§ 52. De Doop.

1. De doop in het N. Test. werd in de dagen des O. Verbonds voorbereid door de besnijdenis, die door God uitdrukkelijk aan Abraham werd voorgeschreven, Gen. 17 : 10v. volgens Herodotus II 36. 104 kwam de besnijding ook bij de Egyptenaren, Phenicirs en Syrirs voor. De Gereformeerden, bijv. Witsius, Aegypt. III 6, 11. 12, Marck, Med. Theol. 29, 8, trachtten dit getuigenis wel te weerleggen of ook aan te toonen, dat deze volken haar van Israel hadden overgenomen. Maar dit gevoelen is onhoudbaar. Bij de Egyptenaren was zij reeds in overoude tijden, althans voor |253| de priesters, in gebruik. En nieuwere ethnologische onderzoekingen hebben boven allen twijfel in het licht gesteld, dat de besnijdenis eene plechtigheid is, die bij tal van volken in Azi, Amerika, Afrika en zelfs Australi voorkomt, Delitzsch op Gen. 17. Art. Beschneidung in Herzog3. Glassberg, Die Beschneidung in ihrer geschichtl. ethnogr. relig. u. medie. Bedeutung, Berlin Boas 1896. Evenals God bij de instelling van tempel en priesterschap, van offer en altaar, van wetten en ordeningen onder Israel bij bestaande gebruiken onder andere volken zich aansluit, zoo doet Hij ook bij de besnijdenis. Hij neemt ze als het ware over, maar geeft er eene andere, eene sacramenteele beteekenis aan. Want onder de volken kwam wel de lichamelijke besnijdenis voor, maar zij droeg daar geenzins het karakter van een sacrament. Ook werd ze daar dikwerf, gelijk bij de Egyptenaren, alleen aan enkele personen, en gewoonlijk niet in de eerste levensdagen maar op lateren leeftijd, voltrokken. Als God echter bij Abraham de besnijdenis instelt, dan beveelt Hij, dat alwat mannelijk is besneden zal worden, zoowel de dienstknecht als de zoon des huizes; dat die besnijdenis plaats hebben moet ten achtsten dage; en dat zij dient als teeken des verbonds, zoodat wie haar niet ontvangt, een verbondbreker is en uit het midden van zijn volk moet worden uitgeroeid. Al moge de besnijdenis dus ook een sanitaire maatregel zijn, zij vindt daarin toch onder Israel haar doel niet; hier strekt zij tot teeken en bevestiging van het verbond der genade; welks ne, groote, allesomvattende belofte is: Ik zal uw God zijn en de God van uw zaad, Gen. 17 : 7. Bepaaldelijk is zij een zegel van twee weldaden van dat verbond, van de gerechtigheid des geloofs, Rom. 4 : 11, en van de besnijdenis des harten, Deut. 10 : 16, 30 : 6, Jer. 4 : 4, Rom. 2 : 28, 29, Col. 2 : 11, dat is, van de rechtvaardigmaking of vergeving der zonden en van de wedergeboorte of heiligmaking. Niet dat zij deze weldaden werktuigelijk schenkt, want uitwendige besnijdenis, zonder die des harten is zonder waarde, Hd. 7 : 51, Rom. 2 : 28, 29; 3 : 21, 30, 1 Cor. 7 : 19, zij is een zegel van de gerechtigheid des geloofs en onderstelt dus het geloof. Toen de Joden hoe langer hoe meer hunne eigene gerechtigheid uit de wet zochten op te richten, werden zij evengoed als de Heidenen en in weerwil van hunne uitwendige besnijdenis verdoemelijk voor God, Rom. 3 : 21. Daarom stelde God reeds vr het openbaar optreden van Jezus door |254| Johannes den waterdoop in. Ook deze doop was niet iets nieuws, evenmin als oudtijds de besnijdenis. Heel de oudheid schreef in den godsdienst aan het water eene symbolische beteekenis toe. Het water van Eufraat, Indus, Ganges had eene verzoenende, heiligende kracht. Bij Grieken en Romeinen waren bij allerlei gelegenheden, bijv. bij inwijding in de mysterin, wasschingen voorgeschreven, Pfanner, Syst. Theol. gent. 346. Ook onder Israel waren reeds langen tijd vr de Goddelijke instelling van den doop allerlei wasschingen in