HOOFDSTUK III.

DE GRONDSLAG VAN HET CHRISTELIJK LEVEN:

DE VERKIEZING


Ondanks alle verschil en strijd, stemden alle Hervormers, Luther zoowel als Zwingli en Calvijn, daarin overeen, dat zij voor het godsdienstig en zedelijk leven den grondslag legden in de eeuwige Verkiezing Gods. Dit was geene toevallige overeenkomst, maar had in het wezen van hun Hervorming zijn grond. Zonder die belijdenis ware de Reformatie eenvoudig onmogelijk geweest; zij alleen bood het standpunt aan, van waaruit met goed gevolg hervorming van de leer en het leven der Roomsche Kerk kon ondernomen worden. 1)

Zwingli was het in den aanvang met deze belijdenis niet eens geweest, en had zich beter in de leer van Thomas Aquinas kunnen vinden; eerst toen hij van de philosophische systemen tot de Schrift zich wendde, werd hij van haar waarheid overtuigd. 2) Dit toont, dat de |35| leer der Verkiezing bij Zwingli, evenmin als bij Calvijn, een metaphysische speculatie, maar aan werkelijk religieuse motieven haar oorsprong dankt. In zijn Anamnema van het jaar 1530, waarin hij de praedestinatie wijsgeerig ontwikkelt en uit het Godsbegrip afleidt, keert hij toch ten slotte tot de practische beteekenis der Providentia voor het leven terug. »Providentiam recta agnovisse piis ac Deum reverentibus maximum est adversus prospera et adversa praesentissimumque antidotum. Opes enim si contingant, forma, valetudo, bona, liberi, honores ac providentiae beneficio data agnoscamus: iam quae oro menti quum respiratio tum sedulitas adfertur? Illa quum videt ista quoque quae ad corpus pertinent a numine dari utque frui eis liceat, ista vero quum nunquam non satis cavet ne illiberaliter dispenset quae tam liberaliter accepit. Ex illa grati animi sensus, ex ista custodia nascitur et vivendi honestissima ratio.” In tegenspoed daarentegen is ze bron van rijken troost. »Quum enim quae fortunae bona vocare solemus, cernimus sic jactari et variari, ut certo in loco nesciant consistere, nisi mente capti simus omnem operam admovebimus, ut tamen ipsi firmi maneamus neque cum eis jactari nos patiamur; non secus quam quum adversus procellam post promontorium aliquod navis impellitur, accingitur et ancorae ejiciuntur”. 3) Deze providentia nu, die zoo practische beteekenis heeft, staat met de praedestinatie in het innigste verband; deze wordt uit gene geboren. »Praedestinatio imo est ipsa providentia”. 4)

Toch springt het religieus belang van Zwingli’s leer der Verkiezing ons niet zoo duidelijk in het oog als bij Calvijn. Het determinisme wordt door hem zoo wijsgeerig |36| ontwikkeld en zoo streng volgehouden, dat het zijn zedelijke waarde en karakter dreigt te verliezen; het Godsbegrip schijnt soms van zijn ethischen inhoud beroofd; het onderscheid der zedelijke en der physische wereld niet altijd gehandhaafd, en het verschil in de wijze waarop God in gene en in deze werkt wel eens uit het oog verloren te worden. De mensch is toch, volgens Zwingli, tegenover God gelijk alle andere schepselen volstrekt passief, een »opus Dei,” Zijn orgaan en instrument, en evenals »opus argentarii non malleo, non incudi, non denique cuicunque instrumento tribuitur,” zoo mag ook niets aan den mensch worden toegeschreven. God is de ééne en eenige oorzaak van alles. De »causae secundae,” welke door de Gereformeerde theologie altijd werden gehandhaafd, worden door Zwingli ontkend. »Reliqua omnia (buiten God) non magis sunt vere causae quam legatus domini sui dominus est, scalprum aut malleus artificis poculi causa est.” Zij heeten slechts »causae” in overdrachtelijken zin. Zelfs aarzelt Zwingli niet, God den auteur der zonde te noemen, hoewel deze niet voor Hem, maar wel voor den mensch zonde is. »Quod deus operatur per hominem homini vitio vertitur, non etiam deo.” Want God staat boven de wet, en is van alle affecten en alle zonde vrij. 5)

