HOOFDSTUK VII.

HET VOORRECHT DES CHRISTELIJKEN LEVENS:

DE VRIJHEID


Reeds het minder streng binden van het christelijk leven aan den Dekaloog doet verwachten, dat de christelijke vrijheid door Zwingli ruimer zal opgevat worden dan door Calvijn. Terwijl deze haar tot het negatieve, vrijheid van de heerschappij der zonde beperkt, wordt zij door Zwingli daarom verder uitgebreid, wijl hij haar in den aard van het christelijk leven, ja in het wezen des menschen gegrond acht.

In het eerste geschrift, dat onder zijn naam in 1522 het licht zag, 1) gaat hij van de gedachte uit: alles is den mensch onderworpen, hij aan God alleen. »Deus totius naturae conditor quum hominem primitus creavisset, onmia alia quae in hoc mundo sunt, illius imperio subjecta esse voluit, quo idem homo Dei imperium agnosceret et soli Deo servire dignaretur.” Voor Israel werd deze vrijheid door de paedagogisebe instelling der ceremoniën een tijd lang opgeheven, maar onder het N. Test. is zij volkomen hersteld en door Christus en de Apostelen herhaaldelijk uitgesproken. Alles is het uwe, zegt Paulus, doch gij zijt van Christus, »ubi luce clarius videre licet, haec omnia quae in mundo sunt hominum arbitrio subjecta esse et in illorum salutem esse condita, nec in hoc esse constituta divinitus ut nobis oneri et impedimento sint; |90| imo ipsos quoque apostolos hominibus, non auteni homines apostolis devinctos esse.” De Christen staat vrij tegenover al het uiterlijke. Alle »externa” zijn in de macht en ten nutte der geloovigen, om door hen met dankzegging genoten te worden; en kunnen door hen »pro re nata” behouden of afgeschaft worden. 2) De Christen is aan geene viering van bepaalde tijden, geene vereering van sommige plaatsen, aan geen onderscheid van spijzen gebonden. Dat alles is uitwendig en heeft met het wezen des Christendoms, dat geestelijk en innerlijk is, niets te maken. Al die omstandigheden van wijze en tijd en plaats zijn in onze macht gelaten. God is overal en te allen tijde zichzelven gelijk, onveranderlijk, van alle plaatsen, tijden, personen onafhankelijk. De gewetens der menschen gevangen te nemen en door zulke bepalingen te binden is ongeoorloofd. God schenkt ons daarin volle vrijheid. En daarom moeten al deze dingen aan elks geweten worden overgelaten. Van dit beginsel uit, dat de mensch alleen aan God gebonden is en al het uiterlijke hem onderworpen is, wordt met het kerkelijk en wettelijk karakter der R. Kath. moraal volkomen gebroken. Het eenige, waartoe de mensch verplicht is, is datgene wat God gebiedt. Al het andere is onnut en zonder waarde. Alle wetten, die slechts op het uiterlijke betrekking hebben, alle ceremoniën, pauselijke instellingen en menschelijke traditiën vallen weg. Die op te volgen en daaraan te gehoorzamen is niets dan huichelarij en afgoderij.

