3. Op dezelfde wijze als over de heiligmaking, spreekt de Schrift over de volharding der heiligen. Zij vermaant de geloovigen, om te volharden tot het einde toe, Mt. 24 : 13, Rom. 2 : 7, 8, om te blijven in Christus, in zijn woord, in zijne liefde, Joh. 15 : 1-10, I 2 : 6, 24, 27, 3 : 6, 24, 4 : 12v., om niet af te wijken maar het geloof te behouden, Col. 1 : 23, Hebr. 2 : 1, 3 : 14, 6 : 11, om getrouw te zijn tot den dood, Op. 2 : 10, 26. Soms spreekt zij zoo, alsof afval mogelijk ware; wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle, 1 Cor. 10 : 12; waarschuwt tegen hooggevoeligheid en dreigt in geval van ontrouw met zware straf, Ezech. 18 : 24, Mt. 13 : 20, 21, Joh. 15 : 2, Rom. 11 : 20, 22, 2 Tim. 2 : 12, Hebr. 4 : 1, 6 : 4-8, 10 : 26-31, 2 Petr. 2 : 18-22. Zelfs schijnt zij verschillende voorbeelden te noemen, waarin afval plaats heeft gehad, David in zijn overspel, Salomo in zijne afgoderij, Hymeneus en Alexander, 1 Tim. 1 : 19, 20, 2 Tim. 2 : 17, 18, Demas, 2 Tim. 4 : 10, valsche profeten en leeraars, die den Heer, die hen kocht, verloochenen, 2 Petr. 2 : 1, geloovigen, die van de genade en het geloof afvallen, Gal. 5 : 4, 1 Tim. 4 : 1. Op deze teksten steunende, hebben Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Mennonieten, Kwakers, Methodisten enz., en ook zelfs de Lutherschen de mogelijkheid van een totaal verlies der ontvangen genade geleerd, M. Vitringa III 415 sq. Daarentegen kwam Augustinus tot de belijdenis der perseverantia sanctorum; doch wijl hij de onzekerheid en vreeze ten opzichte van de zaligheid in de geloovigen heilzaam achtte, leerde hij, dat de door den doop wedergeborenen de genade, die zij ontvangen hadden, weer verliezen konden, doch haar, indien zij behoorden tot het getal der praedestinati, in elk geval vóór den dood terug ontvingen; geloovigen konden dus totaliter maar uitverkorenen konden niet finaliter de genade verliezen. In de Katholieke en Roomsche kerk stemden vroeger en later velen met hem in; maar toch is deze leer alleen door de Gereformeerden gehandhaafd en met de certitudo fidei verbonden, |566| Zwingli, bona opera via regni, non causa regnandi (Bernardus). den locus de vita christiana. Op. IV 121. Calvijn, Inst. II 3, 11. 5, 3. III 24, 6. 7 enz. Polanus, Synt. VI 43. Heid. Cat. vr. 1. 53. 54. Can. Dordr. c. 5. Trigland, Antapol. c. 39-41. Gomarus, Op. II 280. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 20-22. Moor IV 387 V 158. M. Vitringa III 415 enz., en in den nieuweren tijd Schleiermacher, Chr. Gl. § 111. Schweizer, Chr. Gl. II 368. 509. Scholten, L.H.K. II 505v. Van Oosterzee § 121.