De invloed der Stoa, evenals die van Picus van Mirandola, is hier en in geheel Zwingli’s determinisme niet te miskennen 6) en was oorzaak dat zelfs meermalen de onrechtvaardige beschuldiging van pantheisme tegen hem ingebracht werd. Ondanks het onbevredigende, dat er |37| misschien voor ons in dit determinisme gelegen is, werd Zwingli’s Anamnema door bijna allen geprezen. Luther zelf, die het te Marburg gehoord had, liet er geen afkeurend woord over uit; zijne eigene voorstelling die hij in zijn werk tegen Erasmus gegeven had, verschilde trouwens van die van Zwingli in geen enkel wezenlijk punt. Alleen Calvijn schreef Jan. 1552 in een brief aan Zwingli’s opvolger te Zurich, Bullinger: »Zwinglii libellus de providentia tam duris paradoxis refertus est, ut longissime ab ea, quam adhibui moderatione distet”. 7)

Naar het schijnt, heeft Zwingli zelf het onbevredigende in zijne leer der praedestinatie gevoeld. In zijnen commentaar op den brief van Jacobus, van het jaar 1531, dus na het Anamnema, lezen we ten minste: »de providentia Dei satis alibi diximus; illud hic observemus, in Deum, tametsi omnia agat in omnibus, culpam nullam esse rejiciendam sed in affectus carnis nostrae pravos et perversos ut in causas propinquiores. Utcunque enim a Deo omnia fiant, malorum tamen auctor nullo pacto dici nec potest nec debet, qui justus est in omnibus viis suis et sanctus in omnibus operibus suis, qui diligit justitiam et aequitatem — — quidquid ergo divina bonitas agit non potest non esse optimum. In nobis vero est quod bona Dei dona vitiat et mala reddit.”

Dit bewijst nu in geenen deele, dat Zwingli zijn Anamnema herroepen wil, maar wel, dat men geen recht heeft, om met Sigwart in zijne leer der praedestinatie slechts |38| eene theoretische consequentie te zien, die hoewel noodzakelijk in zijn systeem, aan zijn reformatorisch bewustzijn vreemd was.

Ook bij Zwingli had de verkiezing eene religieuse beteekenis, en was de achtergrond van zijne leer des geloofs. 8) Zij komt dan ook niet slechts, gelijk Sigwart beweert, 9) in zijne geschriften na 1526 voor, maar ook reeds in zijne »Explanatio Articulorum” van het jaar 1523, waar tevens reeds een ethisch bezwaar, tegen haar ingebracht, weerlegd wordt. 10) Hoezeer echter de geloovige eerst in de belijdenis van Gods eeuwige verkiezing tot rust en zekerheid komt, de bedenkingen die er van het standpunt der ethiek tegen kunnen ingebracht worden, zijn niet van gewicht ontbloot; en Zwingli, wiens geheele streven op bevordering van het zedelijk leven gericht was, kon ze allerminst over het hoofd zien. En toch, indien wij uitvoerige weerlegging van die bedenkingen verwachten, worden we teleurgesteld. Groot is de oogst hier niet. Opzettelijk bespreekt hij ze nooit; slechts bij gelegenheid en als in het voorbijgaan brengt hij ze ter sprake, en dan nog legt hij ze spoedig ter zijde.