In zijne bijzondere toepassing, komt dit beginsel der christelijke vrijheid alleereerst met het wettelijk vasten |91| in strijd. Wil iemand dit doen, niemand verbiedt het hem. Maar aan anderen mag hij zijne bepalingen niet opdringen; de christelijke vrijheid moet daarin bewaard blijven. Het vasten is wel eens goed voor wie in weelde en overdaad leeft. Maar de landman en de arbeider, die zwaar werk verrichten moet en krachtige spijzen noodig hebben, mocren daartoe niet worden verplicht. Dan alleen is vasten goed en nuttig, wanneer het de openbaring is van de innerlijke gesteldheid des harten en het gedaan wordt naar de meening van het voorschrift van Christus. Zonder geloof, zonder de ware gezindheid is al dat uitwendige slechts vertoon en mist alle waarde. »Qui sine fide jejunant, oraht aut aliud quiddam faciunt, similes sunt ei qui jusculum coquit sine carnibus. Caminus hypocausti nunquam recte calefiet, nisi ignis intus sit, etiamsi foris calida quaedam admoveris.” Het ware, christelijke vasten houdt het juiste midden, het willigt het vleesch niet te veel in, maar doodt het ook niet door onmatige onthouding. Matigheid echter is altijd noodig om het vleesch te beteugelen en te brengen onder de heerschappij des geestes. Daarin bestaat het ware vasten. »War Fasten ist nit anders, den do der Mensch zimlich lebt und Meszigkeit vorgat, das damit das Fleisch kein fomentum habe.” Gelijk het gebed de ziel, zoo is het vasten een wijden des lichaams aan God, opdat de mensch geheel en al zij een tempel des H. Geestes. 3)

Belangrijker nog is de toepassing, die Zwingli maakt van de christelijke vrijheid op den Sabbat en waarin hij noch door Calvijn noch door de latere Gereformeerden gevolgd werd. Door den regel, dien hij in het 25ste der |92| Artikelen opstelde, »tempus et locus in potestate sunt hominis, non homo in illorum potestate,” viel ook het vierde gebod als wettelijke instelling. De Sabbat is er om den mensch, aan zijne macht onderworpen, en moet hem dus ook dienen. Evenals Christus, zijn ook wij door Hem heeren van den Sabbat, want zoowel Hij zelf als al het zijne is het onze. Toch is door Christus de Sabbatsviering niet geheel afgeschaft maar ondergeschikt gemaakt aan wat bij Zwingli zeer bedenkelijk genoemd wordt »quotidianus rerum necessariarum usus.” Het uiterlijke en ceremoniëele echter in de Sabbatsviering is afgeschaft en gaat den Christenen niets aan. Daartoe behoort het vieren met name van den zevenden of den eersten dag der week. »Wenn wir in nach der Juden art an dem tag wölltind haben, an dem sy in habend denn wäre er ceremonisch, denn er wäre an zyt gebunden, welches ein element diser welt, das ist, ein usserlich ding ist; over wenn wir vermeintind den herren tag, das ist, sunntag also an den tag gebunden syn, dass wir in nit möchtind mit dem fyren und wörthören an einen andren tag legend wo es nothdurft heissen wurde, ja, denn wäre er ceremonisch.” Als de nood het vordert, b.v. als het koren moet ingezameld worden, dan heeft elke gemeente het recht, den Zondag of een gedeelte er van na de prediking aan den arbeid te besteden, of een anderen dag voor de godsdienstige bijeenkomsten aan te wijzen. 4) Maar het ethische in het vierde gebod blijft |93| altijd geldend, of zooals Zwingli het uitdrukt, voor zoover de Sabbat gegrond is in den geest en de kern der wet: God lief te hebben boven al en den naaste als ons zelven, in zooverre kan hij nimmer worden afgeschaft. Want, vrij van het uiterlijke, blijven wij gehouden tot de eere Gods en de liefde tot den naaste. De Sabbat nu is in die twee geboden gegrond; in het eerste, »darum dass man an im zusammen kummt gottes wort zu hören, durch welches wir in die rechten erkanntnuss sin geführt werdend.” En in het tweede, »darum dass wir unseren diensten ouch rüw und widerkickung (Wiedererquickung) geben söllend.” In zichzelf beschouwd, is de Sabbat niets heiliger dan alle andere dagen. Dan alleen is hij heilig, indien wij heilig zijn en ons Gode toewijden. Evenmin als de feestdagen, is hij voor ledigheid bestemd. »Otium esse cultum Dei nusquam lego, fomentum omnium vitiorum ubique. Feriis agrum colere, terram proscindere, foenum demetere, frumenta aliave opera pro tempore facere (modo cultus Dei praecesserit) non dubito, Deo magis gratum esse quam otio indulgere”. 5)

