2. Toen Jezus, komende tot het zijne, door de zijnen niet aangenomen werd, organiseerde Hij zijne discipelen tot eene kkljsia, die hopend en lijdend zijne tweede komst en de overwinning van al zijne vijanden verbeiden moest. Deze gemeente toont in inrichting en cultus wel eenige overeenkomst met de synagoge, maar is toch eene nog vrijere en meer zelfstandige organisatie van het nieuwe leven, dat Christus aan het licht gebracht had. Immers kan er geen twijfel over bestaan, of Christus zulk eene gemeente gesticht en haar eene zekere macht, toebetrouwd heeft. Zelf toch spreekt Hij van haar als zoo hecht op eene rots gebouwd, dat de poorten der hel niets tegen haar zullen vermogen, Mt. 16 : 18, en voorts geeft Hij aan die gemeente ambten, bedieningen, instellingen, gaven, Rom. 12 : 6v., 1 Cor. 12-14, Ef. 4 : 11, die er alle op wijzen, dat zij een eigen, vrij, onafhankelijk bestaan en eene zelfstandige inrichting heeft. Maar deze macht, welke Christus aan zijne gemeente verleent, draagt een bijzonder karakter. Zij bestaat in niets anders maar ook in niets minder dan in de macht der sleutelen, die door Christus het eerst aan Petrus toebedeeld werd, Mt. 16 : 19. Nadat Petrus eerst om zijne belijdenis van Jezus’ Messianiteit eene rots was genoemd, op welke Christus, zijne gemeente zou bouwen, stelde Hij hem daarna in vers 19 tot o¸konomov van het koninkrijk-der hemelen aan en droeg de sleutelen van dat rijk aan hem over. Sleutelen zijn een teeken van heerschappij, Jes. 22 : 22, Luk. 11 : 52, Openb. 1 : 8, 3 : 7, 9 : 1, 20 : 1, en duiden hier de macht van Petrus aan, om het koninkrijk der hemelen te openen en te sluiten, d.i. om te bepalen, wie er in komen zal en wie niet. Zijn oordeel toch zal ook in den hemel gelden; wat hij binden of ontbinden (losmaken, bevrijden) zal, zal ook door God alzoo gerekend worden. In deze woorden wordt aan Petrus geen wetgevende macht geschonken, maar wel eene oordeelende of richtende; omdat hij belijder van Jezus als den Christus is, heeft hij in die belijdenis een maatstaf om te bepalen, wat tot de gemeente al dan niet |136| behoort en dus al dan niet in het koninkrijk der hemelen zal ingaan. In Mt. 18 : 18 krijgt de gemeente in het algemeen de macht, om een onboetvaardige als een heiden en tollenaar te beschouwen, want haar oordeel is in de hemelen van kracht. En in Joh. 20 : 24 ontvangen al de apostelen, op grond van de hun in vers 22 geschonken Geestesgave, de macht, om der menschen zonden los te laten of vast te houden. Hieruit blijkt duidelijk, dat de macht der gemeente en bepaaldelijk van Petrus en de apostelen bestaat in het uitspreken van een rechterlijk oordeel over der menschen verhouding tot het koninkrijk der hemelen naar den maatstaf van de belijdenis van Jezus als den Christus en de gave des H. Geestes. Deze macht wordt in het N.T. telkens nader omschreven. Zij is geen autoritaire, onafhankelijke, souvereine heerschappij, Mt. 20 : 25, 26, 23 : 8, 10, 2 Cor. 10 : 4, 5, 1 Petr. 5 : 3, maar een diakonia, leitourgia, Hd. 4: 29, 20 : 24, Rom. 1 : 1 enz., gebonden aan Christus, die alle macht heeft in hemel en op aarde, Mt. 28 : 18, die het eenige hoofd der gemeente is, Ef. 1 : 22 en die als zoodanig alle gaven en ambten uitdeelt, Ef. 4 : 11; gebonden aan zijn Woord en Geest, door welke Christus zelf zijne gemeente regeert, Rom. 10 : 14, 15, Ef. 5 : 26, en uitgeoefend in zijn naam en kracht, 1 Cor. 5 : 4. Zij is daarom wel eene macht, eene wezenlijke veelomvattende macht, bestaande in de bediening van woord en sacrament, Mt. 28 : 19, in de opening en sluiting van het koninkrijk der hemelen, Mt. 16 : 19, in het vergeven of houden der zonden, Joh. 20 : 20, in het oefenen van tucht over de leden der gemeente, Mt. 16 : 18, Rom. 16 : 17, 1 Cor. 5 : 4, 2 Thess. 