Een eerste bezwaar tegen de leer der praedestinatie ligt daarin, dat zij den mensch alle kracht tot handelen ontneemt, en hem geheel lijdelijk maakt. Indien toch, |39| zoo luidt het bezwaar, God alles in allen werkt, wordt elke verplichting voor den mensch opgeheven en het doen van goede werken in den wortel afgesneden; ik behoef dan niets te doen, den bedroefde niet te troosten, den verdrukte niet op te beuren, den arme geene hulp te bieden. »Curet haec omnia Deus.” Zoo spreken, geeft Zwingli hierop ten antwoord, is Gods Voorzienigheid tot een voorwendsel maken voor onze traagheid en vergeten, dat de Goddelijke werkzaamheid den mensch zijne kracht niet ontneemt, maar ze verhoogt en tot grooter activiteit brengt. Waar Gods Geest is, is voortdurende betrachting van het goede. »Qui spiritu Dei sunt praediti, consulunt, adcurrunt, opem ferunt, semper aliquid pro salute proximorum faciunt, semper volunt prodesse et benefacere, nusquam cessant, impigri sunt in omni bono opere, quin semper auxie metuentes ne minus faciant quam debeant. Spiritus Dei perpetuo operatur in piis, similis molae in monte positae quae venti impulsu movetur. Meminerimus nos esse instrumenta divinae operationis, quibus Deus ad haec utitur quae vult effecta.” En juist daaraan, dat God alles doet, en de mensch een instrument is in Zijne hand, ontleent Zwingli recht en reden, om tot volle krachtsinspanning en tot volbrenging van wat God door ons doen wil aan te sporen. 11)

Maar ook met de opmerking dezer treffende waarheid is de mond der tegensprekers nog niet tot zwijgen gebracht. Aan de eerste tegenwerping knoopt zich weldra eene tweede van nog grooter gewicht. De leer der praedestinatie zal niet slechts lijdelijkheid bevorderen en elke aansporing tot het doen van goede werken vruchteloos |40| maken, maar zij zal, erger nog, aanleiding en prikkel wezen tot het bedrijven van allerlei ongerechtigheid. Aan Gods besluit is toch niets te veranderen. Het staat vast, onafhankelijk van mijne daden. »Si sum electus, possum peccare ut latro; si non sum electus, etiamsi multa bona fecero, nihil proderit, moriar enim et damnabor.” Of ik berouw heb of niet, goed of kwaad ben, het blijft er toch hetzelfde om. Daarom, laten we niets goeds doen en afwachten wat God door ons als Zijne instrumenten doen zal, of liever nog, laten we onze lusten inwilligen en leven naar het goeddunken van ons hart, »credentes nimirum, eam de nobis divinae providentiae esse sententiam quae talia a nobis designari velit”. 12)

Tegen wie deze bedenking in het midden brengen, is Zwingli minder vriendelijk. Die zoo spreken, bewijzen daarmee toch, dat zij òf niet verkoren zijn òf nog geen geloof en kennis van God hebben. »Qui enim Dei cognitionem habent, sciunt vitam esse componendam ad nutum Dei; qui vero fidem, sciunt esse electos. Electi autem qui hoc sciunt non possunt non videre, quaecunque lex vetat ab eis abstinendum esse.” Wie waarlijk in God gelooft, zegt Zwingli terecht, kan zulke goddelooze bedenkingen niet opwerpen. Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen. Evenmin als een goede en eerbare vrouw kan verdragen, dat er onwaardige dingen van haar man verhaald worden, kan ook een geloovige het goedsmoeds dulden, dat van God uitgesproken wordt, wat met Zijne ongeschonden gerechtigheid en Zijn heiligen wil in strijd is. De bedenking zelve der tegenstanders is bewijs van hunne goddeloosheid. Zij komen |41| er toe, God tot auteur der zonde te maken en over de onrechtvaardigheid hunner verdoemenis te klagen. Onverbrekelijke kanon is en moet blijven, dat alles door God bestuurd wordt, anders ware God niet God. Die nu zeggen: »libidini igitur indulgebo; quidquid enim egero, Deo auctore fit,” getuigen daardoor, wiens schapen zij zijn. Want aangenomen, het is door Gods ordening dat deze een moordenaar en gene een echtbreker is, het geschiedt door Zijne goedheid, dat wie vaten Zijns toorns zijn zullen, dit daarin openbaren, dat zij zonder berouw en boete aan allerlei booze daden zich overgeven. Zeggen zij dus, »Dei providentia se esse proditores ac homicidas,” goed, wij zeggen het men hen, maar voegen er bij, dat zij door diezelfde Voorzienigheid tot eeuwige straffen bestemd zijn. Zij vergeten dus, dat God niet alleen den moordenaar maar ook zijne straf voorziet (praevidet, Zwingli kiest hier eene zachtere uitdrukking), hetwelk een bewijs is, dat Hij de zonde niet wil. Sterker spreekt Zwingli ditzelfde nog in zijn Anamnema uit: »movet Deus latronem ad occidendum,” ja, maar nu mag men niet ter halverwege blijven staan, maar moet voorgaan en zeggen: »movet latronem ut et judicem in latronem moveat et concitet, quo exemplum fiat et mundo innotescat scelerata mens quae hactenus latuerat. Breviter: impellit Deus ut occideret sed aeque impellit judicem ut percussorem justitiae mactet. 13)

