5. De plaats, waarheen de goddeloozen na het gericht verwezen worden, draagt in het N. Test den naam van gehenna. Het hebr. £wnh yg was oorspronkelijk de naam van het dal van Hinnom, dat ten zuidoosten van Jeruzalem lag en volgens Jos. 15 : 8, 18 : 16 de grensscheiding tusschen twee stammen vormde. Onder Achaz en Manasse werd dit dal een plaats voor den cultus van Moloch, ter wiens eere kinderen werden geslacht en verbrand, 2 Kon. 16 : 3, 21 : 6, 2 Chr. 28 : 3, 33 : 6, Jer. 32 : 34, 35. Daarom werd deze plaats onder Josia verwoest en door de priesters onrein verklaard, 2 Kon. 23 : 10. Jeremia profeteerde, |496| dat hier een vreeselijk bloedbad voor de Israelieten aangericht en de naam van het dal Tofeth in dien van moorddal veranderd zou worden, Jer. 7 : 32, 19 : 6. En het apocriefe boek Henoch uitte de verwachting, dat in dit dal de goddeloozen verzameld zouden worden tot het gericht. Om deze reden werd later de naam Gehinnom overgedragen op de strafplaats der goddeloozen na den dood. Volgens anderen echter had deze overdracht eene andere oorzaak. Nadat het dal van Hinnom door Josia verwoest was, werd het volgens de latere Joden gebruikt voor het nederwerpen en verbranden van allerlei onreinigheid. Evenals Gan Eden de plaats aanduidde, waar na den dood de rechtvaardigen vertoefden, werd Gehinnom de naam van het oord, waarheen de onreinen en goddeloozen werden verwezen, om er straf te lijden in het eeuwige vuur. Vuur was trouwens al van ouds een openbaring en symbool van den toorn en de grimmigheid des Heeren. Israels God is een verterend vuur, een eeuwige gloed, Deut. 4 : 24, 9 : 3, Jes. 33 : 14; Hij sprak tot de kinderen Israels uit het midden des vuurs, Deut. 4 : 12, 33, 5 : 4, 22-26, 9 : 10, 10 : 4, cf. Ex. 3 : 2; zijn toorn is een brandend vuur, uitgaande uit zijn neus, Ps. 18 : 9, 79 : 5, 89 : 47, Jer. 4 : 4; vuur, uitgaande van het aangezicht des Heeren, verteert de offerande, Lev. 9 : 24; door vuur verdelgt Hij Nadab en Abihu, Lev. 10 : 2, de murmureerders des volks, Num. 11 : 1, Ps. 106 : 18, de Korachieten, Num 16 : 35, de benden, die tegen Elia worden afgezonden, 2 Kon. 1 : 10v.; en in vuur komt Hij eenmaal, om recht te doen op aarde en de goddeloozen te straffen, Deut. 32 : 22, Ps. 11 : 6, 83 : 15, 97 : 3, 140 : 11, Jes. 30 : 33, 31 : 9, 66 : 15, 16, 24, Jer. 4 : 4, 15 : 14, 17 : 4, Am. 1 : 4v., Joel 2 : 30; en dat vuur brandt tot in den benedensten Scheol, Deut. 32 : 22, het wordt nimmer