3. Hoeveel waarde deze indicaties ook hebben mogen, welke natuur en geschiedenis ons bieden voor het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel, de Schrift neemt ten opzichte van deze leer een standpunt in, dat bij de eerste kennisneming niet anders dan bevreemden kan. De onsterfelijkheid der ziel schijnt van de grootste beteekenis te zijn voor godsdienst en leven; en de Schrift maakt er nooit met even zoovele woorden gewag van; zij kondigt haar nooit als een Goddelijke openbaring af en stelt haar nergens op den voorgrond; en nog veel minder stelt zij ooit eenige poging in het werk, om hare waarheid te betoogen of deze tegenover hare tegensprekers te handhaven. Het is daarom te verklaren, dat er vroeger en later velen beweerd hebben, dat de leer van de onsterfelijkheid der ziel in het Oude Testament, of althans in de oudste boeken daarvan in het geheel niet voortkwam en eerst van buiten af onder Israel ingevoerd werd, cf. Oehler, Unsterblichkeit in Herzog1 21, 409 f. Himpel, Die Unsterblichkeitslehre der A.T. 1857. Atzberger, Die christl. Eschatologie, Freib. 1890 S. 17. Maar langzamerhand is men hiervan toch teruggekeerd, en tegenwoordig erkent men algemeen, dat Israel evenals alle volken wel terdege aan een voortbestaan na den dood heeft geloofd. Zelfs hebben Stade, Gesch. des Volkes Israel I 387-427 en Ueber die altt. Vorstellungen vom Zustande nach dem Tode 1877, voorts Oort, De doodenvereering bij de Israelieten, Theol. Tijdschr. 1881 bl. 358-363 en vooral Fr. Schwally, Das Leben nach dem Tode nach den Vorstellungen des alten Israel u.s.w. Giessen 1892 trachten te betoogen, dat oudtijds onder Israel evenals bij de andere volken de dooden vereerd werden, en dus ongetwijfeld gedacht werden te bestaan. De bewijzen daarvoor ontleenden zij aan het bij een sterfgeval gebruikelijke ritueel, zooals het inscheuren van kleederen en dragen van rouwgewaad, het bedekken van gelaat en hoofd, het afleggen van sieraden, bijzondere haardracht en zelfverminking, het werpen met stof en asch, het niet-wasschen en zalven, het vasten en maaltijd houden, het aanheffen van klaagzangen en het brengen van offers, al welke gebruiken niet anders dan uit vroegere doodenvereering verklaarbaar zouden |364| zijn. Maar Schwally t.a.p. 75 moet zelf erkennen, dass in der Zeit, als Israel in die Geschichte eintritt, die animistische Naturreligion im Princip bereits überwunden ist. En tegen zijne afleiding van de rouwgebruiken uit een oorspronkelijk animisme, heeft Joh. Frey, Tod, Seelenglaube und Seelenkult im alten Israel, Leipzig 1898, zulke ernstige bezwaren in het midden gebracht, dat de hypothese van oorspronkelijken doodencultus bij Israel eerst door andere en nieuwe bewijzen aannemelijk kan worden gemaakt. Toch is het duidelijk, dat er in Israel een groot onderscheid was tusschen den volksgodsdienst, die allerlei bijgeloovige en afgodische bestanddeelen bevatte, en den dienst van Ihvh, die door Mozes en zijne volgelingen voorgestaan werd, Het Jahvisme heeft dien volksgodsdienst eensdeels tegengestaan, verboden en uitgeroeid, maar heeft anderzijds ook verschillende godsdienstige voorstellingen en gebruiken, die op zichzelf niet verkeerd waren, stil laten bestaan of overgenomen en gesanctioneerd, cf. Wildeboer, Jahvedienst en volksreligie in Israel 1898. Bij zijne openbaring aan Israel heeft God zich aangesloten bij de historische omstandigheden, onder welke het leefde; de genade deed de natuur niet teniet maar heeft ze vernieuwd en geheiligd. Zoo