Op deze wijze wordt de bovengenoemde bedenking door Zwingli teruggewezen. De aanleiding tot zondigen, door sommigen aan de leer der verkiezing ontleend, onderstelt in dezulken eene mate van boosheid, die van die leer nooit gevolg kan zijn en hen alle recht om zulke |42| tegenwerpingen te maken, doet verbeuren. De leer der verkiezing wordt dan tot rechtvaardiging van hunne boosheid misbruikt, maar kan er geen oorzaak van wezen. Te minder, omdat ook in degenen, die tot zondigen gedetermineerd zijn, de verbroken orde weer door de straf, die dan óók bepaald is, hersteld wordt.

Alleen rijst de vraag, of God nog het recht heeft om ons te straffen, wanneer wij niets goeds doen, daar Hij zelf toch alles, ook het kwade, in en door ons doet. Zwingli handhaaft dat recht en tracht het te verdedigen door een beroep op de verschillende verhouding, waarin God en waarin de mensch tot de wet staat. God staat boven de wet, wijl Hij vrij is van affecten, en kan dus niet zondigen ook al drijft Hij den mensch aan, tot wat voor hem zonde is. Maar deze, onder de wet staande, zondigt tegen haar en wordt dus ook rechtvaardig gestraft. 14) Door kwade vruchten voort te brengen bewijst de mensch dat hij een kwade boom is en wordt dus met recht en naar verdienste uitgehouwen en in het vuur geworpen. 15)

Maar dat toegegeven, dan rijst toch ten slotte nog de laatste en diepste vraag in ons op, die Zwingli ook zelf te berde brengt: daar ik uit eigen kracht niet goed kan zijn, maar God het is, die al het goede doet, waarom maakt Hij mij dan niet goed, of althans veroordeelt mij niet?” »quum Dei providentia cuncta fiant, cur non |43| efficit, ut qui in cognitione ejus errant ac subinde illiberaliter coactique omnia faciunt, clarius illustrentur, quo cum perspicacibus videant, quod maxime spectandum est?” En Zwingli geeft ten antwoord: »Cur te bonum non reddat Deus, ipsum interroga! ego enim non fui ei a consiliis.” Maar dit heb ik van Paulus geleerd, dat een pottebakker macht heeft, om uit hetzelfde leem een vat te maken ter eere en een ander ter oneere. Zoo handelt God met ons, ongeschonden Zijne rechtvaardigheid, en beschikt over ons naar Zijnen heiligen wil. 16)

