2. De religie heeft zich nooit met deze idee van eene eindelooze ontwikkeling of van een algeheelen ondergang der wereld verzoend. Verschillende redenen hielden haar van het overnemen dezer wijsgeerige theorieën terug. Immers is het voor geen tegenspraak vatbaar, dat al dergelijke voorstellingen aan de waarde der persoonlijkheid tekort doen en deze opofferen aan het geheel. Voorts miskennen zij de beteekenis van het godsdienstig-zedelijk leven en stellen dit verre beneden de cultuur. En eindelijk bouwen zij voor het heden en voor de toekomst alleen op de krachten, die in den kosmos immanent zijn en rekenen hoegenaamd niet met eene Goddelijke macht, die de wereld bestuurt en haar ten |426| slotte door rechtstreeksche ingrijping beantwoorden doet aan het door haar gestelde doel. Alle godsdiensten hebben daarom eene andere verwachting voor de toekomst. Zij kennen alle in meer of minder duidelijke mate een strijd van het goede en kwade; alle koesteren zij de hope van de zegepraal van het goede, waarbij de deugdzamen beloond en de koddeloozen gestraft worden; en meestal achten zij die toekomst ook niet anders bereikbaar dan door eene openbaring van bovennatuurlijke krachten, cf. deel III 229. In de perzische religie werd zelfs aan het einde der derde wereldperiode de verschijning van den derden zoon van Zarathustra, Sosiosh, verwacht, die een duizendjarig vrederijk inleiden en het verlossingswerk van zijn vader voltooien zou, Saussaye, Religionsgesch. II 51. Hartmann, Rel. I 239. Herzog2 11, 239. En onder de Mohammedanen kwam naast het geloof aan de wederkomst van Jezus ook langzamerhand de verwachting van een Mahdi op, die de geloovigen weder in den gouden tijd van de „vier rechtvaardige Khalifs” terugvoeren zou, Dr. C. Snouck Hurgronje, Der Mahdi, Separatabdruck von der „Revue Coloniale Internationale” 1885. Bij Israel werd de verwachting aangaande de toekomst gebouwd op den grondslag van het verbond, dat God met Abraham en zijn zaad had opgericht. Dit verbond toch draagt een eeuwig karakter en wordt door ’s menschen ontrouw niet te niet gedaan, deel III 195. Reeds in de wet betuigt God herhaaldelijk aan het volk van Israel, dat Hij, wanneer het zijn verbond overtreedt, het met de zwaarste straffen bezoeken maar zich daarna toch weer zijner ontfermen zal. Als Israel om zijne zonden onder de volken verstrooid en zijn land verwoest zal zijn, dan zal de Heere in dien tijd door het aannemen van andere volken Israel tot jaloerschheid verwekken en daarna het bekeeren en terugvoeren in zijn land, het zegenen met allerlei geestelijke en stoffelijke zegeningen en wrake doen over al zijne vijanden, Lev. 26, Deut. 4 : 23-31, 30 : 1-10, 32 : 15-43. Na de belofte aan Davids huis, dat het bestendig en zijn stoel vast zou zijn tot in eeuwigheid, 2 Sam. 7 : 16, 23 : 5, 1 Chr. 17 : 14, krijgt in de verwachting aangaande Israels toekomst dit element hoe langer hoe meer beteekenis, dat de bekeering en het herstel van Israel niet anders zal tot stand komen dan door den gezalfden koning uit Davids geslacht. In de profetie worden deze gedachten breeder ontwikkeld en nemen zij, ondanks de eigenaardigheid, |427| die zij bij elk der profeten dragen, steeds vaster vormen aan.