uitgebluscht, Jes. 66 : 24, en brandt eeuwig, Jer. 17 : 4. Deze voorstelling ging over in het Nieuwe Testament. Gehenna is de strafplaats der goddeloozen na den oordeelsdag, onderscheiden van ƒdjv, fulakj, ‡bussov, boven bl. 374, maar identisch met de kaminov tou purov, Mt. 13 : 42, 50 en de limnj tou purov, Op. 19 : 20, 20 : 10, 14, 15, 21 : 8. Het is de plaats, bestemd voor het beest uit den afgrond en voor den valschen profeet, Op. 19 : 20, voor Satan en zijne engelen, Op. 20 : 10, voor dood en hades, Op. 20 : 14, envoor alle goddeloozen, Op. 20 : 15, 21 : 8. En dezen worden er allen ingeworpen na de |497| opstanding, Mt. 5 : 29, 30, 10 : 28, en na het eindgericht, Op. 19 : 20, 20 : 10, 14, 15, 21 : 8, terwijl vóór dien tijd de hades, de gevangenis, fulakj, 1 Petr. 3 : 19, Op. 20 : 7 of de abyssus hun verblijfplaats zijn, en de straffe van het eeuwige vuur of de donkerheid der duisternis nog voor hen bewaard wordt, Mt. 8 : 29, 25 : 41, 46, 2 Petr. 2 : 17, Jud. 13. In die gehenna toch brandt het eeuwige, onuitblusschelijke vuur, Mt. 18 : 8, Mk. 9 : 43, 44, 48, knaagt de worm, die niet sterft, Mk. 9 : 44, 48, en is er eene eeuwige pijniging, Mt. 25 : 46, 2 Thess. 1 : 9, Op. 14 : 11; het is een geenna of kaminov tou purov, Mt. 5 : 22, 13 : 42, 50, 18 : 9, en tevens eene plaats der uiterste en buitenste duisternis, Mt. 8 : 12, 22 : 13, 25 : 30, 2 Petr. 2 : 17, Jud. 13, cf. Deut. 5 : 22, Ps. 97 : 2, 3, buiten gelegen, Op. 22 : 15, in de diepte, zoodat men erin geworpen wordt, Mt. 5 : 29, 30, Op. 19 : 20, 20 : 10. 14, 15, ver van de bruiloftstafel des Lams, Mt. 8 : 11, 12, 22 : 13, ver van de gemeenschap met God en met Christus, Mt. 7 : 23, 25 : 41, Luk. 13 : 27, 28, 2 Thess. 1 : 9, in het gezelschap van Satan en zijne engelen, Mt. 25 : 41, Op. 20 : 10, 15. De toorn Gods openbaart zich daar in al zijne verschrikkelijkheid, Rom. 2 : 5-8, 9 : 22, 1 Thess. 1 : 10, Hebr. 10 : 31, Op. 6 : 16, 17, zoodat de gehenna niet alleen een oord is van gemis, maar ook van smart en pijn, beide naar ziel en naar lichaam, eene plaats van kolasiv, Mt. 25 : 46, Op. 14 : 10, 11, van klauqmov en brugmov twn ìdontwn, Mt. 8 : 12, 13 : 42 enz., van qliyiv en stenocwria, Rom. 2 : 9, 2 Thess. 1 : 6, van ‡pwleia, Mt. 7 : 13, Rom. 9 : 22, Phil. 1 : 28, 3 : 19, 2 Petr. 3 : 7, Op. 17 : 8, 11, van fqora, Gal. 6 : 8, ìleqrov, 1 Thess. 5 : 3, 2 Thess. 1 : 9, 1 Tim. 6 : 9; de gehenna is het gebied van den tweeden dood, Op. 2 : 11, 20 : 6, 14, 15, 21 : 8.

