Bovendien, God gaf in Christus zich over in den dood, zoo lief had Hij de wereld. Dit is voor ons eene aansporing, om ook voor anderen te leven en allen alles te wordee. »Christus,” schreef Zwingli aan zijn stiefzoon, »sese pro nobis exposuit nosterque factus est, ita et te oportet omnibus expositum esse, non te tuum putare sed aliorum; non enim ut nobis vivamus nati sumus, sed ut omnibus omnia fiamus”. 15)

Het leven des Christens is dus waarlijk een leven voor en ten dienste van den naaste. En onze naaste is elk, die onze hulp noodig heeft en door God ons toegezonden wordt. »Necessitas proximi te illi et illum tibi proximum facit.” Onze medemenschen bij te staan is plicht, wijl God het wil en al het onze het zijne is. Wij zijn slechts verzorgers en bestuurders van zijne goederen en Hem in alles rekenschap schuldig. God heeft ons als zoodanig aangesteld, niet om het zijne naar onzen lust en willekeur te gebruiken, maar om daarmee voor anderen nuttig te zijn. Ons is alles maar in leen gegeven. Niet het bezit, alleen het gebruik er van is ons toegestaan, en wel ter eere Gods en tot heil des naasten. Daarin bestaat juist onze zonde, dat wij alles tot ons eigendom maken, misbruiken naar ons gevalt, en onszelven toeschrijven wat Godes is. 16) |115|

De liefde, welke vrucht is des geloofs, is dus bij Zwingli de ééne groote, christelijke deugd. Maar nadere, dan deze algemeene bepalingen over het christelijk leven in den individu geeft hij niet. Een systeem der deugden vinden wij niet bij hem. Toch zouden sommige plaatsen een anderen indruk kunnen geven. Reeds meermalen maakten wij opmerkzaam op den invloed, dien vooral Plato en Seneca op Zwingli’s systeem hier en daar hebben geoefend. Vooral was die invloed merkbaar in zijne leer over de affecten, de verhouding van vleesch en geest, en de providentia. Maar niet minder is die waar te nemen in zijne beschouwing van de deugd. Dit nu is geen verschijnsel, dat alleen bij Zwingli valt op te merken, maar was in de middeleeuwen, op welker grens Zwingli staat, algemeen. Sedert Petrus Lombardus werden de drie christelijke deugden met de vier philosophische cardinaaldeugden tot één systeem verbonden, zonder dat echter beider verhouding grondig onderzocht en aangetoond werd. Zelfs bij Thomas Aquinas komt het tot geen eigenlijk systeem der deugden. De philosophische blijven los naast de theologische staan, en zelfs onder de laatste zijn geloof en hoop bestaanbaar zonder de liefde.

