HOOFDSTUK I.

DE ZONDE.


De beschouwing, welke men heeft van de zonde, is voor het begrip dat men zich vormt van de Ethiek van overwegend belang. Met of buiten haar rekenend, zal deze laatste eene geheel andere gedaante verkrijgen. De beperking toch van wat men zonde acht is eene uitbreiding van wat men voor zedelijk houdt; wat aan het gebied van het onheilige ontnomen wordt, wordt aan dat van het heilige toegevoegd. Dit zou reeds in eene uiteenzetting van Zwingli’s ethische beginselen de beschouwing van zijne leer der zonde voldoende kunnen rechtvaardigen; maar deze wordt bepaald noodzakelijk door de eigenaardige opvatting, welke Zwingli van het wezen der zonde heeft, en die geheel zijne theologie beheerscht. Het spreekt echter van zelf, dat ze hier slechts in zooverre behandeld wordt, als het voor het doel, dat wij ons voorstellen, noodig is.

De mensch neemt bij Zwingli in de rij der schepselen eene zeer hooge plaats in. Hij is het hoofd en het doel der schepping; deze bestaat om hem en ten zijnen nutte. Wie den mensch uit de wereld wegneemt, maakt alles ledig en waardeloos, »omnia visibilia viduat, turpat et conspurcat.” De mensch is voor de wereld, wat God is voor den mensch. Op de plaats, die hij in de schepping innemen moest, is ’s menschen wezen volkomen aangelegd. Ter eener zijde aan alle schepselen op aarde verwant door |10| zijn lichaam, dat uit het stof genomen is maar toch in schoonheid van vorm alle andere overtreft, gaat hij door zijnen geest boven alle schepselen uit en is van die zijde geschapen, om God te kennen, te genieten en in Zijne gemeenschap te leven. Lichaam en ziel, vleesch en geest, deze beide maken door hun samenvoeging den mensch tot mensch en geven hem zijne eigene plaats tusschen de zuiver geestelijke en de alleen dierlijke wezens in. Maar de verbinding van die beide, welke juist het wezen des menschen uitmaakt, is tevens zijn ongeluk. Want beide, vleesch en geest, staan van nature tegen elkander over; van huis uit zijn ze vijandig. Verschillend in oorsprong, loopen ze ook verder in aanleg, richting, begeerte verre uiteen. En in hunne vereeniging in den mensch verliezen beide hun oorspronkelijk karakter niet; zij behouden elk hun eigene natuur en moeten die behouden, »ut homo peculiaris pecies permaneat.” Zoo is de mensch dus »nulli rei similiter, quam si luti massam rivulo clarissimo et purissimo imponas.” 1)

De geest zoekt het hoogere, eert God, mint de waarheid, maar het lichaam bedenkt altijd dat des vleesches is. En het vleesch is zelfzuchtig van nature, het zoekt eigen bevrediging, heeft uitteraard geene kennis van God; het leeft alleen voor zichzelf; egoisme is het karakter des vleesches, zonder hetwelk het ophoudt vleesch te zijn. Anders dan als zelfzuchtig kan Zwingli het vleesch zich niet denken. |11| Ook vóór den zondeval droeg het dat karakter; de zonde schijnt dus in ’s menschen natuur gegrond te zijn en de val slechts haar eerste openbaring te wezen. Zeller meent, dat dit eigenlijk Zwingli’s gedachte was en dat de consequentie van zijn streng volgehouden determinisme hem daartoe dwong. 2) Hiermee is dan natuurlijk de afleiding der zonde uit Adams val in strijd. Toch doet Zwingli dit menigmaal en denkt er niet aan, dien val te loochenen; hij schijnt dus den strijd dezer beide theorieën over den oorsprong der zonde, hoewel die toch inderdaad voor de hand ligt, niet bemerkt te hebben. Nergens stelt hij althans eene poging in het werk, om beide overeen te brengen.

