7. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der wereld. Sommigen hebben deze met Thomas, S Theol. suppl. qu. 74 art. 7 wel vóór het laatste oordeel geplaatst, maar de gewone voorstelling is toch deze, dat zij daarop volgt en dan eerst intreedt, als de goddeloozen reeds van de aarde verbannen zijn. Ongetwijfeld komt deze orde ook het meest met die in de H. Schrift overeen. In het Oude Test. wordt de dag des Heeren wel door allerlei schrikkelijke teekenen voorafgegaan en heeft het gericht over de volken onder allerlei ontzettende gebeurtenissen plaats, maar de nieuwe aarde met hare buitengewone vruchtbaarheid neemt dan eerst een aanvang, als de overwinning over de vijanden behaald en het volk Israels in zijn land wedergekeerd en hersteld is. Evenzoo gaan volgens het Nieuwe Test. aan den dag des gerichts vele teekenen vooraf, zooals verduistering van zon en maan en sterren, beweging van de krachten des hemels enz., Mt. 24 : 29, maar de verbranding der aarde heeft toch eerst in den dag des Heeren plaats, 2 Petr. 3 : 10, en daarna komt dan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont, 2 Petr. 3 : 13- Als het oordeel voltrokken is, ziet Johannes het nieuwe Jeruzalem neerdalen van God uit den hemel, Op. 21 : 1v. Bij deze verwachting eener wereldvernieuwing neemt de Schrift een standpunt tusschen twee uitersten in. Eenerzijds is door velen, zooals Plato, Aristoteles, Xenophanes, Philo, Maimonides, Averroes, Nolanus, Peyrère, Edelmann, Czolbe enz. beweerd, dat deze wereld eeuwig in hare tegenwoordige gedaante zou voortbestaan. En andererzijds waren Origenes, de Lutherschen, de Mennonieten, de Socinianen, Vorstius, de Remonstranten en |512| ook enkele Gereformeerden, zooals Beza, Rivetus, Junius, Wollebius, Prideaux van meening, dat zij niet slechts in gedaante veranderd doch in substantie vernietigd en door eene gansch nieuwe wereld vervangen zou worden, M. Vitringa IV194-200. Doch geen van deze beide gevoelens vindt steun in de Schrift. De Oudtest. profetie verwacht eene buitengewone verandering in heel de natuur maar leert toch geen vernietiging van de tegenwoordige wereld. De plaatsen, waarin men deze laatste geleerd acht, Ps. 102 : 27, Jes. 34 : 4, 51 : 6, 16, 65 : 17, 66 : 22, beschrijven de verandering, welke na den dag des Heeren intreden zal, wel in zeer sterke bewoordingen, maar houden toch geen vernietiging van de wereldsubstantie in. Vooreerst toch is de beschrijving, welke daar gegeven wordt, veel te beeldrijk, dan dat er eene letterlijke reductio ad nihilum van heel de wereld uit afgeleid zou kunnen worden. Voorts wordt het vergaan, db', van hemel en aarde, Ps. 102 : 27, dat op zichzelf reeds nooit eene volstrekte vernietiging der substantie te kennen geeft, daardoor verklaard, dat zij als een kleed verouderen, als een gewaad veranderen, als een blad afvallen, als rook verdwijnen zullen, Ps. 102 : 27, Jes. 34 : 4, 51 : 6. En eindelijk geeft het woord scheppen, 'rb, dat van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde gebezigd wordt, Jes. 65 : 17, volstrekt niet altijd een voortbrengen uit niets te kennen, maar duidt het dikwerf zulk eene werkzaamheid Gods aan, waardoor Hij uit het oude iets nieuws te voorschijn doet komen, Jes. 41 : 20, 43 : 7, 54 : 16, 57 : 19; daarom wisselt het ook af met planten, gronden, maken, Jes. 51 : 16, 66 : 22, en kan de Heere in Jes. 51 : 16 zeggen, dat Hij die nieuwe schepping daarmede begint, dat Hij zijn woord in Israels mond legt en het dekt met de schaduw zijnerhand. Het nieuwe Test. verkondigt op dezelfde wijze, dat hemel en aarde zullen voorbijgaan, Mt. 5 : 15, 24 : 35, 2 Petr. 3 : 10, 1 Joh. 2 : 17, Op. 21 : 1, dat zij zullen vergaan, en verouden als een kleed, Hebr. 1 : 11, ontbonden, 2 Petr. 3 : 11, verbrand, 2 Petr. 3 : 10, veranderd worden, Hebr. 1 : 12. Maar deze uitdrukkingen sluiten geen van alle eene vernietiging der substantie in. Immers leert Petrus uitdrukkelijk, dat de oude aarde, die door scheiding der wateren ontstond, door het water van den zondvloed vergaan is, 2 Petr. 3 : 6, en dat de tegenwoordige wereld evenzoo, ofschoon krachtens Gods belofte niet meer door water, toch door vuur |513| zal vergaan. Aan eene vernietiging van de substantie bij het vergaan der tegenwoordige wereld valt dus evenmin te denken als bij de verderving der vroegere wereld in den zondvloed; vuur verbrandt, reinigt, zuivert maar vernietigt niet. De tegenstelling in 1 Joh. 2 : 17: die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid, leert, dat met de woorden: de wereld gaat voorbij met hare begeerlijkheid, niet bedoeld is eene vernietiging van de substantie der wereld, maar eene verdwijning der wereld in haar door de zonde verwoeste gedaante. Paulus zegt daarom ook zeer duidelijk, dat de gedaante, to scjma, van deze wereld voorbijgaat, 1 Cor. 7 : 31. Trouwens komt zulk een wereldvernieuwing alleen overeen met wat de Schrift over de verlossing leert. Deze is immers nooit eene tweede, nieuwe schepping, maar eene herschepping van het bestaande. Daarin bestaat juist Gods eere, dat Hij dezelfde menschheid, dezelfde wereld, denzelfden hemel en dezelfde aarde verlost en vernieuwt, welke door de zonde verdorven en verontreinigd waren. Zooals een mensch in Christus een nieuw schepsel is, bij wien het oude voorbijgegaan en alles nieuw is geworden, 2 Cor. 5 : 17, zoo gaat ook deze wereld in haar tegenwoordige gedaante voorbij, om op het machtwoord Gods uit haar schoot aan eene nieuwe wereld het aanzijn te geven. Gelijk bij den enkelen mensch, zoo heeft er aan het einde der dagen ook bij de wereld eene wedergeboorte plaats, Mt. 19 : 28, die geen physische schepping maar eene geestelijke vernieuwing is. Cf. Thomas, S. Theol. Suppl. qu. 74 art. 1 en qu. 91. Atzberger, Die christl. Eschat. 372 f. Gomarus, Op. I 131-133. 416. Spanheim, Dubia Evang. III 670-712. Turretinus, Th. El. XX qu. 5. Moor VI 733-736. M. Vitringa IV 186-215. Kliefoth, Eschat. 297 f.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004