§ 56. De voleinding der eeuwen.

1. Met de verschijning van Christus op de wolken begint de hwhy £wy, Ó Ómera tou kuriou Ómwn HIjsou Cristou, Mt. 24 : 36v., Luk. 17 : 24v., 21 : 34, Hd. 17 : 30, 1 Cor. 1 : 8, 5 : 5 enz. De Schrift wil daarmede geenszins te kennen geven, dat alwat tot de laatste dingen behoort, wederkomst, opstanding, gericht enz., in eene tijdruimte van twaalf of vierentwintig uren afloopt. Onder het Oude Testament was de dag des Heeren die tijd, waarin God op wonderbaar heerlijke wijze als koning tot zijn volk zou komen, om het van al zijne vijanden te verlossen en het bij zich in Jeruzalem in vrede en veiligheid te doen wonen. Met dat komen Gods trad het groote keerpunt in, waarbij de oude tijd in den nieuwen overging en alle toestanden en verhoudingen in natuur en menschenwereld gansch en al veranderen zouden. Later word dit door de Joden zoo voorgesteld, dat met den dag des Heeren de tegenwoordige wereldtijd, hzh £lwv, overging in den toekomstigen, 'bh £lwv, die dan dikwerf nog weer nader in de drie geslachten of in de 40 of 100 of 600 of 1000 of 2000 of 7000 jaren durende dagen van den Messias, xyHmh twmy, en de daarna intredende eeuwigheid, 'bh £lwv of 'bh dytv onderscheiden werd, Weber, System 354. Volgens het Nieuwe |482| Testament heeft met de eerste komst van Christus het laatste gedeelte van den a¸wn oÃtov een aanvang genomen, zoodat wij nu leven in de laatste dagen of in de laatste ure, 1 Cor. 10 : 11, Hebr. 1 : 1, 19 : 26, Joh. 2 : 18, en treedt met zijne tweede komst de a¸wn mellwn in, Mt. 19 : 28, Mk. 10 : 30, Luk. 18 : 30, 20 : 35, 1 Cor. 15 : 23, Hebr. 2 : 5 enz., cf. Cremer s.v. a¸wn. En deze a¸wn mellwn begint met de Ómera tou kuriou, dat is de tijd, waarin Christus verschijnt, de dooden opwekt, het oordeel velt en de wereld vernieuwt. Deze tijd wordt in het N. Test. nergens voorgesteld als lang te zullen duren; Paulus zegt 1 Cor. 15 : 52, dat de verandering der levend overgebleven en de opstanding der gestorven geloovigen in een punt des tijds, in een oogenblik plaats hebben zal, cf. 1 Thess. 4 : 15-17; opstanding en laatste oordeel worden ten nauwste, als tot ééne acte, verbonden, Luk. 14 : 14, 2 Cor. 4 : 14, Op. 20 : 11 -13; en het oordeel wordt op een dag, Mt. 10 : 15, 11 : 22 enz., ja zelfs op een ure gesteld, Op. 14 : 7. Maar deze laatste bepaling bewijst, dat de Schrift er niet aan denkt, om al de gebeurtenissen in de parousie van Christus, precies binnen eene ruimte van vierentwintig uren of van zestig minuten te beperken; óra, oorspr. jaargetijde, duidt dikwerf een veel langeren tijd dan een uur van zestig minuten aan, Mt. 26 : 45, Joh. 4 : 21, 5 : 25, 16 : 2, 32, Rom. 13 : 11, 1 Joh. 2 : 18. De gebeurtenissen, welke in de parousie van Christus moeten plaats grijpen, zijn ook zoo omvangrijk, dat zij zeker een geruimen tijd in beslag nemen. De uitvindingen van deze eeuw hebben voor het onderling verkeer, voor de oefening van gemeenschap, voor het hooren en zien van wat in groote verte geschiedt, de afstanden tot een minimum doen inkrimpen; en ze zijn waarschijnlijk nog maar aanvang en profetie van wat in volgende eeuwen ontdekt worden zal. Maar hoezeer met dit alles ook bij de leer der laatste dingen rekening behoort gehouden te worden; toch zijn verschijning van Christus, zoodat allen Hem zien, opstanding van alle dooden en verandering der levend overgeblevenen, oordeelvelling over alle menschen naar al hunne werken, verbranding en vernieuwing der wereld zulke ontzettende gebeurtenissen, dat zij niet anders dan in zeker tijdsverloop plaats kunnen hebben.