Daarnaast gaat echter nog eene andere tegenstelling in Zwingli’s systeem. Het duidelijk hij ook hier en daar uitspreekt, dat de zonde haar oorsprong en haar zetel heeft in het lichaam, in het vleesch des menschen, toch gaat de zonde daarin niet op. Zeller heeft dit te veel uit het oog verloren, hoewel Zwingli het duidelijk genoeg zegt. Het zou reeds daaruit kunnen worden afgeleid, dat Zwingli askese bestrijdt, de zondeloosheid van Jezus in weerwil van zijn »invita caro” vasthoudt, en aan den val der Engelen zoowel als aan de opstanding des vleesches blijft gelooven. Maar Zwingli zegt het met duidelijke woorden, dat hij onder vleesch nog iets meer dan het lichaam verstaat. Sprekende over Rom. 7 : 18 zegt hij in zijn commentaar over den waren en valschen godsdienst, zijn voornaamste dogmatisch werk: Paulus |12| spreekt hier niet »de ea carne, quam cum camelis habemus communem; alioqui quid praeclari dixisset in carne nostra cadaverosa nihil boni esse, quod caecis etiam patet; sed de toto homine, qui utut ex anima corporeque rebus natura diversis compactus est, caro tamen appellatur quod pro ingenio suo nihil quam carnale mortiferumque cogitet.” 3) En elders: de geheele mensch is niets dan vleesch, indien hij aan zichzelven overgelaten wordt; en nog duidelijker in zijn commentaar op 1 Cor.: »homo, quatenus dei spiritu renatus non est, non solum corpore caro est, sed et anima.” 4) De zonde is dus eigenschap der geheele menschelijke natuur; dat in het vleesch als materie niets goeds woont dat spreekt voor Zwingli vanzelf; daarom is het juist vleesch. Maar dat de zonde den geheelen mensch beheerscht, ook naar zijne geestelijke zijde, dat het zelfzuchtig karakter dat aan het vleesch van nature eigen is, daar past en thuis behoort, de levensrichting geworden is van den geheelen mensch, dat schijnt voor Zwingli het wezen der zonde te bepalen. Zeker moet hier, wijl Zwingli zelf er zich nergens opzettelijk over uitlaat, bescheiden gesproken worden; maar als hij in dienzelfden Commentarius de vera et false religione zegt: »Adam ut primum ad se conversus fuit, totus in carnem degeneravit,” 5) dan schijnt de onderstelling toch niet gewaagd, dat volgens Zwingli de zelfzucht, vroeger alleen heerschend in het vleesch en tot het gebied daarvan door de macht des geestes beperkt, door den val over heel de menschelijke |13| natuur zich heeft uitgebreid. Maar ook al heeft Zwingli zich zoo het verband gedacht tusschen deze beide theorieën over den oorsprong der zonde, zijne anthropologie blijft dualistisch; vleesch en geest blijven onverzoend naast elkander staan; tot eene hoogere eenheid komt het bij hem niet. Hij kent het vleesch alleen, zooals het in den feitelijken toestand des menschen zich voordoet, als zelfzuchtig en zondig. Zijne anthropologie heeft meer overeenkomst met die van Plato en Seneca, dan met die van Paulus.

Op dezelfde wijze als genen laat hij zich uit over het verband van ziel en lichaam. Woordelijk neemt hij soms hunne beschouwing over. Het lichaam, zegt ook Zwingli, is de kooi der ziel, en heeft op zichzelf geene waarde, maar ontleent zijne beteekenis aan de ziel. 6) Deze komt echter eerst tot hare bestemming, wanneer ze van het lichaam ontslagen is. »Anima ergastulo corporis liberata, in potiorem locum recipitur, in praestantiorem lucem, quam qua hic est fruita. Quemadmodum ex utero matris, ex tenebris in lucem editur, sic animus e corpore dum exit in aeternam lucem et requiem generatur.” 7) Het lichaam is traag en biedt weerstand; eerst door den geest wordt het in beweging gebracht. Want deze is waakzaam |14| en werkzaam, vlug en licht als het vuur, dat daarom edeler is dan andere elementen, wijl het met den geest zoo groote overeenkomst heeft. De ziel is altijd vol kracht, en houdt met werken niet op, zelfs niet terwijl ze in het lichaam als in een kerker is opgesloten. Van deze beschouwing uit komt Zwingli ook op tegen de psychopannychie der Wederdoopers. De ziel kan niet sterven noch slapen, integendeel »anima liberata a corpore crasso multo est agilior celeriorque.” 8)

