HOOFDSTUK V.

DE AANVANG EN DE STRIJD DES CHRISTELIJKEN LEVENS.


In zijn empirischen, zelfzuchtigen toestand tot het goede onbekwaam, moet de mensch alle vertrouwen op zichzelven laten varen, zichzelven afsterven en verloochenen. Bestaat het geloof bij Zwingli in een volkomen zich verlaten op God en een hooren naar Zijn woord alleen, dit geloof kan in den mensch niet ontstaan, tenzij voorafgegaan van een afzien van zichzelven. Het Christelijk leven sluit in zijn ontstaan en ontwikkeling eene breuke met het vroegere, zelfzuchtige leven, een innig berouw over het zondig verleden, en eene de zonde uitbannende, reinigende handeling in zich. Het geloof is in zijn geboorte en wasdom door de poenitentia bepaald; iedere uitbreiding van het nieuwe leven gaat van een afkeer tegen het vroegere verzeld.

Het is eene eigenaardige, reeds vroeger door ons aangewezen, gedachte van Zwingli, dat hij de hypocrisie in den aard der zonde gegrond acht. De zonde schuwt haar eigen openbaring, wijl die tegelijk haar vernietiging ware, en hult zich in den schijn van het goede. Daarin ziet Zwingli ook de reden, waarom er zoo weinig oprecht berouw en ware boete gevonden wordt. De mensch heeft door de zonde niet slechts de kennis van God, maar ook van zichzelven verloren. Hij verbergt zich voor zichzelven en verheelt zijne ziekte.” »Morbus ignorat se ipsum quod morbus sit opinaturque licere quidquid libet.” Wij |62| doen allen als »mulieres invenustae et deformes, quae se subinde comant ac ornant, ne deformitas earum adpareat.” De mensch is een dubbelwezen geworden. Het innerlijke en het uiterlijke is bij hem in volkomen strijd. Onwaarheid is een alle menschen aanklevend gebrek, de grootste en algemeenste zonde. In de huichlarij, die zich met den schijn van vroomheid siert en altijd verder van God ons aftrekt, zag Zwingli den »atrocissimus hostis generis humani,” een diep en ingeworteld kwaad, de schadelijkste aller zonden, de aan God meest gehate, de voor het Christelijk leven verderfelijkste. Zij vindt overal goedkeuring en verblindt allen, wijl niemand ziet op het hart en ieder met het uiterlijke zich tevreden stelt. Door de zonde is elk mensch een hypocriet. »Omnes videri volumus alii quam sumus et quales sumus videri nolumus.” Vandaar dat er zoo weinig geloof is. Niemand kent of wil of kan zichzelven kennen. »Nemo etenim in sese descendere tentat, nemo”. 1)

En toch is deze zelfkennis noodig, opdat er ware boete geboren worde. Opdat iemand berouw hebbe over zijne zouden, moet hij ze als zoodanig kennen. »Nisi cognitio antecedat, abiectio sui nulla sequitur.” Daartoe komt de mensch niet uit zichzelven; want in plaats van zich te veroordeelen, prijst en roemt hij zichzelven, en stelt zich en anderen met den schijn der deugd |63| tevreden. Zoo heeft dan de mensch God noodig zoowel om zichzelven als om Hem te leeren kennen. »Virtute Dei fieri oportet, ut homo se agnoscat”. 2) Indien wij nu verder vragen, door welk middel God deze zelfkennis en de daarop volgende boete in den mensch doet ontstaan dan lijdt het geen twijfel, of Zwingli dacht zich oorspronkelijk deze bewerkt door de wet. Door haar, die den heiligen wil Gods ons openbaart, leeren we onze zonden en ons onvermogen om aan haar eisch te voldoen, kennen. En daaruit volgt dan: »ut miser homo de se et operibus suis desperare coactus quum nullam in his salutem latere conspiciat ad solam clementissimi Dei gratiam recurrens se totum illi commendet; ut primum enim huc perventum est, homo gratiae divinae est particeps. Primum morbus indicandus, tunc demum salus praedicanda erit”. 3) De kennis der zonde gaat dus aan de kennis der genade vooraf, het schuldbewustzijn is het begin der bekeering. Het wanhopen aan zichzelven en aan eigen kracht doet uitzien naar het aangeboden heil.