De eerste gebeurtenis, die op de verschijning van Christus volgt, is de opstanding der dooden. Deze is niet het resultaat van eene ontwikkeling der lichamen in het algemeen, of in het bijzonder |483| van het in de geloovigen door wedergeboorte en sacrament ingeplante opstandingslichaam, cf. Kübel, Herzog2 1, 764, maar de uitwerking van eene almachtige, scheppende daad Gods, Mt. 22 : 29, 1 Cor. 6 : 14, 15 : 38, 2 Cor. 1 : 9. Bepaaldelijk oefent de Vader dit werk uit door den Zoon, wien Hij gegeven heeft het leven te hebben in zichzelven, Joh. 5 : 28, 6 : 29, 40, 44, 1 Cor. 6 : 14, 2 Cor. 4 : 14, 1 Thess. 4 : 14, die de opstanding en het leven, de eerstgeborene uit de dooden is, Joh. 11 : 25, Hd. 16 : 23, 1 Cor. 15 : 20, Col. 1 : 18, Op. 1 : 5, en daarom de opstanding der zijnen noodzakelijk tot stand moet doen komen, Joh. 6 : 39, 40, 1 Cor. 15 : 20-23, 47-49. De Schrift leert zonder twijfel tene algemeene opstanding, eene opstanding van geloovigen niet alleen maar ook van ongeloovigen en van alle menschen, Dan. 12 : 2, Mt. 5 : 29, 30, 10 : 28, Joh. 5 : 29, Hd. 24 : 15, Op. 20 : 12, 13, en zij schrijft ook deze aan Christus toe, Joh. 5 : 29. Maar zij spreekt over deze algemeene opstanding toch zeer zelden, wijl zij tot Christus in een gansch ander verband staat dan de opstanding der geloovigen. De opstanding der dooden in het algemeen is toch niet dan zijdelings eene vrucht van het werk van Christus; zij is alleen noodzakelijk geworden, omdat de tijdelijke dood is ingetreden; en deze is van den eeuwigen dood gescheiden geworden, omdat God met zijne genade tusschenbeide kwam. De straf op de zonde was oorspronkelijk de dood, de dood in zijn vollen omgang en zwaarte. Maar omdat God uit het gevallen menschelijk geslacht zich eene gemeente ten eeuwigen leven verkoren had, stelde bij terstond bij Adam en Eva den tijdelijken dood reeds uit, liet Hij hen zich voortplanten van geslacht tot geslacht en verwijst eerst aan het einde der eeuwen hen, die zijn wet en evangelie ongehoorzaam zijn, naar bet eeuwig verderf. De algemeene opstanding dient dus alleen, om de ter wille van de genade in Christus tusschen beide gekomen, tijdelijke verbreking van den band tusschen ziel en lichaam bij alle menschen te herstellen en hen allen als menschen, naar ziel en lichaam samen, voor Gods rechterstoel te plaatsen en hen uit zijnen mond het oordeel te doen vernemen. Ook deze algemeene opstanding brengt de Vader door Christus tot stand, omdat Hij niet alleen het leven maar ook het oordeel aan den Zoon heeft gegeven en dit oordeel den ganschen mensch moet treffen, naar ziel en lichaam beide, Joh. 5 : 27-29, cf. M. Vitringa IV 149. De opstanding |484| der dooden in het algemeen is dus in de eerste plaats eene richterlijke daad Gods. Maar deze daad is voor de geloovigen vol van rijke vertroosting. En daarom staat in de Schrift de opstanding der gemeente allerwege op den voorgrond, zoozeer zelfs, dat de opstanding van alle menschen soms geheel terzijde gelaten en verzwegen wordt, Job 19 : 25-27, Ps. 78 : 23-26, Hos. 6 : 2, 13 : 14, Jes. 26 : 19, 20, Ezech. 37, Mk. 12 : 25, 1 Cor. 15, 1 Thess. 4 : 16, Phil. 3 : 11. Deze opstanding is de eigenlijke, ware opstanding en is rechtstreeks door Christus verworven, want zij is niet maar eene hereeniging van ziel en lichaam, doch eene levendmaking, eene vernieuwing, een terstond naar ziel en lichaam beide in gemeenschap treden met Christus, een herschapen worden naar Gods evenbeeld, Rom. 8 : 11, 29, Phil. 3 : 21. Daarom laat Paulus de opstanding der geloovigen samenvallen met de verandering der levend overgeblevenen; de laatsten hebben bij de eersten niets voor, want het opstaan gaat aan het veranderd worden vooraf, en samen worden zij dan den Heere tegemoet gevoerd in de lucht, 1 Cor. 15 : 51, 52, 2 Cor. 5 : 2, 4, 1 Thess. 4 : 15-17.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004