Op dezen vasten grond der Schrift word in de christelijke kerk de leer van de eeuwigheid der helsche straf gebouwd; en theologie en prediking, poezie en schilderkunst wedijverden menigmaal met elkaar in plastische beschrijving en realistische teekening van de pijnen, welke daar naar lichaam en ziel in het eeuwige vuur werden geleden. Maar van tijd tot tijd werden er toch bezwaren tegen deze leer ingebracht. En sedert de Aufklärung in de vorige eeuw eene zachtere beoordeeling van zonde en misdaad deed opkomen, de pijnbanken afschafte, de straffen matigde en allerwege een gevoel van humaniteit ontwaken deed, kwam |498| er ook een gansch andere beschouwing over de straffen der hel en werden deze door velen of gewijzigd voorgesteld of ganschelijk verworpen, Lecky, Gesch. d. Ursprungs und Einflusses der Aufklärung in Europa, Leipzig 1873 I 259f. De gronden, waarop de eeuwigheid der helsche straf bestreden wordt, komen dan altijd hierop neer: a. eeuwige straf strijdt met de goedheid, de liefde, de barmhartigheid Gods en maakt Hem tot een tiran, die behagen schept in plagen en pijnigen en zich lof bereidt uit het eeuwig gekerm van millioenen ongelukkige schepselen. b. Eeuwige straf strijdt met de rechtvaardigheid Gods, wijl zij geen verband houdt met en niet evenredig is aan de zonde, die, hoe schrikkelijk ook, toch altijd een beperkt, eindig karakter draagt. Het is niet te denken, dat God, die de volmaakte liefde en de hoogste gerechtigheid is, een menschenkind, ook al had het duizend jaren gezondigd, straffen zal met een eeuwigdurende pijniging. c. Zulk eene eeuwige straf is ook onvoorstelbaar en ondenkbaar. De Schrift spreekt van vuur en worm en duisternis, maar dit zijn alle beelden; letterlijk opgevat, zouden zij elkander uitsluiten. Doch afgedacht daarvan, wat is de waarde eener eeuwige straf, die geen ander doel heeft dan om den zondaar eeuwig te pijnigen? Wat nuttigheid heeft zij voor hem, die haar ondergaat, dewijl zij waar berouw uiteraard uitsluiten moet en hem steeds doet voortgaan met zondigen? Wat eere brengt zij toe aan Gods naam, als zij de zonde niet overwint en vernietigt maar bestendigt en eeuwig doet voortduren? En hoe is het mogelijk, dat de verlorenen onder zulk eene eeuwige straf zich voortdurend verharden, zonder ooit tot inkeer te komen en zich voor God te verootmoedigen? d. De Schrift leert dan ook geen eeuwige, eindelooze straf in de hel. Wel spreekt zij van eeuwige pijn enz., maar eeuwig heeft daar evenals elders niet de beteekenis van eindeloos, doch duidt een tijdduur aan, waarvan de grens zich aan de waarneming of berekening onttrekt; a¸wniov is, wat boven een langeren of korteren a¸wn uitgaat. Dit wordt nog daardoor versterkt, dat a¸wniov, in bonam partem van de goederen des heils, bijv. van het leven gebruikt, vooral eene innerlijke qualiteit aanduidt, waardoor al deze heilsgoederen worden voorgesteld als boven de vergankelijkheid verheven. Daartegenover wordt de toestand der verlorenen als ‡pwleia, fqora, ìleqrov, qanatov aangeduid, hetgeen er op wijst, dat zij zoo niet eeuwig kunnen blijven bestaan maar of ten eenenmale |499| vernietigd of eens geheel en al hersteld worden. e. Voor het laatste biedt de Schrift hope, als zij leert, dat Christus eene verzoening is voor de zonden der gansche wereld, 1 Joh. 2 : 2, Col. 1 : 19, 20, en dat God in dien weg aller zaligheid wil, 1 Tim. 2 : 4, 4 : 10. Gelijk alle menschen in Adam sterven, zoo worden zij ook allen in Christus levend gemaakt, 1 Cor. 15 : 22, Rom. 5 : 18. Thans vergadert God alle dingen onder Christus als hoofd bijeen, Ef. 1 : 10, opdat eens alle knie voor Christus zich buige, Phil. 2 : 10, en God alles in allen moge wezen, 1 Cor. 15 : 28. God heeft allen onder de zonde besloten, opdat Hij allen barmbartig :zou zijn, Rom. 11 : 32.