Maar evenals Calvijn in zijne leer der poenitentia eene belangrijke wijziging bracht, 4) valt eene dergelijke ook bij Zwingli op te merken. Terwijl in sommige uitspraken de boete aan het geloof voorafgaande wordt gedacht, zijn er andere, waarin beide als in elkaar begrepen worden beschouwd. Tusschen boete en geloof bestaat dan dezelfde verhouding als die welke Zwingli, gelijk wij later zien zullen, aannam tusschen Wet en Evangelie. Wel blijft de |64| zelfkennis en de poenitentia bij Zwingli zoowel als bij Calvijn door de wet »vermittelt.” »Poenitentia hic nascitur ubi homo sibi ipsi displicet cum se ipsum agnoscit. Hoc autem per legem fieri necesse est, per legem enim cognitio peccati.” Maar de wet kan alleen hen tot ware boete brengen en verschrikken die op God reeds vertrouwen; de ongeloovigen verachten haar. »Lex Dei eum terret qui hunc Deum suum esse confitetur cuius legem audit, creditque hanc ipsam legem a Deo esse”. 5)

Wie God als Wetgever erkent, gelooft in Hem reeds als in den God zijns heils. De poenitentia wordt dus voorafgegaan door het geloof en valt reeds in zijn aanvang geheel binnen het Christelijk leven. »Fides tune nascitur quum homo sibi desperare incipit ac soli Deo fidendum esse videre. Absoluta vero est, quum se homo totum abjecit et ante solam Dei misericordiam projecit sed hoc, pacto ut de ipsa propter Christum pro nobis impensum nihil diffidat”. 6) Maar terwijl nu Calvijn zijne latere, gewijzigde beschouwing van de poenitentia voortaan streng vasthoudt, is dit met Zwingli niet het geval. Beide beschouwingen komen b.v. in zijnen Commentaar naast elkander voor. Zoo zegt hij ter eener zijde: »Christus qui est ipsa gratia tunc recte et docetur et cognoscitur, cum culpa perspecta didicimus, ipsa intercedente, nobis viam in coelum ascendendi occlusam esse”. 7) Maar ter andere zijde spreekt hij het even duidelijk uit, dat |65| de mensch buiten Gods genade evenmin zichzelven als God kan kennen. Voor beide is het geloof noodig; »tam necessaria est fides ad sui cognitionem quam ad Dei.” Als Christus in zijnen naam bekeering en vergeving der zonde laat prediken, dan bedoelt hij dat de mensch dit alleen verkrijgen kan door zijne kracht. »Per Christum ergo confit ut vitae pristinae nos poeniteat.” En Zwingli komt zelfs met kracht tegen de Wederdoopers op, die de oude dwaling weer invoeren, dat de poenitentia aan de vergeving der zonden moet voorafgaan, en zegt: »poenitere ex animo et vere nemo potest nisi agnoscat Christum. Oportet enim ex cognitione Dei nasci metanoian.” De prediking van het Evangelie moet voorafgaan; »hinc enim nascitur displicentia et dolor peccati et amor justi et recti”. 8) Hier wordt de poenitentia zelfs niet meer door de wet bewerkt, maar heeft alleen het Evangelie tot onderstelling en voorwaarde. Elders heet de poenitentia dan ook »altera pars Evangelii” en wordt soms voor het geheele Evangelie genomen. 9)

Deze geheele voorstelling van de poenitentia toont klaar en helder aan, hoe weinig het Zwingli om fijne begripsbepaling en logische onderscheiding van het werk der bekeering te doen was. 10) Zooveel blijkt er duidelijk uit, dat hij zich de beide zijden der bekeering, poenitentia en fides, onafscheidelijk verbonden dacht; in de werkelijkheid altijd saamgaande en in elkaar begrepen, verschillen ze slechts door het gezichtspunt, van waaruit de bekeering |66| beschouwd wordt. De zelfkennis en de Godskennis zijn één en geschieden tegelijk. »Cognitionem Dei hominibus ingerere aliud nihil est quam homines in sui ipsorum cognitionem inducere. Haec enim simul fiunt. Ubi Deus non illucet, insaniunt homines et in omnia scelera dilabuntur. Ubi sese abjicit homo, illic est Dei cognitio”. 11) Ook ondanks de elders gevonden voorstelling, dat de contritio aan de fides voorafgaat, blijkt het voldoende, dat Zwingli veel meer op beider eenheid, dan met Luther en Melanchton op beider onderscheid den nadruk legt en ook hier de Gereformeerde gedachte heeft aangegeven, dat de mensch zelfs in den allereersten aanvang der bekeering, bij de intrede in het »foedus gratiae” volkomen van God afhankelijk is.

