HOOFDSTUK II.

DE ZEDELIJKE NATUUR DES MENSCHEN.


In weerwil van de volstrekte heerschappij, welke de zonde heeft over heel het menschelijk geslacht en over den geheelen mensch, doet de verhouding, waarin Zwingli den geest plaatst tot het vleesch, toch reeds vermoeden dat de zedelijke natuur des menschen in de zonde niet geheel ondergaat. Want daar de geest van nature Gode verwant is en met het vleesch eene scherpe tegenstelling vormt, zoo kan de zelfzucht, die het onafscheidelijk karakter des vleesches is, toch nooit zóó de heerschende richting worden van den geest, dat deze zijne oorspronkelijke natuur ten eenenmale verliest. Ook in zijne verbinding met het lichaam behoudt de geest toch altijd iets van zijn eigen aard en wezen. Hij blijft Gode verwant, want hij is tot de kennis en de gemeenschap van God bestemd. 1) Het beeld Gods, waarmee de mensch geschapen is, en dat niet op het lichaam, maar alleen op de ziel betrekking heeft, gaat nimmer geheel verloren. Het is met de natuur des menschen zelve gegeven. Want gelijk de dieren daarin hunne verwantschap toonen met den mensch, dat zij tot hem opzien en op zijne woorden letten, zoo komt het beeld Gods in ons menschen vooral daarin uit, »quod acie mentis nostrae in deum respicimus et verba illius cum reverentia quadam observamus.” Daarin ligt het |21| bewijs van ’s menschen verwantschap met God, en de verklaring, waarom een verlangen naar Hem allen menschen is ingeschapen en eene begeerte naar het eeuwige leven door allen gekoesterd wordt. 2) Dat beeld Gods, hetwelk daartoe in den mensch geschapen is, »ut ad creatorem et archetypum suum quam proxime accedat eique conjugatur,” is door de zonde niet verloren gegaan of vernietigd, maar bedorven, bezoedeld, verontreinigd. Het heeft zijne ware, zuivere gedaante verloren; verdonkerd is het, niet uitgebluscht. »Haec lucernula densissimis tenebris obfuscata et obliterata est, non tamen omnino extincta.” Het behoeft bij de bekeering niet op nieuw geschapen, maar alleen hersteld te worden, en zijne vroegere gedaante te herkrijgen. Ook na de zonde blijft het en openbaart het zich in de vreeze Gods, die in alle menschen, ook de goddeloosten, nog woont en in het verlangen naar het eeuwige leven, dat bij allen gevonden wordt. En indien sommigen, zooals Nero en Sardanapalus en Heliogabalus en dergelijken, »porci potius quam homines,” geheel in den stroom van het zinlijk genot verzonken dat verlangen naar de eeuwige zaligheid niet koesterden, dan ondervonden ze toch de vrees voor de eeuwige straf. |22| Hunne schandelijke daden zelve strekken daarvoor ten bewijs; teekenen zijn het van vertwijfeling en wanhoop, omdat zij de verdoemenis reeds dragende in hun geweten, anderer vrede en rust en geluk benijden en hun die door hunne gruwelijke daden trachten te ontrooven. Alle stervelingen, Joden of Heidenen, die de verlichting des H. Geestes en de ware Godskennis missen, getuigen door hunne gedachte aan de hemelsche en eeuwige dingen voor een hooger en beter leven dan dit aardsche geschapen te zijn. Ook in den slechtste en den wreedste komt nog de gedachte soms op: »o, si nulli essent inferi, o si nulla esset post hanc vita.” 3)