Eene dergelijke vereeniging van theologische en philosophische deugden is ook bij Zwingli aan te wijzen. Evenals de Stoa, legt ook Zwingli allen nadruk op de gezindheid. Zij bepaalt de zedelijke waarde eener handeling. »Nobis in rebus gestis non solum quid, sed qua causa factum sit, spectandum est. Non nudum opus considerandum est in se quod quisque facit, animus potius spectandus est qui facit opus bonum aut malum. 17) In |116| zijne beschrijving der deugd stemt Zwingli soms woordelijk met de Stoa, vooral Seneca, overeen. Zij heeft haar waarde in zichzelve, en moet alleen om haarzelve begeerd worden. Niets is met haar te vergelijken. Zij is de eenige weg tot waren roem; »vera gloria virtutis solidae umbra est et virtutem sequitur”. Niets is met haar te vergelijken. Niet geboorte, maar de deugd maakt den waren adel uit. Aan adellijke geboorte hecht Zwingli zeer weinig. »Quod ad carnis nativitatem attinet, nemo alium praecellit, nisi ingenio et virtute praepolleat”. In den adel zag hij de oorzaak »omnium fere excidiorum quaecunque usu venerunt populis atque urbibus. 18) Voor titels koesterde hij zeer geringe achting; zelf weigerde hij ooit zijn doctoralen graad te voeren. 19) »Quid iuvat vanis titulis gloriari. Vera ingenuitas ex virtute nascitur et factis egregiis.” De deugd eischt ons geheel; niemand bezit ze of kan volmaakt in haar zijn, tenzij hij volkomen, aan haar zich wijde en opoffere. Alles, geld, goed, vriendschap, het leven zelfs moet eerder prijsgegeven worden danzij. »Animam perdere virtutis gratia, hoc demum vincere est”. Zij is een schat, die in waarde heel de wereld te boven gaat en hem, die ze bezit, verrijkt en altijd bijblijft. Want niets is meer des menschen eigendom, dan de deugd. Roem en schatten en zingenot na te jagen is dwaasheid. »Virtutem solidam et veram pro scopo sibi praefigere, hoe demum aeternum est”. De deugd ziet uit de hoogte op de wereld neer |117| en veracht haar; wie,op God vertrouwt is boven alles verheven en heeft Hem alleen boven zich. Zij bestaat daarin, dat de mensch het ware en goede nastreeft, en alwat schandelijk is en slecht, ontvlucht. Zij is »vera pietas” en bevat alwat schoon en goed is in zich. Zij is daarom eene gave des H. Geestes. »Solida virtus est, quam Spiritus Sanctus menti indit et suggerit.” Dan alleen is zij de ware, elke andere is slechts schijn. Volkomen haar te bereiken, is hier op aarde onmogelijk. »Virtus in se perfectissima quidem est, at in exhibendo (ut est omnium creaturarum vanitas et imperfectio) homines plurimum fallunt et peccant.” Op zichzelve aanbevelenswaardig, wordt ze het voor ons toch dan eerst waarlijk, wanneer wij ze zien in het leven, in den mensch die haar beoefent. Haar recht te kennen en te onderscheiden, is slechts het voorrecht van de w~inigen, die door Gods Geest zijn verlicht. 20)

Zelfs van eene indeeling der deugden vinden wij bij Zwingli eenige sporen. Althans worden de vier deugden: »veritas, prudentia, justitia en sapientia” niet slechts meermalen samen genoemd, maar ook bepaald als »primae virtutum” aangewezen. Bovenal legt Zwingli, die van alle leugen en huichelarij een diepen afkeer had, nadruk op de waarheid. Hij vat ze op niet slechts als een systeem van waarheden, maar ook als eene deugd, eene gezindheid des harten, en verbindt beide beteekenissen nauw met elkander. Zij is bron, fundament, moeder en voedster aller andere deugden. Zij is voor het menschelijk gemoed, wat de zon is voor de aarde. Zij beveelt zich |118| zelve aan, en heeft geene verdediging noodig; aan het licht gebracht, verdrijft ze de leugen en de huichelarij vanzelf. Zij is vol majesteit en heerlijkheid ook voor de boozen, zoodat dezen alwat zij kwaads doen, nog verrichten »praetextu veritatis.” Haar openlijk bestrijden durft niemand. »Nemo dicit: haec est veritas, hanc nolo, sed tribuit veritati nomen mendacii; in aliena persona contra illam puguant.” Zij is onverwinnelijk, machtiger en beter dan vele wonderen, en Zwingli bewees in zijne prediking en hervorming, dat hij op haar macht een onbepaald vertrouwen had. Door haar gelijkt de mensch het meest op God. Want God is de waarheid, »simplex veritas, non hypocrita aut injustus, ut aliud dicat ac simulet, aliud corde gerat, non est duplici animo.” De zucht naar waarheid is allen menschen ingeschapen. Haar kennen, is God kennen. Indien zij er is, is er ook elke andere deugd: »Restituta veritate, restituetur et justitia, pax denique et omnis virtus pulcherrime et felicissime reflorebit”. 21) Alle deugden, blijken daarin waar te zijn, dat zij toenemen en grooter worden en met standvastigheid en volharding worden betracht. »Es ist kein Tugend ein Tugend, wenn sy nit mit standhafte usgemachet wird”. 22) Hoe deze deugden nu onder elkander en met de christelijke deugd, met de liefde, in verband verstaan, wordt door Zwingli niet aangetoond. Mogelijk zijn ze alleen daar, waar de waarheid is. En op de eenheid aller deugden wijst Zwingli, als hij zegt, dat die deugden alleen de |119| ware zijn, welke gewerkt worden door den H. Geest en vruchten zijn des geloofs. »Quaecunque virtus ex fide nascuntur et fiunt, verae et solidae sunt”. 23)

