HOOFDSTUK VI.

HET RICHTSNOER DES CHRISTELIJKEN LEVENS:

DE WET EN HET VOORBEELD VAN CHRISTUS


Hoewel den mensch ook onder de heerschappij der zonde een geweten, een zedelijk bewustzijn bijblijft; voldoende om hem te leeren wat goed en kwaad is, is dit niet. Eene volledige plichtenleer kan daaruit niet worden gebouwd. Den regel zijner handelingen vindt de mensch niet in zichzelven, maar alleen in den wil van God, tot wiens gemeenschap hij is geschapen. Openbaring, hetzij dan in- of uitwendige, eener wet is voor den mensch noodzakelijk, om te weten wat goed en kwaad is, en zelfs om mensch te blijven, want zonder die kennis is de mensch gelijk aan een dier. Indien God geen wet gegeven had, ware dit bewijs, »quod simul cum bestiis interiremus.” In zijn Anamnema tracht Zwingli aan te toonen, dat eene wet te hebben tot het wezen des menschen behoort. Exlex leven mag de mensch niet, want die geen wet heeft, kent ook Gods wil niet en ware dus niet geschapen, om Hem te kennen en te genieten. De wet nu is bij Zwingli in algemeenen zin niets dan de gebondenheid des menschen aan God. Het dier heeft geene wet en handelt naar zijne lusten. Maar niet alzoo de mensch, die eene hoogere bestemming heeft, nl. de gemeenschap met God, en daarom ook voor al zijne daden aan God verantwoordelijk is. Wanneer er nu geene zonde ware, dan zou de wet niets zijn dan ’s menschen zedelijke natuur zelve; dan de »lex naturae,” die wel geopenbaard |76| heet, in zooverre ze immers ook van God afkomstig is, maar tevens in ’s menschen hart geschreven en zijn eigen wezen is. »Donec innocenter vivunt homines, innocentia pro lege est, ad quam omnes respiciunt.” In dien staat der onschuld leefde de mensch »sine lege scripta, tametsi non sine lege.” Maar de zonde, die ’s menschen zedelijke natuur wel niet vernietigd maar toch verdorven heeft, maakt het noodzakelijk, indien ten minste de bestemming des menschen bereikt en Gods plan met den mensch verwezenlijkt zal worden, dat God op nieuw zijn wil openbaart, en den mensch eene wet geve, opdat hij wete wat goed en kwaad is, wat gedaan en wat vermeden moet worden. Deze uitwendige, geschrevene wet komt in inhoud met de »lex naturae,” welke de mensch oorspronkelijk bezat en ook door God nog in ’t hart van sommige Heidenen geschreven wordt, geheel overeen. De wet is de Godskennis des menschen zelve, maar die in den toestand der zonde buiten en als wet tegenover hem staat. 1)

Dit weinige toont al dadelijk, hoe de wet voor Zwingli een geheel ander karakter draagt dan voor Luther. Deze ziet in haar slechts haar veroordeelende werking, dat is haar eenige eigenschap. Maar Zwingli beschouwt ze van eene geheel andere zijde. Voor hem is zij een gave Gods, die den mensch in den toestand der zonde opbeurt, hem zijne hoogere bestemming herinnert en niet toelaat dat hij geheel in den stroom der zelfzucht verzinke. Door haar wilde God den geest, dien hij |77| geschapen had, »ad se revocare et reducere.” Hij gaf daarin den mensch een regel om naar te leven en zich naar te vormen. De verhouding tusschen Wet en Evangelie wordt dientengevolge geheel anders door Zwingli dan door Luther bepaald. Terwijl deze tusschen beide eene tegenstelling ziet als van licht en duisternis en ze zóó ver van elkander scheidt als hemel en aarde, verbindt Zwingli beide zoo nauw mogelijk, zelfs op gevaar af, van het onderscheid uit het oog te verliezen. Het Evangelie is eene verklaring der wet, de wet een onvoltooid Evangelie. Evenzeer als het Evangelie is ook de wet eene openbaring van Gods genade en verheugt elk die God bemint. Gelijk het Evangelie niet enkel belofte is maar ook geboden en verboden bevat, en dus ook een wet kan genoemd worden, zoo is omgekeerd de wet niets dan een Evangelie, eene goede tijding van God, waardoor Hij ons zijn wil openbaart. Wij noemen haar slechts wet omdat zij ons vleesch tot een last is. Maar op zichzelve is zij wijs en heilig en goed, eene blijde boodschap. 2) Herhaaldelijk en met nadruk protesteert Zwingli er tegen, dat men van de wet zegt, dat zij veroordeelt, verschrikt, doodt, toorn wekt enz., tenzij men deze uitdrukkingen oneigenlijk bedoele. De wet is veeleer eene oorzaak van blijdschap dan van smart. Zij is er een bewijs van, »qnod Deus hominem aeternum vult beare.” Want wij menschen, die niet als de Engelen zonder affecten zijn en niet in het eeuwig licht van God wandelen, wij hebben hier op aarde eene wet noodig om te weten wat goed en kwaad is. Hoe zonden wij ons dan niet verblijden, |78| als God ons zijn wil openbaart. 3) Die uitdrukkingen zijn dan ook slechts waar in dien zin, »ac si quis lumen deformium hominum coetui inferat atque illi dicant: ne importato lucernam, ea enim nos omnes deformes reddit. Hic certe lux eos deformes facere nequit sed spectabilem reddit deformitatem. Sic non magis damnat hic lex quam isthic lux, sed proditur ad legem humana foeditas”. 4)