3 : 6, Tit. 3 : 10, 2 Joh. 10, 2 Tim. 2 : 17, Hebr. 12 : 15-17, Op. 2 : 14, in het onderscheiden aller dingen, 1 Cor. 2 : 15, in het leeren, vertroosten, vermanen enz. der broederen, Col. 3 : 16, in het aanleggen der gaven ten nutte van anderen, Rom. 12 : 4-8, 1 Cor. 12 : 12v., in het doen van wonderen, Mk. 16 : 17, 18 enz. Maar al deze macht is geestelijk, zedelijk van aard, wezenlijk onderscheiden van alle andere macht, welke God aan menschen over menschen of over andere schepselen in gezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap geschonken heeft. Jezus toch is niet anders opgetreden dan als Christus, als profeet, priester en koning; een ander ambt heeft Hij niet bekleed, eene andere betrekking heeft Hij niet waargenomen. Hij was geen |137| huisvader, geen geleerde, geen kunstenaar, geen staatsman; Hij heeft alle ordinantiën en werken des Vaders geeerbiedigd en kwam alleen, om de werken des duivels te verbreken, 1 Joh. 3 : 8. Zijn koninkrijk had in deze wereld zijn oorsprong niet, Joh. 18 : 36. En daarom erkent Hij alle overheid, hoogepriester, sanhedrin, Herodes, Pilatus enz., betaalt Hij de belasting, Mt. 17 : 24, weigert scheidsrechter te wezen tusschen twee broeders, die twisten over eene erfenis, Luk. 12 : 14, beveelt den keizer het zijne te geven, Mt. 22 : 21, bestraft Johannes, die vuur wil doen nederdalen van den hemel, Luk. 9 : 55, en Petrus, die Malchus het oor afhouwt, Joh. 18 : 10, verbiedt dat zijne jongeren voor zijn naam en zaak strijden met het zwaard, Mt. 26 : 52. Het evangelie van Christus bindt nooit den strijd tegen de natuur als zoodanig aan, het kwam niet om de wereld te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3 : 16, 17; het laat huisgezin, huwelijk, verhouding van ouders en kinderen, van heeren en dienstbaren, van overheid en volk onaangetast; het vindt niets verwerpelijks in zichzelve en alle schepsel goed, indien het met dankzegging genomen wordt en geheiligd door het woord van God en door het gebed, 1 Tim. 4 : 4; het laat een iegelijk blijven in de roeping, in welke hij geroepen werd, 1 Cor. 7 : 12-24, 1 Thess. 4 : 11, leert de overheid eerbiedigen, Rom. 13 : 1, 1 Tim. 2 : 2, 1 Petr. 2 : 13, en laat zelfs de slavernij bestaan, 1 Cor. 7 : 22, Philem. 11. Zelfs als het gebiedt, Gode meer te gehoorzamen dan den menschen, predikt het alleen lijdelijk verzet, Hd. 4 : 19, 5 : 29. Maar desniettemin, schoon van alle revolutie afkeerig, is het des te meer op reformatie gesteld. Het bindt nooit tegen de natuur als zoodanig, maar wel overal en altijd, op ieder terrein en tot in de verborgenste schuilhoeken toe tegen de zonde en de leugen den strijd aan. En zoo predikt het beginselen, die niet langs revolutionairen maar langs zedelijken en geestelijken weg overal doorwerken en alles hervormen en vernieuwen. Terwijl het naar Jezus’ bevel gepredikt moet worden aan alle creaturen, Mk. 16 : 15, is het eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, Rom. 1 : 16; een tweesnijdend scherp zwaard, dat doordringt tot de verdeeling der ziel en des geestes, Hebr. 4 : 12; een zuurdeesem, die alles doorzuurt, Mt. 13 : 33; een beginsel, dat alles herschept; eene macht, die de wereld verwint, 1 Joh. 5 : 4. |138|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004