HOOFDSTUK IV.

DE BRON VAN HET CHRISTELIJK LEVEN:

HET GELOOF


In geen leerstuk komt Zwingli’s eigenaardigheid misschien meer uit, en treedt de enge verbinding van het religieuse en ethische helderder aan het licht, dan in zijne leer des geloofs. Deze vormt het hart van zijne theologie en van zijne ethiek. In bepaling van het wezen des geloofs komt hij met de beide andere Hervormers overeen. Ook hem is dit gelegen in kennis van en vertrouwen op God. De Godskennis is het voorrecht van den mensch, zonder hetwelk hij niets verschilt van het dier. »Adime homini rerum divinarum cognitionem et curam! iam humanarum peritia et cura non eximent a beluis; nam et beluae quaeque sui suorumque curam habent, ut sese, quemadmodum Tullius inquit, corpus vitamque tueantur. Si ergo homo nihil amplius videt, curat et sperat, iam nihil distat a beluis humanarum rerum cura”. 1) Daarom ziet Zwingli in den godsdienst de herstelling en de bevrediging van den mensch, datgene, waardoor hij eerst waarlijk weer mensch wordt. Deze »religio vel potius pietas” nam na den val een aanvang, toen God den wegvluchtenden Adam weer tot zich terugriep, en bestaat in een onwankelbaar vertrouwen op God. 2) Terwijl het eigenlijk karakter der |48| zonde daarin gelegen is, dat de mensch evenals het dier zich zelven zoekt en alleen voor zich zelven leeft, is het geloof juist een breken met dat beginsel der zelfzucht en een zich verlaten op God alleen. Ieder oogenblik keert deze gedachte bij Zwingli terug. Standvastig op God te vertrouwen, alle hoop op Hem te stellen, van Hem alleen af te hangen, geheel aan Hem zich over te geven, Hem alleen te dienen, met uitsluiting van elk ander schepsel, wat dan ook, voor Hem te leven, naar Zijn stem en woord alleen te hooren, in Zijn wil het richtsnoer des levens te erkennen, dat is waarachtig geloof, dat ware vroomheid. En het onderscheid tusschen waren en valschen godsdienst bestaat eenig en alleen daarin, dat hier »alii fiditur quam deo.” Met den godsdienst, de »pietas” tusschen God en mensch, is het zedelijk leven tegelijk gegeven. »Ut enim, qui sic animati sunt deo tanquam parente utuntur, ita e diverso sollicite ac sine intermissione relegunt, tractant et considerant, quibus ei rationibus placeant, quibus demereantur. Pietas ergo illic certo esse cognoscitur ubi studium est iuxta voluntatem dei vivendi”. 3) Het godsdienstig en zedelijk leven staan dus in het nauwste verband. Het eene is ondenkbaar zonder het andere. Onafhankelijke moraal is voor Zwingli eene ongerijmdheid. Ook de deugden der Heidenen zijn hem, gelijk wij vroeger zagen, vruchten des geloofs.

