2. De H. Schrift stelt dit in helder licht. Als Adam gevallen is en zich voor des Heeren aangezicht verbergt, is het God zelf, die den mensch opzoekt en roept, de belofte des evangelies hem predikt en daardoor zijne gemeente sticht. Met Noach richt hij zijn verbond op, deelt er een schat van zegeningen in mede en bezegelt het met den boog in de wolken. Abram roept Hij uit Ur der Chaldeën, maakt hem tot zijn bondgenoot en geeft hem het teeken der besnijdenis. In den patriarchalen tijd waren de huisgezinnen de gemeenten der geloovigen; de huisvaders waren de priesters, die de beloften meedeelden aan hunne kinderen en Gode offeranden brachten van aanbidding en dank. Het volk van |64| Israel ontving bij den Sinai niet alleen eene burgerlijke maar ook eene godsdienstige organisatie en werd in priesterschap en offerande, in tabernakel en altaar, in allerlei wetten en instellingen als het volk Gods openbaar. Als bij den aanvang des N. Test. Johannes de Dooper optreedt, predikt hij den doop der bekeering tot vergeving der zonden, en zondert daardoor het volk Gods van het zondig Israel af. Jezus neemt deze prediking en dezen doop van Johannes over, voegt er later het avondmaal aan toe, vergadert eene kkljsia rondom zich, regeert haar zelf rechtstreeks, zoolang Hij op aarde is, en stelt een twaalftal apostelen aan, die straks als zijne getuigen zullen optreden. De instelling van het apostolaat is vooral een krachtig bewijs voor het institutair karakter, dat Christus aan zijne kerk op aarde gaf. Christus is zelf de ‡postolov, Hebr. 3 : 1, en zet deze ‡postolj in de twaalven voort, Joh. 20 : 21. Dit twaalftal vormde zich niet allengs vanzelf, maar werd uitdrukkelijk door Jezus zelven geroepen en aangesteld. Er is bij hen, ofschoon Jezus van den aanvang wist, wie Hij tot apostelen verkiezen zou en daarom reeds terstond tot hen kon zeggen, dat hij hen tot ƒleeiv ‡nqrwpwn, Mk. 1 : 17 zou maken, toch een duidelijk onderscheid te maken tusschen hunne eerste roeping tot het discipelschap, en hunne tweede roeping tot het apostelschap, Mt. 4 : 18-22 en 10 : 1, Mk. 1 : 16 en 3 : 14, Luk. 6 : 1 en 13-16. Door velen, zooals Schleiermacher, Volkmar, Harnack, Seufert, Holtzmann enz. wordt deze speciale roeping tot het apostelambt door Jezus wel ontkend. Maar de feiten zijn met deze bewering in strijd. Het twaalftal apostelen stond toch reeds lang vóór het optreden van Paulus in de christelijke gemeenten vast, Mt. 26 : 33, 28 : 18, Luk. 24 : 47, Joh. 20 : 19, 21, 1 Cor. 15 : 5, 7, Op. 21 : 14. Ook de naam van apostel, xwlH, is hun door Jezus gegeven, Luk. 6 : 13, cf. 11 : 49, Mt. 23 : 34, 10 : 2, Mk. 6 : 30, Luk. 9 : 10, 17 : 5, 22 : 14, 24 : 10, omdat zij door Hem werden uitgezonden om te prediken, Mk. 3 : 14. Jezus was zelf de gezondene van den Vader, Joh. 3 : 34, Hebr. 3 : 1 en had tot uitvoering van zijn werk getuigen van noode, die het in Hem verschenen evangelie bekend maakten onder heel het volk van Israel, Mt. 10 : 6. Deze naamgeving door Jezus wordt daardoor bevestigd, dat het woord apostel van den beginne aan, een ambtsnaam is geweest, zoozeer