Dat is het slotwoord en was het eerste tegelijk; punt van uitgang en van terugkeer beide; stelling en tevens laatste bewijs. Het kan niet ontkend worden, dat Zwingli de bezwaren, van het standpunt der ethiek tegen de leer der verkiezing ingebracht, goed gevoelt en de kwesties helder stelt. Hij schroomt niet, ze alle, zij het dan ook slechts kortelijk, te noemen en zoo mogelijk te weerleggen. Dat het hem evenmin als Luther of Calvijn gelukt is om het verband tusschen praedestinatie en ’s menschen zelfwerkzaamheid, dit moeilijkste misschien van alle problemen, duidelijk te maken, behoeft niet te verwonderen. Maar men leide er niet uit af, dat Zwingli daarom aan de waarheid van de leer der verkiezing ook maar eenigermate zou twijfelen; zoo iets valt hem zelfs niet in de gedachte. In 1527 schreef hij aan Fridolinus Fontejus, die hem om inlichting gevraagd had: Mijn kanon is: »utcunque mortales de Deo rebusque invisibilis arbitrenter et contendant, vincere tamen oportet eam sententiam quae divina providentia gubernari atque disponi omnia adserit; providentiam enim |44| si tollas, bonitatem cum sapientia sustulisti; quibus sublatis, iam non est summum bonum Deus, imo juxta impiorum temeritatem non est Deus”. 17) In al die plaatsen der Schrift, waarin aan onze krachten iets schijnt toegeschreven te worden, spreekt God op menschelijke wijze. »Tam familiaris est Deus, ut suis quod suum ipsius est tribuat”. 18) Maar wel begreep Zwingli, dat door onverstand en boosheid misbruik van deze leer kon gemaakt worden. Nadat hij aan Fontejus zijn kanon uitgelegd had, voegt hij er waarschuwend aan toe: »sed heus tu, caste ista ad populum et rarius etiam; ut enim pauci sunt vere vii, sic pauci ad altitudinem hujus intelligentiae perveniunt”. 19) Dat alles door Gods Voorzienigheid bestuurd wordt, is eene leer alleen voor vrome menschen. Zelf nam Zwingli deze waarschuwing trouw ter harte. Zijne geschriften leveren daarvoor het bewijs. In zijne practische, in het Duitsch geschreven, reformatorische geschriften komt ze hoogst zelden voor. In zooverre heeft Sigwart gelijk, maar niet als hij daaruit afleidt, dat de leer der praedestinatie bij Zwingli pas gevonden wordt, »als er durch Streitigkeiten innerhalb des Protestantismus genöthigt, sein System theoretisch vervollständigt und abgrenzt”. 20) Veeleer wordt de verkiezing door Zwingli overal in zijne werken ondersteld, hoewel niet dikwerf uitgesproken of ontwikkeld, zij vormt van zijn geheele systeem den verborgen, echter niet telkens weer blootgelegden grondslag. Zij moest dus door ons, die eene uiteenzetting hebben te geven van zijne ethische beginselen, |45| het allereerst behandeld worden. Dat Zwingli er betrekkelijk zoo weinig over spreekt, had, zooals we zagen, een praktisch doel. Hij zocht meer in voorzichtige en tijdige behandeling van de leer der verkiezing, dan in breedvoerige weerlegging van de tegen haar ingebrachte bedenkingen zijn kracht.

Hoe weinig vrees echter Zwingli, wat hem zelven betreft, daarvoor koestert, dat de leer der praedestinatie schadelijk zal zijn voor het zedelijk leven, en van hoe geringe beteekenis de tegen haar geopperde bezwaren voor hem zelven moesten zijn, blijkt uit zijne geschriften het best. Hij houdt niet op te vermanen, aan te dringen, misbruiken te keer te gaan, tot hervorming des levens en der zeden aan te sporen. En zijne persoonlijkheid zelve toont ons het nimmer wankelend Godsvertrouwen en de volkomenste zelfovergave gepaard met de hoogste activiteit en de krachtigste energie. Het was zijn innigste overtuiging, wat hij in zijn epiloog van de uitgave van Pindarus door Coeporinus, die zijne gezondheid verwaarloosd had, zoo schoon neerschreef: »debent boni studiosique tum juvenes, tum adolescentes valetudinem curare, neque istos audire qui divinam providentiam ludos faciunt quum dicunt: si ille volet ut vivam, vivam pullis non edentibus (ook bij slechte voorteekenen). Nam et quum valetudinem curas, Deo curas, Dei ordinatione curas”. 21) Het geloof dat God alles werkt verlamt niet, maar staalt de wilskracht des menschen. Zijne roeping wordt daardoor in het minst niet opgeheven, zijne werkzaamheid volstrekt niet aan banden gelegd. Dat God alles bestuurt, kan geene lijdelijkheid bevorderen, het werken is ’s menschen natuur. »Homo ad laborem conditus est, ut avis ad volatum.” |46| Al doet God alles, de mensch werkt en moet werken; zelfs zij toonen dat, »qui nihil faciunt quam scortari, libidinari.” Gelijk de landman er niet aan denkt, van ploegen, eggen, zaaien af te laten, ook al weet hij dat de geheele oogst mislukt, als God niet wil, zoo zijn ook wij tot arbeiden geroepen, al hangt alle vrucht van onzen arbeid van God af. »Sic hominem condidit Deus ut perpetuo agat et conetur quae recta et divina sunt, perpetuoque sit sollicitus et sedulus nec tamen plus efficiet quam velit Deus”. 22)