Diezelfde christelijke vrijheid wordt door Zwingli ook |94| toegepast op de Geloften. Wijl zij niet geëischt worden, behoeven zij ook niet te worden gehouden. Ja, Zwingli gaat verder en zegt ook, dat zij ongeoorloofd en verderfelijk zijn, een voorwendsel voor allerlei onzedelijkheid. Niet slechts behoeven zij niet, maar zij mogen ook niet afgelegd worden. Onder het O. Test. waren zij tijdelijk geoorloofd. Want God beval vele dingen aan Israël, niet wijl Hij zelf er behoefte of lust aan had, maar »fieri sibi jubebat, ne daemoniis fierent.” Maar door Christus zijn zij evenals de offers afgeschaft. Met heftigen ernst wordt door Zwingli dat doen van geloften bestreden. Zij zijn niets dan afgoderij en huichelarij. Zij kunnen alle tot deze twee soorten gebracht worden: »vovemus aut ista quae Dominus jubet aut supra ista quae Dominus jubet quaedam voluntarie.” Tot de eerste zijn wij verplicht ook zonder geloften, daarom alleen dat God ze beveelt. Dan nog geloften te doen, is gruwelijke aanmatiging, zichzelven stellen boven God, vertrouwen op eigen woord en kracht, verachting van God en verheffing van zichzelven, niets dan afgoderij. En geloften te doen boven datgene wat God heeft bevolen, is ijdel en zonder waarde; een eigenwillige godsdienst en louter huichelarij. Dat het schepsel iets wil zijn tegenover God, dat is het wat Zwingli in de geloften bestrijdt. Van eene onderscheiding van »Consilia” en »praecepta” wil hij daarom niets weten. Het is alles »praeceptum,” wat God van ons vordert; wat men daarboven belooft, komt voort uit hypocrisie, en heeft alles zijn diepsten grond in die heidensche verdichtselen van ’s menschen vrijen wil. Alsof wij niet altijd, met alwat wij hebben en zijn, Gode toebehooren. »Quid ergo opus ut voveamus nos Deo, cuius toti sumus. Statim ut vovemus, ostendimus nos non esse Dei, nam si agnosceremus |95| nos totos esse Dei, non voveremus nos fore Dei, quasi ante votum Dei non fuerimus”. Alle geloften tallen dus weg. Wat de drie voornaamste betreft, die van gehoorzaamheid, armoede en kuischheid — de gehoorzaamheid aan God en aan allen, wien wij naar Zijn gebod gehoorzaamheid verschuldigd zijn, is dure plicht en door God geëischt. Zich daaraan te onttrekken en aan een ander, een Abt of Prior, zich te onderwerpen is huichelarij. Evenzoo de gelofte der armoede; in zoover daarmee recht gebruik onzer goederen en mededeeling daarvan aan anderen bedoeld wordt, zijn wij daartoe ook zonder gelofte verplicht; overigens is zij onnut. En wat de derde gelofte, die der kuischheid, aangaat, deze mag niet afgelegd worden, wijl het niet in onze macht staat, haar te houden. Niemand kan kuisch leven, tenzij het hem van God gegeven zij. Het huwelijk moet vrijstaan voor allen, en is plicht voor elk, die het »donum castitatis” niet heeft ontvangen. Gelofte der kuischheid af te leggen is steunen op eigen krachten en handelen, »ac si quis obsequium putet se praestare amico, si voveat eius expensis se confecturum negotium”. De Christen is van al die geloften ontslagen en mag ze niet afleggen. De eene groote gelofte is die des geloofs, d.i. »da der mensch durch den glouben gott vermächlet ist.” Waar het geloof is, valt al dat andere weg. »Wo gloub ist, da ist die höchste pflicht, wo man sonst gelübde thut, ist ein gwüsz zeichen, dass gloub da nit ist”. 6)

