De ethiek van Ulrich Zwingli



door Dr. Herman Bavinck


Kampen, G.Ph. Zalsman, 1880




Inleiding.


De wetenschap, welke de beschrijving van het zedelijk leven zich ten doel stelt, geniet in den tegenwoordigen tijd een vroeger ongekenden bloei. Kant sprak de autonomie uit van den zedelijken mensch en legde daarmee den grondslag der philosophische Moraal. En Schleiermacher, wiens machtige invloed op het geheele gebied der theologische wetenschap merkbaar is, gaf ook aan de theologische Moraal eene nieuwe richting en eene hoogere vlucht. Beide, zoowel de theologische als de philosophische Ethiek, die elkander het recht van bestaan niet kunnen betwisten, zoolang rede en openbaring onverzoend en de mensch en de christen twee zijn, werden sedert den krachtigen stoot, van die beide wijsgeeren uitgegaan, ontelbare malen en met bijzondere voorliefde behandeld. Deze buitengewone gunst, welke der Ethiek ten deele valt, hangt samen met geheel de richting van onzen tijd en vindt daarin hare verklaring.

Terwijl een algemeene afkeer, althans onverschilligheid jegens het dogme niet te miskennen valt, kan daarentegen al wat met ’s menschen zedelijke natuur en leven in verband staat, op ongeveinsde belangstelling rekenen. |2| Niet slechts op hen die meer of minder buiten het theologisch gebied staan, maar ook op de theologen zelven is dit van toepassing. De Dogmatiek daalde in eere, naarmate de Ethiek in achting rees, en deze laatste begint altijd meer gene te beheerschen. Alles schijnt er op te wijzen, dat het dogme eerst dan weer spreken zal tot het bewustzijn van onzen tijd, als het in zijne ethische waarde en kracht gezien en de levenswaarheid weer ervaren wordt, die daarin verborgen ligt. Over deze richting des tijds moge men in oordeel verschillen, den algemeenen weerzin tegen al het dogmatische betreuren of niet, de bloei, waarin de wetenschap van het zedelijk leven zich verheugen mag en de algemeene belangstelling in ethische vraagstukken kan niet anders dan een bepaald gunstig en verblijdend verschijnsel heeten. Ook ondanks al wat er in de klachten over gemis van zedelijke idealen, over het bederf onzer sociale toestanden, over ondermijning van de zedelijke grondslagen van Huisgezin en Staat en Maatschappij rechtvaardigs en billijks is gelegen; de ernst, waarmee men naar oplossing der problemen zoekt, de diepgevoelde overtuiging, dat het hierin om niets minder gaat dan de edelste goederen van den mensch, geven tegelijk belofte en waarborg eener betere toekomst, ook al is men nu nog in menig opzicht verre van de oplossing gevonden te hebben verwijderd.

De voorkeur, waarmede men de Ethiek behandelt, komt vanzelf ook de beoefening harer geschiedenis ten goede. Deze heeft niet slechts geschiedkundig belang, maar kan, door opneming van de historische lijn, de verwarring verminderen, die er in de behandeling der Ethiek veelszins heerscht, haar begrip en methode ons duidelijker maken, en haar inhoud verrijken. Vooral van de Hervorming |3| en de verschillende Hervormers de ethische beginselen in het licht te stellen, kan niet alleen eene bijdrage leveren voor de Geschiedenis der Christelijke Ethiek, maar tegelijk ook zijn nut hebben voor de Ethiek van dezen tijd. De Reformatie was eene Hervorming des levens en der zeden. Daarom was ze van zoo groote beteekenis en had ze zoo diep-ingrijpenden invloed, wijl ze een geweldigen omkeer bracht in geheel het godsdienstig en zedelijk leven zelf, en dus ook in de beschouwing daarvan. Zij plaatste den mensch in eene gansch andere verhouding tot God en wijzigde daardoor ook de verhouding der menschen onderling. Zij schiep eene nieuwe Ethiek, ook al werd deze niet aanstonds door de Hervormers als afzonderlijke wetenschap beoefend. Want ze sprak beginselen uit, die de Moraal der R.-Katholieke Kerk omverwierpen en het zedelijk leven van een geheel ander gezichtspunt deden beschouwen.

De R.-Katholieke Moraal droeg een wettelijk karakter en leed onder al de nadeelige gevolgen, die daaruit altijd en overal voortvloeien. Niet op de gezindheid, maar op de uiterlijke daden werd gelet. De eenheid des christelijken levens ging in de veelheid der voorgeschreven goede werken te loor. Het zedelijk ideaal werd door de onderscheiding van hoogere en lagere deugden verontreinigd en door eene eindelooze casuistiek, die de grenzen van het goede en kwade uitwischte, voor elk pasklaar gemaakt. Al hetwelk zijn diepsten grond had in het pelagiaansch systeem, dat het godsdienstig en zedelijk leven losmaakte van God en van de wet, die God aan dat leven naar zijn onderscheiden aard gesteld heeft, en aan onzedelijke willekeur prijs gaf.