zelfs, dat het woord yeudapostolov |65| gevormd kon worden, 2 Cor. 11 : 13. Het woord xwlH komt trouwens in LXX slechts eenmaal, 1 Kon. 14 : 6, en het woord ‡postolov in het profaan grieksch zelden voor. Toch schijnen deze feiten der Schrift over het apostolaat door andere gegevens weersproken te worden. Ten eerste is het onzeker, wie tot dit twaalftal apostelen gerekend moeten worden. Ook al wordt het verschil tusschen de vier apostellijsten, Mt. 10 : 2, Mk. 3: 16, Luk. 6 : 14, Hd. 1 : 13 in dien zin opgelost, dat Lebbeus Thaddeus en Judas Jacobi vereenzelvigd worden, dan blijft toch nog over, dat Judas uitviel en door Matthias vervangen, Hd. 1 : 15-26, en later Paulus nog aan het twaalftal toegevoegd werd. De verhouding van Paulus tot de twaalven is daarbij verre van duidelijk. Wel maakt Paulus meermalen dit onderscheid, dat de apostelen te Jeruzalem onder Israel en hijzelf onder de Heidenen het evangelie verkondigen zou, Hd. 9 : 15, 13 : 47, 22 : 21, Rom. 11 : 13, Gal. 1 : 16, 2 : 7-9, Ef. 3 : 8, 1 Tim. 2 : 7, 2 Tim. 1 : 11. Maar dit onderscheid is toch zeer relatief; want Paulus wendde zich bij zijne evangelieverkondiging altijd eerst tot de Joden, Hd. 13 : 5, 14, 46 enz. en de twaalf apostelen ontvingen van Christus na zijne opstanding den uitdrukkelijken last, om aan alle volken het evangelie te prediken, Mt. 28 : 19, Hd. 10 : 42, en hebben aan dien last ook in meerdere of mindere mate voldaan. Niet alleen de gemeente uit de Joden, maar geheel de Nieuwtestamentische gemeente rust op het fundament van apostelen en profeten, Ef. 2 : 20, Op. 21 : 14 en heeft door hun woord gemeenschap aan Christus, Joh. 17 : 20, 1 Joh. 1 : 3. Het apostolaat van Paulus draagt echter een van dat der twaalven zeer onderscheiden karakter. Wel handhaaft Paulus met alle macht den Goddelijken oorsprong, de zelfstandigheid en de waarachtigheid van zijn apostolisch ambt tegenover alle bestrijders, Gal. 1-2, 1 Cor. 1 : 10 - 4 : 21, 2 Cor. 10 : 13. Maar desniettemin, hij heeft met Jezus niet verkeerd tijdens zijne omwandeling op aarde, hij heeft de gemeente Gods vervolgd, hij is geroepen door den verhoogden Christus op eene buitengewone wijze en een ongewone tijd, hij is geweest de voornaamste der zondaren en de minste der apostelen, 1 Cor. 15 : 9, Ef. 3 : 8, 1 Tim. 1 : 15. Zijn apostolaat, hoe zelfstandig en uitnemend ook, is een middel geweest, om het apostolaat der twaalven tot grondslag van heel de gemeente te leggen. Paulus heeft door zijn apostolaat het |66| apostolaat der twaalven niet beperkt of ondermijnd maar het integendeel bevestigd en uitgebreid. Hij heeft in de heidenwereld voor het apostolaat der twaalven den weg gebaand, heeft het eenerzijds ontdaan van al het Joodsche, dat de dragers ervan nog bleef aankleven en andererzijds de Heidenen als wilde takken ingeent op den tammen olijfboom van Israel, Rom. 11 : 24. Op Christus als hoeksteen en de apostelen als fundament heeft Paulus de ééne gemeente, het ééne volk Gods, het geestelijk Israel gebouwd. Daarmede is in beginsel ook reeds eene tweede bedenking opgelost, welke tegen