Maar niet alleen is er geen zedelijk leven bestaanbaar buiten het geloof, maar — en daar legt Zwingli nog wel zooveel nadruk op — een godsdienstig leven zonder een zedelijk leven is nog veel meer onmogelijk. Het geloof openbaart en moet zich openbaren in de goede werken. Het religieuse ontvouwt zijn volle wezen eerst in het |49| ethische. Het innig verband, dat tusschen beide bestaat, de innerlijke noodzakelijkheid, waarmee Zwingli de goede werken uit het geloof laat geboren worden, vindt ten deele zijne verklaring in de belijdenis van Gods eeuwige verkiezing. Zoo verre is het er van daan, dat het zedelijk leven door die belijdenis vernietigt wordt, dat het veeleer door haar wordt gewekt en versterkt. De energie, die de Gereformeerden hebben aan den dag gelegd op het gebied des zedelijken levens, moet juist uit hunne leer der praedestinatie worden afgeleid. 4) Want het geloof is niet iets dat op zichzelf staat en als het ware op zichzelf voltooid is, maar wordt naar beide zijden bepaald en vormt slechts ééne schakel in de keten der besluiten, welke God uitvoert. Het wordt voorafgegaan door de verkiezing, en deze, niet het geloof, maakt zalig. Wanneer dit dan toch, zegt Zwingli, aan het geloof toegeschreven wordt, »posteriori tribuitur quod prioris est”. 5) Maar evenals de verkiezing zich bevestigt in het geloof, zoo vindt het geloof op zijne beurt zijn teeken en zegel eerst in het leven, in de goede werken. Opdat zijne echtheid blijke, moet het in een christelijken wandel zich openbaren en daardoor gewaarmerkt worden. »Electi fide testantur se esse electos a Deo ad vitam aeternam et filios se esse Dei; operibus autem, maxime caritatis testantur se fidem habere verbo Dei et vere credere. Ubicunque ergo opera fidem ornant signum est fidem esse veram et salutem certam; ubi vero opera desunt nec fides per caritatem efficax est, abjicitur homo”. 6) Het geloof |50| is slechts voor hem die het bezit, teeken der verkiezing. Alle anderen kunnen haar werkelijkheid alleen zien in iemands goede werken. Het geloof is het middel waardoor de verkiezing zich realiseert in het leven. »Signum electionis est Deum amare ac metuere”. 7)

Het geloof ontvangt zoo vanzelf een innerlijken drang, om zich naar buiten te openbaren en zijne waarheid in het leven te bevestigen. Het wordt eene macht, die geheel ’s menschen persoonlijkheid beheerscht, en zelfs Staat en Maatschappij te hervormen zoekt. De historie der Gereformeerde Kerk toont de waarheid van deze bewering aan. Maar vooral bij den Zurichschen Hervormer staat deze beschouwing van het geloof op den voorgrond, en moet bij hem nog uit eene andere oorzaak worden verklaard.

Op eene geheel andere wijze dan Luther was Zwingli tot het werk der Hervorming gekomen. Toestanden als deze doorleefd had, kende hij niet. Aan innerlijke zielservaringen was hij over het algemeen niet rijk. Zijn geestelijk leven was veel gelijkmatiger en kende de angstige slingeringen niet, waarin dat van Luther dikwerf verkeerde. Bovenal bleef hem dat diepgaand schuldbewustzijn vreemd, dat den monnik te Erfurt neergedrukt had. Niet de schuld, maar de macht der zonde was het, die Zwingli gevoeld had. En dat heeft nu voor de leer des geloofs onmiddellijk ten gevolge, dat Zwingli het niet zoo zeer beschouwt, gelijk het den mensch rechtvaardigt voor God, maar zooals het als heiligende, vernieuwende kracht zich bewijst in het leven. Over de rechtvaardiging des geloofs spreekt Zwingli dan ook zelden. Van een quietisme, dat bij de vergiffenis der zonden staan |51| blijft en tegen het werken, het openbaren van het geloof in het veelzijdige leven haast vijandig overstaat, weet Zwingli niets. Bij hem is het geloof niet iets negatiefs, maar een positieve macht, een beginsel; een »vis receptiva” alleen, maar bovenal eene »vis operativa,” die niet rusten kan, maar altijd door de liefde is werkende. Met deze door en door ethische opvatting van het geloof levert Zwingli voor de ethiek eene niet te versmaden winst, en gelukt het hem, om beter dan Luther en Calvijn, die altijd uitgingen van het rechtvaardigend geloof, het psychologisch verband van geloof en werken ons duidelijk te maken.