Daartegen verhief de Hervorming hare stem en stelde |4| zij beginselen, die op elk punt met de heerschende beschouwing in strijd kwamen. De atomistische opvatting van het zedelijk leven, het wettelijk karakter der Roomsche Moraal werd verworpen en het geloof als de eenige bron van alle ware zedelijkheid erkend. Het zedelijk ideaal herkreeg zijne rechten en werd gehuldigd als eene macht boven ons, waarmee niet te schikken of te plooien viel, maar welker strenge eisch voor allen zonder onderscheid in gelijke mate van kracht was. Het zedelijk leven werd in zijn eigenlijk karakter gehandhaafd, en zoowel van het gebied des verstands, waar redeneering geldt, als van dat der natuur, waar dwang heerscht, onderscheiden. Het pelagianisme werd vervangen door de belijdenis van Gods Verkiezing.

Nu is er tegen de Hervorming in het algemeen, voor zoover ze van deze belijdenis uitging, en inzonderheid tegen de Gereformeerde Kerk geen gewoner beschuldiging dan deze, dat ze door haar leer der Praedestinatie het zedelijk leven miskent en zelfs dreigt te vernietigen. Maar die aanklacht wordt door nader onderzoek ten stelligste weersproken. Reeds dit apologetische belang zou eene studie over de Ethiek der Hervormers aantrekkelijk maken en van gewicht doen zijn. Maar dat is toch ondergeschikt aan dit andere, dat ze ons de Hervormers doet kennen van eene zijde, die tot dusverre veelal verborgen bleef. Het meest toch zijn ons de Hervormers als dogmatici, als mannen van de theorie en van het denken bekend. Uiteenzetting hunner ethische beginselen toont ons hen ook als zulken, wien het boven alles te doen was om een heilig leven te kweeken, vruchtbaar in goede werken. Eerst wanneer de Hervorming ook van haar ethische zijde gekend wordt, zal kunnen begrepen worden, van wat zegen |5| zij was voor het leven des enkelen en het leven der volken.

Het verwondert dan ook niet, dat de Hervormers in onzen tijd dikwerf van die zijde beschouwd worden. Behalve van Melanchton en zijne school, wier beteekenis voor de Ethiek meermalen in het licht werd gesteld, verscheen er eene afzonderlijke studie over de Ethiek van Luther van de hand van Prof. Luthardt. 1) De Ethiek van Calvijn werd door Lobstein behandeld. 2)

Wat bepaald de Gereformeerde Kerk aangaat, in de Studien und Kritiken 3) werd ons door A. Schweizer een zaakrijk en tamelijk volledig overzicht van de ontwikkelingsgang der Gereformeerde Ethiek gegeven. Over de Ethiek van den beroemden Saumurschen theoloog, Mozes Amyraldus, daarom zoo van belang, wijl hij de historische methode op haar toepast, zag eene dissertatie van A. Drost het licht. 4)

Eene behandeling van de Ethiek van Huldrich Zwingli bleef tot dusverre achterwege. Zelfs in het algemeen dagteekent de echt-wetenschappelijke waardeering van dezen Hervormer nog niet van vele jaren. Het beeld, dat vooral van Luthersche zijde van hem geteekend wordt, is dan ook dikwerf van dien aard, dat het niet sterk tot nadere kennismaking uitlokt. Het verwerpend oordeel, door |6| Luther over hem uitgesproken, wordt door vele zijner volgelingen, o.a. door Stahl nog, tot op dezen dag toe, met meer of minder heftigheid herhaald. De eerste, meer juiste en getrouwe teekening is ook niet aan theologen maar aan historici als Ranke en Bluntschli te danken. En eerst op hun voetspoor is men begonnen hem recht te laten wedervaren en heeft men opgehouden hem uit de hoogte te veroordeelen.