de aanstelling en naamgeving van de twaalf apostelen door Jezus ingebracht wordt. Het is n.l. een feit, dat het woord apostel, waarschijnlijk reeds in Jeruzalem, Hd. 14 : 4, 14, 2 Cor. 11 : 13, Op. 2 : 2, maar dan vooral door Paulus in ruimer zin is gebezigd en ook op anderen dan het twaalftal toegepast is. Paulus moest dat daarom wel doen, wijl hij zichzelf een geroepen dienaar van Jezus Christus wist, in ambt en eere aan de andere apostelen gelijk. Hij was apostel in een anderen zin dan de apostelen in Jeruzalem, op eene andere wijze en in een lateren tijd geroepen en met eene speciale taak belast. Maar één ding had hij met de apostelen in Jeruzalem gemeen; hij was een geroepen apostel van Jezus Christus, die zijne roeping, zijn evangelie, zelfs bepaaldelijk ook den eigenaardigen inhoud van zijn evangelie, n.l. dat de Heidenen zijn medeerfgenamen, aan eene bijzondere openbaring van Christus en niet aan menschen te danken had, 1 Cor. 9 : 1, 15 : 8, Gal. 1 : 1, 12, 15, 2 : 2, Ef. 3 : 3. Maar voor zijn zendingsarbeid had hij hulp noodig. Behalve de apostelen had Jezus ook reeds andere zeventig uitgezonden, om in de steden en vlekken, waar Hij komen zou, zijne komst voor te bereiden, Luk. 10. Toen de gemeente in Jeruzalem door de vervolging vertrooid werd, ging Philippus, een van de in Hd. 6 verkozen zeven mannen, het evangelie prediken onder de Samaritanen, Hd. 8 : 5, aan den eunuch der koningin Candace, 8 : 26, cf. 11 : 20, en verder tot Cesarea toe, 8 : 40, 21 : 8. En zoo bediende zich Paulus bij zijn zendingsarbeid van mannen als Barnabas, Markus, Lukas, Silas, Tychicus, Aristarchus, Epaphras, Apollos, Timotheus, Titus e.a., die als zijne sunergoi, 1 Thess. 3 : 2 hem ter zijde stonden. Deze hulpzendelingen der apostelen werden nu door Paulus soms ook apostelen genoemd, omdat zij wel niet rechtstreeks door Jezus |67| Christus, maar toch onder leiding des H. Geestes door de gemeente gezonden waren, om op andere plaatsen het evangelie te verkondigen, Hd. 13 : 2, 3, cf. 2 Cor. 8 : 23, ‡postoloi kkljsiwn. Het woord apostel kreeg naast den engeren dus ook een ruimeren zin, Hd. 14 : 4, 14, Rom. 16 : 7, 1 Cor. 4 : 6, 9, 9 : 5, 15 : 7, 2 Cor. 11 : 5, 13, 12 : 11, Gal. 1 : 19, 1 Thess. 2 : 6, Op. 2 : 2 en leefde zoo ook nog later in den na-apostolischen tijd, bijv. in de Didache c. 11 voort. Elders dragen deze apostolische helpers den naam van evangelisten, Hd. 21 : 8, Ef. 4 : 11, 2 Tim. 4 : 5, omdat zij, gelijk Christus door den Vader, Luk. 4 : 18, en de apostelen door Christus, Luk. 9 : 1, 6, zoo op hun beurt onder de leiding des Geestes door de gemeente werden afgezonderd voor de verkondiging van het evangelie, Hd. 8 : 5, 12, 40, 11 : 19, 20, 22, 13 : 2, 2 Cor. 8 : 18, 19, 23, Phil. 2 : 25, 1 Tim. 4 : 14. Zij komen dus in drie opzichten met de apostelen in enger zin overeen, 1º daarin, dat zij ook dienaren Gods of van Christus zijn, 1 Thess. 