Er blijft dus altijd iets over in den mensch, dat tegen de zonde protesteert; de zedelijke natuur des menschen verliest nooit al hare rechten. Door geen der Hervormers is deze zoo nadrukkelijk gehandhaafd als door Zwingli. Het geweten blijft den mensch steeds aan zijne plichten herinneren en verheft zijne stem tegen het kwade. »Nemo peccat cuius conscientia non reclamet.” Nooit zonk iemand zoo ver weg, dat de stem des gewetens zich niet meer liet hooren. »Et in impiissimis et sceleratissimis hominibus imago Dei se prodit et peccatis reclamat Antichrist quantum quidem potest renititur ac repugnat.” 4) Duidelijk komt die handhaving van ’s menschen zedelijke natuur vooral uit in de woorden die Zwingli in zijn Anamnema uitspreekt: »Non dubium est ne tricongium quidem illum Torquatum vino unquam sic obrutum fuisse, nec cerebellis stuthionum sic sepultum Heliogabalum, nec |23| scortis matronis atque pathicis adeo impudenter abusum Neronem, Dionysium aut Phalaridem non tam immaniter hausisse humanum cruorem, urbes agros regiones provincias Antichrist regna nunquam sic excidisse dirum Hannibalem, ut non quisque istorum et ipsorum similes, voluptate aliquando fessi, huiusmodi aliquid secum locuti sint: tu vero quis? aut quid hic? quam finem invenies? an isti non sunt homines? cur nunc doles? quam exanguis et elumbis es? quid, si quisque pro libidine alteri facere pergat, futurum est? Nunquam ita opprimitur animus ut sui perpetuo obliviscatur; nunquam carnis fastu ac tyrannide sic dejicitur, ut ab admonendo quantumvis sero desistat, ut e diverso spiritus miti parenti, summa fide ac indulgentia liberos prosequenti par sit.” 5)

Maar het wezen en de aard van ’s menschen geest niet alleen, ook het karakter der zonde zelve laat niet toe, dat de mensch zijne zedelijke natuur geheel verliest. Het is, gelijk Spörri zegt, eene der diepste gedachten van Zwingli, dat het goede door zich zelf gedrongen wordt zich te openbaren, terwijl het kwade elke openbaring schuwt, wijl het door volkomene openbaring zich zelf vernietigt. 6) In en door zichzelf kan het kwade niet bestaan; het vindt zijn bestaan slechts aan het goede. Het laatste goede in het kwade is nog altijd dit, dat het zich schaamt en te verbergen zoekt achter den schijn van het goede. »Ultimum bonum in malum est erubescere et pudere malumque dissimulare.” Eenig bewustzijn van goed en kwaad blijft den mensch, ook den diepst gezonkene, bij. Het kwade zelf brengt bij hem die het doet, |24| de bewustheid, het gevoel en de onrust, dat het kwaad is, mede. Daarom, wanneer de boozen hunne misdaden plegen onder den schijn van het goede, in het kleed der deugd, dan brengen ze daarmee aan het goede de hulde, die het kwade daaraan altijd brengen moet en leggen getuigenis af, dat zij in hunne conscientie van de meerderheid van het goede en van hunne eigene goddeloosheid overtuigd zijn. 7)

Op de vraag, hoe het eeuwig leven te verkrijgen is, zal elk dan ook antwoorden, »virtute, bonis operibus, justitia, innocentia, vitiorum fuga,” ook al moet hij erkennen, dat hij geene van al die deugden bezit. Ondanks zichzelf is het kwade gedwongen, de meerderheid en de innerlijke macht en schoonheid van het goede te erkennen. Ja, de zonde zelve is slechts aanlokkelijk doordat ze zich hult in het kleed der deugd. In haar eigen gedaante biedt zij niets behoorlijks aan. »Nihil amatur ab hominibus, nihil desideratur, quod non bonum esse non cogitetur.” Daarom, alwat waar is en goed vindt in het diepst van het menschelijk gemoed steun en bevestiging; elk mensch begeert daarnaar, hoewel sommigen, die Satan gevangen houdt en in wier gemoed volkomen duisternis heerscht, |25| er weerstand aan bieden. Want God »mentibus humanis veritatis, aequi justique et quidquid est divini veritatem insevit, tametsi ingniculas ille in quibusdam bestiis potius quam hominibus affectibus adobrutus sit. Quodsi insita illa veritatis imago amabilem et venerandam veritatis faciem incipiat rursus contemplari et vocem eius audire ab omnibus reciperetur veritas, ab omnibus summo in pretio esset habita.” En hoewel Zwingli erkent, dat sommigen zoo slecht zijn dat zij de waarheid en het goede opzettelijk en met alle kracht bestrijden, toch »honestatis et veritatis ratio semper locum invenit in communi sensu hominum.” 8)