De invloed der Platonische en Stoische philosophie is hier en in Zwingli’s geheele anthropologie duidelijk merkbaar; en we zullen gelegenheid hebben dien ook elders nog aan te wijzen. Zwingli was zich van dien invloed zelf volkomen bewust. Merkwaardig is het oordeel, dat hij eens ter loops over de Stoa uitsprak: »haec secta Christianae doctrinae proxima.” 9) Alleen daarom kon de invloed dier school zoo groot op Zwingli zijn, wijl hij zelf in veel opzichten zich met haar philosophie verwant voelde; en er bestond misschien evenveel reden toe, om Zwingli’s systeem uit dat van Seneca te verklaren, dan gelijk Sigwart gepoogd heeft uit dat van Picus, den vorst van Mirandola. 10)

De invloed der Stoa is bij Zwingli ook duidelijk te bespeuren in zijne leer over de Affecten. Evenals voor haar, zijn ze ook hem hartstochten, neigingen die de maat |15| te buiten gaan. Door de verbinding der ziel met het lichaam zijn ze van zelf gegeven. »Anima in corpore impuro est adeoque affectibus obruta.” Zelfs schijnt het eene enkele maal, dat Zwingli uit die affecten de zonde afleidt, en daardoor er ook toe komt om te leeren dat alle affecten verkeerd zijn. Het is het doel van Christus, als hij zelfs de begeerlijkheid enz. verbiedt, te toonen »affectus esse peccata mortalia coram deo legemque dei cor purum et vacuum affectibus requirere.” 11) Maar evenals de Stoa, zag ook Zwingli zich genoodzaakt, de strengheid dier stelling te laten varen. Elders zegt hij beter en meer Christelijk, dat sommige affecten goed zijn, indien ze maar staan onder de leiding des geloofs. »Sic moderandi sunt affectus, ut neque magis aequo eis indulgeamus, neque eos penitus abjiciamus sed in eis aliorum necessitatem et miseriam discamus sentire.” En hij weerspreekt de boven aangehaalde plaats waar hij de affecten veroorzaakt laat worden door de opsluiting der ziel in het lichaam, als hij ter andere plaatse zegt, dat er goede affecten zijn, waarmee de mensch door God is geschapen maar dat ze door de zonde verontreinigd en verkeerd geworden zijn. En de Christen komt weer volkomen voor den Stoischen wijsgeer aan het woord, in den zin: affectus pravi hinc sunt quod in peccatis omnes concepti et nati sumus.” 12) Hiermee gaat Zwingli boven de Stoa uit en overwint ze. Dat hij zich in zoo menig opzicht aan haar verwant gevoelde, door vele harer beschouwingen zich beheerschen liet en haar leer over de affecten ten deele |16| overnam, daarvan lag de oorzaak in zijn krachtig streven naar volkomen reinheid des harten en des levens, in den ernst, waarmee hij niet slechts de zondige daad, maar ook de verkeerde gezindheid bestreed.

Tusschen goeden en kwaden bestaat geen geleidelijke overgang, maar is eene breede kloof. Wie eens, ook nog zoo gering, gezondigd heeft, komt in het getal der zondaren. Die ééne zonde toch sluit alle andere in zich. »Qui invidus est, male loquitur, cogitat malum, laedit proximum in summa iniquus est et injurius. Si in unico dumtaxat vitio sibi indulget, actum est de justitia. Quamadmodum mulier impudens, quae fronte posita se uni tamen est, cor est impurum et corruptum, quemadmodum totus homo aegrotus dicitur etiamsi digito tantum laboret.” Door aanhaling van een zin van Cicero waarin deze zelfde gedachte uitgesproken wordt, wijst Zwingli ons aan dat hij de absolute tegenstelling van goed en kwaad niet slechts aan het Christendom maar ook aan de Stoa ontleend had. Ook deze kende, gelijk men weet, slechts twee streng gescheiden klassen van menschen, wijzen en dwazen. 13)

