5. Reeds in het Oude Test. zijn er vele aanwijzingen voor eene andere en betere verklaring, dan het Chiliasme van de profetische verwachtingen biedt. Zelfs de moderne geschiedbeschouwing van Israel erkent, dat het Jahvisme der profeten door zijn zedelijk karakter zich onderscheidt van de natuurgodsdiensten en allengs aan de godsdienstige wetten en gebruiken onder Israel een geestelijke beteekenis heeft geschonken. De ware besnijdenis is die des harten, Deut. 10 : 16, 30 : 6, Jer. 4 : 4; de offeranden, die Gode aangenaam zijn, zijn een gebroken hart en een verslagen geest, 1 Sam. 15 : 22, Ps. 40 : 7, 50 : 8v., 51 : 19, Hos. 6 : 6, Am. 5 : 21v., Mich. 6 : 6v., Jes. 1 : 11v., Jer. 6 : 20, 7 : 21v. enz.; het ware vasten is het losmaken van de strikken der goddeloosheid, Jes. 58 : 3v., Jer. 14 : 12; voor een groot deel is de strijd der profeten tegen den uitwendigen, eigengerechtigen cultus van het volk gericht. Het wezen van de bedeeling der toekomst bestaat dan ook daarin, dat de Heere een nieuw verbond met zijn volk zal oprichten, dat Hij hun een nieuw hart zal schenken en daarin zijne wet zal schrijven en dat Hij op allen zijnen Geest zal uitstorten, zoodat zij Hem liefhebben met hun gansche hart en in zijne wegen wandelen, Deut. 30 : 6, Jer. 31 : 32, 32 : 38v., Ezech. 11 : 19, 36 : 26, Joel 2 : 28, Zach. 12 : 10. En wel wordt nu die toekomst geschilderd in beelden, aan de historische omstandigheden ontleend, zoodat Zion en Jeruzalem, tempel en altaar, offerande en priesterschap daarin eene groote plaats blijven innemen. Maar 1º bedenke men, dat ook wij hetzelfde doen en van God en Goddelijke zaken, van geestelijke en hemelsche dingen niet anders kunnen spreken dan in aardsche, zinnelijke vormen. De Oudtest. eeredienst is door God ook daartoe ingesteld, opdat wij niet in eigengemaakte maar in door Hemzelf ons gegeven, juiste beelden van de hemelsche dingen naar waarheid zouden kunnen spreken. Het Nieuwe Test. neemt daarom ook dit spraakgebruik over en gewaagt in het toekomstige Godsrijk van Zion en Jeruzalem, van tempel en altaar, van profeten en priesters; het aardsche is een beeld van het hemelsche, Alles Vergängliche ist nur ein Gleichniss. Men vergete 2º niet, dat alle profetie poezie is, die naar haar eigen natuur verklaard moet worden. De fout |442| van de vroeger heerschende exegese bestond niet in hare vergeestelijking zonder meer, maar wel daarin, dat zij alle tot illustratie dienende détails in een geestelijken zin wilde omzetten en daarbij, evenals bij de gelijkenissen van Jezus, de hoofdgedachte dikwerf uit het oog verloor. Als er bijv. gezegd wordt, dat de Heere een rijsje verwekken zal uit den afgehouwen tronk van Isaï, dat Hij den berg Zions verheffen zal op den top der bergen, dat Hij van de verbannenen één uit eene stad en twee uit een geslacht zal wederbrengen, dat Hij rein water op allen sprengen en hen van hunne zonden reinigen zal, dat Hij de bergen van zoeten wijn zal doen druipen en de heuvelen zal doen vlieten van melkenz., dan gevoelt elk, dat hij hierin met eene poetische beschrijving te doen heeft, die niet letterlijk kan of mag worden opgevat. De realistische verklaring komt hier met zichzelve in strijd en miskent het karakter der profetie. Ook is het 3º onjuist, dat de profeten zelf het onderscheid van zaak en beeld zich volstrekt niet bewust zouden geweest zijn. Niet alleen zijn de bovengenoemde poëtische omschrijvingen zonder twijfel door de profeten als beeld opgevat, maar met de namen