Nu is het bij deze leer der volharding niet de vraag, of zij, die het ware, zaligmakend geloof deelachtig zijn, niet, aan zichzelven overgelaten, het weder door eigen schuld en zonde zouden kunnen verliezen; evenmin of bij hen niet soms feitelijk alle werkzaamheid, vrijmoedigheid en troost des geloofs ophoudt en het geloof zelf onder de zorgvuldigheden des levens en de genietingen der wereld in het verborgen zich terugtrekt. Maar de vraag is, of God het werk der genade dat Hij begon, ook handhaaft, voortzet en voleindigt, dan wel of Hij het soms door de macht der zonde ganschelijk te niet laat gaan. De perseverantia is geen daad des menschen maar zij is eene gave Gods. Augustinus heeft dit goed ingezien; alleen maakte hij tusschen tweeërlei genade onderscheid, en achtte eene genade der wedergeboorte en des geloofs mogelijk, die in zichzelve verliesbaar was en waaraan, om te blijven bestaan, nog van buiten af eene tweede genade, die der perseverantia, moest worden toegevoegd. De tweede genade is dan een donum superadditum, houdt met de eerste geen verband en staat feitelijk zonder eenigen invloed buiten het christelijk leven. Bij de Gereformeerden was de leer van de volharding eene gansch andere; zij was eene gave Gods; Hij waakt en zorgt, dat het werk der genade voortgang en voltooiing hebbe; maar Hij doet dit niet buiten de geloovigen om doch door hen henen. Hij geeft in wedergeboorte en geloof eene genade, die ook in zichzelve een onverliesbaar karakter draagt; Hij schenkt een leven, dat van nature eeuwig is; Hij verleent weldaden van roeping, rechtvaardigmaking, verheerlijking, die onderling onverbreekbaar samenhangen. Al de bovengenoemde vermaningen en bedreigingen, die de Schrift tot de geloovigen richt, bewijzen dan ook niets tegen de leer der volharding. Zij zijn juist de weg, waarin God zelf door de geloovigen heen zijne belofte en gave bevestigt; zij zijn de middelen, waardoor de volharding in het leven gerealiseerd wordt. |567| Ook de volharding toch is geen dwang maar werkt als gave Gods op geestelijke wijze op den mensch in. God wil juist op zedelijke wijze, door vermaning en waarschuwing, den geloovige tot de hemelsche zaligheid leiden en doet hem zelf gewillig, door de genade des H. Geestes, volharden in geloof en in liefde. Gansch verkeerd is het daarom, uit de vermaningen des H. Schrift tot de mogelijkheid van het totale verlies der genade te besluiten. Deze conclusie is even onwettig, als wanneer bij Christus uit zijne verzoeking en strijd tot zijn posse peccare besloten wordt. De zekerheid der uitkomst maakt de middelen niet overbodig, maar ligt in Gods bestel daaraan onverbrekelijk vast. Paulus wist zeker, dat niemand bij de schipbreuk het leven verliezen zou; toch zegt hij: indien deze in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden, Hd. 27 : 22, 31. Wat de voorbeelden aangaat, welke de Schrift voor werkelijken afval zou aanhalen, dan is het onmogelijk te bewijzen, dat al die personen òf de werkelijke genade der wedergeboorte hebben gehad (Hymeneus, Alexander, Demas, personen in 1 Tim. 4 : 1, 2 Petr. 2 : 1) òf haar werkelijk in hun val hebben verloren en dan later weder terug hebben ontvangen (David, Salomo) òf ook ze werkelijk hebben gehad doch nooit terug ontvingen (Hebr. 6 : 4-8, 10 : 26-31, 2 Petr. 2 : 18-22). Deze laatste teksten schijnen het grootste bezwaar in den weg te leggen voor de belijdenis der perseverantia sanctorum. Toch is dit maar schijn. Want ook zij, die de mogelijkheid van afval leeren, moeten aannemen, dat hier van eene gansch bijzondere zonde sprake is. Immers is volgens henzelven de genade wel verliesbaar maar ook na totaal verlies weer herkrijgbaar. Het