gebruik, Schrer, Gesch. des jd. Volkes3 II 481, en voor de proselyten was behalve besnijdenis en offer ook een doop noodig, om in de gemeente te worden opgenomen, ib. III 129. Maar sacrament, teeken en zegel van genade, wordt deze doop toch eerst door de instelling Gods. Het N. Test. leert dan ook uitdrukkelijk, dat er een jma qeou tot Johannes uitging om te doopen, Luk. 3 : 2, 3, dat God hem daartoe zond, Joh. 1 : 33, dat zijn doop niet x nqrwpwn maar x oranou was, Mt. 21 : 25, en dat de tollenaren, die zich lieten doopen, God rechtvaardigden, terwijl de farizen en wetgeleerden, den doop van Johannes weigerende, den raad Gods verwierpen, Luk. 7 : 29, 30. Met dien doop predikte Johannes aan de Joden van zijn tijd, dat zij, schoon besneden en de proselyten doopende, zelven schuldig en onrein waren en den doop van noode hadden, om in te gaan in het koninkrijk der hemelen. De doop van Johannes was dus eene aanklacht tegen, eene veroordeeling van de Joden, eene prediking van hunne verdoemelijkheid, maar — men vergete het niet — hij was ook nog iets meer. Hij was het onomstootelijk bewijs, dat God zijn verbond gedacht en zijne belofte vervulde. Niettegenstaande de Joden schuldig en onrein waren, er was toch vergeving bij God; en deze zou nu nog rijker zich gaan openbaren dan in de dagen des O.T. Johannes de Dooper is daarom ook niet te beschouwen als de laatste der O.T. profeten, want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe, wv Iwannou, geprofeteerd, Mt. 11 : 13, maar als de aankondiger van het komende Godsrijk, Mt. 3 : 2, als de prediker van het naderend evangelie, Luk. 3 : 18, als de wegbereider van Christus, Mk. 1 : 2, als de getuige van het opgaande licht, Joh. 1 : 7, 29, 34, 36 cf. Mt. 3 : 11, Mk. 1 : 7, Luk. 3 : 16, Hd. 19 : 4, die straks voor den meerdere plaats maakt en zijne jongeren naar dezen henenleidt, Joh. 1 35v., 3 : 27v. Met dezen |255| inhoud van zijne prediking komt zijn doop overeen. Het was een baptisma metanoiav ev fesin martiwn, Mk. 1 : 4, hetgeen niet beteekent, dat Johannes’ doop slechts tot de later door Christus te ontvangen vergeving voorbereidde (Meyer), maar zeer bepaald, dat hij in den weg van bekeering de vergeving schonk. Immers het heet op dezelfde wijze in Hd. 2 : 38 van den christelijken doop, dat hij geschiedde ev fesin martiwn, omdat men door den doop als teeken en zegel de vergeving verkrijgt. Voorts is Jezus zelf met den doop van Johannes gedoopt, maakt tusschen den doop, door zijne jongeren bediend, en dien van Johannes hoegenaamd geen onderscheid, Joh. 3 : 22, 23, 4 : 1, neemt de door Johannes gedoopte jongeren eenvoudig over, zonder ben te herdoopen, Joh. 1 : 37, Hd. 18 : 25, en stelt in Mt. 28 : 19 geen anderen of nieuwen doop in, maar breidt hem alleen tot alle volken uit. Op deze gronden werd door Gereformeerden, Calvijn, Inst. IV 15, 7. 8. Mastricht, Theol. VII 4, 17. Turretinus, Theol. El. XIX 16, M. Vitringa VII 52 en Lutherschen, Gerhard, Loc. XX 15 sq. 43 sq. bij gradueel verschil toch de wezenlijke identiteit van den Johanneischen en den christelijken doop vastgehouden. Maar deze werd bestreden door de Roomschen, Thomas, S. Theol. III qu. 66 art. 4. Trid. sess. VII can. 1. Bellarminus, de bapt. I 5, door de Anabaptisten, Socinianen, Arminianen en door vele nieuwere theologen, Schleiermacher, Chr. Gl. 136, 1. Steitz in Herzog1 15, 468. Hfling, Das Sakr. der Taufe I 26 f. van Oosterzee, Dogm. 87, 2 enz. Er zijn ook inderdaad tegen de identiteit gewichtige bpzwaren in te brengen. Ten eerste wordt aan Mt. 3 : 11, Mk. 1 : 8, Luk. 3 : 16 de bedenking ontleend, dat de doop van Johannes en de christelijke