Deze poenitentia nu is voor allen noodzakelijk. Want Gods voornemen is niet om de wereld te verlossen en daarna in haar boosheid te laten volharden. Dan immers ware het beter nooit een Verlosser gezonden te hebben, en nimmer den mensch te hebben bevrijd, »quem mox ac liberatus esset passurus fuisset pristinis in vitiis sordescere.” Maar den mensch vernieuwen en heiligen, dat is het doel Gods. En daarom is poenitentia noodig, welke bestaat in een prijsgeven van het vroegere, zelfzuchtige leven. Van zoo diepingrijpende werking, heeft ze dan ook niets uitstaande met die geveinsde en gedwongene smart, welke op bevel van den priester geoefend wordt en niets dan huichelarij is, wijl er geene zelf kennis mee gepaard gaat. Maar zij is zulk eene, »qua se homo in se recipit ac omnia diligenter explorat, qua quaeque ratione faciat, qua |67| celet, simulet, dissimulet; quod ubi citra fraudem fecerit huc abigitur, ut prae morbi magnitudine de iustitia saluteque sua desperet, non aliter quam quum quis letali vulnere accepto atram sempiternamque noctem assidue expectat.” Zij leert dat heel het leven ten eenenmale veranderd moet worden en doet, naarmate ze dieper gaat, des te meer aan ons zelven en aan onze eigene gerechtigheid wanhopen. 12)

De poenitentia heeft hier dus een engeren zin en wordt tot de negatieve zijde der bekeering, de »mortificatio veteris hominis” beperkt. Maar gelijk zij, hoewel eigenlijk slechts »altera pars Evangelii,” ook wel het geheele Evangelie aanduidt, zoo geeft Zwingli haar soms ook een ruimer begrip en verstaat er dan door het nieuwe leven zelf. In den eisch der bekeering is de hoofdsom der Christelijke leer vervat. »Qui poenitent, evangelium recipiunt et amplexantur. Poenitentia, id est, nova vita”. 13)

De geheele poenitentia, zoo in enger als ruimer zin, is alleen mogelijk in de gemeenschap van Christus, gelijk omgekeerd wie Christus aannemen wil, een nieuw leven beginnen moet. »Nova vita non venit donec Christus agnoscitur et recipitur. Christum induisse est novam vitam vivere. Qui volunt esse Christi, posita vita veteri, novam inchoent necesse est; Christiana enim vita regeneratio quaedam et nova vita est. Qui Christo fidunt, novi homines facti sunt”. 14)

Op de vraag, waarin die verandering bestaat en wat er in den mensch vernieuwd wordt, geeft Zwingli ten antwoord, dat &3146;s menschen geest, vroeger God niet |68| kennende, Hem nu leert kennen. 15) Hij is een nieuw mensch, die er zich altijd op toelegt om in de kennis van God toe te nemen, waardoor hij dan tevens dagelijks meer en meer vernieuwd wordt. En hij heet nieuw, »non quod vel nuper conditus sit, vel non ab initio homini impressus, sed quod omni tempore een recens aliquod opus purius clariusque enitescit”. 16) Alle menschelijke vermogens en krachten blijven dus intact; alleen krijgt alles in den mensch bij de bekeering eene andere richting en wordt toegekeerd naar God. Het leven voor ons zelven wordt veranderd in een leven voor God. En wijl de zonde slechts in haar waren aard behoeft geopenbaard te worden en van den schijn van het goede ontdaan, om door den mensch verafschuwd te worden, zoo is de bekeering voornamelijk »instauratio mentis, illuminatio”. Voor alles komt het dus aan op de kennis van God. Zij is voor den enkelen mensch en voor de maatschappij »omnis justitiae initium.”, Wie hem kent, bemint Hem. »Cognitio Dei caritatem secum vehit”. 17)