Deze uiteenzetting bewijst, hoe Zwingli ook in dit opzicht de richting der Gereformeerde theologie aanwees en ’s menschen zedelijke natuur handhaafde. Alleen werd ze door hem nog sterker dan door latere Gereformeerden geaccentueerd. 9) Niet slechts een verlangen naar God en naar het eeuwige leven, maar ook eenig bewustzijn van goed en kwaad, een natuurlijke zin voor waarheid en deugd wordt aan den mensch, ook in den toestand der zonde, toegekend. Zwingli stelt zich dan ook tegenover de philosophische Moraal in eene geheel andere verhouding dan Luther en Calvijn. Terwijl dezen tusschen de philosophische en de Christelijke Moraal enkel verschil en strijd zien, zoo in principe en methode als in inhoud, 10) staat Zwingli tegen gene vriendelijk over en neemt de philosophische |26| Ethiek in de Christelijke op. En als Calvijn, erkennend dat b.v. Plato toch eenig bewustzijn van goed en kwaad, en eenige »Ahnung” der waarheid had, niettemin opmerkt, dat dit hem nog te minder verontschuldigbaar maakt, dan gaat Zwingli een geheel anderen kant uit, erkent onvoorwaardelijk ook in de Heidenen alwat hij waar en goed acht en verontschuldigt hen te meer, naarmate zij hooger stonden. Het diepe verschil tusschen beide Hervormers ligt hierin, dat Calvijn het zedelijke beperkt tot het Christelijke, Zwingli het Christelijke uitbreidt tot het zedelijke. Kon echter, ook volgens Zwingli, uit den zelfzuchtigen mensch, al had hij eenige kennis van God en het goede overgehouden, niets goeds voortkomen, dan lag het voor de hand, de waarheid en de deugden der Heidenen aan eene inwendige openbaring Gods toe te schrijven, op wiens immanentie en alwerkzaamheid ook buitendien door hem zoo groote nadruk gelegd werd.

Alle waarheid en alle kracht ten goede, die Zwingli bij de Heidenen opmerkt, wordt door hem aan de werking van Gods Geest toegeschreven. Het beeld Gods, dat den mensch ingeschapen werd, maar door de zonde verdorven, slechts door de kracht des H. Geestes kan hersteld worden, is hetzelfde als wat de Heidenen het »jus naturae” noemen. Dit natuurrecht, dat tot inhoud heeft de wet: wat gij wilt dat u geschiedt, doe dat aan anderen, is een eeuwig verbond, geschreven in de tafelen van ons hart en waaruit alle andere rechten en wetten voortvloeien. Deze wet der natuur, die duidelijker uitgedrukt is in de twee geboden: heb God lief boven al en den naaste als uzelven, is niets anders dan »vera religio, cognitio scilicet cultus et metus numinis supremi.” 11) Maar deze |27| »lex naturae” is niet, zooals de naam zou doen denken, eene vrucht van het verstand en de rede en de wijsheid der menschen, want deze zelfzuchtig van aard zoeken en dienen en leven alleen voor den mensch zelven en kunnen geene wet voortbrengen, die juist het omgekeerde gebiedt. Dat ze in het hart des menschen geschreven is, bewijst het tegendeel: »nemo enim in cor scribere potest nisi solus Deus.” Zij bevat den wil van God en is »nihil aliud nisi divini spiritus ductus.” Daarom mag ze ook niet gemeten worden naar den maatstaf, dien wij gebruiken, noch haar inhoud naar de inspraak onzer verdorvene natuur worden verklaard. Want wij denken en doen niets goeds, stellen onszelven tot maat van alles, verheffen ons boven anderen en offeren alles aan ons eigen belang op. »Hoc observandum est, hanc legem non ab ullo homine sed a Deo esse metiendam.” Om die reden kan ze ook alleen door den geloovige goed worden verstaan, want evenals de wet zelve, is ook haar kennis uit God. Dat wij allen broeders zijn, niet onszelven maar anderen toebehooren, en al het onze ten dienste van anderen ons gegeven is, dat leert ons God alleen. Al dragen dan de Heidenen ook kennis van die wet, zij hebben die niet uit zichzelven geput, maar hoewel zij het zelven niet wisten, uit den Geest van God, die hen inwendig verlichtte. »Quum vero Gentes fidem in verum deum non habuerint et tamen legem naturae intellexerint, ex deo hoc venisse, certissimum est. Tametsi ego paucos fuisse crediderim qui legem naturae cognoverint, attamen si quidem fuerunt, multos eam simulasse et magnifice de ea locutos esse.” 12) |28|

