2. De Goddelijke instelling van den doop valt dus reeds bij Johannes, maar Jezus heeft hem, na hem zelf ondergaan te hebben, overgenomen, door zijne jongeren laten bedienen, Joh. 3 : 22, 4 : 1, en in Mt. 28 : 19 voor alle geloovigen uit alle volken verplichtend gesteld. De laatste plaats wordt door velen als onecht beschouwd, wijl in den apostolischen tijd de doop nog plaats had in den naam van Jezus en de trinitarische formule eerst van later dagteekening is; en zelfs zijn er, die beweren, dat Jezus den doop heel niet voor zijne gemeente ingesteld heeft. Daartegen bestaan echter allerlei bezwaren. Het is wel niet voor ontkenning vatbaar, dat Jezus zelf den doop van Johannes zich heeft laten toedienen en dezen daarmede erkend heeft; Hij leidt hem, waar hij er uitdrukkelijk over spreekt, uit een bevel Gods af, Mt. 21 : 25. Ook is er geen grond om te ontkennen, dat Jezus den doop heeft overgenomen en hem, zoo niet zelf, dan toch door zijne jongeren heeft bediend, Joh. 3 : 22, 26, 4 : 1, 2, want Jezus trad met dezelfde prediking op als Johannes, n.l. van de nabijheid van het koninkrijk der hemelen, en stelde voor den ingang daarvan dezelfde eischen, n.l. geloof en bekeering, Mk. 1 : 15 ; het lag dus voor de hand, dat Hij evenals Johannes den doop der bekeering toedienen liet aan een ieder, die tot den engeren kring van zijne discipelen wilde behooren. In Joh. 3 : 5 is wel niet van den doop sprake, deel III 501, maar de plaats bewijst toch, dat de Geestesmeedeeling in de gemeente beschouwd werd als hebbende haar symbool in het water. Naarmate de tegenstelling van het Joodsche volk met Hem en zijne jongeren grooter werd, werd een acte van afzondering eenerzijds en van opname in de gemeente van Jezus anderzijds te meer noodzakelijk. De doop als inlijving in de christelijke gemeente moet ook wel door Jezus zelf gewild en bedoeld zijn, wijl anders niet te verklaren |258| zou zijn, dat hij terstond, zonder eenigen strijd, in alle christelijke gemeenten, zoowel in die uit de Joden als uit de Heidenen, is ingevoerd en toegepast, Hd. 2 : 38, 41, 8 : 12, 13, 16, 38, 9 : 18 enz. Rom. 6 : 3-5, 1 Cor. 1 : 13-17, Gal. 3 : 27, Ef. 5 : 26 enz. In 1 Cor. 1 : 17 zegt Paulus wel, dat Christus hem niet gezonden heeft, om te doopen, maar om het evangelie te verkondigen. Doch dit bewijst hoegenaamd niet, dat Paulus den doop gering schat, of onnoodig acht; Rom. 6 en andere plaatsen leeren dit wel anders. Jezus zelf heeft echter ook den doop niet bediend maar liet hem bedienen. En zoo ook hield Paulus zich voornamelijk met de prediking van het evangelie bezig en liet het doopen en andere werkzaamheden bij de stichting en den opbouw der gemeenten aan zijne medearbeiders over.

