4. Deze leer des Ouden Testaments ging in de latere Joodsche litteratuur wel niet geheel verloren, maar zij werd toch door allerlei uitheemsche elementen gewijzigd en uitgebreid. In het algemeen komen de geschriften dezer categorie daarin overeen, dat zij den godsdienst meer individualistisch opvatten, onder den invloed van de idee der vergelding reeds terstond bij den dood eene voorloopige scheiding laten intreden tusschen rechtvaardigen en goddeloozen, en van de verschillende plaatsen, waar dezen zich ophouden, eene meer uitgewerkte beschrijving geven. Toch zijn zij duidelijk in twee groepen, eene Palestijnsche en eene Alexandrijnsche, in te deelen. De eerstgenoemde, waartoe vooral de apocriefe geschriften van de Makkabeën, Baruch, 4 Ezra, Henoch, het Testament der twaalf patriarchen enz. behooren, schrijven aan den tusschentoestand slechts een voorloopig karakter toe. Wel nemen ook zij reeds vreemde bestanddeelen op en leeren eene zekere scheiding tumchen rechtvaardigen en goddeloozen terstond bij den dood. De Apocalypse van Henoch plaatst den Scheol in het Westen, beschrijft hem als door stroomen doorsneden en omgeven, en onderscheidt er vier afdeelingen in, twee voor de goeden en twee voor de boozen, 17 : 5, 6, 22 : 2v.; bovendien neemt zij nog een paradijs aan, dat hoog boven en aan de einden der aarde gelegen is en terstond bij hun sterven de verblijfplaats werd van Henoch en Elia, 12 : 1, 87 : 3, 89 : 52 en het ook worden zal voor allen, die in hunne wegen wandelen, 71 : 16, 17. Maar het zwaartepunt ligt toch bij al de schrijvers dezer groep in de universeele eschatologie, in de komst van den Messias en de oprichting van het Godsrijk aan het einde der dagen. Tot zoolang worden de zielen der afgestorvenen in den hades, zij het ook in verschillende afdeelingen en in voorloopig onderscheiden lot, bewaard als tamieia, promptuaria animarum, Apoc. Baruch 21 : 23, 4 Ezr. 4 : 35, 5 : 37; rustende en slapende wachten zij het laatste oordeel af, 4 Ezr. 7 : 32-35. Apoc. Baruch 21 : 24, 23 : 4, 30 : 2. Maar de geschriften van de tweede |371| groep, zooals de Spreuken van Jezus Sirach, het boek der Wijsheid, Philo, Flavius Josephus enz., leggen juist op de individueele eschatologie nadruk en laten daarbij de komst van den Messias, de opstanding, het eindgericht en het Godsrijk op aarde geheel in de schaduw treden of spreken er zelfs met geen woord van. Hoofddogma is de onsterfelijkheid der ziel, die volgens Philo praeëxistent was, van wege haar val tijdelijk in den kerker van het lichaam werd opgesloten en al naarmate van haar gedrag na den dood in andere lichamen verhuist, of in elk geval terstond na het sterven de definitieve beslissing van haar lot ontvangt, Sir. 1 : 12, 7 : 17, 18 : 24, 41 : 12, Wijsh. 