In de verwachting, welke het Oude Test. koestert aangaande de toekomst van het volk Gods, zijn de volgende momenten duidelijk te onderscheiden. Alle profeten verkondigen 1º aan Israel en Juda een dag des gerichts en der straf. De hwhy £wy, dat is, de tijd, waarin de Heere zich over zijn volk ontfermen en zich aan zijne vijanden wreken zal, werd door de profeten gansch anders dan door het volk, opgevat. Het volk misbruikte deze verwachting en dacht, dat Ihvh het, afgedacht van zijn geestelijken toestand, tegen alle gevaar beschermen zou, Am. 5 : 18, 6 : 13, Jer. 29, Ezech. 33 : 23v. Maar de profeten zeiden, dat de dag des Heeren ook voor Israel een dag des gerichts zou zijn; het volk zou in ballingschap gaan en zijn land aan de verwoesting worden prijs gegeven, Am. 2 : 4v., 5 : 16, 18, 27, 6 : 14 enz., Hos. 1 : 6, 2 : 11, 3 : 4, 8 : 13, 9 : 3, 6, 10 : 6, 11 : 5, 13 : 12, 14 : 1, Joël 2 : 1v., Mich. 3 : 12, 4 : 10, 7 : 13, Zef. 1 : 1-18, Hab. 1 : 5-11, Jes. 2 : 11v., 5 : 5v., 7 : 18v., Jer. 1 : 11-16 enz. Maar toch, die straf is 2º tijdelijk. Er komt een einde aan na vele dagen, Hos. 3 : 3, na enkele dagen, dat is na een korten tijd, 6 : 2, na zeventig jaren, Jer. 25 : 12, 29 : 10, na driehonderd en negentig jaren voor Israel en veertig jaren voor Juda, Ezech. 4 : 4v. God kastijdt zijn volk met mate, Jes. 27 : 7v., Jer. 30 : 11, Hij verlaat het slechts voor een kleinen tijd; zijn toorn is klein, maar zijne goedertierenheid is eeuwig, Jes. 54 : 7, 8. Hij heeft zijn volk lief met eene eeuwige liefde, en zal zich daarom weder ontfermen, Mich. 7 : 19, Jer. 31 : 3, 20. Hij kan zijn volk niet verderven, al schudt Hij het ook als in eene zeef, Am. 9 : 8, 9. Zijn berouw is in Hem ontstoken, Hos. 11 : 18. Hij gedenkt zijn verbond, Ezech. 16 : 60. Hij zal zijn volk verlossen, niet om Israels wil, maar om zijns naams wil, om zijn roem onder de Heidenen, Deut. 32 : 27, Jes. 43 : 25, 48 : 9, Ezech. 36 : 22. Aan het einde van den straftijd zendt God 3º den Messias uit Davids huis. Obadja spreekt nog in het algemeen van heilanden, die de op Zion ontkomene gemeente beschermen, vs. 17, 21, cf. Jer. 23 : 4, 33 : 17, 20, 21, 22, 26. Amos zegt, dat God na het gericht over Israel de vervallen hut van David weer oprichten zal, 9 : 11. Hosea ver wacht, dat de kinderen Israels zich bekeeren zullen en den Heer zoeken en ook David hunnen koning, 1 : 11, 3 : 5, cf. Jer. 30 : 9 Ezech. 34 : 23, 24, 37 : 22-24. Micha profeteert, dat Israel niet |428| eerder uit de macht der vijanden verlost zal worden, voordat uit het Davidisch koningshuis te Bethlehem de Heerscher geboren zal zijn, 5 : 1, 2. Dat Hij niet uit Jeruzalem maar, evenals David zelf, uit Bethlehem zal voortkomen, bewijst, dat het Davidisch koningshuis den troon verloren heeft en tot een staat van nederheid vervallen is. Jesaja zegt dan ook, dat er een rijsje zal voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, 11 : 1, 2, en Ezechiël drukt dezelfde gedachte aldus uit, dat de Heere van den