Grooter beteekenis heeft de wet daarin, dat zij om der overtredingen wil gesteld is, en wel zoo, dat zij de overtredingen niet slechts als zoodanig kennen doet, maar die ook verhoedt en tegengaat. »Lex in hoe data est, ne transgrediamur, ne contra Deum quid designemus”. 5) Hoe Zwingli dit bedoelt, wordt in zijn Anamnema ons opgehelderd. De geest des menschen heeft de hulp der wet noodig om in den strijd tegen de wet des vleesches te blijven bestaan en niet geheel en al door deze wet te worden beheerscht. »Ne spiritus si contumax caro sine legis metu et ferretur et rebellaret, ad beluas deficeret ac degeneraret, lex est custos adhibita cui spiritus perpetuo consentit ejusque partes sequitur, caro perpetuo resistit et insidiatur.” Zwingli meent daarmee niet, dat de wet ons kan zalig maken; elders toch zegt hij meermalen, dat zij ons geen kracht geeft om haar te vervullen, deze geeft Christus alleen. Maar zij oefent toch een heiligenden invloed op allen, die God kennen. En dat doet zij daardoor, dat ze ons niet slechts Gods wil openbaart, en dus |79| over onze bestemming ons inlicht, maar bovenal dat ze God zelf, zijn eigen wezen, ons meedeelt. Zij leert ons — en daarin blijkt de innige verwantschap van Wet en Evangelie — dat datgene wat God van ons eischt tevens zijn eigen aard en natuur is, »non tantum quod Deus is sit, quem amare supra universa debeamus, verum etiam illum natura amare, non modo hominem sed cunctas creaturas suas.” En in zooverre is de wet niet maar een »index peceati”, maar verblijdt en sterkt zij allen, die in God gelooyen. »Quatenus numinis ingenium voluntas ac natura est lex, mirum in modum reficit quidquid Dei cognitionem habet (utcunque caro et quae Dei notitiam nullam habent ex auditu ac contemplatione legis nihil voluptatis aut commodi capiant) claritate enim sua purgatas hominum mentes ad se trahit afficit et transformat”. Op den achtergrond der wet ligt het Evangelie. Wie alleen de letter der wet leest, wordt door haar verschrikt en begint haar te haten; »qui vero penitius introspicit et purgata mente in autorem legis fertur, amorem Dei erga se considerat et expendit, hic Spiritum libertatis et filiorum concipit quo fretus omnem metum excutit et cum fiducia clamat: Abba pater”. 6)

Uit zulk eene beschouwing der wet volgt, dat zij ook voor het Christelijk leven haar beteekenis behoudt. Ja, dan eerst krijgt ze haar ware beteekenis, wijl alleen de geloovige haar recht kan verstaan en op haar juiste waarde schatten. Zwingli zegt herhaaldelijk, dat de wet ook voor den Christen van kracht blijft. Als »perpetua Dei voluntas”, als uitdrukking van Gods eigen wezen, kan zij niet afgeschaft worden. God is de bron van al het goede en al |80| wat hij beveelt is goed en mag niet veranderd worden. 7) Door Christus is alleen haar vloek, niet haar inhoud afgeschaft. De geloovige blijft aan haar gebonden, en is evenmin van haar betrachting ontslagen, als een dief, die van de straf vrijgekocht is, daardoor vrijheid ontvangt om nu voortaan de wet te overtreden. 8)

