12. Dit ideëele en reëele verband van Christus’ eerste en tweede komst verklaart ook de wijze, waarop in het N. Test. over den tijd zijner parousie gesproken wordt. Eene gansche reeks van plaatsen stelt deze parousie zeer nabij. Jezus knoopt de profetie van de voleinding der eeuwen onmiddellijk vast aan die van de verwoesting van Jeruzalem, Mt. 24 : 29 c. parall. Paulus acht het mogelijk, dat hij en zijne medegeloovigen de parousie van Christus nog beleven zullen, 1 Thess. 4 : 15, 1 Cor. 15 : 51. En alle apostelen zeggen, dat zij zijn in den laatsten tijd, dat de toekomst des Heeren nabij is, en ontleenen daaraan eene drangrede tot waakzaamheid, Rom. 13 : 11, 1 Cor. 10 : 11, Hebr. 3 : 14, |476| 6 : 11, 10 : 25, 37, Jak. 5 : 7-9, 1 Petr. 1 : 6, 20, 4 : 17, 5 : 10, 1 Joh. 2 : 18, Op. 1 : 3, 3 : 11, 20, 22 : 7, 10, 12, 20. Er is in de opvatting van deze Nieuwtest. verwachting aangaande de spoedige wederkomst van Christus zoowel aan de eene als aan de andere zijde gedwaald. Het N. Testament bevat volstrekt geen leer over den tijd van Christus’ wederkomst. Het stelt in geenen deele vast, dat die wederkomst nog vóór of onmiddellijk na de verwoesting van Jeruzalem plaats hebben zal. Wel is dit door velen uit Mt. 10 : 23, 16 : 28, 24 : 34, 26 : 64 c. parall. afgeleid, maar ten onrechte. Want het is voor geen redelijken twijfel vatbaar, dat Jezus van zijn komen in verschillenden zin heeft gesproken. In Joh. 14 : 18-24, cf. 16 : 16-24 spreekt Hij tot zijne discipelen van zijn komen in den Geest na den pinksterdag of volgens andere uitleggers van zijn komen na de opstanding, wanneer Hij weder voor een kleinen tijd aan zijne jongeren verschijnen zal. In Mt. 26 : 64 bevestigde Jezus voor den hoogen raad niet alleen zijn Messiasschap met een eed, maar zeide Hij ook, dat Hij hen hiervan overtuigen zou, doordat zij Hem van nu aan, ‡parti, zouden zien zitten aan de rechterhand van Gods kracht en zouden zien komen op de wolken des hemels. Van een dergelijk komen in zijne heerlijkheid is ook elders sprake. Mt. 16 : 28, cf. Mk. 9 : 1, Luk. 9 : 27, verheft dit boven alle bedenking. Jezus zegt daar, dat sommigen van zijne omstanders den dood niet zullen smaken, totdat zij den Zoon des menschen hebben zien komen in zijn koninkrijk. Vlak vooraf had Hij vermaand, om vooral op redding der ziel bedacht te zijn; en Hij drong deze vermaning aan, met te zeggen, dat de Zoon des menschen komen zou, met Goddelijke heerlijkheid bekleed, en dan een ieder naar zijne werken zou vergelden. Maar zóó lang, voegt Hij er in vs. 28 als het ware verklarend aan toe, zal dit zelfs niet duren, want nog voordat al zijne omstanders gestorven zijn, komt de Zoon des menschen reeds in zijn koninkrijk, n tÛ basilei‹ aÇtou, dat is, met de koninklijke macht en waardigheid, welke de Vader Hem geven zal. Door zijne opstanding en hemelvaart toch wordt Christus van den Vader tot Hoofd, Koning, Heer aangesteld, Hd. 2 : 33, 5 : 31; en van dat oogenblik af komt Hij voortdurend in zijne koninklijke waardigheid, naarmate zijn koninkrijk op aarde gesticht en uitgebreid wordt. En daarom wordt in Mk. 9 : 1 en Luk. 9 : 27 de uitdrukking alzoo verklaard, |477| dat velen den dood niet smaken zullen, totdat zij het koninkrijk Gods hebben gezien of hebben zien komen in kracht. Op dezelfde wijze is Mt. 10 : 23 te verklaren: de discipelen zouden hunne rondreis door de steden Israels niet volbracht hebben, totdat de Zoon des menschen komen zou; ofschoon het komen