gevoelen der Montanisten en Novatianen, die uit deze plaatsen afleidden, dat afgevallenen nooit meer in de kerk mochten opgenomen worden, is door de christelijke kerken algemeen verworpen. Wanneer de Schrift dan toch uitdrukkelijk zegt, dat het onmogelijk is, om zulken, van welke in die teksten sprake is, wederom te vernieuwen tot bekeering, Hebr. 6 : 4, 10 : 26, 2 Petr. 18 : 20, 1 Joh. 5 : 16, dan is het onwedersprekelijk, dat hier eene zonde bedoeld wordt, die het oordeel der verharding medebrengt en bekeering onmogelijk maakt. En zulk eene zonde is er, ook naar de belijdenis van hen, die de mogelijkheid van afval aannnemen, slechts ééne, n.l. de lastering tegen den H. Geest, boven bl. 101. Indien dit nu zoo is, leidt de leer van den afval der heiligen tot |568| de gevolgtrekking, dat de lastering tegen den H. Geest ook of zelfs alleen door wedergeborenen bedreven kan worden, Quenstedt, Theol. II 157, of de bovengenoemde teksten verliezen tegen de perseverantia sanctorum alle bewijskracht. Maar daarbij komt nog meer. Zij, die totalen afval mogelijk achten, moeten onderscheid maken tusschen zulke zonden, waardoor de genade der wedergeboorte niet, en andere, waardoor zij wel verloren wordt; zij zijn m.a.w. gedwongen, om tot de Roomsche leer van de peccata mortalia en venialia de toevlucht te nemen, tenzij zij zouden willen, dat die genade door iedere, ook de geringste, zonde teloor ging. Hierdoor echter wordt heel de moraal vervalscht, de natuur der zonde miskend, eene de gewetens verstrikkende en benauwende casuistiek ingevoerd. Voorts komt het op dit standpunt tot geen zekerheid des geloofs, tot geen rustigen arbeid, tot geen stille ontwikkeling en groei van het christelijk leven. De continuiteit kan ieder oogenblik verbroken worden; Hollaz, Ex. 883 tracht te betoogen, dat de wedergeboorte drie, vier en meer malen verloren en weder terug-ontvangen kan worden, cf. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 233 f. Eindelijk ontkomt de leer van den afval der heiligen zoo weinig aan de moeilijkheden, die zij ontwijken wil, dat zij deze nog vergroot en vermeerdert. Want indien zij daarbij vasthoudt de onveranderlijkheid van Gods praescientia, worden toch eindelijk alleen zij zalig, van wie God dit eeuwig zeker geweten heeft; en de menschelijke wil kan deze zekerheid der uitkomst niet te niet doen. Of ook moet zij voortschrijden tot loochening van praedestinatio en praescientia in elken zin, en dan maakt zij alles wankel en onvast, de liefde des Vaders, de genade des Zoons en de gemeenschap des H. Geestes. God moge zijne liefde hebben geopenbaard, Christus moge voor zondaren gestorven zijn, de H. Geest moge wedergeboorte en geloof in het hart hebben geplant, de geloovige moge met Paulus kunnen zeggen: ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch; ten slotte is tot in de stervensure toe, en waarom ook nog niet aan gene zijde des grafs, de wil van den mensch de beslissende en alles beheerschende macht. Het zal alles zijn, gelijk hij bepaalt.

De Schrift leert echter geheel anders. Reeds het O. Testament spreekt het duidelijk uit, dat het verbond der genade niet afhangt van de gehoorzaamheid des menschen. Wel brengt het de |569| verplichting mede, om in den weg des verbonds te wandelen, maar zelf rust het alleen in Gods ontferming. Als desniettemin de Israelieten zich telkens aan ontrouw en echtbreuk schuldig maken, leiden de profeten daaruit niet af, dat God verandert, dat zijn verbond wankelt en zijne belofte faalt. Integendeel, God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij heeft er zich vrijwillig, met een duren eed aan Israël door verbonden; zijn roem, zijn naam, zijn