oppersten tak des hoogen ceders een klein, teeder takje nemen zal, 17 : 22. God zal hem als eene spruite aan Davids huis doen uitspruiten, Jes. 4 : 2, Jer. 23 : 5, 6, 33 : 14-17, zoodat hij daarnaar ook den naam van Spruite draagt, Zach. 3 : 8, 6 : 12. In Israels lijdenstijd geboren, zal deze Davidide opgroeien in armoedige omstandigheden, Jes. 7 : 14-17; Hij is een koning, maar rechtvaardig, zachtmoedig, nederig en daarom rijdende op het veulen eener ezelin, Zach. 9 : 9; met de koninklijke verbindt hij de profetische, Deut. 18 : 15, Jes. 11 : 2, 40-66, Mal. 4 : 5 en de priesterlijke waardigheid, Jes. 53, Jer. 30 : 21, Zach. 3, 6 : 13, Ps. 110; het rijk, dat Hij komt stichten, is een rijk van gerechtigheid en vrede, Jes. 11, 40-66, Mich. 5 : 9, Ps. 72, 110; Hij is en verwerft zelf de gerechtigheid en het heil voor zijn volk, Jes. 11, 42, 53, Jer. 23 : 5, 6, Ps. 72 enz. Zijne ver schijning heeft daarom niet eerst plaats na den dag des gerichts, maar gaat daaraan vooraf; Juda wordt eerst verlost, als God aan David eene spruite schenken zal, Jes. 9 : 1-16, 11 : 1v., Jer. 23 : 5, 6, 33 : 14-17. Tot de weldaden 4º, die door dezen Gezalfde aan zijn volk geschonken zullen worden, behoort allereerst de terugkeer uit het land der ballingschap. Land, volk, koning en God behooren bijeen; het herstel van Israel begint daarom met terugkeer uit de ballingschap, Am. 9 : 14, Hos. 11 : 11, Mich. 4 : 6, Joel 3 : 1, Jes. 11 : 11, Jer. 3 : 18, Ezech.11 : 17 enz. Die terugkeer zal volgens de schildering van Jesaja buitengewoon heerlijk zijn; de wildernis zal bloeien als eene roos, bergen zullen geslecht en dalen gevuld worden; er zal een gebaande weg zijn, waarop ook de blinde niet dwalen kan, 35 : 1-9, 41 : 17-20, 42 : 15, 16, 43 : 19, 20 enz. In dien terugkeer zal zoowel. Israel als Juda deelen, Am. 9 : 9-15, Hos. 1 : 11, 14 : 2-9, Jes. 11 : 13, Jer. 3 : 6, 18, 31 : 27, 32 : 37-40, Ezech. 37 : 17, 47 : 13, 21, 48 : 1-7, 23-29. Maar aan deze |429| verwachting beantwoordde de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap slechts zeer ten deele. De na-exilische profeten zien daarom in dien terugkeer slechts een begin van de vervulling der beloften, maken hunne verwachting los van een terugkeer uit de ballingschap, en spreken, behalve Zach. 8 : 13, niet meer van de tien stammen; de teruggekeerden beschouwden zich als de vertegenwoordiging van het gansche Israel, Ezr. 6 : 17. Trouwens vatten al de profeten 5º den terugkeer uit de ballingschap tevens in ethischen zin, als eene bekeering van Israel, op. Vergadering uit de volken en besnijdenis des harten gaan saam, Deut. 30 : 3-6. Lang niet allen zullen terugkeeren en zich bekeeren tot den Heere; velen, de meesten zullen in het gericht, dat de dag van Ihvh ook over Israel brengen zal, omkomen. De Heere zal het huis Jakobs wel niet ganschelijk verderven, maar Hij zal het toch schudden als in een zeef en de zondaars doen sterven door het zwaard, Am. 9 : 8-10. Als de Heere Israel en Juda wederbrengt, zal Hij hen eerst in de woestijn leiden en daar met hen richten en de goddeloozen uitzuiveren, Hos. 2 : 13, Ezech. 