Alleen gebonden aan God, is de Christen van al het uitwendige onafhankelijk. En zelfs de onderwerping aan God is door Zwingli niet bedoeld in dien zin, alsof God |96| en mensch tegenover elkander stonden, en de mensch zich gedwongen aan God onderwierp. Door het geloof is God en mensch één. God is het eigenlijk subject in den geloovige. Daarom is het geloof zoo spontaan en zelfstandig, dat het elken uitwendigen band kan missen. Het bevat alle elementen in zich, die tot de ontwikkeling van het zedelijk leven noodig zijn. Het christelijk leven is geheel en al theonomisch, en daardoor autonomisch, van elke uitwendige autoriteit bevrijd, alleen aan zichzelf, aan zijn eigen wezen gebonden. Elk wettelijk karakter heeft het verloren; de eenige wet, die eeuwig geldt, is die, welke door God in het hart des geloovigen geschreven is. Volgens zijn principe en idee is het christelijk leven, zooals Zwingli het opvat, volkomen vrij. Dat hij niettemin de uitwendige wet soms weer gelden laat, is eene concessie aan de macht der werkelijkheid, die hij, in weerwil van zijn vurig idealisme en reformatorische kracht, niet veranderen kon en waarmee hij rekenen moest. Van subjectivisme is Zwingli niet geheel en al vrij te pleiten. Hij stond aan het begin der Reformatie, toen deze de objectiviteit niet bezat, die zij en door Luther, in zijne latere periode, en vooral door Calvijn in de leer der rechtvaardiging en in de leer der Schrift verkreeg. Inderdaad staat Zwingli in beginsel veel nader aan de Wederdoopers, dan de beide andere Hervormers. Wat hem voor toepassing van zijn beginsel en voor de eenzijdigheid der Anabaptisten behoedde, was de harmonische vorming zijner persoonlijkheid, de bezonnenheid en helderheid, die hem van nature eigen was, bovenal het juiste inzicht in de beteekenis van geheel het sociale leven.

Maar dat hij aan de Wederdoopers verwant was, dat blijkt wel nergens duidelijker in dan in zijne leer van |97| het inwendige woord, in ’t hart des geloovigen geschreven. Ook Calvijn erkent dat de geloovigen de wet Gods in hun binnenste dragen; in de belangrijke uitspraak, die Lobstein meedeelt, 7) zegt hij: de H. Schrift stelt ons voor oogen wat de H. Geest inwendig in het hart der geloovigen geschreven heeft, zoodat tusschen de leer die verkondigd wordt en de inwendige genade, welke God door Zijnen Geest aan den geloovige schenkt, de hoogste overeenstemming bestaat. Maar zulke uitspraken zijn bij Calvijn zeldzaam. Zwingli daarentegen kent aan het inwendige woord beslissende stem toe en verlegt daarmee alle macht in het subject. Door het inwendige woord, waarmee God den geloovige »illuminat ut intelligat et trahit ut sequatur,” oordeelt hij elk uitwendig woord, dat tot hem gesproken wordt, niet naar zijne, maar naar de meening des H. Geestes. Zelf is dat inwendige woord, dat »verbum fidei,” boven alle kritiek verheven; het wordt door niemand geoordeeld maar oordeelt zelf alles. Daardoor onderkent de geloovige terstond wat God behaagt en tot Zijne eer geschiedt. »Wenn das gottswort vor der gmeind gepredget wirt, so urtheilt ein jeder heimlich by im selbs, ob es recht dargethon werde oder nit. Ist nun einer ein rechtglöubiger, so wirt er von stund an innen, ob es nach rechtem göttlichem verstand dargethon werde oder nit, denn welcher in Gott vertruwt ist, der verstat alle ding, ob sy mit Gott sygind oder nit. 8) De stelling, die Zwingli |98| hiermee uitspreekt, is rijk aan gevaarlijke consequenties. Men vergete echter niet, dat volgens Zwingli’s bedoelen dit oordeelen voornamelijk gaat over de uitlegging der Schrift, niet over haren inhoud. Wat dezen betreft, dan was het geheel in Zwingli’s geest gezegd, wat Bucer op de disputatie te Bern uitsprak: »der Geistige hat die Schrift nicht zu richten, d.i. seines Gefallens die Schrift anzunehmen oder zu verwerfen, sondern er hat sie allein müssen annehmen, denn er eben durch den Geist seine Erkenntniss hat, durch welchen die Bibel uns gegeben ist”. 9)