van Sodom, Gomorra, Edom, Moab, Philistea, Egypte, Assur, Babel duiden zij meermalen de macht der Heidenwereld aan, die eens aan Israel onderworpen zal worden en in zijne zegeningen zal deelen, Ob. 16, 17, Jes. 34 : 5, Ezech, 16 : 46v., Dan. 2, 7v., Zach. 14 : 21. Zion is dikwerf de naam voor het volk, voor de gemeente Gods, Jes. 49 : 14, 50 : 1, 51 : 3, 52 : 1, 54 : 1. En al kan de Oudtest. profetie zich het toekomstige Godsrijk niet voorstellen zonder tempel en offerande, toch gaat zij telkens boven alle nationale en aardsche verhoudingen uit en verkondigt zij, dat er geen ark des verbonds meer wezen zal, wijl heel Jeruzalem Gods troon is, Jer. 3 : 16, 17, dat het rijk van den Messias eeuwig zal zijn en de gansche wereld omvatten, Ps. 2 : 8, 72 : 8, 17, Dan. 2 : 44, dat alle inwoners profeten en priesters zullen zijn, Jes. 54 : 13, 61 : 6, Jer. 31 : 31, dat alle onreinheid en zonde, alle krankheid en dood er gebannen zal zijn, 25 : 8, 33 : 24, 52 : 1, 11, Zach. 14 : 20, 21, Ps. 104 : 35, dat het gesticht zal worden in een nieuwen hemel en op eene nieuwe aarde, en geen zon of maan meer noodig zal hebben, Jes. 60 : 19, 20, 65 : 17, 66 : 22. Zelfs het realistische toekomstbeeld van Ezechiel bevat elementen, die eene symbolische verklaring noodzakelijk maken; de gelijke deelen, die aan alle |443| stammen, schoon zeer onderscheiden in getalsterkte, worden toegewezen; de afgepaste strooken, die voor priesters, levieten en vorst bestemd zijn; de scheiding van tempel en stad, de hooge ligging van den tempel op een berg en de bepk, die van onder den dorpel van de oostelijke tempeldeur naar de doode zee stroomt; en ten slotte de kunstmatige ineenzetting en de practische onuitvoerbaarheid, zij verzetten zich tegen eene zoogenaamd realistische uitlegging. Eindelijk 4º is het bij de exegese des Ouden Testaments de vraag niet, of de profeten zich geheel of ten deele bewust waren van het symbolisch karakter hunner voorspellingen, want zelfs in het woord van klassieke schrijvers ligt meer, dan zijzelven erbij gedacht of ermede bedoeld hebben. Maar wel is het de vraag, wat de Geest van Christus, die in hen was, ermede betuigden en openbaren wilde. Dat nu wordt uitgemaakt door het Nieuwe Testament, dat de voltooiing, de vervulling en daarom de verklaring van het Oude is, want in de vrucht wordt de natuur van den boom openbaar. Zelfs de moderne kritiek erkent, dat niet het Jodendom maar dat het Christendom de volle verwezenlijking is van de religie der profeten.

Hierover kan toch geen twijfel bestaan, dat het N. Testament zichzelf beschouwt als de geestelijke en dus als de volkomene en waarachtige vervulling van het Oude Testament. Het vergeestelijken van het O.T., mits in goeden zin verstaan, is niet een uitvindsel van de christelijke theologie, maar heeft in het N.T. zelf een aanvang genomen. Het vergeestelijkte Oude Testament, dat is, het Oude Testament van zijn tijdelijken, zinnelijken vorm ontdaan, is het Nieuwe Testament. De eigenaardigheid van de oude bedeeling was juist, dat bet verbond der genade onder aanschouwelijke beelden voorgesteld en in nationale, zinnelijke vormen ingekleed werd. Zonde werd gesymboliseerd in de levietische onreinheid. Verzoening kwam tot stand door de offerande van een geslacht dier. Reiniging werd afgeschaduwd in lichamelijke wasschingen. Gemeenschap met God was gebonden aan het opgaan naar Jeruzalem. Behoefte aan Gods gunst en nabijheid uitte zich in een verlangen naar zijne voorhoven. Het eeuwige