Dit verband wordt door Zwingli ons allereerst zoo aangetoond, dat het geloof het middel is, om God in ons op te nemen, die dan in en door ons het goede doet. Waar geloof is, daar is God. »Fidem habere idem est ac Deum habere.” Het geloof doet God wonen in ons, maakt Hem tegenwoordig, niet naturaliter, zooals de Lutheranen dat zeiden van Christus in het Avondmaal, maar »gratia, bonitate ac favore.” God doet dan al het goede in ons. De geloovige is geheel passief, is en weet zich orgaan en instrument, waardoor God werkt en erkent, dat hij zelf en al wat hij doet Gods werk is. Alle werken des Christens zijn dus dan alleen goed, wanneer God ze doet door hem; indien en voor zooverre zij uit hem zelven zijn, kunnen zij niet goed wezen. Want God alleen is goed, »das urprünglich gut,” »summum bonum,” en van al het goede is Hij de eene en eenige bron. De mensch en al zijne woorden en daden zijn slechts goed door de gemeenschap met Hem. Indien Hij door het geloof in onze harten woont, bestaat er dus ook geen gevaar, dat deze leer des geloofs de menschen zorgeloos maakt. »Ubicunque |52| vera fides est, illic est Deus quoque; ubi vero Deus est, non est periculum leves reddi et dissolutos homines, nam is fons est omnis boni”. Dan eerst zullen goede werken gezien worden, want »ubi Deus est, ibi est continua et indefessa omnium bonorum actio”. 8)

God of de Heilige Geest of ook wel Christus 9) is dus de auteur van het zedelijk leven. De mensch is daarentegen geheel passief; het geloof is hier nog bloot receptief, en in zóó ver slechts bron der goede werken, als het bestaat in een dulden, toelaten dat God in ons werke. 10) Zoo onmiddellijk wordt dat zijn en werken Gods in den mensch door Zwingli opgevat, dat daarin duidelijk een mystieke trek valt op te merken. Deze komt ook nog daarin uit, dat hij dikwerf dezelfde fout begaat als de middeleeuwsche Mystieken, Richard, Bernhard, Bonaventura enz. en in de tegenstelling van het eindige en oneindige staan blijft. 11) De egoiteit van den mensch geldt dan als egoisme en kan slechts verwonnen worden door volkomen vereeniging met God. Ook Zwingli had deze fout slechts geheel kunnen vermijden, wanneer hij niet in ’t quantitatieve, zooals hij soms doet, maar altijd in het |53| qualitatieve, in de zonde en haar schuld de oorzaak had gezocht van de scheiding van God en mensch. 12)

Maar dit mystisch element in het geloof verleidde Zwingli niet, om uit de wereld zich terug te trekken en aan een leven van contemplatie zich te wijden. Voor deze eenzijdigheid der mystiek werd Zwingli door de harmonische vorming zijner persoonlijkheid behoed. Integendeel, de bewustheid der volkomene vereeniging met God werd bij hem juist prikkel tot inspanning van alle menschelijke kracht, en tot hervorming van het geheele leven. Vandaar, dat het geloof bij Zwingli ook niet in het receptieve opgaat; dat is slechts de eene zijde er van. Het lijdelijke in het geloof is tegelijk de hoogste daad; als volkomene breuke met het beginsel der zelfzucht, wordt het tevens aanvang en principe van een nieuw leven.

Met alle kracht komt Zwingli er daarom tegen op, dat het geloof iets bloot verstandelijks zou zijn. Neen, het is zoo maar geen meening of inbeelding, die alleen in ’s menschen brein bestaat, geen ongegrond vermoeden, geen klank, geen theorie buiten het leven om, maar eene »res,” eene werkelijkheid, eene »substantialis et viva virtus in animo hominis latitans,” eene vaste, zekere ervaring, »qua homo intra se infallibilem de Deo et ad Deum |54| in quem speratur, sententiam ficuciamque sentit”. Kracht is het en een nieuw leven. 13) Elke scholastische onderscheiding van geloof en werken is daarmee vervallen. Beide staan niet vijandig tegenover elkaar. De werken zijn de vruchten des geloofs, liggen in kiem, in potentie daarin reeds opgesloten; en het geloof moet ze voortbrengen, anders is het dood, en geen geloof. 14) Zwingli is dus ook zoo angstig niet als Luther, om beide uit elkander te houden; de verhouding, waarin hij de drie Christelijke deugden tot elkander stelt, toont dit duidelijk aan.