doop tegenover elkander staan als water- en als Geestes- en vuurdoop. Maar Hd. 1 : 5 leert duidelijk, dat Johannes hier niet zijn doop tegen den christelijken doop, maar tegen den overdrachtelijk zoo genoemden doop des H. Geestes op den pinksterdag overstelt. De eigenlijke christelijke doop is immers ook een doop met water, beteekenend de afwassching der zouden, en de doop van Johannes was eveneens een doop met water, maar die tevens verzegelde de bekeering en vergeving. Beide doopen komen dus in teeken en beteekende zaak geheel overeen. Anders zou er ook het ongerijmde uit volgen, dat niet alleen de doop van Johannes, maar ook de doop, dien Jezus zelf vr den pinksterdag door |256| zijne discipelen bedienen riet, niets dan een doop met water ware geweest. En dat durven zelfs de bestrijders van de identiteit van den doop van Johannes en van Christus niet aan. Zij zeggen gewoonlijk, dat de christelijke doop f reeds bij Jezus’ doop door Johannes f bij het doopen van Jezus zelf door zijne discipelen ingesteld is. Maar beide doopen, zoowel die van Jezus als die van Johannes, waren onderscheiden van dien Geestesdoop, die op den pinksterdag plaats hebben zou, al beteekenden en verzegelden zij beide ook dezelfde weldaden van bekeering en vergeving der zonden. Maar nu wordt toch weer — en dat is het tweede bezwaar tegen de bovenbedoelde identiteit — de Geestesdoop van den pinksterdag met den christelijken waterdoop in verband gebracht. Volgens Hd. 19 : 1-7 toch trof Paulus te Efeze eenige discipelen aan, die gedoopt waren ev to Iwannou baptisma, die maqjtai en pisteusantev heetten en toch den H. Geest niet ontvangen hadden en zelfs niet wisten, e pneuma gion stin. Door Paulus beter aangaande de prediking van Johannes onderricht, lieten zij zich doopen ev to noma tou kuriou Ijsou, en de handen opleggen en ontvingen alzoo den H. Geest en begonnen te spreken in tongen en te profeteeren. Uit dit laatste blijkt, dat bij pneuma gion hier, evenals 8 : 15, 10 : 44, 11 : 15, 15 : 8 aan de Geestesgave der glossolalie en profetie moet worden, gedacht; deze hadden de discipelen in Efeze niet ontvangen en zij hadden er zelfs niet van gehoord. De doop gaf niet altijd die gave, niet alleen die van Johannes niet maar ook niet die van Jezus. Want in Hd. 8 : 15 lezen wij, dat de geloovigen in Samaria wel gedoopt waren ev to noma tou kuriou Ijsou, maar nog geen van allen den H. Geest ontvangen hadden en dien eerst verkregen door handoplegging der apostelen. En evenzoo laat Hd. 19 : 6 deze gave niet een gevolg zijn van den doop maar van de handoplegging. Doch het vreemde in Hd. 19 is, dat de discipelen in Efeze vr deze handoplegging in den naam van den Heere Jezus gedoopt werden. Paulus moet dus den doop, dien zij ontvangen hadden, niet als een waren, echten doop hebben erkend. Zij waren gedoopt ev to Iwannou baptisma. De doop van Johannes was wel goed, want hij doopte den doop der bekeering tot geloof in Christus. Maar onder de discipelen van Johannes, die bij hem gebleven en niet tot Jezus waren overgegaan, was er allerlei dwaling binnengeslopen, ook aangaande |257| den doop; en zoo moesten de discipelen in Efeze niet op nieuw maar voor de eerste maal in Jezus’ naam gedoopt worden, want hun doop tot den naam van Johannes was geen ware doop, niet de echte christelijke en ook niet de echte, oorspronkelijke Johanneische doop. Cf. Baldensperger, Der Prolog des vierten Evang. Freiburg Mohr 1898, die meent, dat heel de proloog van Joh. 1 tegen deze Baptisten of volgelingen van Johannes den Doop er geschreven is.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2003