is het ook gegaan met het volksgeloof aan het voortbestaan na den dood. Reeds de gewoonte van het begraven en de groote beteekenis, die daaraan gehecht werd, is van dat geloof een bewijs. Verbranding der lijken was in Israel niet inheemsch; zij had alleen plaats na voltrokken doodstraf, Gen. 38 : 24, Lev. 20 : 14, 21 : 9, Jos. 7 : 15, 25; uit 1 Sam. 31 : 12 en Am. 6 : 10 laat zich niets afleiden, wijl de tekst misschien gecorrumpeerd is of anders slechts van op zichzelf staande gevallen bericht; en 2 Chr. 16 : 14, 21 : 19, Jer. 34 : 5 handelen alleen van het verbranden van welriekende specerijen bij het begraven. Begrafenis werd echter op hoogen prijs gesteld en wordt daarom telkens in het O. Test. afzonderlijk vermeld; onbegraven te blijven, was eene groote schande, 1 Sam. 17 : 44, 46, 1 Kon. 14 : 11, 13, 16 : 4, 2 Kon. 9 : 10, Ps. 79 : 3, Pred. 6 : 3, Jes. 14 : 19, 20, Jer. 7 : 33, 8 : 1, 9 : 22, 16 : 6, 25 : 33, Ezech. 29 : 5. Een gestorvene behooft niet meer in het land der levenden; zijn onbegraven lijk wekt afschuw op; het vergoten bloed roept om wraak, Gen. 4 : 10, 37 : 26, Job 16 : 18, Jes. 26 : 21, Ezech. 24 : 7, wijl het bloed de zetel der ziel is, Lev. 17 : 11; en daarom moet het gestorvene bedekt, |365| verborgen, aan het oog onttrokken worden. Door den dood komen alle zielen in het doodenrijk, in den Scheol, lw'H, een woord, dat van onzekere afleiding is en volgens sommigen komt van l'H, vragen, eischen, of ook invorderen, tot beslissing brengen, volgens anderen van lvH, lwH, slap zijn, naar beneden hangen, zinken, Delitzsch, Neuer Comm. über die Genesis, 444. Atzberger, Christl. Eschat. 24. Deze Scheol bevindt zich in de diepte der aarde, zoodat men erin nederdaalt, Num. 16 : 30, Ps. 30 : 4, 10, 55 : 16, Jes. 38 : 18, behoort tot de onderste plaatsen der aarde, Ps. 63 : 10, Ezech. 26 : 20, 31 : 14, 32 : 18, ligt nog beneden de wateren en de grondvesten der bergen, Deut. 32 : 22, Job 26 : 5, Jes. 14 : 15, en wordt daarom meermalen door het attribuut tytxt, onderste, versterkt, Deut. 32 : 22, Ps. 86 : 13, 88 : 7. Daarom staat de Scheol ook met het graf of den kuil, rbq of rwb, in nauw verband; beide zijn niet identisch, want gestorvenen, die niet begraven zijn, bevinden zich toch in den Scheol, Gen. 37 : 33, 35, Num. 16 : 32; maar evenals lichaam en ziel den éénen mensch vormen en ook na den dood nog in eenige wederkeerige relatie gedacht worden, zoo zijn graf en Scheol niet los van elkander te denken. Beide behooren tot de onderste plaatsen der aarde, worden voorgesteld als de woning der dooden, en wisselen met elkander herhaaldelijk af; de Scheol is het ééne groote graf, dat alle graven der gestorvenen omvat; het rijk der dooden, de onderwereld, en daarom ten onrechte in onze Statenvertaling dikwerf door hel overgezet. De Scheol toch is de plaats, waar alle gestorvenen zonder uitzondering saam komen, 1 Kon. 2 : 2, Job 3 : 13v., 30 : 23, Ps. 89 : 49, Jes. 14 : 9v. Ezech. 32 : 18, Hab. 2 : 5, en waaruit terugkeer niet dan alleen door een wonder mogelijk is, 1 Kon. 17 : 22, 2 Kon. 4 : 34, 13 : 21; het doodenrijk is als het ware eene stad, die van gegrendelde poorten is voorzien, Ps. 9 : 14, 107 : 18, Job 17 : 16 (tot de grendels der onderwereld daalt mijne hope af), 38 : 17, Jes. 38 : 40, Mt. 16 : 18, en door haar macht, Ps. 49 : 16, 89 : 49, Hos. 13 : 14, alle menschen als in een kerker gevangen houdt, Jes. 24 : 22. De Scheol is een eeuwig huis, Pred. 12 : 5; de vijanden van Israel, die er in nedergestort zijn, kunnen niet wederopstaan, Jes. 26 : 14; wie in het graf daalt, komt niet weder op, Job 7 : 9, 10, 14 : 7-12, 16 : 22. Lijnrecht staat dit doodenrijk daarom tegen het land der levenden over, Job 28 : 13, Spr. 15 : 24, Ezech. 