Dat wil niet zeggen, dat de bekeering bij Zwingli slechts bestaat in een omkeer in verstandelijke overtuiging; zijne |69| leer des geloofs, dat juist zetelt in het hart, en de nadruk dien hij altijd op het innerlijke, op de gezindheid, legt weerspreekt dit ten stelligste. Maar wel komt daarin uit, dat Zwingli ervaringen als een Augustinus en Luther gemaakt hadden, niet kende en dus ook de bekeering voor zijn bewustzijn niet die radikale omkeer was, dien genen er in zagen. De tegenstelling van het oude en van het nieuwe leven, althans in zijn aanvang, is veel minder scherp, de overgang veel geleidelijker. Vandaar, dat nadere verklaringen over het ontstaan der poenitentia in den enkele bij Zwingli geheel ontbreken; eene beschrijving van de genesis des nieuwen levens tracht hij nergens te geven, de aanvang er van laat zich niet aanwijzen. Van elke methodistische opvatting der bekeering is Zwingli zoo ver mogelijk verwijderd. In het begin klein en bijna niet waarneembaar, krijgt zij haar beteekenis eerst in haar verdere ontwikkeling, als ze zich in een nieuw leven openbaart. En dan in den voortgang, wordt de tegenstelling tusschen het oude en nieuwe leven scherp en zichtbaar. Den aanvang van dat nieuwe leven te beschrijven, daartoe had Zwingli te minder reden, naarmate hij de heiliging en de verlossing van de heerschappij der zonde meer op den voorgrond stelde. Dan toch wordt de hoofdvraag, niet hoe dat nieuwe leven in zijn eersten, zwakken aanvang geweest is, maar hoe het in den dagelijkschen strijd tegen de zonde zich als eene kracht openbaart. Als altijd stelt Zwingli zich ook hier midden in het werkelijk leven; wat daar verder van verwijderd is, valt te meer buiten zijn gezichtskring.

De poenitentia is echter niet op eenmaal afgeloopen. Zij blijft een heel het Christelijk leven door, al het zondige afstootend, reinigend element. Want de Christen wordt niet |70| in eens volmaakt. Het vleesch behoudt zijn eigen aard en blijft strijden tegen den geest. Zoolang hij op aarde is en dit lichaam omdraagt, kan de geloovige niet vrij van zonden zijn. Het vleesch houdt niet op, zijne eigen kwade vrachten voort te brengen. »Corpus ingenium suum servat, etiamsi mens per coelestem spiritum immutata sit.” Niet als ware in dat lichaam zelf de diepste oorzaak gelegen, dat de geloovige niet tot de volmaaktheid komt. Deze ligt in de ordening Gods. Het was Zijne bedoeling niet, ons op eens te volmaken. »Sic nos sanctos facit Deus, ut interim tamen homines maneamus, erremus et peccemus.” De zonden, waartegen de geloovigen moeten blijven strijden, worden een opvoedingsmiddel, om hen te oefenen en nederig te houden, en om hen te leeren, altijd meer op God te vertrouwen en tot Hem de toevlucht te nemen, »Placuit Domino ut fideles reliquiis peccatorum et affectuum exercerentur, ut corpus subigeretur quemadmodum si quis asinum gravissimo aliquo onere oneret et per viam lutulentam et coenosam agat. Hic non est standum asino nec cadendum etiam: quod si cadit mox surgendum est et progrediendum, Sic homo ad laborem et pugnam natus est.” Het leven des Christens is een voortdurende strijd. 18)

Toch is er tusschen ongeloovigen en geloovigen een groot verschil. Want hoewel het vleesch nooit zonder zonde is, het hart der geloovigen blijft zijn hoop en vertrouwen vestigen op God; ook als zij vallen, staan zij altijd weer op door de kracht des geloofs. Ja, dikwerf zegt Zwingli, dat de geloovigen niet meer zondigen en |71| verklaart dit aldus, dat zij er zeker van zijn, dat Christus hunne gerechtigheid is en de zonden hun niet meer toegerekend worden. Zelfs werken deze hun ten goede mee. Niet in dien zin, dat ze geduld mogen worden maar om hen te verootmoedigen en hun zwakheid te doen gevoelen, »ne innocentia sua ut putant elati cadant in laqueum diaboli”. 19) Geene zonde kan veroordeelen dan alleen die van ongeloof. Maar tot overwinning van het vleesch komt het in dit leven nooit. Het blijft steeds vijandig staan tegenover den geest; beide worden op aarde niet verzoend. De levendigheid waarmede de strijd des Christens door Zwingli geteekend wordt, toont hoe hier voor hem het zwaartepunt ligt. Het vurig idealisme komt met de macht der werkelijkheid in conflict. Het geloof, hoe krachtig ook door Zwingli geschilderd, blijkt inderdaad tot doordringing van het geheele leven des menschen niet bij machte. Het vleesch gaat altijd voort zijne heerschappij te doen gevoeleu en hoewel het den geest nooit geheel verwint, toch bewerkt het, dat de geloovigen niet doen kunnen datgene, wat zij willen.