Niet slechts werkt het geloof door de liefde en openbaart zich daarin, gelijk het vuur in het licht en de warmte. Maar geloof, hoop en liefde »idem sunt diversis licet rationibus.” Zij volgen alleen op elkaar »intellectus ordine,” zijn slechts drie door logische onderscheiding. Het wezen van al deze drie deugden is »pietas in Deum, quae alia atque alia nomina habet ab intremento.” Het vertrouwen onzes harten op God wordt naar zijne verschillende zijden nu eens geloof, dan hoop, dan weer |55| liefde genoemd. Zij worden dikwijls verwisseld en de eene voor de andere genomen; »nisi quaelibet harum virtutum sit altera, plane nihil est, nedum virtus”. 15) Toch is er Zwingli ver van af, ook maar eenige verdienste der goede werken te leeren; en daarom niet alleen ontzegt hij hun die, wijl de mensch als zondaar geen goede werken doen kan, maar ook omdat hij als schepsel, alles wat hij is en doet, aan God te danken heeft.

Als zulk eene werkzame kracht nu, oefent het op hem, die het bezit, den grootsten invloed. Wijl het geen meening is, maar eene diepe, innerlijke ervaring des harten maakt het den mensch zelven goed. Niet zóó slechts, dat het hem en zijne werken aangenaam maakt in de oogen van God, doordat het geloof de gerechtigheid van Christus aanneemt, zooals Luther en Calvijn leeren. Want de toerekening, die in de Gereformeerde theologie zoo groote plaats bekleedt, is een begrip, dat Zwingli volstrekt niet ontkent, maar welks kracht en beteekenis hij toch niet gevoelt. Maar het geloof maakt den mensch zelven en zijne werken goed, heiligt en reinigt hem, althans in beginsel. Het heeft een vernieuwende kracht. »Cum Dei filius nos a peccati morte liberavit, ac nos id firmiter credimus, fieri non potest, ut non admirabili metamorphosi in alios homines transfiguremur.” Het geloof is eene nieuwe geboorte, eene geboorte uit God, en wie kinderen Gods zijn, zondigen niet, maar hebben den aard van kinderen, en betrachten den wil huns Vaders. »Fides Dei patris naturam imitatur.” Wie gelooven, leggen zich daar zoo op toe, dat zij niet slechts wat tegen, maar ook wat zonder Gods wil geschiedt, verwerpen. Het zedelijke draagt dus geen heteronoom karakter meer, maar het is het eigen wezen des |56| menschen geworden door het geloof. Alle dienen om loon, zelfs om de eeuwige zaligheid, vervalt. Vrijwillig, uit eigen beweging, naar zijne innerlijke natuur volbrengt de geloovige wat God gebiedt. Wie in Christus gelooven, »certi sunt se filios Dei esse, exercent ea opera, quae Deus praescripsit et mandavit, non ut mercenarii sed ut filii liberi et ingenui, qui ad voluntatem patris omnia suscipiunt et faciunt, de praemio nihil solliciti”. 16)