26 : 20, 32 : 23v. |366| Wel worden de gestorvenen als bestaande en levende gedacht; zij worden dikwerf zoo voorgesteld en beschreven, als zij hierop aarde zich vertoonden, en worden daarom ook door elkander herkend, en bij de ontmoeting ontroerd, 1 Sam. 18 : 14, Jes. 14 : 9v., Ezech. 32 : 1 8v. Ook is er sprake van binnenste, diep naar binnen gelegen kameren in den Scheol, Spr. 7 : 27, Ezech. 32 : 23, en bestaat er in zoover onder de gestorvenen onderscheid, als elk tot zijne vaderen, Gen. 15 : 15, Richt. 2 : 10, of tot zijn volk, Gen. 25 : 8, 17, 35 : 29, 49 : 29 verzameld wordt, en de onbesnedenen bij elkander worden gelegd, Ezech. 32 : 19. Maar overigens wordt de Scheol altijd van zijne negatieve zijde, in tegenstelling met de aarde als het land der levenden, beschreven. Hij is het gebied der duisternis en der doodsschaduw, Job 10 : 21, 22, Ps. 88 : 13, 143 : 3, de plaats des verderfs, ja het verderf zelf, Job 26 : 6, 28 : 22, 31 : 12, Ps. 88 : 12, Spr. 27 : 20, zonder ordeningen, d.i. zonder vaste omtrekken en klare onderscheidingen, Job 10 : 22, een land der rust, der stilte, der vergetelheid, Job 3 : 13, 17, 18, Ps. 115 : 17, waar God en menschen niet meer te zien zijn, Jes. 38 : 11, God niet meer geprezen en gedankt, Ps. 6 : 6, 115 : 17, zijne deugden niet meer verkondigd, Ps. 88 : 6, 12, 13, Jes. 38 : 18, 19, en zijne wonderen niet meer aanschouwd worden, Ps. 88 : 11, 13, waar de dooden niet met al weten, geen werk meer doen, geen berekening meer maken, geen wijsheid en wetenschap meer bezitten en hoegenaamd geen deel meer hebben aan alwat onder de zon geschiedt, Pred. 9 : 5, 6, 10. Zij zijn £y'pr van het adjectief hpr, slap, Job 26 : 5, Spr. 2 : 18, 9 : 18, 21 : 6, Ps. 88 : 11, Jes. 14 : 9, verzwakt, Jes. 14 : 10, zonder kracht, Ps. 88 : 5.

Heel deze voorstelling van den Scheol is gevormd van uit het standpunt van dit aardsche bestaan, en geldt slechts in tegenstelling met den rijkdom van leven, welken de mensch hier op aarde geniet. Dan is het sterven inderdaad eene verbreking van alle aardsche banden, een dood-zijn voor het rijke leven op aarde, een rusten, een slapen, een stil-zijn, een niet-zijn in betrekking tot de dingen aan deze zijde des grafs. De toestand in den Scheol is geen vernietiging van het bestaan, maar toch eene vreeselijke levensvermindering, eene berooving van alwat in dit leven de vreugde des levens uitmaakt. Voor eene beschouwing, die alleen het lichaam sterven laat en zich troost met de onsterfelijkheid der |367| ziel, is in het O. Test. geen plaats. De gansche mensch sterft, als bij den dood de geest, Ps. 146 : 4, Pred. 12 : 7, of de ziel, Gen. 35 : 18, 2 Sam. 1 : 9, 1 Kon. 17 : 21, Jon. 4: 3, uit den mensch uitgaat. Niet alleen zijn lichaam maar ook zijne ziel verkeert in den staat des doods en behoort der onderwereld toe; daarom kan er ook van een sterven der ziel gesproken worden, Gen. 37 : 21, Num. 23 : 10, Deut. 22 : 20, Richt. 