Om volledige beschrijving van het christelijk leven, zooals het in den enkele zich vertoont, was het Zwingli niet te doen. Het was hem genoeg, telkens op dit eene terug te komen: het christelijk leven moet zijn een deugdzaam en heilig leven. Door de waarheid, welke hij vond in de Schrift, de zeden te verbeteren, en christelijke deugden te planten, daartoe was hij als Hervormer opgetreden. Dat doel verloor hij nimmer uit het oog, al zijn streven was op de praktijk, op het leven zelf gericht. Dogmatische kwesties hebben voor Zwingli betrekkelijk weinig waarde. Niet dan gedrongen ging hij den strijd met Luther aan. Want hij meende, gelijk hij hem schreef, dat in plaats van te twisten over zulke dingen, waarin toch de zaligheid niet gelegen was, veeleer tegen de zonden gestreden moest worden, en alle krachten ingespannen, om de koninklijke deugd en den christelijken eenvoud weer in hun eere te herstellen. 24) Niet Lutheraan of Zwingliaan, maar Christen te wezen is de hoofdzaak. 25) En een Christen te zijn bestaat niet |120| daarin, dat men prachtig over dogma’s spreken kan, maar dat men altijd met God moeilijke en groote daden doet. Zwingli wordt niet moede, dit telkens te herhalen; al zijne geschriften leggen van die practische richting getuigenis af. Het Christendom is geen leer, maar leven. Een rein en heilig leven, dit en niets anders is het, wat God met al zijne voorschriften van ons verlangt. Christen te zijn is »nit schwatzen von Christo, sunder wandeln wie er gewandlet hat.” Schoon moge het zijn, vroom te spreken, schooner nog is het, vroom te leven. Zonder doen en handelen, is al dat spreken slechts huichelarij en hoogmoed. 26) Zoo zeer heeft deze practische richting bij Zwingli de overhand, dat hij dikwerf geheel het christelijk leven als »innocentia” en »innocentiae studium” beschrijft, en zelfs in eene reeds vroeger geciteerde plaats er toe komen kan, om te zeggen: een vroom Heiden is een Christen, ook al kent hij Christus niet. Daarom dacht hij ook zoo gunstig over de zaligheid van sommige Heidenen. »Non fuit vir bonus”, schreef hij aan Frans I, »non erit mens sancta, non fidelis anima, ab ipso mundi exordio usque ad ejus consummationem, quem non sis in coelo cum deo visurus”. 27)

Niet dat daarom Zwingli den godsdienst in de zedelijkheid zou laten opgaan, maar wel worden beide zoo nauw verbonden, dat ze te scheiden onmogelijk, en ze te onderscheiden moeilijk is. Want dat was de bedoeling van Zwingli, dat de godsdienst eerst in het leven zijn volle wezen ontplooit. Het is vooral van zijne ethische zijde, dat de godsdienst door Zwingli beschouwd wordt. |121| Scholastische redeneeringen en logische onderscheidingen hadden voor hem geene waarde. In elk dogme was het het ethische, dat hij zocht op te sporen en dat hem boeide. Wat dat niet bevatte, werd door hem wel niet geloochend, maar had toch zijne rechte beteekenis voor hem verloren. Zijne practische natuur kon geene bevrediging vinden, in wat alleen voor het verstand en niet ook voor het hart en het leven vruchten afwierp.




1. I, 120. 121.

2. II, 2. 250.

3. I, 263. 665. 666. VI, 1. 275. 325. 378. 515. VI, 2. 120 enz. cf. VI, 1. 341: Cogitemus nos in manu dei esse quemadmodum instrumenta in manu artificis; si contingeret nos ingredi in officinam argentarii nihil intelligeremus ad quem usum quodque instrumentum factum sit, ipse vero probe intelligit et nunc illo nunc alio utitur, prout ei visum fuerit. Quo frequentius utitur, hoe magis amat attamen ipso usu |107| consumitur quod carissimum est prae caeteris omnibus. Sic cogitemus nos instrumenta esse dei, infirmitatem, languorem, tribulationem nihil esse quam instrumenta per quae operatur deus et suos praeparat. Quos pluribus sinit vexari malis, hos prae ceteris diligit.