leven werd gedacht als een lang leven op aarde enz. Al het geestelijke, hemelsche en eeuwige werd overeenkomstig de vatbaarheid van Israel, dat als een kind onder de tucht der wet was gesteld, in aardsche schaduwen gehuld. Ofschoon de groote massa des volks |444| dikwerf bij die uitwendige vormen staan bleef, evenals vele Christenen in het sacrament aan het teeken blijven hangen, drongen de vrome Israelieten met hunne harten wel tot de geestelijke kern door, die in de schaal verborgen was, maar toch zagen ook zij dat geestelijke niet andersdaninschaduwenbeeld. Daarom zegt het Nieuwe Testament, dat het Oude was skia twn mellontwn, to de swma Cristou, Col. 2 : 17, Ãpodeigma kai skia twn pouraniwn, Hebr. 8 : 5. De schaduw is het lichaam niet, maar wijst toch heen naar het lichaam, en valt weg, als dit zelf gekomen is. Het Nieuwe Testament is de waarheid, het wezen, de kern, de eigenlijke inhoud van het Oude Testament; Vetus Test. in Novo patet, Novum Test. in Vetere latet. Daarom is er in het N. Test. zoo telkens van de waarheid sprake. Tegenover de wet, die door Mozes is gegeven, staat de waarheid, die in Jezus Christus geworden is, Joh. 1 : 14, 17. Hij is de waarheid, Joh. 14 : 6; de Geest, dien Hij uitzond, is de Geest der waarheid, Joh. 16 : 13, 1 Joh. 5 : 6; het woord Gods, dat Hij predikte, is het woord der waarheid, Joh. 17 : 17; het onder het O. Test. beloofde en afgeschaduwde heilsgoed is in Christus als eeuwige, waarachtige realiteit voor allen openbaar geworden; alle beloften Gods zijn in Hem ja en amen, 2 Cor. 1 : 20; het Oude Testament is niet afgeschaft maar is in de nieuwe bedeeling tot zijne vervulling gekomen en komt daarin nog altijd door tot vervulling tot op de parousie van Christus toe. Christus is daarom de ware profeet, priester en koning; de echte knecht des Heeren, het ware zoenoffer, Rom. 3 : 25, de ware besnijdenis, Col. 2 : 11, het ware pascha, 1 Cor. 5 : 7, de waarachtige offerande, Ef. 5 : 2, en zijne gemeente is het ware zaad Abrahams, het ware Israel, het ware volk Gods, Mt. 1 : 21, Luk. 1 : 17, Rom. 9 : 25, 26, 2 Cor. 6 : 16-18, Gal. 3 : 29, Tit. 2 : 14, Hebr. 8 : 8-10, Jak. 1 : 1, 18, 1 Petr. 2 : 9, Op. 21 : 3, 12, de ware tempel Gods, 1 Cor. 3: 16, 2 Cor. 6 : 16, Ef. 2 : 22, 2 Thess. 2 : 4, Hebr. 8 : 2, het ware Zion en Jeruzalem, Gal. 4 : 26, Hebr. 12 : 22, Op. 3 : 12, 21 : 2, 10; haar geestelijke offerande is de ware godsdienst, Joh. 4 : 24, Rom. 12 : 1, Phil. 3 : 3, 4 : 18, cf. deel III 217. Alle begrippen des Ouden Testaments leggen hun uitwendige, nationaal-israelietische beteekenis af en worden in hun geestelijken, eeuwigen zin openbaar; het semietisebe behoeft niet meer door ons, gelijk Bunsen wilde, in het japhetische te worden |445| overgezet; het N. Test. zelf heeft aan de particularistische ideeën des O. Test. eene universalistische, kosmische beteekenis gegeven. Geheel verkeerd is dus de beschouwing van het Chiliasme, volgens welke het N. Test. met de gemeente uit de Heidenen een intermezzo is, een zijweg, die door God is ingeslagen, omdat Israel zijn Messias verwierp, zoodat de eigenlijke voortzetting en vervulling des Ouden Testaments eerst bij de tweede komst van Christus een aanvang zou nemen. Veeleer is het omgekeerde waar. Niet het Nieuwe, maar het Oude Testament is een tusschenbedrijf. Het verbond met Israel is tijdelijk, de wet is tusschen de belofte aan Abraham en hare vervulling in Christus ingeschoven, opdat zij de misdaad vermeerderen en als een tuchtmeester tot