Op deze overwegingen worden dan aangaande het uiteinde der goddeloozen, indien wij afzien van het pantheisme en materialisme, dat alle onsterfelijkheid en eeuwigheid loochent, de volgende drie hypothesen gebouwd. Ten eerste zijn er, die leeren, dat er eene mogelijkheid van bekeering open blijft, niet alleen in den tusschentoestand tot op het eindgericht toe, boven bl. 382, maar ook daarna nog en tot in alle eeuwigheid. Of er dus eene hel en eene eeuwige straf is, hangt geheel van den mensch en van zijn vrijen wil af. Indien hij zich voortdurend tegen de roepstem tot bekeering verzet, wikkelt hij zich steeds vaster en dieper in de zonde in en verlengt zijne straf. Wijl echter de prediking van geloof en bekeering nooit ophoudt en de wil des menschen steeds vrij blijft, wordt de mogelijkheid van eene eeuwige straf in de hel zeer onwaarschijnlijk en vleit men zich liever met de hope, dat ten slotte allen tot bekeering komen en in het eeuwige leven ingaan. Eeuwige pijn in de Schrift beteekent dus alleen, dat zij, die zoo laat zich bekeeren, altijd de herinneriug aan hun hardnekkig verzet blijven behouden en bij hen, die in dit leven het evangelie geloofden, eeuwig zullen achterstaan. Dit hypothetisch universalisme komt, dus op eene voortdurende loutering neer en is eene hernieuwing van de leer der zielsverhuizing. Het verschil is alleen, dat de metempsychose deze loutering laat plaats vinden in het Diesseits, terwijl het hypothetisch universalisme haar in het Jenseits stelt. Deze leer vond vooral in de vorige eeuw bij de Rationalisten ingang, maar wordt ook thans door vele theologen verdedigd, cf. Wegscheider, Instit. § 200. Bretschneider, Dogm. II 468 f. 581 f. Reinhard, Dogm 406 f. Lange, Posit. Dogm. § 131. Dorner, Gl. II 972. |500| Nitzsch, Ev. Dogm. 624. W. Schmidt, Christl. Dogm. II 517. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d.l. S. 71-75. H. Ernst, Geloof en Vrijheid 1886 blz. 407-444. Voorts in Engeland de voorstanders van de zoogenaamde future (second) probation of van de wider hope, zooals Robertson, Maurice, Theol. Essays 1853 p. 442: the word eternal and the punishment of the wicked. Thomas de Quincoy, On the supposed scriptural expression for eternity 1852. Tennyson, In Memoriam. Farrar, Eternal Hope, 1878 en Mercy and Judgment 1881 met de door deze beide werken te voorschijn geroepen litteratuur, cf. The wider hope, essays and strictures on the doctrine and literature of future punishment by numerous writers, lay and clerical, London Unwin, 1890. In Amerika de verdedigers van de Andover position, ingenomen door de vijf professoren van Andover College, Churchhill, Harris, Hincks, Tucker en Egb. C. Smith, die van verschillende artikelen der belijdenis afweken, ook van dat aangaande de eeuwige straf, cf. Andover Review April 1890 p. 434 enz.. Vanzelf leidt dit gevoelen van een voortgaande bekeering en loutering tot de leer van de zoogenaamde universalisten, die meenen, dat aan het einde alle schepselen de zaligheid en de heerlijkheid deelachtig zullen worden. Wat daar gewenscht en gehoopt wordt, wordt hier zeker verwacht en als dogma verkondigd. De leer van den terugkeer aller dingen in God komt reeds voor in de indische en grieksche philosophie, ging vandaar over in Gnosticisme en Neoplatonisme en werd dan het eerst in de christelijke theologie voorgedragen door Origenes. Deze spreekt wel herhaaldelijk van eene eeuwige straf in, de hel maar ziet daarin toch slechts eene practische leer, die voor de onontwikkelden noodig is doch door de gnostici geheel anders opgevat wordt. Volgens Origenes toch zijn alle geesten oorspronkelijk door God gelijk geschapen, doch de daden van den vrijen wil brengen ongelijkheid en veroorzaken, dat de zielen der menschen ter loutering in eene stoffelijke