Uitgaande van de stelling, dat schuldig staat, wie de begeerte tot zondigen heeft, ook al openbaart hij die niet in eene zondige daad, laat Zwingli de vraag zich voorwerpen: »Si sic res habet ut aeque sit peccatum si affectus premitur et si erumpit, erumpam ego et adulterium opere explebo.” En hij beantwoordt die aldus: »absit, nam |17| minus est quum ignis accensus intus opprimitur et extinguitur quam si erumpens omnia vastet et devoret; at nihilominus ignem intus esse aut fuisse, etiamsi non erumpat, inficiari nemo sanus potest.” Hoewel tusschen goed en kwaad geen overgang is, tusschen de zonden zelve bestaat onderscheid. Er is verschil tusschen wie alleen zondigt in zijn hart en wie die zondige gedachte of begeerte ook in daden openbaart; »at interim scintilla in corde tuo latet, ex qua ignis alterius erupit.” Er zijn graden in de zonden; de eene is zwaarder dan de andere. Daarom zijn er ook verschillende straffen; en niemand wordt in eens de slechtste. 14)

Bij die erkenning van verschil in de zonden onderling laat Zwingli echter niet na, het geheele bederf der menschelijke natuur op het sterkst te doen uitkomen. De Erfzonde, hoewel geene schuld, wijl deze eene eigen daad en overtreding van een goddelijk gebod onderstelt, wordt door hem streng en ernstig opgevat. Zij is geene eigenlijke zonde, maar eene »misera conditio”, waarin wij geboren worden evenals kinderen van iemand, die de slavernij zich waardig gemaakt heeft, zelven ook slaven zijn. Wij worden niet in onschuld geboren, om later zelf tusschen goed en kwaad te kiezen; van het begin van ons bestaan af zijn wij zondaren. De erfzonde is de bron aller andere zonden, zij is eene geneigdheid tot zondigen, gelijk het de aard van den wolf is, schapen te verscheuren. Zij bestaat daarin »dass wir von der göttlichen art abfällig und verwildet worden und zu der vihischen geneigt sind.” 15) |18|

In dat »vihisch” wordt volkomen uitgedrukt, waarin voor Zwingli het karakter der zonde gelegen is. De zonde als opstand tegen God, als schuld treedt bij hem op den achtergrond. De val van Adam mist den ontzaglijken ernst en de ontzettende beteekenis, welke deze b.v. bij Calvijn bezit. Het dierlijke, het zinnelijke is het, wat Zwingli allereerst in de zonde opmerkt; haar daemonisch karakter verliest hij bijna geheel uit het oog. Daaruit is te verklaren, dat hij op zoo menige plaats ook den oorsprong der zonde in de zinlijkheid zoekt, en zooals b.v. in het vierde hoofdstuk van zijn Anamnema den val ter verklaring schijnt te kunnen missen. De macht der zonde is het bovenal die Zwingli gevoelt en die hem neerdrukt. Haar schuld had hij, althans voor zoover wij de geschiedenis van zijn innerlijk leven kunnen nagaan, nimmer in die mate als Luther leeren kennen. Natuurlijk mag dit niet in absoluten zin verstaan worden. Ook Zwingli kent de schuld der zonde wel. Maar de beschouwing van de zonde als macht is de heerschende. Niet slechts de Erfzonde, die uitsluitend een gebrek, eene »Brest” is, ook de zonde, die daaruit voortvloeiend, de eigene daad des menschen is, wordt dikwerf door hem onder het beeld eener ziekte voorgesteld. En in dien zin, neen, dan is voor Zwingli de zonde geen kleinigheid.