Door de inwendige openbaring los te maken van en uit te breiden tot over de grenzen der uitwendige, wordt het Zwingli mogelijk, het goede dat hij in de Heidenwereld opmerkt, volkomen te erkennen en daarmee zijne eigene ethische beschouwingen te verrijken. Dikwerf haalt hij Heidensche schrijvers, vooral Plato en Seneca, met instemming aan; hunne geschriften stelt hij, voor zooverre zij waarheid bevatten, met den Bijbel als heilig op ééne lijn. Want wij hebben niet te vragen, door wien maar wat er gezegd wordt. Alle waarheid is uit God, door wien ook uitgesproken. »Qui veritatem loquitur, ex Deo loquitur, etiam ethnicus.” Al wat waar is en heilig en onberispelijk, is goddelijk en van den H. Geest, »etiamsi quis inter beluas habitaret.” Daar is geene heide zoo dor, was de stelregel, dien hij zelf in beoefening bracht, of men vindt er nog wel eene goede plant. Bij de rechtzinnigen zie ik op het onkruid, bij de dwalenden op de zaden van het goede; overal vind ik van het een en het ander. De waarheid is overal verspreid en niemand bezit ze geheel. Daarom, wat door Heidenen goeds en waars gezegd is, »accipiamus et in gloriam Dei nostri convertamus et spoliis Aegyptiorum templum Dei veri ornemus.” Goddelijk is het wat Cicero soms zegt en Cato Maior, of liever Gods Geest door hen. Seneca heet een »sanctissimus vir,” wiens geloof bewondering verdient, en die niet alleen »diserte,” maar ook »religiose” spreekt. En zoo van iemand, dan kan van Pindarus gezegd worden, dat hij bezat »pectus veri, sancti honestique studiosissimum et incorruptissimum” en niets gezegd heeft, dan wat »doctum, amoenum, sanctum” is. Zelfs al noemt hij vele goden, toch gelooft hij, zegt Zwingli, slechts éénen God, gelijk immers ook door het Hebr. meervoudige |29| Elohim maar één God aangeduid wordt. Zaden Zijner kennis zijn door God, hoe spaarzaam ook, ook onder de Heidenen gestrooid. Kennis van het goede en ware deugdsbetrachting wordt ook bij hen gevonden. Calvijn kon zoo gunstig oordeel niet uitspreken over de deugden der Heidenen, wijl hij er het religieus karakter in miste. Bij Zwingli echter treedt het religieuse voor het ethische op den achtergrond. In een brief aan Ambrosius Blaurer laat hij het Christelijke geheel in het ethische opgaan, maakt het van de historie los en zegt, daar bepaaldelijk van den Magistraat: »Si christianus non sit pius, ethnico deterior est; et ethnicus si piam mentem domi foveat christianus est, etiamsi Christum ignoret.” 13)

Het was eene stoute poging, die Zwingli waagde, om de diepere eenheid van Humanisme en Christendom, zooals hij ze in zijn persoon op de schoonste wijze verbond, ook voor de Ethiek vast te houden. Hij ging daarbij op eigenaardige wijze te werk. Terwijl latere Gereformeerde theologen die hetzelfde probleem ter oplossing zich voorstelden, zooals b.v. Bartholomeus Keckermann 14) de eenheid van beide daardoor zochten te handhaven, dat zij in de deugden der Heidenen wel ware maar onvolkomene deugden zagen, die door het Christendom moesten volmaakt worden, en dus tusschen rede en openbaring een |30| gradueel verschil aannamen, tracht Zwingli beide daardoor overeen te brengen, dat hij ze beide aan openbaring, aan de werking van Gods Geest toeschreef, en uit ééne zelfde bron afleidde. Calvijn kon zulk eene poging niet wagen, wijl hij de in- en uitwendige openbaring ten nauwste verbond en in het algemeen de objectiviteit van het Christendom en zijne instellingen zoo sterk mogelijk zocht te handhaven. Maar Zwingli scheidt beide; Gods Geest is en werkt overal en is van al het uitwendige volkomen onafhankelijk; en Hij alleen is de Auteur van alle zedelijk leven, zoowel buiten als binnen de grenzen van het Christendom.