4. I, 317. VI, 1. 501. 612. 632.

5. VI, 1. 501: Utramque faciem in oratione Christi videre est, quum caro imminente passione diceret: Pater, transfer a me calicem istum; horrebat mortem et supplicium sed mox subjicit quasi corrigens affectum carnis: Non mea sed tua voluntas fiat.

6. VI, 1. 341. 501. 582. 633. VI, 2. 251.

7. I, 317. III, 287. cf. pag. 289: quis unquam tibi pro bono opere imputare queat, quod crebro ad ipsum venias, nunc pecuniam, nunc vestem, cibum, consilium, opem oratum? Quum ergo nostra ad deum oratio nihil aliud sit, nisi opis aliqua in re imploratio, cur pro meritorio opere imputamus? quatenus autem adoratio, hoc est mentis affixio ac fiducia est, nihil nisi tuae mentis affixio est, quomodo ergo istam poteris alii commodare? Potes quidem ex fide in deum pro alio orare, sed |111| fidei tuae partem non cuiquam impartiri; fides enim eius solummodo est, qui fidit, neque opus est meritorium.

8. I, 286. 320. 321. 335. V, 780.

9. VI, 2. 336. Dilectionem dei et proximi ita unitam, adeoque inter se cognata esse inquit (Joannes), ut neutra sine altera esse queat.

10. I, 478. VI, 1. 644. VI, 2. 65.

11. VI, 1. 673.

12. I, 59. 391. III, 289. VI, 1. 531. VII, 315. 318.

13. II, 1. 204.

14. U. Zwingli, pag. 62.

15. IV, 155. In secundis et adversis aliorum non aliud se geret quam si sibi ipsi accidissent. Rem etenim publicam unam veluti domum ac familiam existimabit, imo unum corpus, in quo membra ita simul gaudent, moerent ac se mutuo iuvant, ut quidquid uni acciderit, omnibus acciderit. I, 456. 477. VI, 2. 61.

16. VI. 1. 607. 631. 634. 639. 640. 651. 676.

17. V, 213. VI, 1. 657. cf. Zeller, Die Philosophie der Griechen. III, 1. pag. 226.

18. V, 41. VI, 1. 288. 658. In een brief aan Blaurer VIII, 507 voegt bij er echter bij: »verum in hoc non sum ut extinctam nobilitatem cupiam sed emendatam, atque quod ad rem christianam pertinet in ordinem conductam.”

19. II, 1. 471.

20. V, 41. VI, 1. 250. 288. 297. 304. 354. 378. 542. 584 586. 609. 613. 625. 647. VIII, 529. cf. Zeller, Die Philos. der Griechen, III, 1. 217.

21. V, 680. VI, 1. 231. 292. 294. 540. 639. 648, 664. 665. De waarheid kennen en erkennen en nochtans bestrijden, daarin bestaat de zonde tegen den H. Geest. VI, 1. 648. Vroeger had Zwingli eene andere meening, I, 409.

22. II, 1. 227. cf. VI. 1. 270. 380. 536. 625.

23. VI, 1, 591.

24. III, 503. cf. VI, 1. 373. Quid opus est contentiosis istis quaestionibus, quid et quantum possit baptismus? sitne corpus et sanguis in pane et vino? Quin potius curamus ut institiae simus defensores, ut benefaciamus proximis, ut feramus infracto pectore crucem post Christum, ut caritate ardeamus.

25. I, 276. Nullus quaerat a proximo, Lutheranusne sit, sed hoc quid de Christi doctrina sentiat, quam oblectet verbum dei, christianus an sit, id est, an assidue bonum operetur erga deum et proximum. Hic enim christianus dicitur, qui indefesso studio bonum operatur erga deum et proximum.

26. III, 237. 240. 285. 503. 571. 622. II, 1. 269. 383. II, 2. 339. IV, 158.

27. IV, 65.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000