20 : 34v.. Vele mannen zullen dan vallen, zoodat zeven vrouwen éénen man zullen aangrijpen, Jes. 3 : 25-4 : 1. De verdelging is vastelijk besloten, slechts een overblijfsel zal wederkeeren, Jes. 4 : 13, 6 : 13, 7 : 3, 10 : 21, 11 : 11. De Heere zal de kinderen Israels dorschen en dan één bij één oplezen, Jes. 27 : 12. Hij zal de hoogmoedigen verdoen, maar een arm en ellendig volk doen overblijven, Zeph. 3 : 21, en zijn werk in het leven behouden, Hab. 3 : 2. Eén uit eene stad en twee uit een geslacht zullen wedergebracht, Jer. 3 : 14, twee deelen zullen uitgeroeid maar het derde deel gelouterd worden, Zach. 13 : 8, 9 Maar deze overgeblevenen zullen dan den Heere tot een heilig volk zijn, dat Hij zich ondertrouwt in eeuwigheid, Hos. 1 : 10, 12, 2 : 15, 18, 22, Jes. 4 : 3, 4, 11 : 9. De Heere vergeeft hun alle ongerechtigheid, wascht hen van al hunne onreinheid, geeft hun een nieuw hart, stort zijnen Geest op allen uit, doet alle afgoderij en tooverij uit haar midden verdwijnen, en richt een nieuw verbond met hen op, Mich. 5 : 11-14, Joel 2 : 28, Jes. 44 : 21-23, 43 : 25, Jer. 31 : 31, Ezech. 11 : 19, 36 : 25-28, 37 : 14, Zach. 13 : 2 enz. Een onreine zal er onder hen niet meer zijn, Jes. 52 : 1, 11, 12; allen zijn zij rechtvaardigen, Jes. 60 : 21, die, door God geleerd, Hem kennen, op zijn naam vertrouwen |430| en geen onrecht doen of leugen spreken, Jes. 54 : 13, Jer. 31 : 31, Zeph. 3 : 12, 13. Alles zal er heilig zijn, tot zelfs de bellen der paarden toe, Zach. 14 : 20, 21. Want de heerlijkheid des Heeren is over hen opgegaan, Zach. 2 : 5, Jes. 60 : 1, en God zelf woont onder hen, Ob. 21, Joel 3 : 17, Hos. 2 : 22, Zach. 2 : 10, 8 : 8, enz. Deze geestelijke weldaden sluiten 6º voor de Oudtest. profetie de verwachting in van het herstel van tempel en eeredienst. Volgens Obadja zal er op Sion ontkoming zijn; daar wonen de heilanden, die Israel beschermen en zijne vijanden richten zullen, vs. 17, 21. Joel profeteert, dat de Heere wonen zal op Sion, zijnen heiligen berg en dat Jeruzalem eene heiligheid zal zijn, die niet meer voor vreemden toegankelijk en eeuwig van duur zal zijn, 3 : 17, 20. Amos verwacht, dat de steden van Palestina herbouwd en bewoond en Israel er nimmermeer uit verdreven zal worden, 9 : 14, 15. Micha verkondigt, dat, al zal Sion ook als een akker geploegd en Jeruzalem tot een steenhoop worden, 3 : 12, toch de berg van het huis des Heeren vastgesteld zal zijn op den top der bergen, dat uit Sion de wet zal uitgaan en des Heeren woord uit Jeruzalem, en dat de Heere op Sion wonen zal, 4 : 1, 2, 7, 7 : 11. Dezelfde gedachte wordt door Jesaja uitgesproken, 2 : 2, die er voorts nog aan toevoegt, dat Sion en Jeruzalem, koningschap en priesterschap, tempel en altaar, offeranden en feestdagen hersteld zullen worden, 28 : 16, 30 : 19, 33 : 5, 35 : 10, 52 : 1, 56 : 6, 7, 60 : 7, 61 : 6, 66 : 20-23. Evenzoo verwacht Jeremia, dat Jeruzalem herbouwd, des Heeren troon aldaar gevestigd, en de eeredienst in den tempel vernieuwd zal worden, 3 : 16, 17, 30 : 18, 31 : 38, 33 : 18, 21. Haggaï voorspelt, dat de heerlijkheid van den tweeden tempel grooter zal zijn dan die van den eersten, 2 : 6-10, en Zacharia verkondigt, dat Jeruzalem herbouwd en uitgebreid, dat priesterschap en tempel vernieuwd zal worden en dat God in Jeruzalem te midden van zijn volk wonen zal, 1 : 17, 2 : 1-5, 3 : 1-8. 