Door deze verandering van den mensch zelven, worden nu ook de werken goed, die hij volbrengt. Evenals Luther, zeide ook Zwingli: »opera quantacunque sint, hominem bonum non faciunt, sed si bonus est, opera bona facit”. 17) Het geloof nu is eene »mentis mutatio,” en vervult daardoor de eerste voorwaarde, welke tot het doen van een goed werk noodig is, nl. de goede gezindheid. Deze bepaalt de zedelijke waarde eener handeling. »Qui mentem bene formatam et recte institutam habet, facile domum, familiam et res omnes gubernat ac disponit. In religione fides est quae mentem format, qua recte instituta, externa et interna omnia recte cadunt.” Het geloof is de onmisbare voorwaarde van een goed werk. »Fides in mente humana est, perinde atque consilium in rebus gerendis.” En evenals eene daad zonder overleg onbezonnen is en alle waarde mist, zoo is ook alwat wij doen goddeloos en onnut, indien het geloof ontbreekt, en niets dan huichlarij. Zelfs in het natuurlijke is dat waar. Ook wij menschen letten in elk werk meer op de »fides” dan op het werk zelf. »Si Majestati tuae, o Rex, schreef Zwingli in zijne Fidei Christianae Expositio aan Frans I, quispiam opus |57| magnum faciat at non ex fide, an non protinus dicis te gratiam illi qui fecerit non debere, quod ex animo non fecerit. Quin potius, quidquid tibi faciat aliquis absque fide, protinus sentis aliquam perfidiam latere, ut is qui opus facti absque fide, semper deprehendatur in aliqua esse perfidia, ut sui non tui commodi causa fecisse videas.” Het geloof moet de bron van elk werk zijn. Dan is het Gode aangenaam, maar anders is het »perfidiosum quicquid fit et subinde non tantum ingratum sed etiam abominabile Deo”. 18)

Zetelend in het hart, spreidt het geloof van daar zich uit, en is het vormend beginsel van al ’s menschen vermogens en daden. Het is een licht voor het verstand, een rust en vast vertrouwen voor het gemoed, eene kracht voor den wil. Het is eene macht in het leven, »totam vitam et omnes vitae actiones recte format.” Het geloof is bij Zwingli in één woord, de harmonie van ’s menschen persoonlijkheid, waardoor deze zich eerst volkomen ontvouwen en aan haar bestemming beantwoorden kan. Wat de gezondheid is voor het lichaam, dat is het geloof voor de ziel. »Fides Christiana res est, quae in animo credentium sentitur, sicut valetudo in corpore.” Al wordt dan ook alle verdienste aan onze werken ontzegd, en al heeft Christus voor alle zonden voldaan, er bestaat niet het minste gevaar, dat dit de geloovigen zorgeloos maken of hun ijver zal doen verslappen. Wie dit beweren, bewijzen daarmee hun eigen ongeloof. »Nam si scirent fides quale donum dei sit, quam efficax virtus quamque indefessa actio, non contemnerent quod non habent.” Wie de smart der ziekte gevoeld heeft en hersteld is |58| geworden, zal niet meer zeggen: »iterum dolebo, hoc est iterum peccabo. Sic qui ad hunc modum exultant, quum Christum audiunt pro omnium commissis solvisse: peccabimus, nam gratis omnia condonantur per Christum, nunquam senserunt peccati dolorem. Nam si sensissent unquam, omni studio caverent ne qua fieret ut reciderent”. 19) Een slecht leven is altijd bewijs van volkomen gemis of zeker van gebrek aan geloof.

Die innerlijke noodzakelijkheid, waarmee de goede werken uit het geloof voortvloeien, wordt door Zwingli herhaaldelijk en met alle kracht betoogd. Een goede boom moet goede vruchten voortbrengen. »Spiritus et virtus Dei non cessat, entelechia enim est perpetua. Quomodo ergo cessaret arbor, in qua haec divina virtus est, quae ipsam bonam facit, ad bona sollicitat. Vita ergo pii hominis nihil aliud est, nisi perpetua quaedam et indefessa boni operatio, quam Deus incipit, ducit et absolvit.” Het geloof kan zoo min zonder werken zijn, als het vuur zonder warmte en licht. Waar het geloof is, daar is het werk meteen; »fides enim cum spiritus divini sit afflatus, quomodo potest quiescere aut in otio desidere, quum spiritus ille iugis sit actio et operatio.” 20) De werken komen zoo aan het geloof niet van buiten toe, maar vloeien en onmiddellijk uit voort; zij zijn de entelechie des geloofs. Beide staan tot elkaar in verhouding als leven en levensuiting. |59|