1 : 8, 9, 3 : 1-10, en naar den heiligen hemel of naar den donkeren hades gaat, Josephus, Bell. Jud. III 8, 5. Ten tijde van Christus kruisten daarom bij het volk van Israel allerlei eschatologische denkbeelden dooreen. De Phariseën geloofden aan een voortbestaan en eene voorloopige vergelding na den dood, maar hielden daarbij vast de verwachting van den Messias, van de opstanding der dooden, zoo niet van alle menschen dan toch van de rechtvaardigen, en de oprichting van het Godsrijk op aarde. De Sadduceën loochenden de opstanding, Mt. 22 : 23, Mk. 12 : 18, Luk. 20 : 27, Hd. 23 : 8, en volgens Josephus, Bell. Jud. II 8, 14. Ant. XVIII 1, 4 ook de vergelding na den dood en de onsterfelijkheid. De Esseners namen, volgens Josephus, Bell. Jud. II 8, 11, aan, dat het lichaam sterfelijk maar de ziel onsterfelijk was. De zielen woonden oorspronkelijk in den fijnsten aether, maar werden door zinlijken lust bevangen en in lichamen geplaatst, waaruit zij dan weer door den dood worden bevrijd. De goede zielen ontvangen een zalig leven aan gene zijde van den oceaan in eene plaats, die door geen regen, sneeuw of hitte wordt geplaagd, maar de slechte moeten in een duister, koud oord altijddurende pijnen lijden. Cf. Gröbler, Die Ansichten über Unsterbl. u. Auferst. in der jüd. Lit. der beiden letzten Jahrh. v. Chr., Stud. u. Krit. 1879 S. 651-700. Wünsche, Die Vorst. v. Zustande nach dem Tode nach Apokr., Talmud u. Kirchenvätern, Jahrb. f. prot. Theol. 1880 S. 355-383. 435-523. Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. 322 f. Oehler in Herzog1 21, 424 f. Runze in Herzog2 16, 193. Atzberger, Christl. Eschatol., 96-156. Schwally, Das Leben nach d. Tode 131-192.

Op het voetspoor van wet en profeten, wijdt het N. Test. veel |372| meer aandacht aan de algemeene dan aan de bijzondere eschatologie. Toch is het onjuist, zoowel om met Episcopius, Op. II 2 p. 455, Limborch, Theol. Christ. VI 10, 4, Oertel, Hades S. 4-6, Schleiermacher, Chr. Gl. § 159, 2, Hofmann, Schriftbeweis III 462 te beweren, dat de Schrift over den tusschentoestand zoo goed als niets zegt of althans geene voor ons geldende leerbevat, als om met Kliefoth, Eschatologie 37 het er voor te houden, dat het N.T. daarover waarschijnlijk alles zegt, wat erover te zeggen valt. Immers ontbreekt het niet aan uitspraken, die over den tusschentoestand zooveel licht verspreiden, als ons in en voor dit leven van noode is. Sterker nog dan het Oude, doet het N.T. uitkomen, dat de dood een gevolg en straf der zonde is, Rom. 5 : 12, 6 : 23, 8 : 10, 1 Cor. 15 : 21; en die dood strekt zich tot alle menschen uit, 1 Cor. 15 : 22, Hebr. 9 : 27; slechts een enkele, als Henoch, is weggenomen, opdat hij den dood niet zien zoude, Hebr. 11 : 5; en ook zij, die de parousie van Christus beleven, worden ineens veranderd zonder tusschenkomst van den dood, 1 Cor. 15 : 51, 1 Thess. 4 : 14-17, cf. Joh. 21 : 22. 23, zoodat Christus oordeelen zal niet alleen de dooden maar ook de levenden, Hd. 10 : 42, 2 Tim. 4 : 1, 1 Petr. 4 : 5. Maar die dood is het einde des menschen niet; de ziel kan niet gedood worden, Mt. 10 : 28, het lichaam wordt was weder opgewekt, Joh. 5 : 28, 29, Hd. 23 : 6, Op. 20 : 12, 13 en de geloovigen zijn zelfs een eeuwig leven deelachtig, dat niet sterven kan, Joh. 3 : 36, 11 : 25. Alle gestorvenen bevinden zich tot de opstanding toe ook volgens het N.T. in den hades, die het rijk der dooden is. In Mt. 11 : 23 geeft de katabasiv ›wv dou te kennen, dat het trotsche Kapernaum ten diepste vernederd zal worden. In Mt. 16 : 18 belooft Jezus aan zijne gemeente, dat de pulai dou over haar geen macht zullen hebben, dat de dood over haar niet triumfeeren zal. Volgens Luk. 16 : 23 wordt