eere hangt eraan; Hij kan zijn volk niet verlaten: het is een eeuwig verbond, dat van geen wankelen weet; Hij zal zelf aan zijn volk een nieuw hart en een nieuwen geest geven, de wet in hun binnenste schrijven en hen in zijne inzettingen doen wandelen, boven bl. 194. En als later Paulus voor datzelfde feit van Israels ontrouw staat, het hart van droefheid vervuld, dan besluit hij daaruit niet, dat het woord Gods is uitgevallen, maar blijft hij gelooven, dat God zich ontfermt diens Hij wil, dat zijne genadegiften en roeping onberouwelijk zijn, en dat niet allen Israel zijn, die uit Israel zijn, Rom. 9-11. En evenzoo getuigt Johannes van hen, die afvallig worden: zij waren uit ons niet, anders zouden zij met ons gebleven zijn, I 2 : 9. Wat afval er dus ook onder de Christenheid plaats hebbe, het mag ons nimmer doen twijfelen aan de onveranderlijkheid Gods, aan de vastheid van zijn raad, aan de onverbreekbaarheid van zijn verbond, aan de trouw zijner beloften. Eer moet men alle schepsel varen laten dan dat men niet vertrouwe op zijn woord. En dat woord is ééne rijke belofte voor de erfgenamen des koninkrijks. Er zijn niet enkele teksten, die de volharding leeren; het gansche evangelie draagt en bevestigt ze. De Vader heeft hen verkoren vóór de grondlegging der wereld, Ef. 1 : 4, hen verordineerd ten eeuwigen leven, Hd. 13 : 48, tot gelijkvormigheid den beelde zijns Zoons, Rom. 8 : 29; en deze verkiezing is onveranderlijk, Rom. 9 : 11, Hebr. 6 : 17 en brengt te harer tijd roeping en rechtvaardiging en verheerlijking mede, Rom. 8 : 30. Christus, in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, 2 Cor. 1 : 20, is gestorven voor degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader, Joh. 17 : 6, 12, opdat Hij hun het eeuwige leven geve en niemand hunner verliezen zou, Joh. 6 : 40, 17 : 2 ; en daarom schenkt Hij hun het eeuwige leven en zullen zij niet verloren gaan in eeuwigheid, niemand zal hen uit zijne hand rukken, Joh. 6 : 39, 10 : 28: De H. Geest, die hen wederbaart, blijft eeuwig bij hen, |570| Joh. 14 : 16, en verzegelt hen tot den dag der verlossing, Ef. 1 : 13, 4 : 30. Het verbond der genade is vast en met een eed bevestigd, Hebr. 6 : 16-18, 13 : 20, onverbreekbaar als een huwelijk, Ef. 5 vs. 31, 32, als een testament, Hebr. 9 : 17, en krachtens dat verbond roept God zijne uitverkorenen, schrijft de wet in hun binnenste, legt zijne vreeze in hun hart, Hebr. 8 : 10, 10 : 14v., laat hen niet verzocht worden boven vermogen, 1 Cor. 10 : 13, bevestigt en voleindigt het goede werk, dat Hij in hen begon, 1 Cor. 1 : 9, Phil. 1 : 6 en bewaart hen voor de toekomst van Christus, om de hemelsche erfenis deelachtig te worden, 1 Thess. 5 vs. 23, 2 Thess. 3 : 3, 1 Petr. 1 : 4, 5. Door zijne voorbede bij den Vader is Christus alzoo werkzaam, dat hun geloof niet ophoudt, Luk. 11 : 32, dat zij in de wereld bewaard worden van den Booze, Joh. 17 : 11, 20, dat zij volkomen zalig worden, Hebr. 7 : 20, dat de zonden hun worden vergeven, 1 Joh. 2 : 1 en dat zij allen bij Hem zijn zullen en zijne heerlijkheid aanschouwen, Joh. 17 : 24. De weldaden van Christus, welke de H. Geest hen deelachtig maakt, zijn alle onberouwelijk, Rom. 11 : 29; die geroepen is, is verheerlijkt, Rom. 8 : 30; die tot een kind is aangenomen, is een erfgenaam des eeuwigen levens, Rom 8 : 17, Gal. 4 : 7; die gelooft, heeft hier reeds het eeuwige leven, Joh. 3 : 16. En dat leven zelf is, wijl eeuwig, ook onverliesbaar; het kan niet sterven, wijl het niet zondigen kan, 1 Joh. 3 : 9. Het geloof is een vaste grond, Hebr. 11 : 1, de hope is een anker, Hebr. 6 : 19 en beschaamt niet, Rom. 5 : 5, en de liefde vergaat nimmermeer, 1 Cor. 13 : 8.