wereld verplaatst en aan lichamen, verbonden worden. Doch deze loutering zet ook na den dood en na het eindgericht zich voort, tot dit uit en door de grootst mogelijke verscheidenheid de gelijkheid weer te voorschijn treedt en alle geesten weder tot God terugkeeren in dienzelfden toestand, waarin zij oorspronkelijk bij Hem verkeerden. Wijl echter de vrije wil altijd dezelfde blijft, kan hij evengoed als van het kwade |501| tot het goede, zoo weder van het goede tot het kwade terugkeeren, en is er dus eene voortdurende wisseling van afval en wederbrenging aller dingen, eene eindelooze schepping en vernietiging der stoffelijke wereld, cf. Atzberger, Gesch. der christl. Eschat. 1896 S. 366-456. Deze gedachte van de wederherstelling aller dingen vond in de oudheid weerklank bij Gregorius Naz., Gregorius Nyss., Didymus, Diodorus van Tarsus, Theodorus van Mopsuestia, e.a. , cf. Petavius, de angelis III 7. 8, in de Middeleeuwen bij Scotus Erigena, Amalrik van Bena en de broeders en zusters van den vrijen geest, na de Hervorming bij Denck en vele Wederdoopers, bij Jane Leade, J.W. Petersen, Ludwig Gerhard, F.C. Oetinger, Michael Hahn, Jung-Stilling, Swedenborg enz., en in den nieuweren tijd bij Schleiermacher, Chr. Gl. § 117-120 en § 163 Anhang. Schweizer, Gl. II 577 f. 591. 604. Schoeberlein, Prinzip und System der Dogm. 679. Riemann, Die Lehre van der Apokatastasis2 Magdeburg 1897. Scholten, Initia 268 sq. W. Francken, Geloof en Vrijheid 1886. Cf. Köstlin, art. Apokatastasis in Herzog3. Veel grooter instemming vond echter nog een derde gevoelen, dat onder den naam van conditioneele onsterfelijkheid bekend staat. Hoewel de vroegere theologie zeer dikwerf van de onsterfelijkheid sprak in geestelijken zin, als eene gave, door Christus verworven, toch dacht daarom schier niemand eraan, om de natuurlijke onsterfelijkheid der ziel te loochenen. Het eerst leerden de Socinianen onder den invloed van hun abstract supranaturalisme, dat de zielen niet van nature onsterfelijk waren maar dit eerst werden in geval van gehoorzaamheid door eene gave Gods. Daaruit volgde, dat de goddeloozen en de duivelen krachtens eene natuurlijke vergankelijkheid eenmaal moesten ophouden te bestaan. Socinus sprak dit nog niet zoo duidelijk uit, maar zijne volgelingen leerden zonder omwegen, dat de tweede dood in vernietiging bestond; en deze had dan volgens Crell, Schmalz e.a. niet bij of spoedig na den dood, doch eerst na de algemeene opstanding en het wereldgericht plaats, Fock, Der Socin. 714 f. Van de Socinianen werd deze leer overgenomen door Locke, Warburton, Whiston, Dodwell, Walter e.a., en in deze eeuw door Rothe, Theol. Ethik § 470-472 en Weisse, Ueber die philos. Bedeutung der christl. Eschat. Stud. u. Krit. 1836. Vooral echter begon zij opgang te maken en aanhangers te vinden, sedert zij in 1885 verdedigd werd door |502| Edward White in zijn Life in Christ, a study of the Scripture doctrine on the nature of man, the object of the divine incarnation and the conditions of human immortality, 3 ed. Stock London 1878. Dit boek bracht vele pennen in bewegingen lokte niet alleen ernstige bestrijding doch ook velerlei betuiging van instemming uit. Overal vindt het conditionalisme thans talrijke verdedigers, zooals bijv. Schultz, Voraussetzungen der christl. Lehre von der Unsterblichkeit 1861. H. Plitt, Evang. Glaubenslebre 1863. II 413. Weisse, Philos. Dogm. § 970. Lemme, Endlosigkeit der Verdammnis und allgemeine Wiederbringung, Lichterfelde-Berlin, Runge. (voordracht, geh. 12 Aug. 1898). Charles Byse, L’immortalité conditionelle ou la vie en Christ, Paris 1880. Petavol-Olliff, Le problème de l’immortalité, Paris 1891. Dr. Jonker, De leer der condit. onsterfelijkheid, Theol. Stud. I.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004