3. Het woord, dat God bezigt om op zedelijk en geestelijk gebied zijn wil bekend te maken en te volbrengen, is in wet en evangelie te onderscheiden. Als Jezus op aarde verschijnt, om de komst van het in het O.T. beloofde koninkrijk aan te kondigen, Mk. 1 : 15, om aan tollenaren en zondaren, aan armen en gevangenen het evangelie der vergeving en der zaligheid te brengen, Mt. 5 : 1v., 11 : 5, 28-30, Luk. 4 : 18, 19, 19 : 10 enz., komt Hij vanzelf in strijd met de farizeesche, nomistische opvatting der religie, die er in zijn tijd heerschte. Toch al verwerpt Hij de menschelijke inzettingen der ouden, Mt. 5 : 21v., 15 : 9 en al heeft Hij eene andere opvatting van doodslag, Mt. 5 : 16, overspel, 5 : 27, eed, 5 : 33, vasten, 6 : 16, echtscheiding, Mt. 19 : 9, sabbat, Mk. 2 : 27; Hij handhaaft de gansche wet, ook in haar ceremonieele bestanddeelen, Mt. 5 : 23, 24, 17 : 24-27, 23 : 2, 3. 23, Mk. 1 : 44, 11 : 16; Hij verklaart haar in haar geestelijken zin, Mt. 5-7, legt op haar ethischen inhoud den nadruk, beschouwt de liefde tot God en den naaste als haar hoofdsom, Mt. 7 : 12, 9 : 13, 12 : 7, Mk. 7 : 15, 12 : 28-34 en verlangt |202| een andere, overvloediger gerechtigheid dan die der Farizeën, Mt. 5 : 20. Zelf heeft Hij, ofschoon meer dan de tempel, Mt. 12 : 6, zich dan ook onder de wet gesteld, Mt. 3 : 15 en is gekomen, om de wet en de profeten te vervullen, 5 : 17. En daarom weet Hij, dat, al dringt Hij nooit op afschaffing der wet aan, zijne jongeren innerlijk vrij zijn van de wet, Mt. 17 : 26, dat zijne gemeente niet op de wet maar op de belijdenis van zijne Messianiteit gegrond is, Mt. 16 : 18, dat in zijn bloed een nieuw verbond wordt gesticht, Mt. 26 : 28, dat in één woord de nieuwe wijn ook nieuwe lederzakken eischt, Mt. 9 : 17, en de dagen van tempel en volk en wet zijn geteld, Mk. 13 : 2. Jezus wil geen revolutionaire omverwerping van de wettische bedeeling des O. Verbonds, maar eene hervorming en vernieuwing, welke uit hare volkomene vervulling vanzelf geboren wordt, cf. deel III 217. En zoo is het ook feitelijk toegegaan. De gemeente te Jeruzalem hield zich in den eersten tijd nog aan tempel en wet, Hd. 2 : 46, 3 : 1, 10 : 14, 21 : 20, 22 : 12. Maar eene nieuwe opvatting bereidde zich voor. Met de bekeering der Heidenen kwam de vraag aan de orde naar de beteekenis der Mozaische wet. En Paulus was de eerste, die ten volle begreep, dat in den dood van Christus het handschrift der wet was uitgewischt, Col. 2 : 14. Paulus verstaat onder nomov, tenzij eene nadere bepaling anders aanwijst, bijv. Rom. 3 : 27, Gal. 6 : 2, altijd de Mozaische wet, de gansche thora, inbegrepen ook de ceremonieele geboden, Rom. 9 : 4, Gal. 2 : 12, 4 : 10, 5 : 3, Phil. 3 : 5, 6. En hij beschouwt die wet niet, gelijk de brief aan de Hebreën, als onvolkomene, voorbereidende, Oudtestamentische bedeeling van het genadeverbond, die verdwijnt, als de hoogepriester en borg van het beter verbond gekomen is, maar als openbaring van Gods wil, als religieus-ethische eisch en vordering, als door God gewilde regeling van de verhouding tusschen Hem en den mensch. En van deze wet, zoo opgevat, leert Paulus nu, dat ze wel heilig en goed is, en door God geschonken, Rom. 2 : 18, 7 : 22, 25, 9 : 4, 2 Cor. 3 : 3, 7, maar in plaats van, zooals de Farizeën beweerden, gerechtigheid te kunnen schenken, is ze krachteloos door het vleesch, Rom. 8 : 3, prikkelt de begeerte, 7 : 7, 8, vermeerdert de overtreding, 5 : 20, Gal. 3 : 19, bewerkt toorn, vloek en dood, Rom. 4 : 15, 2 Cor. 3 : 6, Gal. 3 : 10 en is slechts voor een tijd, om paedagogische redenen, tusschen beide ingekomen, Rom. 5 : 20, |203| Gal. 3 : 19, 24, 4 : 2, 3. Daarom heeft dan ook nu die wet in Christus, het zaad der belofte, haar einde bereikt, Rom. 10 : 4; de geloovige is vrij van de wet, Gal. 4 : 26v., 5 : 1, wijl Hij door Christus van den vloek der wet verlost, Gal. 3 : 13, 4 : 5, en den Geest van het kindschap, den Geest der vrijheid deelachtig is, Rom. 8 : 15, 2 Cor. 3 : 16, 17, Gal. 5 : 18. Deze vrijheid des geloofs heft echter de wet niet op maar bevestigt haar, Rom. 3 : 31, wijl haar recht juist in degenen, die wandelen naar den Geest, vervuld wordt, 8 : 4. Die Geest toch vernieuwt de geloovigen, zoodat zij een lust hebben in Gods wet naar den inwendigen mensch en onderzoeken wat Gods heilige wil is, Rom. 7 : 22, 12 : 2, Ef. 5 : 10, Phil. 1 : 10, terwijl zij door allerlei drangredenen, de groote barmhartigheid Gods, het voorbeeld van Christus, den duren prijs, waarvoor zij gekocht zijn, de gemeenschap des H. Geestes enz. tot het doen van Gods wil worden aangespoord. Cf. over de wet in het N.T. Weiß, Bibl. Theol. Holtzmann, Neut. Theol. I 130 f. II 22 f. L. Jacob, Jesu Stellung zum mos. Gesetz, Gött. 1893. Grafe, Die Paulin. Lehre v. Gesetz2, Leipzig Mohr 1893. Zehnpfund, Das Gesetz in den paulin. Briefen, Neue Kirchl. Zeits. 1897 S. 384-419. Art. bij Cremer enz.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004