6 : 9-15, 8 : 3v. Maar door geen der profeten wordt dit beeld der toekomst zoo minutieus uitgewerkt als door Ezechiël. Nadat hij in hoofdst. 34-37 gezegd heeft, dat Israel en Juda weder door den Heere vergaderd, als één volk onder den eenigen herder uit Davids huis Hem ten eigendom aangenomen en met een nieuw hart en een nieuwen geest begiftigd zal worden, en dan in hoofdst. 38 en 39 voorspeld heeft, dat Israel, in zijn land teruggekeerd, |431| nog één laatsten aanval van Gog uit Magog heeft te doorstaan, geeft hij in hoofdst. 40-48 eene uitgewerkte teekening van het Palestina der toekomst. Het land aan de westzijde van den Jordaan zal door evenwijdige lijnen verdeeld worden in bijna gelijke strooken. De bovenste zeven worden bewoond door de stammen Dan, Aser, Naftali, Manasse, Efraïm, Ruben, Juda, en de benedenste vijf door Benjamin, Simeon, Issaschar, Zebulon en Gad. Tusschen deze bovenste en benedenste deelen des lands wordt eene strook lands afgezonderd voor den Heere. In het midden van deze 25000 el breede en lange strook ligt een hooge berg; en daarop is de met de heerlijkheid des Heeren vervulde tempel gebouwd, die 500 el in het vierkant bedraagt en door eene ruimte van 500 el aan elke zijde is omringd. Daaromheen ontvangen de priesters, die allen zonen Zadoks moeten zijn, in het zuiden en de Levieten in het noorden hun woonplaats van 25000 el lengte en 10000 el breedte, terwijl in het oosten en westen een gedeelte van de heilige strook toegewezen wordt aan den vorst. De stad Jeruzalem is van den tempel gescheiden en ligt ten zuiden van het land, dat den priesters is toegewezen, in eene vlakte van 25000 el lengte en 5000 el breedte. Aan elke zijde van de stad bevinden zich in den muur drie poorten, naar het getal der stammen Israels. Op de groote feesten komt heel Israel naar den tempel om te offeren, maar aan de Heidenen is de toegang tot den tempel verboden. Indien Israel zoo naar Gods inzettingen leeft, zal het rijken zegen genieten; van onder den dorpel van de tempeldeur stroomt eene beek, die voortdurend zich verdiept, het land vruchtbaar en zelfs het water der doode zee gezond maakt; en aan hare oevers staat geboomte, welks vruchten tot spijze en welks bladeren tot genezing dienen.

Bij deze geestelijke weldaden komen 7º allerlei stoffelijke zegeningen. Israel zal onder den vredevorst uit Davids huis in veiligheid wonen. Oorlog zal er niet meer zijn; boog en zwaard worden verbroken, Hos. 2 : 17, Paarden en wagenen verdaan, vestingen vernield, Mich. 5 : 9, 19, zwaarden tot spaden en spiesen tot sikkelen geslagen, en allen zullen neerzitten onder hun wijnstok en vijgeboom, Jes. 2 : 4, Mich. 4 : 3, 4, want het koninkrijk is des Heeren en Hij is hunne sterkte, Ob. 21, Joel 3 : 16, 17. Het land zal eene buitengewone vruchtbaarheid ontvangen, zoodat de bergen van zoeten wijn