Dat is juist zoo treffend in Zwingli, dat hij in de Schrift niet eene beperking, maar eene uitbreiding van den kring zijner gedachten zag, en volkomen aan haar zich onderwierp, wijl hij het vrijwillig en als vanzelf deed. Haar band voelde hij niet, omdat hij geheel met haar instemde. Hij vond in haar niet slechts de bevrediging van zijn hart, maar ook evenzeer van zijn verstand. De Schrift blijft daarom voor Zwingli haar volle beteekenis behouden; hij dacht er niet aan, haar die in eenig opzicht te ontnemen. Maar het kan niet ontkend |99| worden, dat Zwingli in beginsel, alle autoriteit in den geloovige zelven verlegt, en het christelijk bewustzijn zelfs stelt boven de Schrift. Daarom is zij ook eigenlijk niet bron onzer kennis, dat is Gods Geest alleen, maar om de mogelijkheid van dwaling, die niet kon geloochend worden, correctief van wat de geloovige door inwendige openbaring reeds weet. Onze geest en de Schrift stemmen volkomen overeen, maar gene heeft den teugel van deze noodig, om niet overmoedig te worden en buiten het spoor te geraken. 10)

De verwantschap van Zwingli met de Wederdoopers is hier onmiskenbaar. Het baart daarom ook geene verwondering, dat de Zurichsche Hervormer van zijn strijd met de Anabaptisten aan zijn vriend Vadianus in 1525 schreef: »omnes pugnae priores lusus fuerunt prae ista”. 11) De strijd was, behalve om andere oorzaken, ook om deze reden zoo moeilijk, wijl in principes dikwerf veel overeenstemming bestond en de Wederdoopers op menige plaats in Zwingli’s geschriften te hunnen voordeele zich konden beroepen. Dat verklaart ook de heftigheid, waarmede deze strijd van Zwingli’s zijde werd gevoerd. In de Wederdoopers zag hij, waartoe de christelijke vrijheid, zoo ruim opgevat, leidde. Tegenover hen handhaaft hij de objectiviteit der instellingen van doop en predikambt, van de burgerlijke samenleving en ordeningen. Hun beginselen weerlegt hij slechts zelden. In zijne polemiek verkeert hij hier en daar blijkbaar in eenige verlegenheid. 12) |100| De Wederdoopers zijn voor hem geene wederpartij met eigen beginselen, maar eene secte, eene haeresie. Krachtig doet hij het hen gevoelen, dat niet de Reformatie, maar zij die uit haat tegen het Pausdom en niet uit liefde tot God aan de zijde van het Evangelie zich scharen, die de vrijheid tot losbandigheid misbruiken en van alle zedelijke en burgerlijke verplichtingen zich ontslaan, oorzaak geven tot oproer en oneenigheid. 13) En dat is het vooral, wat Zwingli in de Wederdoopers bestrijdt, hun separatisme, hun individualistische willekeur, hun verachting van elken objectieven band en historisch verkregen toestand, hun revolutionnaire gezindheid. Dat zijn eigen principe daartoe eenige aanleiding gaf, zag hij niet in, wijl hij zelf aan een misbruik maken van de christelijke vrijheid nooit dacht, en op een practisch, zedelijk leven al zijn streven richtte. Gevaar, dat er twist en oneenigheid zou ontstaan, wanneer elk geloovige het recht had, over het uitwendige woord te oordeelen, bestond er voor hem niet in het minst. »Ubicunque fides vera est, ibi et spiritus coelestis esse cognoscitur, ubicunque autem spiritus coelestis est, ibi studium unitatis et pacis esse nemo ambigit. Quotquot fideles sunt, ad unitatem et pacem tendunt”. 14)