hierin het geheel niet nader verklaard wordt, kan toch onmogelijkde parousie bedoeld zijn, wijl Jezus dan met zichzelf in tegenspraak zou komen; in Mt. 24 laat Hij zijne parousie in elk geval volgen op de verwoesting van Jeruzalem. Hoe lang zij na deze ontzettende gebeurtenis plaats hebben zou, wordt door Jezus niet gezegd. Wel bindt Hij ze in zijne profetie onmiddelijk aan den val van Jeruzalem vast; de vertaling van eÇqewv in Mt. 24 : 29 door plotseling in plaats van door terstond, ook door van Leeuwen, De Parousie-verwachting in het N.T. Utrecht 1898 bl. 37 voorgestaan, brengt daarin geen verandering, want er staat duidelijk bij, dat de teekenen der parousie een aanvang zullen nemen eÇqewv na de verdrukking dier dagen, in die dagen, na die verdrukking, Mk. 13 : 24, cf. Luk. 21 : 25-27. Dit wordt bevestigd door Mt. 24 : 34 cf. Mk. 13 : 29, Luk. 21 : 32, waar Jezus zegt, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen geschied zijn. De woorden Ó genea aÃtj kunnen niet verstaan worden van het volk der Joden, maar slaan ongetwijfeld op het toen levend geslacht, cf. Cremer s. v. Daarentegen, is het duidelijk, dat de woorden panta tauta niet de parousie zelve insluiten, maar alleen doelen op de toekenen, die haar voorafgaan en aankondigen. Immers, nadat Jezus de verwoesting van Jeruzalem en de voorteekenen en zijne wederkomst en zelfs de bijeenvergadering zijner uitverkorenen door de engelen voorspeld en dus zijne eschatologische, rede eigenlijk geeindigd heeft, gaat Hij in vers 32 er toe over, om haar practisch toe te passen en zegt Hij, dat, evenals het uitspruiten der bladeren bij den vijgeboom den zomer aankondigt, zoo ook panta tauta voorteekenen daarvan zijn, dat het einde nabij is of dat de Messias nabij is voor de deur. Hier slaat panta tauta zonder eenigen twijfel op de voorteekenen der parousie, niet op deze zelve, want anders ware het ongerijmd om te zeggen, dat, wanneer panta tauta geschieden zullen, het einde eerst nabij is. In vers 34 hebben de woorden panta tauta denzelfden zin; en Jezus zegt dus niet, dat zijne parousie nog binnen den tijd van het thans levend |478| geslacht zal plaats hebben, maar dat hare voorteekenen en aankondigingen, gelijk die in de verwoesting van Jeruzalem en de daarbij plaats hebbende gebeurtenissen te zien zouden zijn, nog in den tijd van het thans levend geslacht een aanvang zouden nemen. En daarvan is Jezus zoo zeker, dat Hij zegt, dat hemel en aarde wel zullen voorbijgaan, maar dat zijne woorden geenszins zullen voorbijgaan. Doch overigens onthoudt Jezus zich van alle nadere tijdsbepaling. Het is Hem niet te doen, om zijne discipelen het juiste tijdstip van zijne parousie te doen weten, maar om hen tot waakzaarnheid aan te sporen. En daarom zegt Hij niet, wanneer Hij komen zal, maar wat de teekenen der tijden zijn, die zijne komst aankondigen. Het letten op de teekenen der tijden is voor Jezus’ discipelen plicht; het berekenen van den juisten tijd zijner komst is hun verboden en ook onmogelijk. Het eerste eischt, dat Jezus zijn licht late vallen op de gebeurtenissen, die plaats zullen hebben; en zoo doet Hij dan ook, evenals vóór Hem al de profeten en na Hem al zijne apostelen gedaan hebben. Daaromzegt Hij ook niet, dat er tusschen de verwoesting van Jeruzalem en zijne parousie nog vele eeuwen verloopen zouden; dat zou de vermaning tot waakzaamheid terstond weder krachteloos hebben gemaakt. Evenals de profetie ten allen tijde doet, kondigt Jezus