2. Hieruit wordt verklaard, dat het christelijk spraakgebruik het woord sunagwgj alleen van de godsdienstige vergaderingen der Joden en van de gebouwen, waarin zij plaats had, bleef bezigen, Mt. 4 : 23, Hd. 13 : 43, Op. 2 : 9, 3 : 9, maar overigens van het woord kkljsia zich ging bedienen. Wel komt dit woord in het N.T. enkele malen nog van volksvergaderingen voor, Hd. 7 : 38, 19 : 32, 39, 41; maar doorgaans heeft het een godsdienstig karakter en duidt het de N. Testamentische gemeente aan. In de patristische litteratuur en vooral bij de Ebionieten wordt de christelijke gemeente nog wel eens door sunagwgj aangeduid, maar weldra maakt dit woord toch geheel voor kkljsia plaats, Schürer t.a.p. 432. Sohm, Kirchenrecht 16 f. Cremer s.v. Het was trouwens Christus zelf, die het eerst het woord lhq, kkljsia toepaste op de gemeente, welke Hij rondom zich vergaderde, Mt. 16 : 18, 18 : 17. Vele nieuwere critici zijn van meening, dat dit woord Jezus later in den mond is gelegd, Holtzmann, Neut. Theol. I 210. Maar er bestaat hiervoor geen grond, en er is niets bevreemdends in, dat Jezus dat woord in dien zin gebruikte. Want wel trad Jezus op met de prediking van het koninkrijk der hemelen. Maar Hij droeg daarvan terstond eene gansch andere opvatting voor dan zijne tijdgenooten en leefde eerst volstrekt niet in de verwachting, dat het gansche |5| volk zich bekeeren en Hem volgen zou. Johannes zonderde reeds door den doop der bekeering de ware Israelieten van de massa des volks af. En Jezus was zich niet alleen van den aanvang zijn zoonschap, zijn messianiteit en zijn toekomstig lijden bewust, deel III 235v.; maar Hij verkoor ook een aantal jongeren en vergaderde hen rondom zich; Hij zond hen uit, om te prediken en discipelen te winnen; Hij gaf aan zijne volgelingen andere wetten, dan die in de kringen van het Joodsche volk golden, Mt. 5-7, 18 : 15-35, 20, 28 enz. Zoo kwam er allengs eene schare van discipelen rondom Hem te staan, die zich onderscheidde en afzonderde van het volk der Joden. En op deze schare paste Jezus nu het woord lhq, kkljsia toe. Zij waren de ware kkljsia, het echte volk Gods, gelijk Israel dat had behooren te zijn maar nu in de verwerping van den Messias betoonde niet te wezen. Jezus kwam immers niet, om iets volstrekt nieuws te scheppen, maar om de wet en profeten in vervulling te doen gaan en de echte, wezenlijke lhq te herstellen. Als Jezus dit woord dan ook in Mt. 16 : 18 en 18 : 17 bezigt van zijne gemeente, gebruikt Hij het daarom ook nog in gansch algemeenen zin. Hij zegt niet, dat die lhq, kkljsia, plaatselijk zal zijn of over heel de aarde zich zal uitbreiden; de latere onderscheiding van plaatselijke en algemeene kerk is hier nog niet te vinden. Maar Jezus zegt heel in het algemeen, dat Hij zijne kkljsia, in tegenstelling met die der Joden, bouwen zal, niet op de wet, maar op Petrus’ belijdenis van zijne messianiteit, en dat Hij ze daarom ook zelfstandig inrichten en naar eigen wetten zal doen leven. In de discipelen, die Jezus zelf rondom zich vergaderde, zijn reeds de aanvangen aanwezig van de N.-Test. gemeente. Maar zoolang Jezus op aarde was, bleef Hij zelf het persoonlijk middelpunt en trad de gemeenschap der jongeren nog terug. Zij waren nog niet zelfstandig en moesten dagelijks door Hem geleerd en geleid worden. En de Heilige Geest was nog niet, overmits Christus nog niet was verheerlijkt. Maar na Jezus’ heengaan sluiten zij zich terstond nauwer aaneen, Hd. 1 : 14, en ontvangen op den pinksterdag in den H. Geest een eigen levensprincipe, dat hen zelfstandig maakt tegenover het volk der Joden en hen onderling ten nauwste verbindt. Dan wordt de gemeente van Christus in beginsel losgemaakt van Israels nationaal bestaan, van priester en wet, van tempel en altaar; zij wordt eene eigene, zelfstandige, |6| godsdienstige vergadering; zij treedt in de plaats van het oude Israel op als het volk, als de gemeente Gods.