de arme Lazarus door de engelen gedragen in Abrahams schoot en komt de rijke man terstond door den dood en de begrafenis in den hades; waarbij het dan niet te bewijzen is, dat hades reeds hetzelfde is als plaats der pijniging, wijl deze eerst aangeduid wordt door de nadere bijvoeging: Ãparcwn n basanoiv. Ook Jezus is, zoolang Hij in den staat des doods verkeerde, in den hades geweest, ook al werd Hij niet door hem gehouden, Hd. 2 : 27, 31; Hij daalde immers neder e¸v ta katwtera tjv gjv, Ef. 4 : 9. En zoo zijn alle |373| gestorvenen katacqonioi, Phil. 2 : 10; niet alleen de goddeloozen maar ook de geloovigen bevinden zich na den dood in den hades, zij zijn nekroi n Cristû, 1 Thess. 4 : 16, cf. 1 Cor. 15 : 18, 23; bij de opstanding geven de zee, de dood en de hades al de dooden weer, die in hen waren, opdat zij geoordeeld worden naar hunne werken, Op. 20 : 13; de hades volgt met en na den dood, zoodat de dood altijd eene verplaatsing in den hades teweegbrengt, Op. 6 : 8. Deze opvatting, dat ook de geloovigen volgens de Schrift van den dood tot de opstanding toe in den hades zijn, wordt versterkt door de uitdrukking ‡nastasiv k nekrwn, Mt. 17 : 9, Mk 6 : 14, Luk. 16 : 30, Joh. 20 : 9 enz., k twn nekrwn, Ef. 5 : 14, dat is, niet uit den dood, maar uit de dooden, uit het rijk der afgestorvenen. Dit gemeenschappelijk zich bevinden in den staat des doods sluit echter niet uit, dat het lot van geloovigen en ongeloovigen daar reeds zeer ondercheiden is. Ook het O.T. sprak deze gedachte al uit, maar veel klaarder treedt zij ons in het N.T. tegemoet. Volgens de gelijkenis in Luk. 16 wordt de arme Lazarus door de engelen gedragen in Abrahams schoot, waarmede te kennen gegeven wordt, dat Lazarus in den hemel, waar immers de engelen wonen, in de nabijbeid van en in de gemeenschap met Abraham de zaligheid geniet, cf. Mt. 8 : 11. Aan een zijner medekruiselingen belooft Jezus, dat hij heden met Hem in het paradijs zal zijn, Luk. 23 : 43. Het woord paradijs is van Perzischen oorsprong en duidt in het algemeen een tuin, een lusthof aan, Neh. 2 : 8, Pred. 2 : 5, Hoogl. 4 : 13; de LXX bezigde het als vertaling van den hof in Gen. 2 : 8-15; de Joden gaven er de plaats mede te kennen, waar God aan de rechtvaardigen na hun dood zijne gemeenschap schenkt, Weber, Syst. der alts. pal. Theol. 330. Ongetwijfeld is ook volgens het N.T. het paradijs, evenals de schoot Abrahams, in den hemel te denken; kort nadat Jezus aan den moordenaar beloofd had, dat hij heden met Hem in het paradijs zou zijn, beval Hij zijn geest ik de handen zijns Vaders, Luk. 23 : 46; in 2 Cor. 12 : 2, 4 wisselt het paradijs met den derden hemel af; in Op. 2 : 7, 12 : 2 duidt het de plaats aan, waar in de toekomst God onder zijn volk wonen zal. Daarmede in overeenstemming leert het evangelie van Johannes, dat de geloovigen, die hier op aarde reeds het beginsel des eeuwigen levens hebben en aan het gericht Gods zijn ontkomen, 3 : 15-21, 5 : 24, eene gemeenschap met |374| Christus deelachtig zijn, die noch door zijn heengaan, 12 : 32, 14 : 23, noch door den dood, 11 : 25, 26 wordt verbroken, en eens in een eeuwig bijeenzijn voltooid wordt, 6 : 39, 14 : 3, 19, 16 : 16, 17 : 24. Stervende bidt Stephanus, dat de Heere Jezus zijnen geest bij zich in den hemel opneme, Hd. 7 : 59. Paulus weet, dat de geloovige een leven deelachtig is, hetwelk boven den dood verheven is, Rom. 8 : 10, en dat niets, ook geen dood, hem scheiden kan van de liefde Gods in Christus, 8 : 38, 14 : 8, 1 Thess. 