in de gebeurtenissen van zijn tijd de nadering van het einde aan. En de apostelen volgen zijn voorbeeld en teekenen ons in de ketterij en leugen, in de oordeelen en gerichten, in Jeruzalems val en Rome’s imperium de voorboden van Christus’ wederkomst en de aanvankelijke vervulling zijner profetie. Want alle geloovigen behooren ten allen tijde zoo te leven, alsof de komst van Christus aanstaande ware. Die Nähe der Parusie ist gewissermaassen nur ein anderer Ausdruck für die absolute Gewissheit derselben, Baldensperger bij Holtzmann, Neut. Theol. I 312. Maar daarom is ook het tweede, dat is, het berekenen van het juiste tijdstip der parousie, den Christenen niet betamend. Immers heeft Jezus dit met opzet gansch onbeslist gelaten. Zijn komst zal plotseling, onverwacht, verrassend wezen evenals die van een dief in den nacht, Mt. 24 : 43, Luk. 12 : 39, cf. als een valstrik, Luk. 21 : 35. Er moeten vele dingen geschieden, eer het einde daar is, Mt. 24 : 6. Het evangelie moet in de geheele wereld gepredikt zijn, Mt. 24 : 14. De bruidegom vertoeft en de heer der dienstknechten vertrok buitenslands voor een langen tijd, Mt. 25 : 5, 13, 19. |479| Onkruid en tarwe moeten samen opgroeien tot den dag des oogstes, Mt. 13 : 30. Het mostaardzaad moet tot een boom worden, en de zuurdeesem alles doorzuren, Mt. 13 : 32, 33. Ja, Jezus zegt uitdrukkelijk, bij gelegenheid dat Hij over zijne parousie handelt, dat de dag en de ure van zijne komst aan niemand, aan engelen noch menschen, ja zelfs niet aan den Zoon bekend is, Mk. 13 : 32, en getuigt nog na zijne opstanding, dat de Vader de tijden en gelegenheden voor de oprichting van zijn koninkrijk in zijne macht heeft gesteld, Hd. 1 : 7. En desgelijks spreken al de apostelen; Christus komt als een dief in den nacht, 1 Thess. 5 : 1, 2, 2 Petr. 3 : 10, Op. 3 : 3, 16 : 15; Hij verschijnt niet, dan nadat eerst de antichrist gekomen zij, 2 Thess. 2 : 2v.; de opstanding heeft plaats in eene vaste orde, eerst van Christus, daarna die van de geloovigen in zijne toekomst, 1 Cor. 15 : 23; en die toekomst toeft, wijl de Heere een anderen maatstaf voor den tijd heeft dan wij en in zijne lankmoedigheid wil, dat allen tot bekeering komen, 2 Petr. 3 : 8, 9.

Even sober als over den tijd spreekt de H. Schrift over de wijze van Jezus’ wederkomst. De tweede komst van Christus wordt in het N.T. dikwerf aangeduid met den naam van parousia, hetzij absoluut, Mt. 24 : 3, hetzij nader omschreven als parousia tou u³ou tou ‡nqrwpou of parousia tou kuriou Ómwn HIjsou Cristou, Mt. 24 : 27, 37, 39, 1 Thess. 3 : 13, 4 : 15, 5 : 23 enz., of parousia tjv tou qeou Ómerav, 2 Petr. 3 : 12. Het woord sluit eigenlijk niet het begrip van wederkomst in, maar duidt aan, dat Jezus, na een tijd lang afwezig en verborgen te zijn geweest, Hd. 3 : 21, Col. 3 : 3, 4, en daarna op nieuw gekomen te zijn, Mt. 16 : 27, 24 : 30 enz., cf. Luk: 19 : 12, 15, weder aanwezig en tegenwoordig zal zijn en dan aanwezig zal blijven. Daarom wisselt het ook af met pifaneia, Mt. 24 : 30, 1 Tim. 6 : 14. Tit. 2 : 13, ‡pokaluyiv, Luk. 17 : 30, 1 Cor. 1 : 7, 2 Thess. 1 : 7, 1 Petr. 1 : 7, 13, fanerwsiv, Col. 3 : 4, 1 Petr. 5 : 4, 1 Joh. 2 : 28; in 2 Thess. 