Ik heb mij voorgenomen, de ethische beginselen van dezen Zurichschen Hervormer, benevens de voornaamste toepassingen, die hij daarvan maakte, in het licht te stellen. Er is genoeg, dat tot zulk een onderzoek uitnoodigen kan en ook belooft, dat het niet geheel vruchteloos zijn zal. Hoewel vervangen en in de schaduw gesteld door Calvijn, Zwingli is en blijft de eerste, die zij het dan op verre na niet met de denkkracht van den Geneefschen Hervormer de beginselen uitsprak en de lijnen aanwees der Gereformeerde theologie. Toch ligt zijne groote beteekenis niet zoozeer op het gebied der theologische geleerdheid, als veelmeer op dat des praktischen, maatschappelijken levens. In eene of andere richting geniaal ontwikkeld was Zwingli niet. Hij mist de diep-gemoedelijke natuur van Luther zoowel als de geesteskracht van Calvijn. Zijne eigenaardigheid bestaat juist in het gemis van een of andere eminente eigenschap, in het ronde en harmonisch gevormde van heel zijne persoonlijkheid. Hij is religieus en ethisch, theoloog en humanist, Evangeliedienaar en burger. Dit maakt eene uiteenzetting van Zwingli’s ethische beginselen belangrijk. Maar tegelijk ook moeilijk. Het religieuse en ethische is bij hem zoo nauw verbonden en saamgewezen, dat scheiding van beide vele bezwaren meebrengt. Hij heeft zich |7| dit zelf bovendien nooit ten doel gesteld. Zelfs eene schets der Christelijke Moraal, zooals wij die nog bij Calvijn in het derde Boek van zijne Institutie Cap. 6-10 vinden, zoekt men bij hem tevergeefs. De ethische stof ligt door al zijne werken, vooral in zijne commentaren op sommige Bijbelboeken verspreid. Op strenge scheiding van het dogmatische en het ethische heb ik me dan ook niet toegelegd, te minder, wijl Zwingli’s theologisch systeem weinig algemeen bekend is en daarenboven in velerlei opzicht iets zoo eigenaardigs heeft, dat kennis daarvan ook voor het begrijpen zijner ethische beginselen niet kan gemist worden. Dit heeft me er ook toe geleid, om Zwingli dikwerf zelf te laten spreken; wat daardoor aan helderheid der expositie ontbreken mocht, wordt door betere kennismaking met den Hervormer zelven vergoed.

Wat de indeeling der ethische stof betreft, Lobstein noemt het terecht onhistorisch, de door Schleiermacher ingevoerde verdeeling der Ethiek in »Güter-, Tugend- und Pflichtenlehre” op die van Calvijn toe te passen. Datzelfde geldt dus ook aangaande Zwingli’s Ethiek. Eene indeeling moet aan de stof zelve ontleend worden. Daar de Moraal echter nooit opzettelijk en ook volstrekt niet volledig door Zwingli behandeld is, is eene geschikte indeeling te vinden niet zonder moeilijkheden. Wij meenen het best te slagen, wanneer we ons uitgangspunt nemen in de door Zwingli telkens uitgesproken gedachte van de vita christiana, gelijk ook Lobstein van daaruit de ethische stof bij Calvijn rangschikt. Zooals bekend is, neemt Zwingli tegenover de philosophische Moraal eene veel minder vijandige houding aan dan de Hervormer van Genève. Zelfs wordt aan deze, vooral aan die der Stoa, door hem veel ontleend en tot verrijking zijner ethische |8| beschouwingen gebezigd. Dit zal natuurlijk niet mogen ontbreken en daarom ter geschikter plaatse moeten aangewezen en opgenomen worden.

Aldus meer op volledigheid dan op onberispelijkheid van indeeling bedacht, meenen we niets wezenlijks te vergeten, wanneer we, na bij wijze van inleiding

I. Zwingli’s Leer der zonde, en

II. De zedelijke natuur des menschen in dien toestand der zonde,

beschouwd te hebben, vervolgens behandelen:

III. Den grondslag van het Christelijk leven: de verkiezing.

IV. De bron van het Christelijk leven: het geloof.

V. Den aanvang en den strijd des Christelijken levens.

VI. Het richtsnoer des Christelijken levens: de wet en het voorbeeld van Christus.

VII. Het voorrecht van het Christelijk leven: de vrijheid.

VIII. Het Christelijk leven in den individu.

IX. Het Christelijk en het burgerlijk leven.

X. Het Christelijk leven in de maatschappij.




1. Die Ethik Luthers in ihren Grundzügen. Dargestellt von D. Chr. Ernst Luthardt. 2e Auflage. Leipzig 1875.

2. Die Ethik Calvins in ihren Grundzügen entworfen. Ein Beitrag zur Geschichte der Christlichen Ethik von P. Lobstein, Strassburg 1877.

3. Jaargang 1850. pag. 5 vlg. 188 vlg. 524 vlg.

4. A. Drost. Specimen Ethico-theologicum de Moyse Amyraldo, ethices christianae doctore. Amstelodami 1859.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000