Uit deze volharding vloeit een rijke troost voor de geloovigen en een overvloedige zegen voor het christelijk leven voort. Omdat God het goede werk, dat Hij begon, ook naar zijne belofte voleindigt, daarom kunnen en mogen de geloovigen ten allen tijde van hunne eeuwige zaligheid verzekerd zijn. Wie de rechtvaardigmaking alleen uit het geloof bestrijden of desniettemin, gelijk de Lutherschen, de perseverantia sanctorum verwerpen, kunnen deze certitudo fidei niet aanvaarden. Zelfs Augustinus durfde deze leer niet aan en zeide: Deus melius esse judicavit, miscere quosdam non perseveraturos certo numero sanctorum suorum, ut quibus non expedit in hujus vitae tentatione securitas, bij Schweizer, Centraldogmen I 42. Rome bepaalde dan ook, dat niemand met zekerheid weten kan, dat hij Gods genade verkregen heeft, tenzij |571| door bijzondere openbaring, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, en de Roomsche theologen spreken daarom alleen van eene certitudo moralis, conjecturalis, Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus, de justif. III c. 2 sq. Möhler zeide, dat het hem in de nabijheid van iemand, die altijd van zijne zaligheid zeker was, im höchsten Grade unheimlich zou zijn, en dat hij de gedachte niet van zich zou kunnen weren, dass etwas Diabolisches dabei unterlaufe, Symbolik S. 197. Ook de Remonstranten en in lateren tijd de Lutherschen bestreden de certitudo fidei, althans voor de toekomst; maar de Gereformeerden beleden de electie en schreven aan het geloof de vaste verzekerdheid der zaligheid toe, welke wel niet uit nieuwsgierige onderzoekingen naar den verborgen raad Gods, maar toch uit de natuur en de vruchten des geloofs door het getuigenis des H. Geestes verkregen kon worden. Het geloof toch is in zijn aard met allen twijfel in strijd; de zekerheid wordt er niet later van buitenaf aan toegevoegd, maar ligt er van den aanvang af in, en komt er te harer tijd uit voort; het is immers eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Hij getuigt daarin met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, Rom. 8 : 15, Gal. 4 : 6, doet de geloovigen roemen, dat niets hen scheiden zal van de liefde Gods in Christus, Rom. 8 : 38 en verzekert hen van hunne toekomstige zaligheid, Rom. 8 : 23, 2 Cor. 1 : 22, Ef. 1 : 13, 14, 4 : 30. En deze zekerheid des geloofs geeft kracht en steun aan het christelijk leven. Want dit heeft Ritschl helder in het licht gesteld: bij de Roomschen is de rechtvaardigmaking eene bekwaammaking tot de zedelijke bestemming, bij de Protestanten is zij de herstelling der religieuse verhouding tot God. Deze laatste moet voorafgaan, eer er van een waarlijk christelijk leven sprake kan zijn. Zoolang wij nog staan tegenover God als Rechter, door de wet het leven zoeken en met vreeze des doods bevangen zijn, is de liefde niet in ons, die de vrucht des geloofs, de vervulling der wet, de band der volmaaktheid is en alle vreeze buitensluit. Maar als in de rechtvaardigmaking de vrede met God, het kindschap, de vrijmoedige toegang tot den troon der genade, de vrijheid van de wet, de onafhankelijkheid van de wereld ons geschonken is, dan vloeien uit dat geloof de goede werken vanzelve voort. Zij dienen niet om het eeuwige leven te verwerven, maar zijn van het eeuwige leven, dat elk geloovige reeds bezit, openbaring, zegel en bewijs. Het geloof, dat de zekerheid |572| insluit, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hij dooden levend maakt en de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, stelt altijd tot groote dingen in staat. Het zegt tot den berg: word opgeheven en in de zee geworpen; en het geschiedt alzoo, Mt. 21 : 21. Cf. over de certitudo fidei: Calvijn, Inst. III 2, 14v enz. Acta Syn. Trid. c. antid. C.R. 35, 455. Zanchius, Op. VIII 227. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 8 sq. Can. Dordr. I 12. V 9-12. Rivetus, Op. III 470-478. Trigland, Antapol. c. 41. Keckermann e.a. bij Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 129-131. Hoornbeek, Theol. pract. II 64 sq. Love, Theol. Werken 126v. Erskine, De verzekering des geloofs, Werken, Amst. 1856 VI. Marshall, Evang. Heiligmaking bl. 195v. M. Vitringa III 89.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004