2 : 8 wordt zelfs gesproken van Ó pifaneia tjv parousiav aÇtou. Deze parousie is een werk Gods, in zoover deze zijnen Christus zenden zal en daarvoor de tijden en gelegenheden bepaalt, Hd. 1 : 7, 3 : 20, 1 Tim. 6 : 14-16, maar zij is ook eene daad van Christus zelven, als Zoon des menschen, wien door den Vader het oordeel gegeven is en die als koning heerschen moet, totdat alle vijanden onder zijne voeten |480| gelegd zijn, Joh. 5 : 27, 1 Cor. 15 : 25. Wijl Hij bij zijn heengaan van de aarde opgenomen is in den hemel, komt Hij bij zijne parousie van den hemel weer, Phil. 3 : 20, 1 Thess. 1 : 10, 2 Thess. 1 : 7, Op. 19 : 11; en gelijk eene wolk Hem bij zijne hemelvaart opnam en verbergde voor het oog zijner discipelen, Hd. 1 : 9, zoo wordt Hij in Oudtestamentische taal ook beschreven als wederkeerende op wolken des hemels, die als een zegewagen Hem heendragen naar deze aarde, Mt. 24 : 30, 26 : 64, Mk. 13 : 26, 14 : 62, Luk. 21 : 27, Op. 1 : 7, 14 : 14. Immers keert Hij niet weer in dienstknechtsgestalte, maar met groote kracht en met zijne en zijns Vaders heerlijkheid, Mt. 16 : 27, 24 : 30, Mk. 8 : 38, 13 : 26, Luk. 22 : 27, Col. 3 : 3, 4, 2 Thess. 1 : 9, 10, Tit. 2 : 13, als een Koning der koningen en Heer der heeren, Op. 17 : 14, 19 : 11-16, omgeven door zijne engelen, Mt. 16 : 27, 25 : 31, Mk. 8 : 38, Luk. 9 : 26, 2 Thess. 1 : 7, Op. 19 : 14, door zijne heiligen, onder wie misschien ook de reeds gezaligden begrepen zijn, 1 Thess. 3 : 13, 2 Thess. 1 : 10, Jud. 14. Ofschoon zijne parousie vanwege het onverwachte met het inbreken van een dief in den nacht overeenkomt, zal zij toch voor alle menschen over de gansche aarde zichtbaar zijn, aan een bliksem gelijk wezen, die van de eene zijde des hemels licht tot de andere, Mt. 24 : 27, Luk. 17 : 24, Op. 1 : 7, en aangekondigd worden door de stem van een archangel en de bazuin der engelen, Mt. 24 : 31, 1 Cor. 15 : 52, 1 Thess. 4 : 16. In verband met hunne leer van de hemelvaart, deel III 414, zeiden de Lutherschen, dat de wederkomst van Christus aan geen successie van oogenblikken was onderworpen maar in niets anders bestond dan in de plotselinge zichtbaarwording van het eenmaal bij de verhooging onzichtbaar en alomtegenwoordig geworden lichaam van Christus. Hoewel men over het algemeen erkende, dat de wederkomst van Christus visibilis en localis was, verstond men daaronder toch alleen, dat de menschelijke natuur van Christus door eene singularis Dei dispositio voor het speciale doel des gerichts een tijd lang op eene bepaalde plaats zichtbaar werd, zonder dat zij daarmede hare tegenwoordigheid op andere plaatsen varen liet, Gerhard, Loc. XXVII de extr. jud. n. 35. Quenstedt, Theol. IV 614. Hollaz, Ex. 1249. Maar de Gereformeerden schreven aan de wederkomst van Christus een lichamelijk, plaatselijk, tijdelijk karakter toe; zij erkenden zelfs, dat die wederkomst, ook al zou |481| zij zeer plotseling zijn, toch successiva was, aan eene successie van oogenblikken onderworpen; ook op den hoogsten trap van hare verhooging, bij de wederkomst ten oordeele, bleef Christus zijne waarachtig menschelijke natuur behouden, cf. M. Vitringa IV 160. Cf. over de wederkomst van Christus in het algemeen, behalve de reeds boven aangehaalde werken, ook nog: Thomas, S. Theol. III qu. 59 art. 2 Suppl. qu. 90 art. 1. 2. Oswald, Eschat. 234 f. Jansen, Prael. III 1038. Atzberger, Die christl. Eschat. 300 f. Simar, Dogm. § 166. Gerhard, Loc. XXVIII de extr. jud. c. 3. Quenstedt, Theol. 649. Hollaz, Ex. 1249. Polanus, Synt. VI c. 65. Voetius, Disp. II 51 sq. Marck, Exspect. Jesu Chr. I c. 1-24. M. Vitringa IV 160. Kliefoth, Eschat. 228 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 607 f.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004