Zwingli is onuitputtelijk in beelden, om die activiteit en innerlijke kracht des geloofs aan te duiden. Het is een hemelsch licht, dat de duisternissen verdrijft, het verstand verlicht en aantoont wat God behaagt, »si non singula speciatim, omnia tamen in genere.” Ook in de grootste gevaren staat het vast en onbewegelijk, omdat het het oog alleen gericht houdt op God. Het is het oog der ziel, en zooals het lichaam zonder oog niets ziet, zoo tast, wie het geloof mist, in den blinde rond, en doet niets goeds. Het is een goede leermeester, die altijd tegenwoordig is, en aanwijst wat goed en kwaad is, wat gedaan en wat vermeden moet worden. Een trouwe wachter, die altijd op zijn post is, steeds op alles acht geeft en nimmer van waarschuwen en vermanen aflaat. Een vertrouwbare gids in het leven, die niet bedriegt maar veilig leidt, en voorschrijft wat geoorloofd is, »quemadmodum medicus aegroto adstans dicit: hoc non ede, vel de hoc non tantum ede.” En dan vooral dit schoone beeld: »fides gubernator est, qui clavum tenet, omnia vincit, novit quidem imbecillitatem nostram, non tamen cessat sed in finem usque laborat et perseverat, orat, vigilat, nusquam socors, nusquam cessans et vilibus instrumentis ac fractis ad portum indefesso cursu contendit”. 21)

Wie door dat geloof zich laat leiden, dwaalt en zondigt niet, maar reinigt zichzelven »et plus cavet peccata, quam si mille legibus exhiberetur” En hoe grooter dat geloof in ons wordt, des te meerdere en grootere werken doen wij. Want evenals in de zonde, zijn er ook graden in het geloof. Het zaad des geloofs, in het hart des menschen gestrooid groeit allengs op, niet door ons maar door de kracht Gods, »vel nobis dormientibus,” en naarmate het |60| grooter wordt, nemen de goede werken toe. »Nam quo maior est in te fides, hoc maior in te est Deus; quo magis augescit in te Deus, hoc plus perpetrat in te bonorum operum”. 22)

Dit is Zwingli’s beschouwing van het geloof als bron van het Christelijk leven. Onbevredigend is ze zeker niet. Door geen der Hervormers is de ethische kracht van het geloof zoo duidelijk aangetoond als door Zwingli. Zijne opvatting vult die der andere Reformatoren op eene uitstekende wijze aan. Het dogmatische en gedeeltelijk nog scholastische in hunne beschouwing vindt in die van den Zurichschen Hervormer zijne ethische aanvulling en ten deele ook correctief. Zoo tegen Zwingli eenig bezwaar moest ingebracht worden, dan zou het dit zijn, dat hij bij zijne beschouwing van het geloof de werkelijkheid uit het oog heeft verloren, die inderdaad van zulk eene macht des geloofs ons weinig te aanschouwen geeft.

Helder treedt hier het koene, vertrouwensvolle idealisme van Zwingli aan het licht. Groot zij de macht der zonde, maar oneindig grooter nog is e macht des geloofs. Voor de almachtige werking van Gods Geest verdwijnen alle tegenstellingen en is niets eindigs en zondigs bestand. Zóó zelfstandig is het geloof, dat het niets buiten zich behoeft, geen uitwendigen drang of prikkel noodig heeft; het is afhankelijk van God alleen, en daarom even krachtig en werkzaam als Hij. Het is God zelf in het hart der geloovigen. Zwingli vereenigt in zich de beschouwing van Paulus en van Jacobus. Evenzeer als hij overtuigd was van de waarheid, dat alwat niet uit het geloof geschiedt, zonde is, liet hij die andere stelling tot haar recht komen, dat het geloof zonder de werken dood is.