5 : 10; ofschoon hij nog een tijd lang in het vleesch moet blijven om der gemeenten wil, verlangt hij toch ontbonden te worden en met Christus te zijn, Phil. 1 : 23, 2 Cor. 5 : 8. Volgens Op. 6 : 8, 7 : 9, bevinden zich de zielen der martelaren bij Christus onder het voor den troon Gods in den tempel des hemels staande brandofferaltaar, cf. 2 : 7, 10, 17, 26, 3 : 4, 5, 12, 31, 8 : 3, 9 : 13, 14 : 13, 15 : 2, 16 : 17, en ook Hebr. 11 : 10, 16, 12 : 23. En evenals de geloovigen reeds terstond na den dood bij Christus in den hemel eene voorloopige zaligheid genieten, zoo komen de ongeloovigen, zoodra zij gestorven zijn, in eene plaats der pijniging. De rijke man was in de pijn, toen hij in den hades zijne oogen ophief, Luk. 16 : 23. De ongeloovigen, die Christus verwerpen, blijven onder den toorn Gods en zijn reeds, op aarde geoordeeld, Joh. 3 : 18, 36, en hebben terstond na den dood met alle menschen een oordeel te wachten, Hebr. 9 : 27. Maar toch is deze plaats der pijniging nog niet met de geenna of de limnj tou purov identisch, want de gehenna is de plaats van het onuitblusselijke en eeuwige vuur, dat den duivelen bereid is, Mk. 9 : 43, 47, 48, Mt. 18 : 8, 25 : 4, 46, en de poel des vuurs is nog niet de tegenwoordige, maar wel de toekomstige strafplaats van het wereldrijk en den valschen profeet, Op. 19 : 20, van Satan, Op. 20 : 10 en van alle goddeloozen, Op. 21 : 8, cf. 2 Petr. 2 : 17, Jud. 13. Veeleer worden zij allen nu in eene fulakj, 1 Petr. 3 : 19, of in den ‡bussov, Luk. 8 : 31, cf. Mt. 8 : 29, Rom. 10 : 7, Op. 9 : 1, 2, 11, 11 : 7, 17 : 8, 20 : 1, 3 voor het laatste oordeel en den poel des vuurs bewaard, 2 Petr. 2 : 17, Jud. 6. 13. Dit onderscheid in den tusschentoestand der goeden en der boozen strijdt niet daarmede, daf zij allen te zamen zich in den hades bevinden, want alle gestorvenen zijn als zoodanig katacqonioi, behooren vóór de opstanding nog tot het rijk der dooden, en worden eerst door die opstanding volkomen, |375| naar ziel en lichaam beide, van de heerschappij des doods bevrijd, 1 Cor. 15 : 52-55, Op. 20 : 14. Cf. Cremer s.v. ƒdjv, ‡bussov, geenna enz. en voorts over de Nieuwtest. eschatologie in het algemeen, behalve de bekende werken van Weiss, Holtzmann e.a. over N.T. theologie, Briet, De Eschatologie of leer der toek. dingen volgens de Schriften des N.V. 2 deelen, Tiel 1857/58. Haupt, Die eschatol. Aussagen Jesu in den synopt. Evang., Berlin 1895. Schwartzkopff, Die Weissagungen Jesu Christi von seinem Tode, seiner Auferstehung und Widerkunft und ihrer Erfüllung, Gött. 1895. Kabisch, Die Eschatologie des Paulus in ihrem Zusammenhange mit dem Gesammtbegriff des Paulinismus, Gött. 1893. Teichmann, Die paulin. Voraussetzungen von Auferstehung und Gericht und ihre Beziehung zur jüd. Apokalyptik, Freiburg 1896. Atzberger, Die christl. Eschatologie in den Stadien ihrer Offenbarung im. A. u. N.T., Freiburg 1890 S. 190 f.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004