Zoo blijkt dus, dat de christelijke vrijheid door Zwingli zoo ruim mogelijk wordt opgevat. De geloovige is alleen aan zichzelven gebonden. Geen wet, geen Schrift zelfs heeft hij noodig. Hij draagt de zedelijke wet volkomen |101| in zich. Al het uiterlijke moet hem dienen. Dat is Zwingli’s beginsel. Maar de zonde, welke in den geloovige wonen blijft, zoolang hij op aarde is, de bange strijd tusschen vleesch en geest, zijn oorzaak, dat het principe ook alleen principe blijft, slechts in de idee bestaat, maar nimmer volkomen toegepast kan worden. De werkelijkheid dwingt tot transactie en doet hernemen wat in beginsel verworpen was.

Bij de toepassing der christelijke vrijheid in het leven komen ook de Ergernissen ter sprake. Het is belangrijk Zwingli’s gevoelen hierover te vernemen, vooral om daardoor de ongegrondheid der beschuldiging aan te toonen, alsof Zwingli in zijne Reformatie een laakbaar radicalisme en rigorisme huldigde en dit zonder schroom en verschooning toepast. Hundeshagen heeft er reeds op gewezen, hoe de Zurichsche Hervorming zich door eene gematigdheid en bezadigdheid kenmerkt, als zelfs de Saksische mist. 15) Zwingli’s leer over de ergernissen toont, hoe volkomen hij zijn plicht tegenover zwakke gewetens zich bewust was. Het was hem niet onbekend, dat wie lang in een donkeren kerker heeft doorgebracht, niet in eens het volle zonlicht kan verdragen. 16) |102| Opbouwen, niet af breken was het doel, dat hij altijd zich voorstelde. 17) Ruim was bij hem het beginsel der christelijke vrijheid, maar in haar gebruik liet hij door de voorzichtigheid zich leiden.