3 : 2, 1 Tim. 4 : 6, 6 : 11, 2 Tim. 2 : 24 en niet maar een charisma hebben ontvangen, 1 Tim. 4 : 14, 2 Tim. 1 : 6, doch werkelijk krachtens eene bijzondere roeping en aanstelling een ambt dragen, onder een bepaalden naam, Hd. 21 : 8, met een eigen rang en plaats, Ef. 4 : 11, en met een speciale taak, 2 Tim. 4 : 5; 2º dat hun ambt niet tot eene plaatselijke kerk beperkt is, maar zich uitstrekt tot alle kerken, tot de ecclesia universalis, Hd. 13 : 4 v., zoodat zij naar de oud-kerkelijke verklaring pantacou periiontev kjrutton en macht en gezag hadden over alle kerken, Tit. 1 : 5, en 3º dat zij deelnemen aan den grondleggenden en gemeentestichtenden arbeid der apostelen; zij zijn hunne sunergoi, 1 Thess. 3 : 2, sunekdjmoi, Hd. 19 : 29, sunstratiwtai, Phil. 2 : 25, sundouloi, Col. 1 : 7, 4 : 7, die natmaken wat de apostelen hebben geplant, 1 Cor. 3 : 6, en bij relatieve zelfstandigheid toch aan de apostelen onderworpen waren, Hd. 19 : 22, 1 Cor. 4 : 17, 1 Tim. 1 : 3, Tit. 1 : 5 enz. en ten deele alleen, ten deele ook in gezelschap van de apostelen werkten, ib. en Hd. 11 : 30, 12 : 25, 13 : 2 enz. In den na-apostolischen tijd verdwijnt het ambt geheel en wordt de naam sedert Tertullianus, Origenes en Eusebius gebruikelijk voor de schrijvers der vier evangeliën, die als het ware de personen der evangelisten overbodig maken. Cf. over de evangelisten: Suicerus s.v. Witsius, Misc. Sacra I 315 II 564. Voetius, Pol. Eccl. III 364-369. |68| Mastricht, Theol. VII 2, 18. Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 S. 220 f. Philippi, Kirchl. Gl. V 3, 277. Sohm, Kirchenrecht 42. Zöckler, Diakonen und Evangelisten, München Beck 1893.

Naast de evangelisten treden in het N.T. nog profeten op, die zelfs nog vóór hen genoemd worden, Rom. 12 : 6, 1 Cor. 12 : 28, 29, Ef. 4 : 11, soms zonder hen met de apostelen verbonden worden, Ef. 2 : 20, 3 : 5, en dus in rang en eere boven hen staan. Zij waren door Jezus beloofd, Mt. 23 : 34, Luk. 11 : 49, werden door den H. Geest, die op den pinksterdag uitgestort was, verwekt, Hd. 2 : 17, 18, 1 Cor. 12 : 10, Op. 1 : 10 en komen dan in grooten getale en in bijna alle gemeenten voor, in Jeruzalem, Hd. 6 : 5, 8, 11 : 27, Antiochie, 11 : 27, 13 : 1, Cesarea 21 : 9, 10, Corinthe, 1 Cor. 12, en allerwege, gelijk uit hunne vermelding in Rom. 12 : 6, 1 Cor. 12 : 28, Ef. 2 : 20, 3 : 5, 4 : 11, 1 Thess. 5 : 20 blijkt. Zij worden besloten met Johannes, den apostel, Op. 1 : 1, en verdwijnen dan als stand uit de gemeente geheel. Wel spreken de apostolische vaders nog van profeten, Hermas, Mand. 11 Vis. 3. Didache 11. 15, maar zij denken daarbij aan zulke mannen, die rondreisden en in verschillende gemeenten over de christelijke waarheid spraken maar daarbij nauwkeurig onderzocht en van valsche profeten onderscheiden moesten worden; de tijd voor de profetie was voorbij. Het Montanisme en andere enthusiastische richtingen van vroeger en later tijd trachtten de profetie wel te doen herleven; Rome beweert, dat de profetische gave nog voortduurt, Bellarminus, de notis eccl. c. 15. Zwingli en velen na hem voerden zoogenaamde profetieën in, waarbij de Schrift voor het volk werd verklaard, art. Prophezei in Herzog2 en Dr. H.H. Kuyper, De opleiding tot den dienst des Woords bij de Gereformeerden 