Maar in weerwil dat Zwingli zegt dat alleen de vloek der wet afgeschaft is, soms gaat hij toch verder en beweert dit zelfde ook van de wet zelve. Hoewel hij in de beschouwing der wet veel meer met Calvijn dan met Luther overeenstemde, wijkt hij niettemin van den eersten af, als deze daarin, dat de wet den geloovige altijd beter Gods wil doet kennen en tot het goede aanspoort, juist haar »præcipuus usus” zag, en nadert Luther, volgens wien »das Gesetz mit dem Frommen nichts zu schaffen hat.” Maar Zwingli kwam tot deze stelling, langs geheel anderen weg dan Luther. Deze, wijl hij de wet slechts kende van haar veroordeelende zijde. Zwingli, omdat hij het geloof als zoo spontane en tot het goede aansporende kracht in den Christen opvatte, dat elke uiterlijke wet onnoodig was. Voor den ongeloovige blijft echter ook volgens Zwingli de wet altijd gelden. Ook al zegt zulk een, dat de wet door Christus afgeschaft is, dat hij exlex en alles hem geoorloofd is, hij bewijst daarmee slechts zijn |81| ongeloof en zijne onvrijheid, »conscientiam ejus ferit Spiritus Dei et irrequietam reddit ut sese accuset intus, utcunque se speciosum foris simulet.” Maar voor den geloovige is zij afgeschaft. Want deze heeft in Christus een anderen Leidsman gekregen, die ieder ander overbodig maakt. »Christus est ei ratio, consilium, justitia, innocentia et tota salus. Christus est ei lex, hunc unum observat, solus Christus eum ducit, ut alio duce opus non sit”. 9) Gods Geest schrijft zelf in ’t hart des geloovigen den regel des levens voor; of de wet iets gebiedt of verbiedt, dit verschrikt den geloovige niet, die reeds door den zijn verstand verlichtenden Geest des Heeren weet wat God van hem eischt. Ja, om juister te spreken, de wet is den geloovige nooit gegeven. Evenals God zelf geen wet noodig heeft, zoo ook hij niet, »qui Deum in sese habitantem sentit, hujus enim ductu et ratione totus dirigitur.” De geloovige is dus niet in dien zin vrij van de wet, dat hij niet behoeft te doen wat zij gebiedt. De wet is en blijft Gods wil en onveranderlijk. Maar de geloovige volbrengt haar geboden nu vanzelf, uit eigen beweging, met vreugde en zonder eenigen dwang. »Qui amat, libere omnia facit etiam gravissima.” En de liefde is de vervulling der wet. »At ea ubi accensa est, non spectatur lex, tam abest ut metuatur, sed vehit in omnibus et ad omnia caritas”. 10) Toch begreep Zwingli volkomen goed, dat er altijd bleven, die door den prikkel der wet tot het goede moesten aangespoord worden. »Sunt enim et inter milites qui metu excitantur ut stationem servent, sicut contra qui animi fortitudine. Sic qui fide |82| exstimulantur, fortium similessunt, qui lege, meticulosorum.” Daarom mag de wet niet weggelaten of verwaarloosd, maar moet gepredikt worden, »sed hac ratione, ut studium ejus quod lex jubet ei fide oriatur”. 11)