Nu heet de doop wel in den eersten tijd een doop n t nomati of ev to noma Ijsou, Rom. 6 : 3, 1 Cor. 1 : 13, Gal. 3 : 27, Hd. 2 : 38, 8 : 16, 10 : 48, 19 : 5, maar daarmede is volstrekt niet gezegd, dat de doop met die bepaalde formule bediend werd. Immers zegt Paulus in 1 Cor. 10 : 2, dat de Israelieten ev ton Mwusjn, in 1 Cor. 1 : 13, dat de geloovigen te Corinthe niet ev to noma Paulou, in 1 Cor. 12 : 13, dat zij ev n swma gedoopt werden, en in Hd. 19 : 3 zeiden de discipelen te Efeze, dat zij ev to Iwannou baptisma waren gedoopt; in alwelke gevallen niemand aan eene formule denkt, die bij den doop werd uitgesproken. De uitdrukking: in den naam van Jezus, is niet als formule bedoeld, maar is omschrijving van het karakter van den christelijken doop, Zahn, Einl. in das N.T. II 309. De Israelieten lieten zich, uitgaande uit Egypte, in de wolk en in de zee doopen ev ton Mwusjn, in betrekking tot Mozes, zoodat zij hem erkenden als hun redder en verlosser, op hem hun vertrouwen stelden en zich door hem lieten leiden. De discipelen te Efeze waren gedoopt ev to Iwannou baptisma en hadden zich daardoor bij Johannes aangesloten. En zoo ook is en heet de christelijke doop een doop in of tot den naam van Jezus, omdat hij de geloovigen in zijne gemeenschap stelt en alleen op Hem al hun vertrouwen richt. Ditzelfde is nu ook bedoeld, als Jezus Mt. 28 : 19 zegt, dat zijne discipelen gedoopt moeten worden ev to noma tou patrov kai tou uou kai tou giou pneumatov. Hij schrijft hier niet aan de apostelen voor, wat zij bij de bediening des doops zeggen, maar wat zij doen moeten; de |259| christelijke doop is en moet, zijn eene inlijving in de gemeenschap met dien God, die zich als Vader, Zoon en Geest heeft geopenbaard. De naam duidt God in zijne openbaring aan, en de hoogste openbaring Gods bestaat daarin, dat Hij zich kennen doet en noemen laat als Vader, Zoon en Geest, deel II 63v. Het gedoopt worden in dien naam geeft dus niet maar te kennen, dat men op last of bevel Gods of tot belijdenis van zijn naam gedoopt wordt; immers kan de uitdrukking: in den naam, met den persoon zelf worden afgewisseld, gelijk Paulus ook spreekt van gedoopt worden ev Criston, Rom. 6 : 3, Gal. 3 : 27. Maar het geeft te kennen, dat de doopeling in betrekking tot en in gemeenschap met dien God gesteld wordt, die zich als Vader, Zoon en Geest heeft geopenbaard, en nu op grond daarvan ook verplicht wordt, om dien naam te belijden en te verheerlijken. Cf. Julius Bhmer, Das biblische „im Namen”. Eine sprachwiss. Untersuchung ber das hebr. Hbund seine griech. Aequivalente, Giessen Ricker 1898. Ofschoon Jezus echter na zijne opstanding den doop als eene inlijving in de gemeenschap met Vader, Zoon en Geest omschreven had, lag het voor de hand, dat hij in den eersten tijd meest met den persoon van Christus in verband werd gebracht. Het kwam bij de intrede in de gemeente allereerst aan op bekeering en op geloof in Christus, om in dien weg vergeving van zonden te erlangen, en daarvan was de doop het teeken en bewijs. Daarom heet de doop in de Hand. nog even als bij Johannes een baptisma metanoiav ev fesin martiwn, Hd. 2 : 38, 22 : 16. Maar er kwam in den eersten tijd nog iets anders bij. Johannes en ook Jezus zelf hadden dezen doop der bekeering gesteld tegenover den Geestesdoop, die op den pinksterdag plaats hebben zou. Deze Geestesdoop was volstrekt niet aan den waterdoop, den doop der bekeering tot vergeving der zonden, gebonden, want in Hd. 2 : 33 ontvangen alle discipelen dien Geest zonder doop; in Hd. 9 : 17, 10 : 44 worden de gaven des Geestes aan Paulus, Cornelius e.a. reeds geschonken vr den doop, cf. 11 : 