1891 bl. 104 v. Maar dat alles is wezenlijk onderscheiden van de profetie, gelijk die in de eerste christelijke kerken bestond. Deze onderscheidt zich door het volgende: 1º de N.T. profeten kunnen wel ambtsdragers heeten, maar hun ambt is toch veel meer charismatisch dan dat van evangelisten en apostelen. Zij worden niet onmiddellijk door Christus noch ook door zijne gemeente geroepen en aangesteld, maar ontvangen een bijzonder charisma van den H. Geest, en zijn dientengevolge geroepen, om eene bijzondere taak te vervullen in de gemeente van Christus. 2º Met de apostelen en evangelisten |69| hebben zij gemeen, dat zij een ambt bekleeden, hetwelk voor heel de kerk van Christus op aarde geldt en alzoo ook medearbeiden aan de grondlegging der gemeente, Ef. 2 : 20, maar terwijl de evangelisten de apostelen vooral helpen in hun missioneerenden en institueerenden arbeid, staan de profeten hun ter zijde in hun opbouwende, stichtende, leerende werkzaamheid. 3º De N.T. profetie is wel bewust en daarom hoog te achten boven de glossolalie, 1 Cor. 14 : 5, 32, maar zij is toch momentaan en buitengewoon, vrucht van ‡pokaluyiv. 1 Cor. 14 : 30; zij breidt de natuurlijke mate van het weten en kennen uit, omvat zoowel den vorm als den inhoud der rede, Mt. 10 : 19, 20, bewijst zich als waarheid door hare innerlijke, overtuigende kracht, 2 Cor. 2 : 14-17, en diende vooral, om aan het evangelie, dat door de apostelen verkondigd werd, dat den Joden een ergernis en den Grieken een dwaasheid was, en nog niet in het geschrevene Woord voor heel de kerk toegankelijk was, ingang te verschaffen bij geloovigen en ongeloovigen en de gemeente alzoo door leering, vermaning, vertroosting, 1 Cor. 14 : 3, op te bouwen in de genade en kennis van den Heere Jezus Christus. Cf. over de N.T. profeten: Voetius, Pol. Eccl. III 369 cf. Disp. Sel. II 1036 sq. Witsius, Misc. Sacra I 282 sq. Neander, Gesch. d. Pflanzung u. Leitung der chr. K5. 182 f. Bonwetsch, Die Prophetie im ap. u. nachap. Zeitalter, Zets. f. k. Wiss. u.k. Leben 1884 S. 408 f. Burger, art. in Herzog2 12, 265. Zöckler, t.a.p. 71 f. Weiszäcker, Das apost. Zeitalter, 584 f. enz.

Maar hoe nauw profeten en evangelisten ook aan de eigenlijke apostelen verwant zijn, zij zijn er toch wezenlijk van onderscheiden. De apostelen vormen een eigen kring, hun ambt draagt een gansch bijzonder karakter, en is door de volgende trekken kenbaar. 1º De apostelen zijn aan Christus door den Vader gegeven, Joh. 17 : 6, door Hemzelven uitverkoren en geroepen, Joh. 6 : 70, 13 : 18, 15 : 16, 19, 1 Cor. 1 : 17, 2 Cor. 5 : 20, Gal. 1 : 1, door God gekozen tot hun ambt, Hd. 10 : 41. 2º Zij zijn door Jezus zelf voor hunne taak opgeleid en bekwaamd, zijn oor- en ooggetuigen van zijne woorden en daden geweest, hebben het Woord des levens met de oogen aanschouwd en met de handen getast, en hun evangelie niet van eenig mensch maar van Christus zelven ontvangen, Luk. 24 : 48, Joh. 1 : 4, 15 : 27, Hd. 1 : 21, 22, 26 : 16, 1 Cor. 9 : 1, 15 : 8, 2 Cor. 12 : 1v., Gal. 1 : 12, Ef. 3 : 2-8, |70| 1 Tim. 1 : 12, 1 Joh. 1 : 1-3 enz. 3º Zij zijn in bijzondere mate den H. Geest deelachtig, die hen onderwijst en in alle waarheid leidt, Mt. 10 : 20, Joh. 14 : 26, 15 : 26, 16 : 7, 13, 14, 20 : 22, 1 Cor. 2 : 10-13, 7 : 40, 1 Petr. 1 : 12. 