Bovendien wordt de strijd des Christens nog door de Verzoekingen verzwaard. Dikwijls spreekt Zwingli daarover niet, en dan nog slechts in zeer algemeene termen. Bij die welke uit het vleesch voortkomen, wijken die van Satan en ook de dagelijksche beproevingen terug. Naar aanleiding van de verzoeking van Christus, tot wien ze van buiten kwam, wijl hij geen »radix tentationum” in zichzelven had, zegt hij: »nos vero non solum a Satana foris nos impetente tentamur sed in sinu affectus et tentationum. fomenta gerimus. Accedit vero de foris Satan |72| et scintillam sepultam excitat ac si quis folle ignem pene extinctum reaccendat aut sulphure adhibito reviviscere faciat.” Dan is overwinning in eigen kracht onmogelijk en de hulp des Geestes noodig, die ons de overwinning schenkt door Christus. 20) De duivel verzoekt voornamelijk door middel van het vleesch. Het is bekend, hoe deze bij Zwingli veel minder voorkomt dan bij Luther. Want Zwingli meende, gelijk hij aan Luther schreef, dat hij overwonnen en geoordeeld is. Indien de duivel nog de wereld beheerscht, waar blijft dan, dat alles door Gods Voorzienigheid bestuurd wordt? Ook Satan toch vermag niets zonder Gods wil.

Wat de verzoekingen betreft, deze worden door Zwingli in twee soorten onderscheiden. De eene »quum rebus adversis homines explorat Deus, ut piorum tum imbecillitas tum fides emicet et spectatior fiat non solum. aliis sed sibi ipsis quoque; malorum ex adverso impietas, quam vel impudenter negant vel falsa religionis specie celant, palam fiat, simulque puniatur.” De andere, »quum satanae suggestionibus et carnis affectibus tentantur tentationibusque non raro succumbunt, ubi alii ad mortem aeternam sic cadunt ut nunquam resurgant, alii post casum humiliores et cautiores redduntur”. 21) Dit komt op de gewone onderscheiding neer, dat de beproevingen van God zijn, maar de verzoekingen aan Satan en aan ons vleesch moeten worden toegeschreven. Beide dienen, om de geloovigen altijd meer van zichzelven te doen afzien en alleen op God hun vertrouwen te doen vestigen. Dat is het doel van alwat God den geloovigen toezendt. Hoe dikwijls Zwingli ook zegt, dat aan de verzoekingen |73| weerstand geboden moet worden, zoozeer staat hem toch telkens de werkelijkheid, de macht der zonde, de heerschappij des vleesches voor oogen, dat hij een krachtig weerstand bieden bijna niet mogelijk, en den val der geloovigen haast van zelf sprekend acht. Daarom zegt bij het zoo herhaaldelijk, dat al die zonden en al die verzoekingen ten doel hebben om ons nederig te maken, en voor verheffiner en steunen op eigen kracht te bewaren. De strijd tusschen vleesch en geest is een strijd op leven en dood; aan verzoening kan geen oogenblik worden gedacht; eene eenigszins vrije verhouding tegenover het vleesch is volstrekt onmogelijk. Het zevende Hoofdstuk van den Brief aan de Romeinen wordt door Zwingli telkens weder aangehaald en verklaard. Daarin vond hij zijne eigene ervaring beschreven. Dat is in onzen Hervormer zoo eigenaardig, dat hij, hoe idealistisch in zijne beschouwing ook, toch nimmer aan ijdele bespiegelingen zich overgeeft, maar telkens tot de werkelijkheid terugkeert. Zoo de aanvang des christelijken levens door hem niet nauwkeurig wordt beschreven, den strijd des nieuwen levens teekent hij des te uitvoeriger. Het was zijne eigene zielservaring, die het hem herhaaldelijk deed uitspreken: »vita christiana est pugna et militia perpetua. Vivere in hac vita nihil est quam Sisyphi saxum volvere.”