15-17; in Hd. 8 : 1, 9 : 17, 19 : 6 wordt glossolalie en profetie niet door den doop maar door de handoplegging verleend. Maar toch was voor degenen, die buiten stonden, de doop der bekeering de gewone weg, waarlangs zij ook de gaven des Geestes konden ontvangen, Hd. 2 : 38, 19 : 5, 6. Deze verbinding was echter tijdelijk; glossolalie en profetie waren niet de eigenlijke weldaden |260| van den doop; de christelijke doop bleef wezenlijk een doop der bekeering en des geloofs in Christus tot vergeving der zonden. Zoo wordt hij ook overal in het N.T. verstaan en beschreven. Petrus zegt 1 Petr. 3 : 21, dat, gelijk Noach en de zijnen door het water, dat de ark droeg, behouden, zijn van den dood, zoo de geloovigen van het verderf gered zijn door den doop; maar die doop moet dan worden opgevat, niet als sarkov poqesiv upou, niet gelijk hij uitwendig ons afleggen doet de onreinheid des vleesches, maar als suneidjsewv gaqjv perwtjma ev qeou, di@ nastasewv Ijsou Cristou, d. i. waarschijnlijk, de bede tot God om een goed, van schuld bevrijd, geweten, hetgeen de doop alleen is en wezen kan door de opstanding van Jezus Christus als bewijs van onze rechtvaardigmaking, Rom. 4 : 25. Dezelfde opvatting keert in den brief aan, de Hebr. terug; deze rekent wel de didacj baptismwn, d.i. niet de leer van den christelijken doop maarvan de wasschingen in het algemeen, waarvan een rechte beschouwing voor Joodsche Christenen dringend noodig was, cf. 9 : 10, tot de grondbeginselen van het Christendom, maar onderscheidt in den christelijken doop twee elementen: de wassching des lichaams met rein water en de reiniging des harten van een kwaad, beschuldigend, geweten, 10 : 22, 23. Van eene andere zijde wordt de doop door Paulus beschouwd; hij brengt hem niet zoozeer met de rechtvaardigmaking als wel met de heiligmaking in verband. Als indalen in en opkomen uit het water is de doop een afbeelding en onderpand van het treden in gemeenschap met Christus, met zijn dood en met zijne opstanding, Rom. 6 : 3-6, Col. 2 : 12. Zoovelen dan in Christus, in zijne gemeenschap, gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan, Christus zich toege-eigend, zoodat zij nu in Christus zijn, Hem toebehooren, Gal. 3 : 27-29, in nieuwigheid des levens wandelen, Rom. 6 : 4, 6v., Ef. 5 : 26, Gode leven, Rom. 6 : 11, 13, ja het leven van Christus zelven in zich dragen, Gal. 2 : 20. En even als zij door den doop in gemeenschap met Christus getreden zijn, zoo ook met zijne gemeente, die zijn lichaam is; zij zijn allen door nen Geest tot n lichaam gedoopt, 1 Cor. 12 : 13, Rom. 12 : 5. De waterdoop is bij Paulus tegelijk Geestesdoop, maar niet een doop met de geestelijke gaven der glossolalie en profetie, doch met den Geest als beginsel des nieuwen levens. Gedoopte menschen zijn nieuwe, geestelijke menschen, pneumatikoi. Maar deze vernieuwing |261| des menschen door den H. Geest in den doop staat niet los naast en komt niet toevallig bij de rechtvaardigmaking uit het geloof. Zij vallen samen; de Corinthirs zijn op hetzelfde oogenblik afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods, 1 Cor. 6 : 11, cf. deel III 531. In den doop zijn al deze weldaden saamgevoegd en aan de geloovigen geschonken, hetgeen echter niet wegneemt, dat de Corinthirs, trots hun doop, door Paulus nog sarkikoi, njpioi n Crist genoemd en voor mogelijken afval ernstig worden gewaarschuwd, 1 Cor. 3 : 1, 3, 10 : 1-12. Cf. Bossert, Die Bedeutung der Taufe in N.T., Zeits. f. k. Wiss. u. k. Leben 1888 S. 339 f. Ehlers, Das N.T. und die Taufe 1890. Holtzmann, Neut. Theol. I 378 II 178.






deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2003