De philosophische moraal wordt dus opgenomen in de Christelijke; of, beter uitgedrukt, deze wordt zoo uitgebreid, dat ze ook gene omvatten kan. Het sterkst komt dat uit, waar Zwingli ook aan sommige Heidenen de eeuwige zaligheid toekent.

Indien zij, vraagt Zwingli, door hunne daden toonen, dat het werk der wet in hunne harten geschreven is, waarom zouden we dan niet uit de vruchten tot den boom besluiten en gelooven, dat God hun dit gegeven heeft? »Si legis opus faciunt Gentiles, quod in cordibus eorum scripsit Deus, jam et isti salvi fiunt.” Maar zij verkrijgen de zaligheid niet om hunne werken, maar wijl die werken vrucht en bewijs zijn des geloofs, en dit op zijne beurt weer vrucht der verkiezing. Beide, de verkiezing en het geloof, welke den grondslag en den bron van het Christelijk leven uitmaken, zijn ook de voorwaarden van alle zedelijk leven buiten het Christendom. Van deze hangt ook alleen des menschen zaligheid af. Wijl ons echter onbekend is, of iemand verkoren is of niet, en het geloof iets zoo innerlijks is, dat de waarheid en oprechtheid er |31| van door ons niet kan beoordeeld worden, zoo hebben wij ten slotte op iemands daden te letten, en daarin de vruchten te zien van wat er woont in zijn hart. De werken zijn teeken en bewijs der verkiezing. Wij weten niet wat geloof er in iemands hart, ook in de harten der Heidenen, wonen kan. Zelfs de noodzakelijkheid van Christus wordt door Zwingli geenszins verzwakt, noch Zijne eer Hem ontroofd. Integendeel, de zaligheid der Heidenen vermeerdert Zijne glorie. Want vast staat, dat niemand met zijne gerechtigheid voor God kan bestaan. Die God dan verkoren heeft uit hen, die Christus niet kennen, heeft Hij tegelijk voor alle eeuwigheid bepaald alleen door Zijnen Zoon zalig te maken. 15)

Vandaar, dat de Gereformeerde theologen over het algemeen zeiden, dat Zwingli’s dwaling in het toekennen der zaligheid aan de Heidenen meer bestond »in facto quam in jure.” 16) Bovendien, de zedelijke verdorvenheid der Heidenen werd door Zwingli volstrekt niet ontkend; hun zucht naar roem, hun hoogmoed, zelfzucht en afgoderij werden dikwerf door hem met donkere kleuren geteekend. Het goede en ware, dat hij bij enkelen hunner opmerkte, bleef toch altijd, gelijk hij zelf zegt, een »gemma, margarita in stercore,” die dan nog aan de goddelijke genade toegeschreven en uit ’s menschen eigen kracht niet afgeleid wordt. |32|

In hoeverre nu door Zwingli, wanneer hij al het ware en goede der Heidenen aan openbaring toeschreef, daarbij bepaald aan eene bovennatuurlijke werking Gods gedacht werd, is moeilijk te beslissen. Uitdrukkingen als boven aangehaald werden: »qui veritatem loquitur ex Deo loquitur; Deus mentibus humanis veritatis aequi justique et quidquid est divini veritatem insevit” enz. geven den indruk, dat Zwingli daaronder slechts de gewone, natuurlijke openbaring in rede en geweten verstaat. Ook Calvijn zeide: »quum omnis veritatis a Deo sit, si quid scite et vere ab impiis dictum est, non debet repudiari quia a Deo est profectum.” 17) Al deze uitdrukkingen in den strengst mogelijken zin op te vatten, en met Sigwart 18) te beweren, dat er van eene natuurlijke Godskennis bij Zwingli geene sprake is, wordt ons door zijne beschouwing van den geest des menschen en van het karakter der zonde verboden. Maar daar staan andere uitspraken tegenover, die ons dwingen, bepaald aan eene supranatureele openbaring en werking van Gods Geest te denken. Hoewel dus de zedelijke natuur des menschen ook in den toestand der zonde beslist gehandhaafd wordt, en den mensch altijd een geweten overblijft, dat tegen de zonde protesteert, eene philosophische moraal kan daarop toch niet gebouwd worden. Wanneer Zwingli al het waarlijk goede toeschrijft aan de werking van den H. Geest, kan er van eene eigenlijke philosophische ethiek geene sprake zijn; ze mist dan eene vaste basis, en heeft geen eigen beginsel en methode. Alle zedelijk leven is één en komt |33| uit ééne bron, nl. Gods Geest. Er is daarom slechts ééne Ethiek, nl. de Christelijke. En haar Christelijk karakter heeft Zwingli voor hen, die buiten de grenzen van het Christendom stonden, daardoor zoeken te handhaven, dat hij de Verkiezing en het Geloof ook in hen werken liet.