Maar ook het practisch belang brengt er Zwingli niet toe, om zoo streng als Calvijn aan den Dekaloog zich te binden. Pogingen om alle plichten des Christens daaraan aan te sluiten of daaruit af te leiden worden door Zwingli niet aangewend. Wel erkent hij de goddelijke autoriteit der Tien Geboden; als hij de verwijdering der beelden bepleit, beroept hij zich altijd op het tweede gebod. Maar als regel voor het christelijk leven geldt hem niet de Dekaloog als zoodanig. Veel scherper dan door latere Gereformeerden wordt door Zwingli onderscheiden tusschen het ceremoniëele en het ethische in den Dekaloog. Alleen het laatste, de zedelijke inhoud, is richtsnoer van het christelijk leven. Alleen datgene is verplichtend, wat met den aard van dat leven zelf overeenkomt en in de twee groote geboden: heb God lief boven al en den naaste als u zelven, gegrond is. Al het andere heeft geen waarde en is geen gebod. »Qui sub Christo merent, ad ea adstringuntur quae caritas jubet; quod illa non jubet aut quae ex ea non proficiscuntur aut praecepta non sunt aut inutilia sunt.” Die wetten alleen, »quae ad internum hominem pertinent,” blijven eeuwig. En de hoofdinhoud van deze is de »lex naturae,” welke is de wet en de profeten, en die het gebod der liefde tot God en den naaste in zich bevat. Naar dien regel moeten al onze daden geconformeerd worden. »Omnem actionem, omne consilium et quidquid ad proximum |83| spectat sub hac lege contineri necesse est.” Daarmee is tevens de vraag beantwoord, waarom en met welk recht uit dezelfde wet het eene behouden blijft en het andere afgeschaft wordt. »Quae enim ad hanc regulam perpetuae voluntatis Dei: dilige proximum sicut te ipsum, adhibita, explorataque sub ea contineri cernuntur, nunquam aboleri possunt; quae vero minus, iam per Christum antiquata sunt, finis enim legis Christus. 12)

Zwingli legt er zich dan ook op toe, om alle zedelijke verplichtingen uit het gebod der liefde tot den naaste af te leiden. Diefstal, meineed, doodslag enz. zijn ongeoorloofd, niet zoozeer omdat zij in den Dekaloog verboden zijn, als wel omdat zij met dat groote gebod in strijd zijn. Zelfs zuivere rechtswetten tracht Zwingli daaruit af te leiden en bewijst daarmee, dat hem, evenmin als den anderen Hervormers, het onderscheid van »Rechts- und Sittengesetze” duidelijk is. De wijze, waarop hij alle andere geboden uit de twee hoofdgeboden der liefde tot God en den naaste construëert, is soms niet van willekeur vrij te pleiten. Op de tegenwerping b.v., dat de ceremoniën dienen ter vereering van God en dus haar grond hebben in het eerste dezer twee geboden, geeft Zwingli ten antwoord: »minime nam si his rebus coleretur Deus, non rejecisset eas Domintis per Iesaiam et Ezechielem”. 13) Ook ondanks het onbepaalde, dat bij Zwingli is waar te nemen, als hij spreekt over de wet en haar betrekking |84| tot het christelijk leven is toch zooveel duidelijk, dat hij zich losmaakt van den Dekaloog en alleen zijn zuiver ethischen inhoud, welke tevens die der »lex naturae” is, wil laten gelden.

Er is bovendien nog eene andere reden, waarom het leven des Christens bij Zwingli veel minder dan bij Calvijn door de Wet der tien geboden beheerscht wordt. Veelmeer dan aan enkele voorschriften hecht hij aan de macht van het voorbeeld. »Longum est iter (ut inquit Seneca) per praecepta, breve et efficax per exempla. Unicum sanctae et inculpatae vitae exemplum plus permovet quam decem praecepta. Plus excitat fidei et mansuetudinis exemplum in Mose, quam si nude proponeretur”. 14) Zulk een voorbeeld van een heilig leven is ons in Christus gegeven. Op die beteekenis van Christus wordt herhaaldelijk door Zwingli gewezen. Dit hangt samen met geheel zijne beschouwing van Christus’ persoon en werk, en verder met heel zijn theologisch systeem. Christus is niet »auctor” maar »pignus salutis.” Bij kwam om in zijn leven de goddelijke gerechtigheid, in zijn dood de goddelijke genade te openbaren. Hij toonde wat in het raadsbesluit, in het wezen Gods reeds voorhanden was, de eenheid nl. der gerechtigheid en der genade. Ook zonder Christus ware God in staat geweest de zonden te vergeven. Maar Hij heeft den mensch Gods barmhartigheid te gelijk met zijne straffende gerechtigheid voor oogen gesteld. 15) Christus’ persoon treedt dus bij zijn werk op den voorgrond. Niet op wat Hij deed, maar op wat Hij was valt de nadruk. Daaruit volgt, dat in de moraal Christus optreedt als de volkomen vervulling van het zedelijk ideaal en dus als |85| voorbeeld onzes levens. »Filius Dei nobis ad confirmationem misericordiae, ad pignus venim, ad justitiae pretium et ad vitae normam datus est, ut nos certos de gratia Dei faceret et vivendi traderet legem 16). Christus heeft de wet vervuld, niet alleen in dien zin, dat Hij voor ons volbracht heeft, wat wij niet konden volbrengen, en dus aan Gods gerechtigheid heeft voldaan, maar ook alzoo, dat Hij de wet ons duidelijker gemaakt en den wil zijns Vaders ons nader verklaard heeft, waardoor wij nu beter dan voorheen weten, wat van ons geëischt wordt. Terwijl de wet dus eensdeels voor den geloovige afgeschaft is, in zooverre zij hem niet meer veroordeelen kan, is zij anderdeels door Christus hersteld, vernieuwd en uitgelegd. 17) En dat heeft Hij gedaan niet slechts door zijne leer en zijne woorden, maar bovenal door zijn leven, door zijne geheele verschijning. Christus is »das lebendige Gesetz,” de wet in haar zuiverste vervulling, in haar volkomenste uitdrukking. Tusschen Oud en Nieuw Testament is volgens Zwingli slechts een gering verschil; »re ipsa vel quod ad summa pertinet nihil differunt.” Maar dit is toch een belangrijk onderscheid, dat »prius nunquam fuit vivum vivendi exemplar mortalibus datum, quod nunc per Christum est propositum.” Christus had zelfs wel met de kinderen te Bethlehem tegelijk gedood kunnen worden, zijn bloed ware toch eene verzoening voor onze zouden geweest, »sed sic exemplari caruissemus”. 18)