Hoeveel bezwaren er dan ook tegen deze leer werden ingebracht, 23) Zwingli en Calvijn waren voor haar schadelijken invloed op het leven zóó weinig bezorgd, dat zij daarin veeleer den waarborg van alle godsdienstig en zedelijk leven zagen. En het werk der Reformatie zelf toont, naar de opmerking van Schweizer, dat de praedestinatie en de alwerkzaamheid Gods den wil en de zedelijke kracht der Hervormers veel meer gesterkt dan verzwakt heeft. 24)




1. Cf. Schweizer, die protestantische Centraldogmen, I, pag. 93. In der That ist die Prädestinationslehre als der innerste Wahrheitskern betrachtet worden, bis zu welchem man entschieden zurückgehen müsse, um die in pelagianischem Selbstvertrauen wurzelnden Missbräuche gründlich zu überwinden.

2. Anamnema, IV, pag. 113 zegt Zwingli: Thomae Aquinatis (modo recte meminerim eius philosophiae) de praedestinatione sententia talis fuit: Deum quum universa videat, antequam fiant, hominem praedestinare tum scilicet, quum per sapientiam viderit qualis futurus sit. Quae mihi sententia ut olam scholas colenti placuit, ita illas deserenti et divinorum oraculorum puritati adhaerenti maxime displicuit.

3. IV, 141.

4. III, 282. 283.

5. III, 98. IV, 95. 96. 104. 112.

6. Cf. Scholten, Leer der Herv. Kerk. 4e uitgave. I, 143. II, 398-404. 602-604. Schweizer, Centraldogmen I, 94.

7. De stemming echter, waarin Calvijn verkeerde, toen hij dezen brief schreef, was niet bijzonder geschikt, om hem in elk opzicht tegenover Zwingli rechtvaardig te doen zijn. Cf. Stähelin, Leben Calvins II, pag. 133. 134. Schweizer, Centraldogmen I, pag. 224.

8. Auch die Prädestinationslehre ist nur ein Reflex der religiösen Erfahrung, und die theologische Ableitung derselben aus der göttlichen Güte und Gerechtigkeit ist nicht ihre Quelle, sondern nur ihre nachträgliche Rechtfertigung. Zeller, das theol. System Zwingli’s pag. 49.

9. U. Zwingli pag. 108 vlg.

10. Breedvoeriger is dit tegen Sigwart aangetoond door Zeller in de theologische Jahrbücher von Dr. Baur und Dr. Zeller, 1857 pag. 28 vlg.

11. VI, 1. 215.

12. I, 25. 295. IV, 140. VI, 1. 339.

13. IV, 113. VI, 1 339. VIII, 21. I, 25.

14. Zwingli meent daarom nog niet, dat de wet, welke God gegeven heeft, slechts een willekeurigen inhoud heeft. Integendeel, wat voor ons wet is, is voor Hem natuur, ingenium. En God, schijnbaar in strijd handelend met de wet, handelt inderdaad daarmee overeenkomstig, gelijk een rechter die niet uit affecten, maar juist op grond van de wet, iemand laat ter dood brengen. IV, 102. 104.

15. I, 294. VI, 1 635, 636.

16. I, 294. III, 284.

17. VIII, 21.

18. VIII, 22. 669. IV, 62. 124.

19. VIII, 21.

20. Sigwart, Ulrich Zwingli pag. 108.

21. IV, 163.

22. VI, 1. 308. 269. 271. 272. 611.

23. Ook zelfs door vrienden der Hervorming. Myconius b.v. sprak ze al uit in een brief aan Zwingli, VII, 177. Ongelukkig is Zwingli’s antwoord daarop ons niet bewaard. Cf. den brief van Joh. Conhard, bepaald over het Anamnema en Zwingli’s antwoord, VIII, 588. 639.

24. Schweizer, die Glaubenslehre der Evang. Reform. Kirche, I, pag. 74.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000