Doordat dus de geloovige hier op aarde nooit vrij van zonden wordt, is voortdurende boete noodig. De »poenitentia magna” zet in de »poenitentia quotidiana” zich voort. Beide worden door Zwingli niet onderscheiden. De poenitentia is ééne en strekt over het geheele leven des Christens zich uit. Het Christelijk leven is niets dan »perpetua poenitentia et quotidiana carnis mortificatio.” Indien wij vallen en zondigen, moeten wij niet wanhopen |74| maar opstaan door de kracht des geloofs en door voortdurende boete onze onreinheid afwasschen. »Patet ergo poenitentiam esse non modo cognitionem sui et abnegationem sed abnegati custodiam quoque ut sit perpetuo quod speres dum in spe ambules, nec desit quod metuas, nempe lapsum peceati.” Altijd is deze poenitentia noodig, »quando enim est ut non peceemus?” ieder oogenblik moet er gewaakt worden om niet in vroegere zonden te vallen; ieder oogenblik moeten wij vernieuwd worden. Dat kan alleen in de gemeenschap met Christus, en eigenlijk niet de boete, maar alleen het geloof in Christus wascht onze zonden af. 22)

In aanvang en voortgang is de bekeering een werk des H. Geestes. Hoe daartegenover nu de mensch zich verhoudt en welk het verband is tusschen de Goddelijke werkzaamheid en des menschen daad in de bekeering, wordt door Zwingli nergens besproken; eene poging ter verklaring zelfs niet beproefd. De stelling dat al het goede ook in de bekeering van God komt, laat hij onverzoend naast die van ’s menschen plicht en verantwoordelijkheid staan. En zelf hield hij niet op, om zich voortdurend met de ernstigste vermaningen tot de gewetens der menschen te richten en den eisch der bekeering hun voor te houden.




1. III. 166. 204. IV, 101. I, 7. 332. 483. 672. VI 1. 218. 233. 372. 644. Evenals van de huichelarij, had Zwingli ook een diepen afkeer van de leugen. Beide zijn in zekeren zin gelijk. »Nam hypocrita quid aliud in corde gerit, aliud loquitur ore ot specie praefert. Quid vero hoe aliud est quam mentiri.” Leugen was de eerste zonde. Zwingli zag in haar nog erger kwaad dan in diefstal, ja dan »scelus quantumvis sordidum, foedum et illiberale.” V, 679. 680. VI, 1. 331. 663. III, 480.

2. III, 166. 182. 192.

3. I, 325. 568. 667. III, 174. 175. Cf. III, 420. discimus per legem damnationem nostram; per eam onim concludimur in peceatum et tenemur ad poenam.

4. Lobstein, pag. 63.

5. III, 616. Fides legis est fundamentum. Fides nisi adsit, frustra legis cantilenam canes. 617 fidem nunquam non praedicabimus et legem propter tardos nunquam omittemus sed ita ut gratiae Dei sit quidquid agitur, non virium humanarum.

6. III, 230.

7. III, 180. 194. 199. V, 488. VI, 1. 5.

8. III, 170. 192. VI, 1. 485. cf. IV, 117: Soli isti poenitentiam egerunt quos Spiritus intrinsecus illustrabat ut Christum esse salvatorem cognoscerent et pater trahebat ut ad illum venirent et amplecterentur.

9. III, 199. VI, 1. 210. 485. VI, 2. 60.

10. Cf. Zeller, das theol. System Zwingli’s, pag. 169.

11. VI, 1. 626. 629. cf. III. 175. exponit Deus hominem sibi — — quo fit ut de se penitus desperet sed simul exponit liberalitatis suae sinus et amplitudinem.

12. III, 192. 199.

13. VI, 1. 210. 213.

14. VI. 1. 213. 485. III, 192. 200. I, 568.

15. Qui Christo fidunt novi homines facti sunt. Quomodo? an posito pristino corpore novum induere corpus? Minimo sed manet pristinum corpus. Manet ergo hereditarins simul morbus? Manet. Quid ergo est quod in en instauratur? Mens. Quo pacto? Isto quod prius erat Dei ignara; ubi autem Dei ignoratio est illic nihil quam caro, peccatum, existimatio sui est. Postea vero quam Deus agnoscitur, iam perspicit homo se intus et in cute cognitumque abjicit . . . Quum igitur per illuminationem coelestis gratiae mens Deum agnoscit, iam novus homo factus est. III, 210. VI, 1. 746. VI, 2. 203.

16. 74.

17. VI, 1. 629.

18. I, 209. 211. 313. 557, 569. III, 206-213. VI, 1. 314. VI, 2. 103. VII, 143.

19. I, 210. 212. 563. 564. III, 128. 211. 426. IV, 151.

20. VI, 1. 214. 288. 297. 376. 495. 510.

21. VI, 2. 253.

22. III, 201, 210. 212. V, 73. VI, 1. 333.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000