4º Met dien Geest toegerust, Joh. 20 : 22, Hd. 1 : 8, Ef. 3 : 5, treden zij openlijk op als getuigen van Jezus, bepaaldelijk van zijne opstanding, Hd. 1 : 8, 21, 22, 2 : 14, 32, 3 : 15, 4 : 8 enz., zijn betrouwbare getuigen, Luk. 1 : 2, Joh. 19 : 35, 21 : 24, 1 Cor 7 : 25, 1 Petr. 5 : 1, 2 Petr. 1 : 16, Hebr. 2 : 3, Op. 1 : 3, 22 : 18, 19, en verkondigen Gods Woord, Joh. 1 : 14, 20 : 31, 1 Cor. 2 : 13, 2 Cor. 2 : 17, Gal. 1 : 7, 1 Thess. 2 : 13, 1 Joh. 1 : 1-4, Op. 22 :18, 19. 5º Hun getuigenis wordt door God bezegeld met teekenen en wonderen en rijken geestelijken zegen, Mt. 10 : 1, 9, Mk. 16 : 15v., Hd. 2 : 43, 3 : 2, 5 : 12-16, 6 : 8 enz., Rom. 12 : 4-8, 15 : 18, 19, 1 Cor. 12 : 10, 28, 15 : 10, 2 Cor. 11 : 5, 23, Gal. 3 : 5, Hebr. 2 : 4. 6º Aan dit hun getuigenis is de kerk aller eeuwen gebonden. Er is geen gemeenschap met Christus dan door gemeenschap aan het woord en de personen der apostelen, Joh. 17 : 20, Gal. 1 : 7-9, 1 Joh. 1 : 3; zij zijn het fundament der kerk, Mt. 16 : 18, 1 Cor. 3 : 10, Ef. 2 : 20, Op. 21 : 14; hun woord, voor ons bewaard in de Schriften des N.T., is medium gratiae, Joh. 20 : 31, 1 Cor. 1 : 18v., 15 : 2, 1 Joh. 1 : 1-4. 7º Hun ambt is dus niet voor een tijd en niet tot eene plaatselijke gemeente beperkt, maar het blijft en strekt zich tot de gansche kerk uit. Het is het eenige, dat rechtstreeks door Christus ingesteld is en sluit alle bevoegdheden en werkzaamheden, die in de latere ambten verdeeld zijn, in zich, de pastorale, presbyterale, diakonale, zelfs ook de evangeliseerende en profetische werkzaamheid. Van stonden aan genieten de apostelen dan ook in de kerk van Christus eene algemeen erkende autoriteit. Zij zijn niet alleen de opzieners van de gemeente te Jeruzalem, maar zij zijn de grondleggers, de vaders, 1 Cor. 4 : 15, en leiders der gansche kerk, hebben opzicht over de geloovigen te Samaria, Hd. 8 : 14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9 : 32, 11 : 22, stellen ambten in, Hd. 6 : 2, nemen besluiten in den H. Geest, Hd. 15 : 22, 28, treden op met apostolische volmacht, 1 Cor. 4 : 21, 5 : 2, 2 Cor. 2 : 9, geven bindende bevelen, 1 Cor. 7 : 40, 1 Thess. 4 : 2, 11, 2 Thess. 2 : 15, 3 : 6, 14 enz. en zijn nog met hun woord gezaghebbend voor de gansche Christenheid; |71| apostoliciteit is een eigenschap en kenmerk der kerk van Christus. Cf. deel I 334v. en, voorts Voetïus, Pol. Eccl. III 351-363. Burmannus, Exerc. Acad. II 104 sq. Spanheim, Op. II 289 sq. Moor VI 250 e.a. bij Waleb, Bibl. theol. III 444. Philippi, Kirchl. Gl. V 3, 258. Gloël, Der H. Geist in der Heilsverkündigung des Paulus, Halle 1888 S. 325 f. W. Seufert, Der Ursprung u. die Bedeutung des Apostolates in de chr. K. der ersten 2 Jahrh, Leiden 1887. Kappel, Der Ursprung des Apost., Stud. u. Krit. 1889 S. 257-331. Erich Haupt, Zum Verständniss des Apost. Halle Niemeijer 1896. Art. Apostel van Schmidt in Herzog3.