1. IV, 106.

2. III, 173. Ea adhaesio qua homo deo utpote solo bono, quod solum aerumnas nostras sarcire, mala omnia avertere, aut in gloriam suam suorumque usum convertere scit et potest inconcusse fidit eoque parentis loco utitur pietas est, religio est. pag. 175.

3. III, 175. 179.

4. Cf. Zeller, das theol. System Zwingli’s pag. 17.

5. IV, 124. VI, 1. 340.

6. VI, 1. 364. 391. cf. pag. 212, fides non verbis tantum aut externa specie sed operibus bonis vera esse dignoscitur.

7. VII, 550.

8. I, 209. 212. 325. 295. III, 475.

9. I, 207. 212. 216 vgl. 226. 233. 568. III, 97. 115. Wanneer Ebrard, Das Dogma vom heiligen Abendmahl, II, pag. 85 zegt: »der Glauben ist bei Zwingli nichts anders als das Leben Christi in uns, als die Totalität der Heilsaneignung,” dan kan hij zich daarvoor op verscheidene uitspraken van Zwingli beroepen, maar drukt zich toch veel te sterk uit.

10. VI, 1. 629. De Schriftgeleerde vraagt: quid faciam? Quasi vero in actione et non potius in passione sit sita salus, hoc est, ut nos subdamur manui Dei et patiamur, quod ipse in nos agit.

11. Cf. Dorner, Art. Ethik, in Herzog’s Real-Encyclopaedie.

12. De tegenstelling tusschen God en mensch wordt door Zwingli het sterkst gespannen, als hij in zijn Commentarius de vera et falsa religione zegt: quid deus sit, tam ex nobis ipsis ignoramus, quam ignorat scarabeus quid sit homo. Imo divinum hoc infinitum et aeternum longe magis ab homine distat quam homo a scarabeo, quod creaturarum quarumlibet inter se comparatio rectius constet, quam si quamlibet creatori conferas. Et caduca omnia sibi mutuo viciniora et agnitiora sunt, quam divino aeterno interminatio, quantumvis in eis imagines divini illius et vestigia, ut vocant, invenias. III, 157.

13. I, 577. III, 230. 346.

14. Zoo minachtend als Luther dacht over den Brief van Jakobus, zoozeer voelde Zwingli er zich door aangetrokken. In zijn commentaar op dien brief zegt hij: Jacobus quum fidem justificare negat, non de vera illa viva et efficaci perque caritatem operante fide intelligit, cui in scripturis justificatio et salus tribuitur, sed eam quam iactant quidam, quae non fides (tametsi eam ita appellent) est, sed potius opinio taxat et reprobat, quam et idcirco mortuam fidem appellat quod caritate (quae vera vita est) careat. VI, 2. 271, cf. justificatur homo ex fide absque operibus, non quod fides justificans sit sine operibus, hoc enim impossibile est, sed quod justificatio solius fidei est non operum. VI, 1. 348. In zooverre werken vruchten zijn des geloofs, kan er van gezegd worden, dat zij noodzakelijk zijn ter zaligheid.

15. VI, 2. 227. 272. 175. III, 286.

16. III, 128. I, 561. 118. 119. 347. IV, 61. 63. 151. VI, 1. 304.

17. VIII, 181.

18. IV, 61. VI, 1. 604. 666. 391.

19. I, 326. 561. III, 198. 199. IV, 62. Qui crus fregit et medicum nactus est felicem, qui deluxatum membrum recte instituit non sic cogitat: beatus es quod talem invenisti medicum, crebro crus franges. Nam medicus iste omnia potest; sed per omnem vitam, quocunque incidit, quocunque vertitur, circumspicit ac cavet ne crus iterum frangat.

20. I, 295. 564. IV, 63. VI, 1. 349.

21. VI, 1. 604. 238. 226. 315. VI, 2, 235.

22. VI, 1. 489. VI, 2. 235. I, 296.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000