16 : 30, Job 36 : 14, Ps. 78 : 50, en van verontreiniging door aanraking van de ziel van een doode, d.i. van een lijk, Lev. 19 : 28, 21 : 11, 22 : 4, Num. 5 : 2, 6 : 6, 9 : 6, 7, 10, Deut. 14 : 1, Hagg. 2 : 13. Gelijk de gansche mensch in den weg der gehoorzaamheid voor het leven bestemd was, zoo vervalt hij ook door zijne overtreding geheel, naar ziel en lichaam beide, aan den dood, Gen. 2 : 17. Deze gedachte moest diep ingeprent worden in het bewustzijn der menschheid; en het werd ook in de oudheid door alle volken beseft, dat de dood eene straf is, dat hij iets onnatuurlijks is, met het wezen en de bestemming des menschen in strijd. De openbaring, welke God aan Israel gaf, sluit zich daarbij dan ook aan; zij laat haar bestaan en neemt haar over, gelijk zij zoovele gebruiken en ceremoniën overneemt (offerande, priesterschap, besnijdenis enz.); alleen reinigt zij haar van de onreine elementen die er zich bij de volken allengs mede verbonden hadden, zooals de zelfverminking, Lev. 19 : 28, 21 : 5, Deut. 14 : 1 en het dooden vragen, Lev. 19 : 31, 20 : 6, 27, Deut. 18 : 10, 11. Maar de openbaring doet nog iets anders en meer. Zij handhaaft en versterkt niet alleen de tegenstelling, die er tusschen het leven en den dood bestaat, maar zij brengt in dit leven zelf eene nog scherpere tegenstelling aan. Dit leven, toch is het ware leven niet, omdat het een zondig, onrein, door lijden gekweld en voor den dood bestemd leven is. Het wordt eerst leven in waren zin en krijgt eerst een wezenlijken levensinhoud door den dienst van Ihvh en in de gemeenschap met God. Geheel in overeenstemming met de toenmalige bedeeling des genadeverbonds en met de verkiezing van Israel tot volk van God, denkt het O. T. het verband tusschen godsvrucht en leven zoo, dat gene in een lang leven op aarde haar vrucht en haar loon ontvangt, Ex. 20 : 12, Deut. 5 : 16, 29, 6 : 2, 11 : 9, 22 : 7, 30 : 16, 32 : 47 enz. In de algemeen bekende, natuurlijke tegenstelling van leven en dood weeft zich eene andere, zedelijke, geestelijke tegenstelling in, die n.l. tusschen een leven |368| in den dienst der zonde en een leven in de vreeze des Heeren. Aan het kwade is de dood, aan het goede is het leven verbonden. Deut. 30 : 15. Zij, die met geweld de wijsgeerige leer van de onsterfelijkheid der ziel in het Oude Testament hebben willen vinden, hebben de openbaring Gods aan Israel niet verstaan en Westersche, rationalistische ideeën ingelegd in de religie van het Oostersche volk. Veelmeer naar waarheid zegt Pfleiderer, Religionsphilos. 626: was man oft für eine Schwäche der prophetischen Jahvereligion Israels gehalten hat (n.l. dat het Jenseits er zoo geringe plaats in bekleedt), ist in Wahrheit ihre anszeichnende Stärke gewesen; der lebendige Gott, der in geschichtlichen Thaten sich offenbart, hat nichts gemein mit den Schatten des Scheol. De God van Israel is niet een God der dooden maar der levenden. Daarom richtte de verwachting van het vrome Israel zich schier uitsluitend op de aardsche toekomst des volks, op de verwerkelijking van het Godsrijk. De vraag naar de toekomst van de individueele personen in den Scheol trad daarbij geheel op den achtergrond. God, volk en land waren onlosmakelijk met elkander verbonden, en de individuën waren in dat verbond opgenomen en werden daarnaar gerekend. Eerst als Israel na de ballingschap eene godsdienstige gemeente wordt en de religie zich individualiseert, dan dringt de vraag naar ieders toekomstig lot zich op den voorgrond; de geestelijke tegenstelling, welke de openbaring in de natuurlijke ingeweven had, werkte door; de onderscheiding van rechtvaardigen en goddeloozen verving hoe langer hoe meer die van Israel en de volken, en zette zich voort ook aan de overzijde des grafs. De gegevens daarvoor waren trouwens ook reeds in de openbaring van vroeger tijd aanwezig. De mensch, die God