In zichzelven een voorbeeld des levens ons te geven, was het doel mede van zijne komst. Hij kwam niet slechts om ons te verlossen, »sed ad docendum quo pacto Deum |86| amemus, quo cultu sit colendus, quae sint vere bona opera quae Deus a nobis requirat, ut discamus ab eo qui est aeterna Dei sapientia, non ex nobis ipsis quid Deo sit gratum, quid divinae majestati placeat; quidque a nobis requirat.” Hij kwam om den mensch geheel en al, uit- en inwendig te vernieuwen en te heiligen en een voorbeeld des nieuwen levens in zichzelven voor te stellen. Zoo is Hij »vitae nostae exemplar et forma, non solum docendo sed et vivendo.” Ook de heiligen kunnen ten voorbeeld ons strekken, maar toch met Christus vergeleken, was er niemand onder hen, die met zulk een ijver en duidelijkheid en met zoo groot geloof gerechtigheid en waarheid in de wereld geplant geeft. Door een exempel des levens ons te geven, oefent Hij een vernieuwenden, heiligenden invloed. »Pulcherrima et perfectissima exemplaria virtutis ac verae pietatis proponit et pectus hominis repurgat, interioremque hominem reformat et instaurat.” Zelf is Hij »perfectissimum virtutum exemplar”, type van hetgeen wij zijn moeten, voorbeeld van allen die in Hem gelooven. Zijne voorschriften zijn »lucernae quaedam, quae totam vitam illuminant, typi quidam et formae ad quae formanda est vita omnium”. Vooral die, welke in de Bergrede vervat zijn, zijn bij uitnemendheid geschikt tot vorming des levens en tot aankweeking van de liefde jegens den naaste. Hem moeten navolgen allen, die Gode welbehaaglijk willen zijn. Wie van den regel, dien Hij gegeven heeft, afwijken, moeten in zonden vallen. En voorts worden alle deugden van Christus, zijne zachtmoedigheid en nederigheid, zijn gehoorzaamheid en geduld, zijne armoede en minachting van den rijkdom, zijne ouder- en naastenliefde door Zwingli ons telkens ter navolging voorgehouden. Ja, »omnis doctrina et actio |87| Christi sine controversia nobis formula est vivendi”. 19)