druipen en de heuvelen |432| van melk vlieten; eene fontein, uitgaande uit het huis des Heeren zal het dorre land bevochtigen en de woestijn in een Eden herscheppen; het boos gedierte zal verdreven zijn, vijanden zullen den oogst niet meer rooven, en alle geboomte, te rechter tijd door malschen regen verkwikt, zal overvloedig vruchten dragen, Am. 9 : 13, 14, Hos. 2 : 17, 20, 21, 14 : 6, Joel 3 : 18, Jes. 32 : 15-20, 51 : 3, 60 : 17, 18, 62 : 8, 9, 65 : 9, 22, Jer. 31 : 6, 12-14, Ezech. 34 : 14, 25, 26, 29, 36 : 29, 47 : 1-12, Zach. 8 : 12, 14 : 8, 10. Er zal zelfs een groote omkeer in heel de natuur plaats hebben; de dieren ontvangen een anderen aard, Jes. 11 : 6-8, 65 : 25, hemel en aarde worden vernieuwd en de vorige dingen niet meer gedacht, Jes. 34 : 4, 51 : 6, 65 : 17, 66 : 22; zon en maan worden veranderd, het licht der maan wordt als de zon en het licht der zon wordt zevenvoudig versterkt, Jes. 30 : 26; ja zon en maan houden op, het wordt een eenige dag, want de Heere zal zijn tot een eeuwig licht, Jes. 60 : 19, 20, Zach. 14 : 6, 7. En ook in de menschenwereld zal de verandering groot zijn. Als Israel vergaderd zal zijn, zal Palestina van menschen deunen, Mich. 2 : 12, 13; het zaad der kinderen Israels zal zijn als het zand der zee, en vooral zal dat van Davids huis en van de levieten vermenigvuldigd worden, Hos. 1 : 10, Jes. 9 : 2, Jer. 3 : 16, 33: 22. Vanwege de veelheid der menschen en der beesten zal Jeruzalem niet te meten zijn en dorpsgewijze bewoond moeten worden, Zach. 2 : 1-4. Deze wonderbare vermeerdering heeft verschillende oorzaken. Vele Israelieten zullen, als een gedeelte reeds teruggebracht is, naar Jeruzalem komen en in den zegen Israels willen deelen, Zach. 2 : 4-9, 8 : 7, 8, Jer. 3 : 14, 16, 18; ja, als de boden des Heeren dien zegen onder de Heidenen bekend maken, zullen dezen de onder hen nog wonende Israelieten in wagenen en draagstoelen, met paarden, muildieren en snelle loopers naar Jeruzalem brengen, Jes. 66 : 19, 20, Voorts zullen ook de gestorven Israelieten in die zegeningen deelen. Heel Israel kan gezegd worden, uit den dood in het leven te zijn wedergebracht, Hos. 6 : 2, 13 : 14, Jes. 25 : 8, Ezech. 37 : 1-14, maar bepaaldelijk verkondigen Jesaja, 26 : 19 en Daniel, 12 : 2, dat ook de verslagen Israelieten zullen opstaan en althans voor een deel ten eeuwigen leven zullen ontwaken. En eindelijk zullen ook alle burgers van het Godsrijk een hoogen ouderdom bereiken. Er zal daar niet meer zijn een zuigeling van |433| slechts weinige dagen, noch een oud man, die zijne dagen niet vol maakt, want wie sterft als een knaap zal honderd jaren oud worden, en de zondaar, die honderd jaren oud sterft, zal geacht worden, om zijne zonde door een vloek getroffen en daarom zoo vroeg gestorven te zijn, Jes. 65 : 20, cf. Zach. 8 : 4, 5. Ook zal er geen ziekte meer wezen en geen rouw en gekrijt, 25 : 8, 30 : 19, 65 : 19, ja de Heere zal den dood vernietigen en verslinden tot overwinning, 25 : 8. Eindelijk 8º zullen in dien zegen van het Godsrijk ook de Heidenen deelen. Door heel de Oudtest. profetie loopt de gedachte, dat