dient, blijft leven, Gen. 2 : 17; aan de onderhouding zijner geboden is het leven verbonden, Lev. 18 : 5, Deut. 30 : 20; zijn woord is het leven, Deut. 8 : 3, 32 : 47. In de Spreuken wordt onder leven wel dikwerf lengte van dagen verstaan, 2 : 18, 3 : 16, 10 : 30; maar opmerkelijk is toch, dat zij dood en Scheol meestal alleen in verband brengen met de goddeloozen, 2 : 18, 5 : 5, 7 : 27, 9 : 18, en daartegen het leven schier uitsluitend aan de rechtvaardigen toekennen. De wijsheid, de gerechtigheid, de vreeze des Heeren is de weg ten leven, 8 : 35, 36, 11 : 19, 12 : 28, 13 : 14, 14 : 27, 19 : 23; de goddelooze wordt omgestooten, als hem ongeluk treft, maar de rechtvaardige behoudt ook in |369| zijn dood nog vertrouwen en troost, 14 : 32. Zalig is hij, die Ihvh tot zijn God heeft, Deut. 33 : 29, Ps. 1 : 1, 2 : 12 32 : 11, 2, 33 : 12, 34 : 9 enz., ook in de zwaarste tegenspoeden, Ps. 73 : 25-28, Hab. 3 : 17-19; daarentegen komen de goddeloozen om en nemen een einde, ook al genieten zij tijdelijk nok zooveeï voorspoed, Ps. 73 : 18-20. Van dit standpunt uit verwachten de vromen niet alleen bevrijding van druk en tegenspoed in den tijd, maar dringen zij met het oog des geloofs ook menigmaal door tot de overzijde des grafs en verwachten een zalig leven in de gemeenschap met God. De plaatsen, die hiervoor gewoonlijk bijgebracht worden, Gen. 49 : 18 , Job 14 : 13-15, 16 : 16-21, 19 : 25-27, Ps. 16 : 9-11, 17 : 15, 49 : 16, 73 : 23-26, 139 : 18 zijn van onzekere uitlegging, en slaan volgens velen alleen op tijdelijke redding van den dood. Maar al zou dit ook het geval zijn, heel het Oude Testament leert, dat God Schepper is van hemel en aarde, dat zijne macht geen grenzen kent en dat Hij ook volstrekte heerschappij bezit over leven en dood. Het is God de Heere, die den mensch het leven heeft geschonken, Gen. 1 : 26, 2 : 7, en nog iederen mensch, gelijk alwat bestaat, schept en onderhoudt, Job 32 : 8, 33 : 4, 34 : 14, Ps. 104 : 29, Pred. 12 : 7. Hij verbindt vrijmachtig aan zijne wet het leven en bepaalt op hare overtreding den dood, Gen, 2 : 17, Lev. 18 : 5, Deut. 30 : 20, 32 : 47, Hij woont in den hemel maar is ook met zijn Geest in den Scheol tegenwoordig, Ps. 139 : 7, 8. Scheol en abaddon liggen naakt en open voor den Heere uitgebreid, evenals de harten der menschenkinderen, Job 26 : 6, 38 : 17, Spr. 15 : 11. De Heere doodt, behoudt in het leven en maakt levend, doet in den Scheol nederdalen en daaruit weder opkomen, Deut. 32 : 39, 1 Sam. 2 : 6, 2 Kon. 5 : 7. Hij heeft uitwegen voor den dood, kan bevrijden, als de dood reeds dreigt, Ps. 68 : 21, Jes. 38 : 5, Jer. 15 : 20, Dan. 3 : 26, enz., kan Henoch en Elia zonder den dood tot zich nemen, Gen. 10 : 24, 2 Kon. 2 : 11, en gestorvenen in het leven terug doen keeren, 1 Kon. 17 : 22, 2 Kon. 4 : 34, 13 : 21. Hij kan den dood te niet doen en door opwekking van de dooden over diens macht volkomen triumfeeren, Job 14 : 13-15, 19 : 25-27, Hos. 6 : 2, 13 : 14, Jes. 25 : 8, 26 : 19, Ezech. 37 : 11, 12, Dan. 12 : 2. Cf. over de onsterfelijkheid in het Oude Test. behalve Oort, Schwally, Frey, Stade ook nog, Oehler, Theol. des A.T. § 78. 245 f. en art. Unsterbl. in Herzog1. Schultz, Alttest. |370| Theol.4 697 f. Schmend, Altt. Rel. 112 f. 497 f. 504 f. Atzberger, Die christl. Eschat. 1890 S. 15 f. Bertholet, Die israel. Vorstellungen vom Zustande nach dem Tode, Freiburg 1899. Matthes, Rouw en doodenvereering bij de Israel. Theol. Tijdschrift 1900.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004