Deze bestond eerst alleen te Jeruzalem. Maar spoedig kwamen er ook geloovigen te Samaria, te Antiochie en op vele andere plaatsen onder Joden en Heidenen; en ook hunne vergaderingen werden met den naam van kkljsia aangeduid; ook zij waren daar ter plaatse het volk, de gemeente Gods. Zoo kreeg het woord allengs onderscheiden beteekenissen. Jezus gebruikt het woord nog in algemeenen zin, zonder aan de latere onderscheidingen te denken. Maar na zijn heengaan wordt het toegepast op den kring van geloovigen op eene bepaalde plaats, wijl deze daar het volk Gods uitmaakt. En dan wordt het op hen toegepast, hetzij zij al dan niet in eene bepaalde vergadering bijeen zijn gekomen. In Hd. 5 : 11, 11 : 26, 1 Cor. 11 : 18, 14 : 19, 28, 35 slaat het woord kkljsia duidelijk op de vergadering of samenkomst der gemeente; maar elders komt het meermalen voor van de gemeente zelve, ook al is zij niet vergaderd, en kan er dus van kkljsiai in plurali gesproken worden, Rom. 16 : 4, 1 Cor. 16 : 1, Gal. 1 : 2, 1 Thess. 2 : 14 enz. Nog enger beteekenis krijgt het woord, wanneer het gebezigd wordt van een gedeelte der geloovigen, dat op eene bepaalde plaats in een private woning vergadert. In steden n.l., waar het getal Christenen zeer groot werd, moest men wel tot zoogenaamde huisgemeenten komen. De Joden hadden in verschillende plaatsen, bijv. in Rome, meer dan ééne synagoge; en de Christenen werden te meer genoodzaakt, zich bij de samenkomst te verdeelen, wijl zij in den eersten tijd geen kerkgebouwen hadden maar in de woning van een der gemeenteleden vergaderden. Volgens Hd. 19 : 9 kwamen de Christenen te Efeze een tijd lang saam in de misschien daarvoor gehuurde zaal van een zekeren Tyrannus, maar in den regel hadden zij hunne vergaderplaats in eene private woning. Bij eene eenigszins aanzienlijke uitbreiding der gemeente moesten zij daarom in verschillende woningen samenkomen en een soort van huisgemeenten vormen. Dit was het geval in Jeruzalem, waar de gemeente weldra duizenden zielen sterk was, Hd. 2 : 41, 46, 47, 4 : 4, 5 : 14, 8 : 3, 11 : 21, 12 : 12, 17, 21 : 8, en zoo ook in Rome, Rom. 16 : 23, Corinthe, 1 Cor. 16 : 19, Colosse, Philem. 2, Laodicea, Col. 4 : 15. Deze huisgemeenten werden elk voor zich eene kkljsia geheeten. Maar daarbij wordt de eenheid geen |7| oogenblik uit het oog verloren. Want al komen de geloovigen in dezelfde stad soms vanwege hun groot aantal in verschillende woningen saam, zij vormen toch daar ter plaatse met elkaar de ééne kkljsia, Hd. 5 : 11, 8 : 1 enz. Indien de lezing van Tischendorf in Hd. 9 : 31 juist is, worden daar al de gemeenten van Judea, Galilea en Samaria onder den éénen naam van kkljsia in singulari samengevat. En in Rom. 12 : 5, 1 Cor. 12 : 12-28, 15 : 9, Gal. 1 : 13, Phil. 3 : 6, Ef. 1 : 22, 5 : 32, Col. 1 : 18, 24, 25 worden op dezelfde wijze alle gemeenten als ééne kkljsia saamgenomen en omschreven als het lichaam, de bruid, het pleroma van Christus. Deze eenheid van alle gemeenten komt ook niet eerst aposteriori door belijdenis, kerkenorde en synodaal verband tot stand; de kerk is geen associatie van personen, die eerst buiten haar om tot het geloof zijn gekomen en daarna zich hebben vereenigd. Maar zij is een organisme, waarin het geheel aan de deelen voorafgaat; hare eenheid gaat aan de veelheid der plaatselijke gemeenten vooraf en ligt in Christus. Hij is het, die, in den staat der verhooging zijn middelaarswerk voortzettend, zijne gemeenten uit zich als het hoofd samenvoegt en opbouwt, Ef. 1 : 23, 4 : 16, 5 : 23, Col. 1 : 18, 2 : 19, die haar vergadert en regeert, Joh. 10 : 16, 11 : 52, 17 : 20, 21, Hd. 2 : 33, 47, 9 : 3 v., altijd bij haar blijft, Mt. 18 : 20, 28 : 20, ten nauwste met haar is vereenigd, Joh. 15 : 1 v., 17 : 21, 23, 1 Cor. 6 : 15, 12 : 12-27, Gal. 2 : 20, en door zijnen Geest in haar woont, Rom. 6 : 5, 8 : 9-11, 1 Cor. 6 : 15 v., Ef. 3 : 17 enz. In zoover is de bewering van Sohm, Kirchenrecht S. 20 juist, dat de algemeene kkljsia aan de plaatselijke gemeenten voorafgaat; zij is wel niet het historische, maar toch het logische prius, Holtzmann, Neut. Theol. II 177; elke plaatselijke gemeente is het volk Gods, het lichaam van Christus, op het fundament van Christus gebouwd, 1 Cor. 3 : 11, 16, 12 : 27, omdat zij daar ter plaatse datzelfde is, wat de gemeente in haar geheel is, en Christus voor haar is, wat Hij voor de gansche gemeente is, Zahn, Einl. in das Neue Test. I 355 f. In de verschillende plaatselijke vergaderingen der geloovigen komt de ééne gemeente van Christus tot openbaring. Haar wezen ligt, zoo voor het geheel als voor elk der deelen in het bijzonder daarin, dat zij het volk Gods is, Rom. 9 : 25, 2 Cor. 6 : 16, 18, Tit. 2 : 14, Hebr. 8 : 10, 13 : 12, 1 Petr. 2 : 9, 10, bestaande uit menschen, die den Heere |8| toegedaan en tot Hem bekeerd zijn, Hd. 5 : 14, 14 : 15, die den naam van discipelen, broeders, uitverkorenen, geroepenen, heiligen, geloovigen dragen, Hd. 1 : 15, 6 : 1, 9 : 1, 32, Rom. 1 : 7, 1 Cor. 1 : 2 enz. In den ruimsten zin is kkljsia de vergadering van al het volk Gods, op aarde niet alleen maar ook in den hemel, Heb. 12 : 23, in het verleden en heden niet slechts maar ook in de toekomst, Joh. 10 : 16, 17 : 20.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004