God het bloed zijner knechten aan zijne vijanden wreken zal. Aan verschillende volken, Philistea, Tyrus, Moab, Ammon, Edom, Assur, Babel, kondigen daarom de profeten Gods oordeelen aan. Maar die oordeelen strekken toch niet tot verderf maar tot behoud der Heidenen; in Abrahams zaad worden alle volken der aarde gezegend. Wel treedt bij den eenen profeet meer de politieke zijde van deze onderwerping van de Heidenen onder Israel op den voorgrond, en bij een ander de godsdienstige, geestelijke zijde. Maar allen verwachten toch, dat de heerschappij van den Messias zich tot alle volken uitbreiden zal, cf. Ps. 2, 21, 24, 45, 46, 47, 48, 68, 72, 86, 89, 96, 98 enz. lsrael zal de Heidenen erfelijk bezitten, Am. 9 : 12, Ob. 17-21; zij zullen wel geoordeeld worden, Joel 3 : 2-15, maar alwie den naam des Heeren zal aanroepen, zal behouden worden, want op Zion is ontkoming, 2 : 32. De Heerscher uit Bethlehem zal groot zijn tot aan de einden der aarde en Israel tegen zijne vijanden beschermen, Mich. 5 : 3v., maar de Heidenen zullen toch naar Zion gaan, om des Heeren wegen te leeren, 4 : 1, 2. Nadat de Heere alle goden der volken verdelgd heeft, Zef. 2 : 4-11, 3 : 8, zullen de eilanden der Heidenen zich voor Hem buigen, en zal Hij allen volken reine lippen geven, om zijnen naam aan te roepen, 2 : 11, 3 : 9. Ethiopië zal den Heere geschenken brengen in Zion, Jes 18: 7, Egyptenaren en Assyriërs zullen Hem dienen, 19 : 18-25 Tyrus zal haar loon den Heere afstaan, 23 : 15-18, en allen volken zal Hij op Zion een vetten maaltijd bereiden, 25 : 6-10; ja de knecht des Heeren zal ook tot een licht der Heidenen zijn de heerlijkheid des Heeren door zijne boden ook onder de volken der aarde bekend maken, en ook door dezen gediend worden; het huis des Heeren zal een bedehuis zijn voor alle volken; allen zullen daar offers brengen, den Heere aanbidden en naar |434| zijnen naam zich noemen, en Israels kudde weiden en zijne akkers bouwen, terwijl de Israelieten zich als priesters geheel aan den dienst van Ihvh wijden kunnen, 40-66 passim. Als Israel hersteld en Jeruzalem des Heeren troon zal zijn, zullen aldaar alle Heidenen om den naam des Heeren vergaderd worden, zich in den Heere zegenen en in Hem zich beroemen, Jer. 3 : 17, 4 : 2, 16 : 19-21, 33 : 9. Alle volken zullen aan het eind erkennen, dat de Heere God is, Ezech. 16 : 61, 17 : 24, 25 : 5v., 26 : 6, 28 : 22, 29 : 6, 30 : 8v. Alle Heidenen zullen hunne kostbaarheden naar Jeruzalem brengen en het huis des Heeren met heerlijkheid vervullen, Hagg. 2 : 7-10. Zij zullen komen en zeggen: laat ons heengaan, om te smeeken het aangezicht des Heeren; en tien mannen zullen de slip van een Joodschen man grijpen en met hem willen gaan, omdat God met hem is, Zach. 2 : 11, 8 : 20-23, 14 : 16-19. Het volk der heiligen ontvangt de heerschappij over alle natiën der aarde, Dan. 7 : 14, 27. Cf. de litteratuur, opgenoemd deel III 232 en voor de Messiaansche verwachtingen bij de Joden in Jezus’ tijd: Schürer, Gesch. des jüd. Volkes im Zeitalter J. Chr. 3te Aufl. II 496-556.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004