Onder de apostelen staat Petrus bovenaan. Simon of Schimeon, zoon van Johannes of Jonas, broeder van Andreas, afkomstig uit Bethsaïda, Joh. 1 : 45, doch waarschijnlijk sedert zijn huwelijk wonende in Kapernaum, Mk. 1 : 29, ontving reeds bij zijne eerste ontmoeting van Jezus de toezegging, dat hij later zou genoemd worden Kjfav, gr. vorm voor het hebr. woord ¥k met het aram. artikel, de rots, Ó petra, als manl. eigennaam Petrov, Joh. 1 : 43. Zonder twijfel zinspeelde Jezus daarmede op zijn trouw karakter, dat hem in weerwil van zijne sauguinische, bewegelijke natuur eigen was en het duidelijkst uitkwam bij Cesarea Philippi, toen hij tegenover het volk, dat met zijne aardschgezinde verwachtingen zich in Jezus teleurgesteld zag en Hem verliet, de belijdenis van Jezus’ Messianiteit vasthield en openlijk in den naam zijner medediscipelen uitsprak, Mt. 16 : 13 tot 20, Mk. 8 : 27-29, Luk. 9 : 18-20, Joh. 6 : 66-69. Bij deze gelegenheid herinnerde Jezus dan ook aan den naam, dien Hij hem vroeger reeds gegeven had, Mt. 16 : 18. Door zijne vrijmoedige en standvastige belijdenis van Jezus als den Christus betoonde zich Petrus de rots te zijn, op welke Christus zijne gemeente zoo hecht en vast zou bouwen, dat de poorten van den Hades haar niet in kracht overtreffen zouden. Volgens Launoi dachten 17 kerkvaders bij de rots aan Petrus, 8 aan de apostelen, 44 aan het geloof van Petrus en 16 aan Christus, bij Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 411; later hebben de Roomschen de rots meest op Petrus en de Protestanten op zijne belijdenis laten slaan. Maar er is hier geen dilemma. De woorden „deze petra” kunnen niet anders zien dan op den persoon van Petrus, maar een rots is hij en heeft hij zich bewezen te zijn door zijne belijdenis van Jezus als den Christus, eene belijdenis, die hij niet |72| aan zichzelven maar aan de openbaring des Vaders heeft te danken. Juist daarom belooft Jezus hem, dat Hij op hem als belijder van zijn Zoonschap en Messianiteit zijne gemeente bouwen tal. Christus stelt dus zichzelf als den bouwmeester van zijne gemeente voor en Petrus den belijder als de rots, waarop zijne gemeente rusten zal. In Mt. 21 : 42, Hd. 4 : 11, 1 Cor. 3 : 10, Ef. 2 : 20, Op. 21 : 14, cf. 1 Petr. 2 : 4-6 is hetzelfde beeld gebruikt, maar wordt het op eene andere wijze toegepast. Daar worden n.l. de apostelen gedacht als de bouwmeesters, die door hunne prediking op Christus als het fundament de kerk hebben gegrondvest. Maar hier in Mt. 16 : 18 is Christus de bouwmeester, die op den belijdenden Petrus zijne gemeente bouwt. En deze belofte heeft Christus gestand gedaan; Petrus is de eerste onder de apostelen, de voornaamste grondlegger der kerk, de voorganger en aanvoerder van al de belijders van Christus door de eeuwen heen. Daarom wordt hij in de apostellijsten altijd het eerst genoemd, Mt. 10 : 2, Mk. 3 : 16, Luk. 6 : 14, Hd. 1 : 13, behoort bij met Johannes en Jakobus tot den intiemen vriendenkring van Jezus, die dezen volgen mag, als de anderen moeten achterblijven, Mt. 17 : 1, Mk. 5 : 37, 13 : 3, 14 : 33, is de woordvoerder en vertegenwoordiger der discipelen, Mt. 16 : 17, 17 : 24, 18 : 21, 26 : 40, treedt na Jezus’ hemelvaart als eerste getuige onder de apostelen op den voorgrond, Hd. 1 : 15, 2 : 14, 3 : 1v., 4 : 8, 5 : 3, 29, 8 : 14, 10 : 5v., 12 : 3v., 15 : 7v., en wordt als primus inter pares ook door Paulus geëerd, Gal. 1 : 18, 2 : 7-9. Cf. art. Petrus in Herzog2 en de daar aangehaalde litt.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004