Zwingli onderscheidt drie soorten van ergernissen. »Primum quum pudefacimus proximum immerito; deinde quum impura vita et horrendis sceleribus palam designatis, ut idem designent oceasionem aliis praebemus, offensionem scilicet et lapidem offendiculi in via dei ponentes. Tertium genus est quum infirmorum in fide ratio non habetur ab iis qui adoleverunt, in his scilicet rebus quas ipsi adhuc ex animo non penitus abjicere possunt.” Wat de eerste en tweede soort aangaat, niemand behoeft noch mag goedkeuren, wat op zichzelf zondig en onrechtvaardig is; evenmin het er voor houden, dat anderer misdaden geen misdaden zijn; integendeel moet hij den omgang met zulke menschen vermijden en hun gedrag niet navolgen. Aangaande de derde soort van ergernissen, aan de zwakken mag ook dan niets worden toegegeven, wanneer het de leer en de prediking des Evangelies geldt; hoewel men echter ook daarin altijd met voorzichtigheid moet te werk gaan, gelijk Paulus de Corinthiers eerst met melk heeft gevoed. »Cum hoc pacto res ordienda sit, ut fructum plurimum domino adferamus, nunquam incipiemus |103| ab his quae causam totam pessumdent, sed quaedam quae maxime necessaria sunt, ut dei cognitionem, hominis, Evangelii fideliter ae scite proponemus, quaedam vero prememus usque ad opportunitatem”. 18) Maar in zulke zaken, die op zichzelf geene zonde zijn maar door sommigen voor zonde worden gehouden, als: vasten, mis, aflaten, coelibaat enz., geldt de regel van Paulus, dat de sterke den zwakke spare en drage, zijne vrijheid niet gebruike maar inbinde »quantum fidei ratio permittit.” »Potius mortem eligere debet homo quam christianum offendere aut pudefacere.” Toch mag de sterke niet vergeten dat hij de sterke is; het beginsel der vrijheid mag hij niet prijsgeven, alleen van haar gebruik moet hij een tijd lang afstand doen. Nooit mag hij dulden, »ut quis suave illud Christi jugum et onus leve humanarum traditionum felle et absinthio inficiat.” Zijn plicht is, om den zwakken broeder op liefderijke wijze beter in te lichten, tot eene andere overtuiging te brengen, en aldus hem niet te verderven maar te winnen, en onder alles den vrede te bewaren. Indien hij zich echter niet wil laten onderrichten, maar halsstarrig aan zijne meening vasthoudt, dan heeft de sterke het recht, van zijne vrijheid gebruik te maken, indien dit althans zonder oproer |104| en verstoring der publieke orde geschieden kan en de zaak van Christus er geene schade door lijdt. Ook het vermijden van ergernis te geven heeft zijne grens. Niet te allen tijde behoeft men voor de zwakken te wijken. Indien b.v. met het verwijderen der beelden gewacht moest worden, totdat niemand er meer door geërgerd werd, dan kwamen zij nooit weg. Zoodoende kregen wij de vrijheid nimmer. Hoever men hierin gaan mag en moet, kan niet nauwkeurig worden bepaald. Dat moet overgelaten worden aan de geloovigen zelven; »ostendet enim spiritus sanctus qui eos intus docet ac ducit, quo tempore utendum libertate Christiana, quoque tempore iugum humanarum constitutionum sit perfrigendum.” Gebruiken als zalvingen, zegeningen en dergelijke ceremoniën mogen wel een tijd lang behouden blijven, totdat meer kennis verspreid en de ijdelheid en onwaarde van zulke dingen aangetoond is, maar op den duur mogen zij niet worden geduld. »Auferenda enim sunt hosti arma, ne ipsis aliquando se rursus ad pugnam instruat.” Bij alles moet de eere van Christus en de liefde tot den naaste ons leiden. »Caritas regula est et index, juxta quam omnia sunt moderanda. Sic omnia moderanda ut aedificemus. Ubi solius Dei gloria spectatur, omnia feliciter procedunt”. 19)




1. De Delectu Ciborum I. 1-38.

2. III, 582. VI, 1. 284.

3. De delectu ciborum I. 1-38. VI, 1. 259.237.557.406.

4. »In einem schlechten byspil wirst du die ganzen meinung verston. Nimm dir einen gytigen meister für, der sine dienst alle sunntag welle zur arbeit zwingen mit dem wort Christi Mark. 2 : 27, se irret er, das kummt dahar, dass er den Sabath nun fur ein ceremonien halt — — und darum so |93| wandlet er nit nach der liebe gegen sinem nächsten — — Harwidrum der dienst oder ein jeder helfer irrete se es sinem meister noth thäte die frücht hinyn ze thun und er spräch: es zimmt mir nit, dir zè helfen, es ist Sabath. Worum irrete er? Darum dass er also an die zyt gebunden war dass er um iretwillen die liebe underliesse.” II, 1. 46.

5. I, 331. 332. 12. 13. 231. II, 1. 45. 46. V, 9. 274. VI, 1. 284. VI, 2. 224. Vergelijk de bepalingen over de Zondagsviering in Zurich: Christoffel, Leben und ausgewählte Schriften H. Zwingli’s. Elberfeld, 1857, pag. 136. 137. Mörikofer, Ulrich Zwingli nach den urkundlichen Quellen, Leipzig 1867-1869. II, pag. 286. 287.