1. Anamn. de provid. IV, 99. 100. cf. Zeller, das theol. System Zwingli’s pag. 67.

2. De claritate et certitudine verbi dei I, 69 vlg. pag. 71: si hominem cum plantis conferas, reperies nihil omnino in plantis esse, quod aliquem respectum vel ad hominem vel ad verba ipsius habeat. Tanta est enim inter naturam plantarum vel stirpium naturamque hominis differentia, ut nulla cognatio inter illas appareat. Quodsi vero brutorum animalium naturam consideraveris, mox illa aliquam hominis rationem, quamvis exiguam habere deprehenderis. — — — Simili igitur modo de homine nobis dicere licet qui non rationis modo societatem habet cum deo, verum etiam mentem animumque suum in deum et verba ipsius intendit.

3. I, 74. 75. 72. III, 115. VI, 1. pag. 241. 242. 281. 282. 553.

4. VI, 1. pag. 242. cf. V, 14. et in sceleratissimis est peccati conscientia sed affectibus obcaecati non sentiunt.

5. IV. 100.

6. Zwingli-studien von Dr. Hermann Spörri. Leipzig, 1866. pag. 5.

7. VI, 1. 288. Tantae authoritatis et reverentiae justitiam et veritatem esse sciunt impii, ut non dubitent suas imposturas sub illarum veste et specie perrupturas. Atque sic nolentes etiam contra se veritati et justitiae testimonium ferunt impii, suis ipsorum conscientiis convicti et condemnati. VI, 1. 372. 646. 662. cf. IV, 100, 101. Caro non tantum spiritui oggannit sed illius opus per calumniam ludibriumque imitatur. Vitae innocentia et puritate demerendum esse numen admonet animus; caro nitida veste. Prodigus est domicilii quoque sui, sanguinis scilicet, animus pro domino; caro purpuram, cui sese involvit, hoc fungi officio dictat. — — — aemulatrix caro spiritus est simia. cf. Epist. VII, 344.

8. VI, 1. 553. 554. 629. 664. 665.

9. Cf. Scholten, Leer der Herv. Kerk. 4e uitg. I, pag. 212. 282. 288. 308.

10. Lobstein, Die Ethik Calvins. pag. 7 vlg.

Luthardt, Die Ethik Luthers, 2e Auflage, Leipzig 1875. pag. 14 vlg.

11. I, 373. V, 7. 679. VI, 1. pag. 242-244. 407. 408.

12. I, 371-373. 556. VI, 1. 243. 244.

13. IV, 89. 93. 95. 161. VI, 1, pag. 243. 814. V, 265. III, 171. 172. 633. VIII, 179.

14. Zie over hem Stud. und Krit. 1850 pag. 45. Schweizer zegt aangaande hem, pag. 49: Es scheint Keckermann nicht ferne zu sein von der Schleiermacher’schen Unterscheidung des vom Christenthum vorgefundenden und des von ihm selbst erst erzeugten Ethischen, welche beide wie in der Dogmatik sich als articuli mixti und puri zusammen verarbeiten lassen.

15. Epist. VII, 550. III, 428 vlg. 633 vlg. 573. IV. 65. 123. II, 1. 292. VI, 2. 69. Impium est, si eos ab electione excludamus, quos signis fide et perfidia deprehendere non possumus, intra eam sint nec ne. III, 428.

16. B.v. Franc. Turretinus, Compendium theologiae conscriptum a Ryssenio pag. 261. Ruchat, Histoire de la réformation de la Suisse V, pag. 531 oordeelde »que Zwingle n’a péché en cela tout au plus que par un excès de charité.”

17. Comm. in Tit. 1 : 12. Ik dank deze plaats aan Dr. Cramer. De Schriftbeschouwing van Calvijn, pag. 120, waar echter bij vergissing staat Tit. 2 : 12.

18. Ulrich Zwingli, pag. 97.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000