Christus opleiden zou, Rom. 5 : 20, Gal. 3 : 19. Daarom gaat Paulus altijd tot Abraham terug, Rom. 4 : 11v., Gal. 3 : 6v., en knoopt aan de belofte, die tot hem is geschied, zijn evangelie vast. Abraham is de vader van de geloovigen, van alle geloovigen, niet alleen uit de Joden maar ook uit de Heidenen, Rom. 4 : 11; de kinderen der belofte zijn zijn zaad; Rom. 9 : 6-8; de zegening van Abraham komt in Christus tot de Heidenen, Gal. 3 : 14; wie van Christus zijn, zijn Abrahams zaad en naar de beloftenis erfgenamen, Gal. 3 : 29. Het volk van Israel is in de dagen des O. Test. tijdelijk verkoren, opdat het heil straks in de volheid des tijds aan heel de wereld ten goede zou komen. Israel is niet verkoren tot schade maar ten bate der volken. De belofte aan Adam en Noach had van haar eerste begin af eene universalistische strekking en heeft deze, na haar tijdelijke, wettische gedaante onder Israel te hebben afgelegd, in Christus ten volle voor alle natiën geopenbaard. Het voorhangsel is gescheurd, de scheidsmuur is gevallen, het handschrift der wet is aan het kruis genageld; en nu zijn de geloovigen uit de Heidenen met die uit de Joden medeërfgenamen, medeburgers der heiligen, huisgenooten Gods, nabij geworden in Christus, en op hetzelfde fundament van apostelen en profeten gebouwd, Ef. 1 : 9-11, 2 : 11-22. Het Nieuwe Testament is daarom geen intermezzo, geen tusschenbedrijf, geen zijweg, geen afbuiging van de lijn des O. Verbonds, maar het lang te voren beoogde doel, de directe voortzetting, de waarachtige vervulling van het Oude Testament. Het Chiliasme, anders oordeelende, komt met het Christendom zelf in conflict. Principieel beschouwd, |446| is het met het Judaisme één en moet er toe komen, om aan het Christendom, aan den historischen persoon van Christus, aan zijn lijden en sterven, eene tijdelijke, voorbijgaande waarde toe te kennen en de eigenlijke zaligheid eerst te verwachten van Christus’ tweede komst, van zijne verschijning in heerlijkheid. Evenals het Judaisme, maakt het het geestelijke aan het stoffelijke, het ethische aan het physische ondergeschikt, stijft de Joden in hun vleeschelijke gezindheid, verontschuldigt hunne verwerping van den Messias, verzwaart het deksel, dat op hun aangezicht ligt bij het lezen des Ouden Testaments, en bevordert de inbeelding, dat de vleeschelijke afstammeling van Abraham nog als zoodanig een prerogatief zal hebben in het koninkrijk der hemelen. De Schrift echter zegt, dat de ware lezing en verklaring van het O. Test. te vinden is bij hem, die tot den Heere Christus is bekeerd, 2 Cor. 3 : 14-16, dat die een Jood is, die het in het verborgene is en de besnijdenis des harten deelachtig, Rom. 2 : 29, dat er in Christus geen man of vrouw, geen Jood of Griek is, maar dat zij allen één zijn in Christus Jezus, 1 Cor. 12 : 13, Gal. 3 : 28, Col. 3 : 11. De Jood, die Christen wordt, was niet maar werd door zijn geloof een kind van Abraham, Gal. 3 : 29. Cf. tegen het Chiliasme: Augustinus, de civ. XX c. 6-9. Luther bij Köstlin Il 564 f. Gerhard, Loc. XXIX c. 7. Quenstedt, Theol. IV 649. Calvijn, Inst. III 25, 5. Walaeus, Op. I 537-554. Voetius, Disp. II 1248-1272. Turretinus, Theol. El. XX qu 3. Moor VI 149-162. Hengstenberg in zijn comm. op de Openb. van Johannes. Keil op Ezechiel 1868 S. 495 f. Kliefoth, Eschatologie 1886 S. 147 f. Philippi, Kirchl. Gl. VI 214 f. Hodge, Syst. Theol. III 805-812. 861-866. Kuyper, Heraut 981-1003 enz.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004