De donkere schilderij, die hij telkens ophangt van het schrikkelijk zedenbederf dat in alle standen, vorst en volk en priesters, heerscht, 16) toont duidelijk dat hij niet slechts voor de zonde in haar groven, maar ook in haar fijnen vorm een open oog had. Om haar heerschappij over heel het menschelijk geslacht en over den geheelen |19| mensch te doen uitkomen, zijn geen woorden hem te sterk. Al wat we doen is door de zonde besmet. Al ’s menschen woorden, gedachten, daden, overleggingen en plannen zijn verdorven en verkeerd. Heel zijne natuur is niet slechts tot het kwade geneigd maar zelve onrein en boos. Wij zijn allen door en door »pravi, vani, inutiles”; kwade boomen die geen goede vruchten voortbrengen kunnen. Goede werken kunnen door niemand worden volbracht. Al schijnen ze uiterlijk zoo, innerlijk kunnen ze den toets niet doorstaan. Aalmoes geven b.v. is een goed werk, maar indien wij het uit onszelven doen en in eigen kracht, dan kan het niet goed zijn. Wij geven dan altijd uit eigenliefde, uit zucht naar roem of uit vrees voor straf, of wij geven niet genoeg of met smart. »Breviter, tot imminent vitia huic tam indubitato operi, ut neminem sperandum sit id ipsum digne posse efficere.” En dit geldt van het aalmoesgeven niet alleen, maar van alle andere goede werken. Al doen we iets goeds, dan doen wij het toch ten slotte nog daarom, dat het ons goed of nuttig toeschijnt, niet omdat het goed is in de oogen van God. Zelfzucht, de oorzaak van Adams val, is het wezen van elke zonde, zij verontreinigt al onze gedachten en daden. »Philautiae et privati commodi studio infesta sunt omnia. Quisque sibi deus est.” 17)




1. Caput IV van het Anamnema de Providentia Dei. In de uitgave van Zwingli’s compleete werken door Schuler en Schulthess, Zurich 1829-1842 met het Supplement van 1861, samen 9 deelen, deel IV pag. 98 vlg. Deze uitgave wordt in het vervolg altijd geciteerd. cf. I, 211 III, 200. VI, 1 pag. 636. 662.

2. Das theologische System Zwingli’s, dargestellt von Dr. Eduard Zeller. Tübingen 1853. Besonderer Abdruck aus Jahrgang 1853 der theologischen Jahrbücher. pag 63 vlg.

3. III, 169. 207.

4. VI, 2. pag. 141. cf. pag. 100. 203. 284. VI, 1. pag. 684

5. III, 196 cf. p. 168 abdicat deus hominem quod caro factus sit totus. p. 209 carnaliter vivere est totum carnis imperio addictum ac alienum a spiritu esse.

6. Corpus et quidquid est corporeum, caveae simile est. Cur caveam pretiosam dicimus? propter avem nimirum, quae in ea alitur et canit. Anima avi similis est. Avis si evolat, abjicitur cavea in angulum aliquem et negligitur, at avis non negligitur sed diligenter curatur. Stulti sunt qui plus laboris caveae quam avi impendunt. Stultus est, qui caveam auro obducit aut variis ornat coloribus, philomelam interim fame perire sinit. VI, 1. pag. 584.

7. VI, 1. pag. 652.

8. VI, 1. pag. 366. pag. 358 neemt Zwingli den zin van Chrysippus over: sus animal est immundum et coeno gaudens, et si vita careret, putrefieret statim. Anima ergo ei pro sale est.

9. V, pag. 69.

10. Ulrich Zwingli. Der Character seiner Theologie mit besonderer Rücksicht auf Picus von Mirandola, dargestellt von Christoph Sigwart. Stuttgart und Hamburg 1855.

11. VI, 1 pag. 326. 636. 227. VI, 2 pag. 103. Voor de Stoische philosophie vergelijke men: Zeller, die Philosophie der Griechen III. 1. pag. 1-340, over de Affecten: aldaar pag. 207 vlg.

12. V, pag. 191, 192. VI, 1. pag. 227. VI, 2 pag. 11.

13. VI, 1. pag. 313. 436. VI, 2. pag. 260. De woorden van Cicero Parad. 3 : 1 zijn: in quo peccat quis, id potest aliud alio maius esse aut minus, ipsum quidem peccare, quoque te verteris unum est enz. cf. Zeller, Philos. der Griechen III, 1. pag. 230 vlg.

14. VI, 1. pag. 227. 231. 225 VI, 2. pag. 18, 268.

15. III, 627 vlg. de peccato originali declaratio. II, 1. pag. 287 vlg.

16. I, 16. 34. 103. 120 vlg. III, 38. 46. V, 13 etc.

17. I, 235. 245. 555. III, 96, 168. 174. 183. 631. VI, 1. 313. 519.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000