6. I, 344. III, 277. II, 1. 191. 193.

7. Die Ethik Calvins, pag. 59.

8. II, 1. 16. 132. III, 132. 134. VI, 2. 180. 232. cf. II, 1. 12. Sommigen denken, »wenn man spricht evangelium, man meine die gschrift des evangelii, das aber nit ist, sunder man verstat den gnädigen handel und botschaft den gott mit dem armen menschlichen gschlecht gehandlet hat durch sinen eignen |98| sun — — es ist der gnadig handel, da uns gott widerum us fygenden zu kindren mit sim eignen sun gemacht hat. Welcher das gloubt, gloubt dem evangelie. Sprichst du aber, noch muss man die gschrift und buchstaben besehen und probieren ob der grecht sye. Sich iez willt du von dem buchstaben sagen, da ich allein vom handel und glouben geredt hab, der also an im selbs ist wie ich gsagt hab, und ob er gleich mit buchstaben nie angezeichnet wär. pag. 13, 14: der glöubig in welches herz gott sin gsatz geschriben hat und sin gebot in sin gemüt gegeben, bewäret ns dem iunern glouben und kunst die im gott gegeben hat, den ussern buchstaben, ob er der waren göttlichen glychformig sye oder nit.”

9. II, 1. 87.

10. III, 551. VI, 1. 205.680. cf. Spörri, Zwingli-studien, pag. 58.

11. VII, 398. VIII, 52: plus sudavimus in hoc certamine quam in ullo alio.

12. Vooral komt dit uit in zijn eerste geschrift tegen de Wederdoopers, Vom Touf, vom Widertouf und vom Kindertouf |100| II, 1, 230. — waar bij aan het woord »doopen” vierderlei beteekenis geeft, en daardoor alle plaatsen der Schrift in bewijzen voor zijne stelling weet om te zetten.

13. Zie Zwingli’s geschrift: Welche ursach gebind ze ufrüren, II, 1. 370.

14. III, 132. VI, 2. 181.

15. Stud. u. Krit. 1862 pag. 690. »Diese Moderation ist um so höher anzuschlagen, je fester bei Zwingli die Gesichtspunkte waren, nach welchen er sein Reformationswerk begann, je misstrauisch-kritischer er der Ueberlieferung gegenüberstand, je weniger er verhehlte, dass Luther allzu nachgiebig sei und schwere Krankheitszustande durch linde Mittel allein nicht geheilt werden könnten.”

16. II, 2. 224. »Ich hab geschen, dass vil sind in unserer kilchhöre, die dem wort Christi anhangend, doch sind sy so schwach, dass sy die lang yngetrunkne gewonheit und irrsal — — — nit so ylends und schnell ganz lassen könnend noch wöllend, und wo man sy da überylen wollt, dass nit |102| kleine verletzung, onch ufrür zu besorgen ware. Es gschicht disen wie denen, die in einem finsteren kerker lange zyt gelegen sind; so die harus genommen werdend, mögend sy den glast der sonnen und des tages nit erlyden; desshalb man sy nit ylends an das liecht sunder an ein dunkel ort thut, nit dass sy allweg in der dünkle syn und blyben söllind sunder sol lang bis sy den glast erlyden mögend.” Cf. II, 1. 5.

17. I, 519: Ex animo hoc unum opto ut singuli aedificare, non destruere conentur.

18. III, 312: Debent ergo quae fidei cardo sunt, incunctanter prodi; quae vero contra ipsam sunt, arte convenit demoliri, ne ruina noceant et lapsa, paucula ista quae exstructa erant, adobruant. Facile persuadeas senem ut sellam deserat, si baculum prius quo niti possit in manum dederis; qui te alioqui nunquam auditurus est, sed insidiatorem potius iudicaturus ut qui cupias pronum ad silicem cranium frangere. Sic mentes humanae ante omnia sunt ad infallibilem dei cognitionem adducendae, quam ubi recte, attigerint, iam facile dimittent fallaces in creaturas spes.

19. I, 20. 385. III, 311. VI, 2. 128. 158.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000