Het christelijk leven heeft dus in Christus zijn voorbeeld en richtsnoer, maar nader dan in deze algemeene trekken wordt dit door Zwingli niet uitgewerkt noch toegepast. Eene toepassing, die meer in het bijzonder ging, zou ook aanstonds bewijzen, dat de stelling: Christus voorbeeld des nieuwen levens, althans in haar algemeenheid en zonder nadere bepaling, onhoudbaar is. Toen, naar Bullinger’s verhaal, Zwingli op het godsdienstgesprek te Marburg zeide, dat het lichaam van Christus aan het onze gelijk was en dus ook aan plaats en ruimte gebonden, antwoordde Luther: »So er uns in all weg glych, so hat er ouch ein wyb gehebt und schwarze öugli”. 20) Luther bracht daarmee, ook al had hij in dit bepaalde geval ongelijk, een bezwaar te berde, dat tegen het stellen van Jezus als regel des zedelijken levens met recht kan ingebracht worden. Zwingli zelf gevoelde dat bezwaar. In zijn commentaar op Matth. 1 : 18 zegt hij: »Ne dicas: Christus non duxit uxorem, ergo nec ego ducam, neque enim est similis ratio. Nam licet homo fuerit verus, Deus tamen aeternus et verus fuit, cui nuptiae non competebant. Interim tamen ad commendationem matrimonii de desponsata matre nasci voluit. Est quidam Christus exemplar vitae nostrae, in quo tamen quaedam sunt quae nobis minime competunt. Virtutes, obedientiam, humilitatem, modestiam, patientiam, mansuetudinem, eximiam caritatem ac beneficentiam imitari licet; ad perfectionem divinitatis mortalibus protingere non erit |88| fas”. 21) Daarmee levert Zwingli eene kritiek, die van zijn eigen beweren, dat Christus norma des nieuwen levens is, beperking en nadere bepaling noodzakelijk maakt, en zeker voor sommige theologische moraalsystemen van onzen tijd niet geheel overbodig is.

Door dit stellen van Jezus als zedelijk ideaal wordt verklaard, waarom Zwingli zich niet bindt aan den Dekaloog. De wet als zoodanig, buiten Christus, geldt alleen voor hem die niet gelooft. Voor den geloovige is Christus norma en de wet in Hem. Want Hij eerst heeft de wet volkomen verklaard, haar vollen inhoud haar gegeven, haar innerlijk wezen en doel ontsloten en is zelf in leer en leven er de volkomen vervulling en uitdrukking van, God lief te hebben boven al en den naaste als ons zelven, deze beide hoofdgeboden, die de wezenlijke inhoud der »lex naturae” zijn, Gods wil bevatten, door en in Christus hunne volle beteekenis hebben verkregen en den grondslag aller andere geboden uitmaken, vormen den regel des christelijken levens in Zwingli’s moraal.




1. De provid. Cap. IV. VI, 1. 588, 636. Per legem statuit Deus homini voluntatem suam significare — — ita ut lex sit ipsa Dei cognitio qua scitur esse Dominus et Moderator rerum omnium IV, 107.

2. I, 281 vlg. 323, 556.

3. IV, 103. Si credit rex aut imperator sententiam suam, consilium et ingenium decurioni aut tribuno, quomodo ille non exilit et gestit prae laetitia?

4. IV, 103. I, 324. VI, 2. 260.

5. I, 281. 382. cf. III, 283. Lex hac causa est posita quod affectus nostri modum excedebant.

6. IV, 105. VI, 2. 261.

7. De ceremoniëele wetten onder Israël waren volgens Zwingli eigenlijk niet goed, nl. als wetten; »bonae vero fuerunt quatenus omnes creaturae sunt bonae. Lex vero tunc bona est quum eos qui sub lege sunt et qui legem servant perficit et bonos reddit. Hoc pacto ceremoniae nen fuerunt bonae”. Van haar geldt Ezechiël 20 : 25. Waren zij wezenlijk goed geweest, dan hadden ze ook nooit kunnen afgeschaft worden. I, 322. 326.

8. I, 231. 325. 568.

9. I, 233.

10. I, 232. 569. III, 205. VI, 2. 98.

11. III, 617.

12. III, 203. I, 326. Nooit kunnen afgeschaft worden die twee geboden, waaraan wet en profeten hangen. »Quidquid ergo in tota scriptura in ista duo praecepta tendit, nunquam abolebitur et ad hoc omnes ex aequo tenentur.”

13. I, 326. cf. III, 286, waar bij op diezelfde tegenwerping antwoordt: »ceremoniae non sunt indicio amari Deum sed si voluntati ejus obtemperemus.”

14. VI, 1. 368. 542.

15. Zeller, pag. 69. Sigwart, pag. 121. 131.

16. IV, 48.

17. I, 459.

18. III, 423.

19. I, 200. VI, 1. 309. 389. 583. 586. 670. 716. I, 200 106. 327.

20. II, 3. 49.

21. VI, 1. 204.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000